Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1300

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12/01288
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1350, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Verjaring, daad van vervolging. 2. Falende bewijsklacht. 1. De opvatting dat het door de HR in de eerste cassatieprocedure gewezen arrest, waarbij de toen bestreden uitspraak is vernietigd en de zaak is teruggewezen naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, niet kan worden aangemerkt als een daad van vervolging i.d.z.v. art. 72 Sr die de verjaring stuit, is onjuist. 2. Uit het verkorte arrest en de aanvulling daarop kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die de in de bewezenverklaring omschreven gedraging heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01288

Zitting: 24 september 2013

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens feit 1 subsidiair “overtreding van art. 5 van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een geldboete van €400,-, subsidiair acht dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Blijkens de akte van cassatie is het cassatieberoep beperkt tot de veroordeling voor feit 1 subsidiair.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof zijn op 24 augustus 2011 gegeven beslissingen (aanvankelijk) niet heeft neergelegd in een verkort arrest, maar in een ‘extract’ dat niet voldoet aan de wettelijke eisen.

5. Bij de stukken van het geding bevinden zich het verkorte arrest d.d. 24 augustus 2011 en een aanvulling op het verkorte arrest d.d. 13 februari 2012, bevattende de bewijsmiddelen, alsmede een - uitsluitend door de griffier ondertekend - "extract-arrest", waarin zijn vermeld de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit, de datum waarop en de plaats waar dit feit is begaan, de toepasselijke wetsartikelen alsmede het dictum.

6. Een "uittreksel", waar het middel en de daarin genoemde rechtspraak op doelen, moet niet worden verward met het "extract" dat zich bij de stukken van het Hof bevindt. Een dergelijk "extract" wordt door de griffie opgemaakt ten behoeve van de executie. Het is dan ook niet door een raadsheer van het Hof ondertekend zoals bij een “uittreksel” in vorenbedoelde zin wel het geval pleegt te zijn. Daarom is er geen grond aan te nemen dat het Hof zijn uitspraak aanvankelijk niet overeenkomstig het bepaalde in art. 415 jo 365a Sv heeft neergelegd in een verkort arrest.1

7. Het middel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

8. Het tweede middel houdt in het dat Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in de vervolging ter zake het bewezenverklaarde feit. Vanwege verjaring had het Hof dienaangaande (ambtshalve) de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moeten uitspreken.

9. Het middel stelt de vraag aan de orde of het arrest van de Hoge Raad d.d. 3 november 2009, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof te Amsterdam als daad van vervolging als bedoeld in art. 72, eerste lid, Sr kan worden aangemerkt. Indien zulks niet het geval is, zou het recht tot strafvervolging ten aanzien van het bewezenverklaarde feit – een overtreding strafbaar gesteld bij art. 5 jo. art. 177, lid 1 aanhef en onder a WVW 1994 waarvoor een verjaringstermijn geldt van drie jaar – zijn komen te vervallen op 15 april 2011, omdat de aanzegging ex art. 435, eerste lid Sv (in de eerdere cassatieprocedure) op 15 april 2008 is betekend en de dagvaarding in hoger beroep na terugwijzing dateert van na 15 april 2011, terwijl tussentijds geen sprake is van een andere daad van vervolging waardoor de verjaring zou zijn gestuit.

10. Ook de verwijzing dan wel terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad moet worden gezien als een daad van vervolging als bedoeld in art. 72 Sr.2 De vernietiging van de zaak door de Hoge Raad leidt tot het opnieuw uitbrengen van een dagvaarding in hoger beroep en kan worden gezien als een formele daad om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing te geraken.3 Aldus kan aan de vernietiging van de zaak door de Hoge Raad stuitende werking worden toegekend.

11. Nu met het arrest van de Hoge Raad van 3 november 2009 de verjaring is gestuit en vervolgens steeds binnen een termijn van drie jaar opnieuw daden van vervolging hebben plaatsgevonden, zoals het wijzen van het bestreden arrest op 24 augustus 2011 en de betekening van de aanzegging ex art. 435, eerste lid Sv op 12 april 2012, is het bewezenverklaarde feit niet verjaard. 4

12. Het middel faalt.

13. Het derde middel houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het verdachte is geweest die de bewezenverklaarde gedraging heeft verricht.

14. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 20 augustus 2004 te Hoofddorp in gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Vuursteen,

terwijl een als zodanig herkenbare ambtenaar van politie het verkeer -inclusief het door verdachte bestuurde voertuig- door middel van een of meer teken(s) tot stoppen had gebracht om hulpdiensten de gelegenheid te geven -naar aanleiding van een plaats gehad hebbend ongeval- bergingswerkzaamheden te verrichten,

volgas met spinnende wielen is opgetrokken en/of weggereden,

en

over de rechtervoet van die dichtbij en naast verdachtes voertuig staande politieambtenaar is gereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg kon worden gehinderd;”

15. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina 13 e.v.) van 25 augustus 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 20 augustus 2004 tegenover de verbalisant afgelegde aangifte van [verbalisant 1]:

Ik ben ambtenaar van politie en was ten tijde van de misdrijven in de rechtmatige uitoefening van mijn bediening. Vandaag, vrijdag 20 augustus 2004 was ik in uniform gekleed en als zodanig herkenbaar als ambtenaar van politie, in uitvoering van de noodhulp ter plaatse op de Vuursteen te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, belast met de afhandeling van een verkeersongeval.
Op het moment was ik gekleed in een wit/oranje verkeersjas om duidelijk herkenbaar te zijn voor de overige weggebruikers.

Om de rijbaan van de openbare weg vrij te maken van obstakels werd door mij aan bestuurders van voertuigen rijdende over de Vuursteen een stopteken gegeven teneinde de hulpdiensten gelegenheid te geven hun werkzaamheden te kunnen verrichten.

Toen ik weer opkeek zag ik dat een personenauto vlak voor mij tot stilstand kwam. Dit voertuig kwam uit de richting van de N201 rijdende over de Vuursteen.

Ik heb toen de bestuurder van het voertuig een stopteken gegeven door middel van het omhoog steken van mijn rechterhand teneinde hem duidelijk te maken dat hij zijn voertuig moest doen stilhouden.
Toen het voertuig stil stond heb ik de bestuurder met handgebaren duidelijk gemaakt dat hij achteruit moest rijden en zijn voertuig keren teneinde zijn weg te kunnen vervolgen. Ik zag dat achter dit voertuig een ander voertuig stilhield. Hierdoor kon de eerstgenoemde bestuurder niet achteruit rijden.
Ik heb toen deze bestuurder met mijn rechterhand een gebaar gegeven dat hij moest blijven staan, daar hij niet achteruit kon rijden.
Ik ben vervolgens naar de linkervoorzijde van het eerste voertuig gelopen teneinde oogcontact te krijgen met de bestuurder van het voertuig welke erachter stond. Ik bleef met mijn rechterhand contact houden met het voertuig van de eerste bestuurder, teneinde hem blijvend duidelijk te maken dat hij niet verder kon rijden. Op het moment dat ik oogcontact had met de bestuurder van het tweede voertuig hoorde ik de bestuurder van het eerste voertuig gas geven en ik hoorde dat de voorwielen van zijn voertuig spinden.

De bestuurder van het voertuig reed rakelings langs mij, ik voelde dat de bestuurder met het rechtervoorwiel over mijn rechtervoet reed. Ik voelde pijn. Ik kon op dat moment niet meer opzij springen om een aanrijding te voorkomen.
Hij is vervolgens weggereden in de richting van het parkeerterrein van het nabijgelegen ING bedrijvenpark gelegen aan de Hoeksteen te Hoofddorp.

Ik zag dat de bestuurder van het voertuig hard wegreed in de genoemde richting.
Ik zag dat het kenteken van het voertuig luidde; [AA-00-BB], dit betreft een Toyota, groen van kleur, type mij onbekend.

2.

Een proces-verbaal van 23 augustus 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina 19 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 20 augustus 2004 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [getuige]:

Ik was vanmorgen getuige van een verkeersincident waarbij een bestuurder van een groene personenauto van een Japans merk over de voet van uw collega reed.

