Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1301

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
11/04827
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1348, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO en strafvermindering i.v.m. overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04827

Mr. Wortel

Zitting 24 september 2013

conclusie inzake

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 18 oktober 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.

1.2 Namens de verdachte heeft mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld.

1.3 Deze zaak vertoont samenhang met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder griffienummer 11/04828, waarin ik heden eveneens concludeer.

2. Het eerste middel klaagt over tegenstrijdigheden in de gebezigde bewijsmiddelen.

De in de toelichting op het middel genoemde punten zijn, zo daarin werkelijk onverenigbaarheden moeten worden gezien – in elk geval is geen enkel bewijsmiddel tegenstrijdig aan de bewezenverklaring – , van zo gering belang dat de redengevendheid van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, niet wordt aangetast.

Het middel faalt

3.1 Het tweede middel klaagt erover dat het Hof in de strafmotivering heeft aangekondigd bij de strafoplegging rekening te zullen houden met een overschrijding van de redelijke termijn, maar heeft verzuimd te vermelden in welke mate de straf om die reden is verminderd.

3.2 Ik meen dat er in dit 80a-RO tijdperk alle reden is de jurisprudentiële eis waarop het middel doelt te nuanceren. Het Hof heeft met zoveel woorden vastgesteld dat de termijn van twee jaar in hoger beroep met 20 dagen is overschreden. Daarmee heeft het Hof in ieder geval tot uitdrukking gebracht dat slechts een geringe strafreductie aan de orde kan zijn. Voorts in aanmerking genomen dat in dit geval 24 maanden gevangenisstraf is opgelegd voor een feit – betrokkenheid bij de uitvoer van hard drugs naar het buitenland – waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren kan volgen en dat ook in de praktijk met onvoorwaardelijke gevangenisstraf van niet geringe duur pleegt te worden afgedaan, valt zonder nadere toelichting niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte bij deze klacht kan hebben.

4. Het derde middel klaagt eveneens over de strafmotivering, ditmaal met de klacht dat het Hof heeft verzuimd de bijzondere redenen te vermelden die een vrijheidsbenemende straf aangewezen maken.

Die redenen liggen reeds besloten in de aard van het bewezenverklaarde feit. Betrokkenheid bij het uitvoeren van niet onaanzienlijke hoeveelheden cocaïne, bij diverse gelegenheid gedurende ongeveer een half jaar, is een zo ernstige aantasting van de rechtsorde dat een andere straf dan gevangenisstraf bepaald verbazing zou wekken. Het middel faalt dus.

5.1 In elk geval het eerste en het derde middel lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.

5.2 Uiterst voortvarende (verdere) behandeling van dit beroep zou nog kunnen voorkomen dat de daarvoor geldende redelijke termijn wordt overschreden. Met die kanttekening strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G