Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1297

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
11/03332
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1345, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht, art. 180 Sr. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte zich tegen de betreffende opsporingsambtenaar heeft verzet “door te rukken en trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden.” HR spreekt verdachte om doelmatigheidsredenen vrij ter zake van dit feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03332

Zitting: 24 september 2013

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, wegens:

“- parketnummer 07-0440229-09 feit 1: mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot;

- parketnummer 07-0440229-09 feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

- parketnummer 07-0440229-09 feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- parketnummer 07-0440229-09 feit 4 en parketnummer 07-653063-10 feit 2: telkens: wederspannigheid;

- parketnummer 07-0440229-09 feit 5 en 9: telkens: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;

- parketnummer 07-0440229-09 feit 10: overtreding van artikel 21 onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, terwijl het feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig;

- parketnummer 07-0440229-09 feit 11: overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, terwijl het feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig;

- parketnummer 07-653063-10 feit 1: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”

veroordeeld tot – ten aanzien van kennelijk de feiten 1 tot en met 5 en 9 - een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, ten aanzien van feit 10 een geldboete van €420,-, subsidiair acht dagen hechtenis, ten aanzien van feit 11 een geldboete van €340,-, subsidiair zes dagen hechtenis, ter zake van feit 9 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest en heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

2. Namens verdachte heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, vijf middelen van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur, binnengekomen op 16 september 2013 heeft mr. Snorn een aanvullende schriftuur ingediend. Bij deze aanvullende schriftuur trekt hij de middelen 1 en 5 in. Derhalve behoeven deze geen bespreking. Omdat de aanvullende schriftuur is binnengekomen buiten de in art. 437 lid 2 Sv bepaalde termijn kan op de daarbij gegeven nadere toelichting op het derde en het vierde middel geen acht worden geslagen.

3. Het tweede middel houdt een herhaling in van een in hoger beroep gevoerd verweer. Dat verweer heeft het Hof in het bestreden arrest gemotiveerd verworpen. In het middel wordt niet aangegeven welke rechtsschending of welk vormverzuim daarin besloten ligt. Daarom bevat het middel met betrekking tot de gemotiveerde verwerping van dat verweer geen stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door het Hof. Derhalve is het geen middel van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv en kan het middel buiten bespreking blijven.

4. Het derde middel houdt in dat het onder parketnummer 07-653063-10 feit 2 bewezenverklaarde niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte zich ‘heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden’.

5. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 08 maart 2010 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feiten hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, althans vast hadden teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden;”

6. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“16. een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1], opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van regiopolitie IJsselland, gesloten op 8 maart 2010 (blz. 27 ev), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 8 maart 2010 was ik belast met de handhaving van de openbare orde te Deventer. Ik, verbalisant, was gekleed in uniform. Op voornoemde datum werden [verdachte] en diens broer [betrokkene 2]aangehouden terzake diefstal van een auto aan de Raalterslag te Wijhe. Ik zag dat [verdachte] reeds achterin een opvallend dienstvoertuig was geplaatst. Collega [verbalisant 2] was bestuurder van dit voertuig en ik nam plaats op de achterbank van het dienstvoertuig. Ik zag dat [verdachte] geboeid was en dat hem de autogordel was omgedaan.

Ik zag dat [verdachte] heftig begon te bewegen en trappende bewegingen in de richting van het portier met beide benen maakte. Ik drukte het hoofd van [verdachte] met lichte dwang met mijn onderarm tegen het portierruit. Ik zag dat [verdachte] zijn hoofd met kracht richting mijn hoofd bewoog. Ik zag en voelde dat het voorhoofd van [verdachte] met kracht tegen mijn mond kwam. Ik voelde hiervan plots een hevige pijn aan mijn linkeronderlip en twee voortanden. Ik proefde dat mijn mond zich vulde met bloed. De door [verdachte] op mij gepleegde mishandeling veroorzaakte bij mij letsel in de vorm van een tand door de lip, opgezette onderlip, pijn en twee loszittende tanden;