Ik stond daar op straat op de T-kruising Hoeksteen/Vuursteen te Hoofddorp, omdat een vrachtauto van de Meerlanden bij een aanrijding met een andere vrachtauto betrokken was.

Er kwam een bestuurder in een groene Japanse personenauto vanuit de richting N-201 aanrijden. Ik [kreeg] de indruk dat de bestuurder haast had omdat hij harder reed dan de overige bestuurders die uit die richting gekomen waren.
Toen uw collega deze bestuurder een teken gaf dat hij moest stoppen reed hij verder door dan nodig. Ik zag dat uw collega met zijn hand nogmaals gebaarde dat hij niet verder kon. Hij gebaarde vervolgens dat de bestuurder niet verder mocht in de richting van de Hoeksteen en dat hij moest keren om naar de N-201 terug te rijden.
Deze gebaren waren duidelijk en niet voor andere uitleg vatbaar. Ik begreep het in ieder geval en andere bestuurders hadden de tekens ook begrepen.
Ik zag dat de man contact had met uw collega.
Laat ik het zo zeggen: de bestuurder had mijns inziens voor 200 procent begrepen dat hij niet rechtdoor mocht rijden.

Uw collega stond nog naast de auto en omdat er nog een bestuurder uit de richting kwam waar de bestuurder van de groene auto vandaan gekomen was, keek uw collega in die richting en bewoog ook iets in die richting.

De bestuurder van de groene auto gaf plotseling veel gas en reed met spinnende banden weg. Hij deed dit zo plotseling dat het leek of het hem niet interesseerde dat uw collega daar nog stond. Hij moet geweten hebben dat uw collega nog dichtbij of naast de auto stond en nam volgens mij bewust het risico dat hij hem bij het op deze wegrijden zou kunnen raken.

Ik zag dat hij over een voet van uw collega reed tijdens het wegrijden in de richting van de Hoeksteen terwijl hij volgens mij wist dat hij daar niet langs mocht.
Hij reed dus tussen de vrachtauto's en kraanwagen door naar een parkeerterrein aan de Hoeksteen.
Alles bij elkaar vond ik zijn rijgedrag ronduit asociaal.

3.
Een proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina 26 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant [verbalisant 2]:

Ik, verbalisant [verbalisant 2] stond ter hoogte van het fietspad die parallel loopt met de Hoeksteen te Hoofddorp ten tijde van het voornoemde voorval. Ik zag dat verbalisant [verbalisant 1] aan de rechterzijde van het voornoemde voertuig stond. Ik, verbalisant [verbalisant 2] zag het voornoemde voertuig op een gegeven moment met spinnende banden wegrijden. Ik, verbalisant [verbalisant 2] hoorde de bestuurder van het voornoemde voertuig flink gas geven.”

16. Uit de hiervoor onder 15 weergegeven bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte als bestuurder van de auto de bewezenverklaarde handelingen heeft verricht. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting van 10 augustus 2011, in het bijzonder de aldaar door de verdachte afgelegde verklaring waaruit blijkt dat verdachte degene is geweest die het in de bewezenverklaring bedoelde voertuig bestuurde, zal hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de ontoereikendheid van de bewijsvoering.5

17. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

18. Het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

19. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 2 september 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu aan de verdachte evenwel een geldboete van minder dan € 1000,- en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is opgelegd, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan.

20. Ook overigens heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 1 april 2008, LJN BC5931 en de conclusie daarbij van mijn voormalig ambtgenoot Bleichrodt onder 4.1-4.3 waaraan ik het voorgaande ontleen.

2 A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem 1985, p. 213 en Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 72, aant. 2 (bijgewerkt tot 1 juli 2006).

3 HR 19 november 1991, NJ 1992, 265, rov. 4.3.

4 Het feit is begaan op 20 augustus 2004, dus de termijn van tien jaar (art. 72 lid 2 Sr) is nog niet vervuld.

5 HR 2 april 2013, LJN BZ5960, rov. 2.4.