Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1302

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12/02141
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1351, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende betekeningsklacht. Het middel – dat niet klaagt over het niet zenden van een afschrift van de appeldagvaarding naar het in de appelakte opgegeven adres – kan niet tot cassatie leiden. HR: 81.1 RO. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02141

Mr. Machielse

Zitting 24 september 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft verdachte op 22 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2009, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand ter zake van

- feiten 1 en 4: “belaging, meermalen gepleegd”;

- feiten 2 en 5: “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting, meermalen gepleegd” en

- feit 3: “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. H. Polat, advocaat te Lelystad, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.1

3.1 Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

3.2 De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

( i) een dagvaarding van verdachte in hoger beroep om op 26 maart 2010 ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Uit de akte van uitreiking behorend bij deze dagvaarding blijkt dat de dagvaarding op 26 februari 2010 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch omdat van verdachte geen woon- of verblijfadres in Nederland bekend is. Op het aan deze akte gehechte GBA-overzicht is vermeld dat verdachte per 8 december 2008 is vertrokken naar Panama;

(ii) een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2010, inhoudende dat het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst;

(iii) een oproeping van verdachte in hoger beroep om op 28 oktober 2010 ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Uit de akte van uitreiking behorend bij deze oproeping blijkt dat de dagvaarding op 14 september 2010 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch omdat van verdachte geen woon- of verblijfadres in Nederland bekend is. Op de aan deze akte gehechte uitdraai uit de Strafrechtsketendatabank (SKDB) van 14 september 2010 is nog steeds Panama vermeld als verblijfsland van verdachte;

(iv) een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2010, inhoudende dat het onderzoek ter terechtzitting is geschorst tot de terechtzitting van 13 december 2010;

( v) een oproeping van verdachte in hoger beroep om op 13 december 2010 ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Uit de akte van uitreiking behorend bij deze oproeping blijkt dat de dagvaarding op 15 november 2010 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch omdat van verdachte geen woon- of verblijfadres in Nederland bekend is. Op de aan deze akte gehechte uitdraai uit de SKDB van 15 november 2010 is nog steeds Panama vermeld als verblijfsland van verdachte;

(vi) een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2010, inhoudende dat het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst teneinde te verifiëren of verdachte bij de gemeentelijke basisadministratie een adres in Panama heeft achtergelaten;

(vi) een oproeping van verdachte in hoger beroep om op 8 juni 2011 ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Uit de akte van uitreiking behorend bij deze oproeping blijkt dat de dagvaarding op 10 mei 2011 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch omdat van verdachte geen woon- of verblijfadres in Nederland bekend is. Op de aan deze akte gehechte uitdraai uit de SKDB van 10 mei 2011 is nog steeds Panama vermeld als verblijfsland van verdachte.

3.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2011 houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“Ter terechtzitting van 13 december 2010 is door het hof bepaald dat nog nagegaan moest worden of verdachte bij gelegenheid van zijn uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie een adres in Panama had achtergelaten. Het hof heeft een telefaxbericht d.d. 7 juni 2011 afkomstig van de afdeling Burgerzaken van de gemeente Almere, gericht aan het ressortsparket, ontvangen, waaruit blijkt dat verdachte bij gelegenheid van zijn uitschrijving geen adres heeft opgegeven in Panama.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

3.4 De steller van het middel voert aan dat door de gemeente Almere foutieve informatie is verstrekt omtrent de adresgegevens van verdachte, nu verdachte bij zijn vertrek uit Nederland heeft doorgegeven dat hij naar het adres [...] te Spanje verhuisde. De dagvaarding had dan ook naar dat adres moeten worden verzonden. Daarnaast wordt betoogd dat een afschrift van de dagvaarding aan het laatst bekende GBA-adres van verdachte had moeten worden verzonden.

3.5 Aan de schriftuur is gehecht een schermafdruk van de online e-mailaccount [...]@gmail.com, waarop is weergegeven een ongedateerde e-mail, ontvangen vanaf het e-mailadres info@almere.nl, inhoudende dat de “aanvraag/melding Verhuizing naar het buitenland (…) is verzonden op 13-12-2008.” Voor zover het middel berust op de stelling dat verdachte op 13 december 2008 aan de gemeente Almere heeft doorgegeven dat hij naar het hierboven weergegeven adres in Spanje verhuisde en dat de gemeente een fout heeft gemaakt bij de verwerking van deze adresgegevens, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit genoemde e-mail kan weliswaar volgen dat verdachte een “aanvraag/melding Verhuizing naar het buitenland” heeft gedaan, maar hieruit blijkt geenszins dat hij Spanje in plaats van Panama heeft opgegeven als land van bestemming, laat staan of hij daarbij een specifiek adres heeft genoemd en zo ja welk.

3.6 Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv wordt een dagvaarding of oproeping uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of adres in het buitenland bekend is.2 Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding en de daarop gevolgde oproepingen op de juiste wijze zijn betekend doordat deze telkens zijn uitgereikt aan de griffier, geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, bestond geen verplichting afschriften van deze stukken te verzenden naar het door de uitschrijving uit de GBA achterhaalde laatste GBA-adres van verdachte.

3.7 Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

4. Naar aanleiding van het middel wijs ik evenwel op het volgende. In de op 21 januari 2009 opgemaakte akte instellen rechtsmiddel, waarbij hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2009, staat als “post/verblijf/huidig adres” van verdachte vermeld “Postbus [0001] [plaats]”. Bij de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 13 december 2010 is onder meer bevolen dat een afschrift van de oproeping van verdachte om te verschijnen op de nadere terechtzitting naar dat postadres moest worden verzonden. Uit het dossier blijkt echter niet dat dit is gebeurd. Dit brengt met zich dat het hof blijk had moeten geven te hebben onderzocht of er reden was om het - rechtsgelding aangevangen - onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde alsnog een oproeping voor een nadere terechtzitting naar verdachtes postbusnummer te doen zenden en verdachte zodoende in de gelegenheid te stellen alsnog in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.3 Hieruit volgt naar mijn oordeel dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Een eerder door mr. Polat ingestuurde schriftuur is bij de later verzonden schriftuur ingetrokken.

2 Zie ook HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken, r.ov. 3.23.

3 Zie HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken, r.ov. 3.23 en 3.34 sub b; HR 22 november 2005,
NJ 2006, 194.