17. een proces-verbaal van verhoor van verdachte, [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden hoofdagent van politie, gesloten op 8 maart 2010 (blz. 34 ev), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Toen ik vanmorgen wegging droeg ik een blauwe spijkerbroek en een zwartleren jas heupmodel. Daaronder had ik een blauw shirt aan met kleine witte strepen. Ik kreeg de handboeien om en werd met mijn gezicht naar beneden geduwd. Ik raakte in paniek en wilde loskomen en ben gaan spartelen;

18. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 3], opgemaakt door [verbalisant 5], brigadier van politie, gesloten op 9 maart 2010 (blz. 102 ev), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op maandagochtend 8 maart 2010 lag ik op bed. Ik hoorde stemmen van buiten komen. Toen ik naar buiten keek, zag ik een aantal politiemensen die bezig waren twee mannen te arresteren. Ik zag dat met name de man in de zwart-wit gestreepte trui zich hevig verzette tegen zijn aanhouding. De ander verzette zich ook wel maar minder hevig.

7. In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat verdachte trappende bewegingen maakte in de richting van het portier van de politieauto waarin hij was geplaatst en dat hij vervolgens, toen zijn hoofd naar beneden werd geduwd, wilde loskomen en is gaan spartelen en daarbij zijn hoofd met kracht in de richting van het hoofd van de opsporingsambtenaar [betrokkene 1] heeft bewogen en daarbij met kracht tegen diens mond is gekomen kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte zich met geweld heeft verzet tegen die opsporingsambtenaar.

8. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat dit verzet plaats vond in de vorm van rukken en trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden.

9. Het middel is terecht voorgedragen. Om redenen van doelmatigheid kan de Hoge Raad, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de verdachte vrijspreken van het hem onder parketnummer 07-653063-10 onder 2 tenlastegelegde. Daardoor worden de aard en ernst van hetgeen overigens is bewezenverklaard, mede gelet op hetgeen ik hiervoor onder 7 heb uiteengezet behelzende omstandigheden waaronder het onder parketnummer 07-653063-10 feit 1 bewezenverklaarde is begaan, niet aangetast, zodat vernietiging ter zake van de strafoplegging in zoverre (zie hierna onder 16) achterwege kan blijven.1

10. Het vierde middel houdt in dat het onder parketnummer 07-653063-10 feit 1 bewezenverklaarde niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn of letsel.

11. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 08 maart 2010 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, opzettelijk mishandelend een politieambtenaar van de Regiopolitie IJselland, te weten [betrokkene 1], gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, een kopstoot in het gezicht, waardoor voornoemde politieambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden”

12. Deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen zoals hiervoor onder 6 weergegeven.

13. Het bewezenverklaarde met kracht bewegen van het hoofd tegen het gezicht van de opsporingsambtenaar [betrokkene 1] vormt in de omstandigheden van het onderhavige geval naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een gedraging die zo zeer is gericht op het toebrengen van pijn of letsel dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet daarop (behoudens contra-indicaties die in deze zaak niet zijn gesteld of gebleken) daaruit kan worden afgeleid.2 Een verdergaande motivering was daarom niet vereist.

14. Het middel faalt.

15. Het tweede en het vierde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

16. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 12 juli 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

17. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat het onder parketnummer 07-653063-10 onder 2 tenlastegelegde en de hoogte van de opgelegde straf betreft, tot vrijspraak van het onder parketnummer 07-653063-10 onder 2 tenlastegelegde en tot vermindering van de hoogte van de opgelegde straf naar de voor compensatie van overschrijding van de redelijke termijn gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.a. HR 15 april 2003, LJN AF5257, NJ 2003, 364, HR 28 maart 2006, LJN AV4191, rov. 3.4, HR 31 januari 2012, LJN BT1822, NJ 2012, 10, rov. 3.5 en HR 5 februari 2013, LJN BZ0502, NJ 2013, 113, rov. 2.3.

2 Vgl. HR 25 maart 2003, LJN AE9049, NJ 2003, 552.