Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1296

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
13/00058
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:287, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Zaak Hagemann. Veroordeling tot levenslang wegens moord op twee kinderen. De in de aanvraag tot herziening gepresenteerde nova kunnen noch op zichzelf genomen noch in onderling verband en samenhang beschouwd het ernstig vermoeden wekken a.b.i. art. 457.1 aanhef en onder c Sv, mede gelet op het feit dat bij de beoordeling van een en ander alle door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en gegeven nadere bewijsoverwegingen moeten worden betrokken. HR wijst de aanvraag tot herziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00058 H

Zitting: 19 november 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[aanvrager]

I De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd

1.

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 22 juli 2005 aanvrager ter zake van “Moord, meermalen gepleegd” veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

2.

Het arrest is onherroepelijk geworden met de verwerping van het daartegen ingestelde beroep in cassatie bij arrest van HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7757, NJ 2007/543.

II Verloop van de herzieningsprocedure

3.

Op 19 december 2012 is bij de Hoge Raad ingekomen een namens de aanvrager door mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort, ingediende aanvraag tot herziening op de voet van art. 457 Sv. Op 26 maart 2013 is de Procureur-Generaal van het parket bij de Hoge Raad gevraagd conclusie te nemen in deze herzieningszaak. Namens de Procureur-Generaal voldoe ik aan dit verzoek.

4.

Op 4 juni 2013 ontving ik bij schrijven van 31 mei 2013 van het team zwacri/fraude van het Openbaar Ministerie bij het arrondissementsparket Amsterdam een ‘Proces-verbaal Criminele inlichtingen’ d.d. 30 mei 2013. Blijkens dit proces-verbaal is bij het Team Criminele Inlichtingen van de Eenheid Amsterdam in de periode van vier weken daarvóór informatie binnengekomen via één informant. Deze informatie luidt:

“In 2009 heeft [aanvrager] (aanvrager, AG) georganiseerd dat er druk werd uitgeoefend op de getuigen in zijn strafzaak. De getuigen moesten hun verklaring tegen [aanvrager] ten gunste van hem aanpassen en valselijk laten opmaken bij een notaris.

Voorts verklaar ik, alvorens de bovenstaande informatie ter beschikking te hebben gesteld, mij een oordeel te hebben gevormd over de vermoedelijke betrouwbaarheid van de informant en over de vermoedelijke juistheid van de informatie.

Dat oordeel luidt, dat de mij bekende achtergrond van de informant, bezien in de samenhang met de door die informant aangedragen gegevens, tot de conclusie leidt dat de verstrekte informatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt.

(…)

De verbalisant

(…)”

5.

Op 19 juni 2013 is namens mij een brief, met bijgesloten een afschrift van voornoemd ‘Proces-verbaal Criminele Inlichtingen’, gezonden aan mr. Peters. In deze brief heb ik mr. Peters de gelegenheid gegeven om desgewenst op dat proces-verbaal schriftelijk te reageren.

6.

Op 8 juli 2013 is bij de strafgriffie van de Hoge Raad ingekomen de schriftelijke reactie van mr. Peters d.d. 5 juli 2013. In dit schrijven laat mr. Peters weten dat hij allereerst van mening is dat het ‘Proces-verbaal Criminele Inlichtingen’ niet relevant is voor mijn te nemen conclusie met betrekking tot het onderhavige herzieningsverzoek, omdat het proces-verbaal naar zijn mening onvoldoende concreet is wat betreft de identiteit van de door de informant genoemde getuigen en daarnaast niet voldoet aan de verplichte formaliteiten. Voorts noemt mr. Peters daarin de namen van drie personen die ik, zo ik dit nodig acht, als getuigen zou kunnen (doen) horen.

7.

In mijn antwoordbrief van 21 augustus 2013 heb ik mr. Peters meegedeeld dat het ‘Proces-verbaal Criminele Inlichtingen’ mij, met het oog op mijn te nemen conclusie, geen aanleiding heeft gegeven de door hem genoemde personen als getuigen te (doen) horen.

8.

Op 24 september 2013 heeft de openbare zitting van de Hoge Raad met betrekking tot de aanvraag plaatsgevonden. Op deze zitting heeft mr. Peters een toelichting gegeven op het herzieningsverzoek. Van deze toelichting heb ik kennis genomen.

9.

Om er geen misverstand over te laten ontstaan, merk ik op dat ik het ‘Proces-verbaal Criminele Inlichtingen’ d.d. 30 mei 2013 en de inhoud daarvan in deze conclusie buiten beschouwing laat.

III De aanvraag

10.

De aanvrager heeft van meet af aan ontkend iets met de dood van [slachtoffer 1] en haar twee kinderen van doen te hebben gehad. In de aanvraag wordt opgemerkt dat [aanvrager] bijna 18 jaar na ‘datum delict’ (nogmaals) als verdachte wordt aangemerkt met betrekking tot de moord/doodslag op [slachtoffer 1] en haar kinderen in 1984, en wel op basis van vijf verklaringen van horen zeggen – te weten twee verklaringen van ex-vriendinnen van de aanvrager ([getuige 1] en [getuige 2]), twee verklaringen van voormalige medegedetineerden van de aanvrager ([getuige 3] en [getuige 4]) en een NN-verklaring –, waarvan vier verklaringen zijn afgelegd na uitzendingen van Peter R. de Vries, in welke uitzendingen financiële vergoedingen aan getuigen in het vooruitzicht werden gesteld en zijn uitgekeerd, zodat financiële motieven bij de totstandkoming van de voornoemde verklaringen niet kunnen worden uitgesloten.

11.

Namens de aanvrager betoogt mr. Peters dat vier verklaringen van derden (één afgelegd in 2009, en drie in 2012) en een transcriptie van een opname van een telefoongesprek (in maart 2012) tussen [getuige 2] en de echtgenote van de aanvrager, [betrokkene 1], als nova hebben te gelden en dat als gevolg van deze vijf nova de grondslag van het door het Hof als belastend beoordeeld bewijs komt te vervallen.

12.

Op deze als ‘nova’ gepresenteerde verklaringen en transcriptie kom ik later terug. Eerst volgen achtereenvolgens een korte schets van het wettelijk kader en een weergave van de feiten en de bewijsconstructie van het Gerechtshof.

IV Het wettelijk kader

13.

De aanvraag is gegrond op art. 457 Sv. Deze bepaling luidt voor zover hier van belang:

“1. Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:

a. (…);

b. (…)

c. indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

14.

Artikel 457 is gewijzigd bij de Wet van 18 juni 2012 (Stb. 275), in werking getreden op 1 oktober 2012. De grond voor herziening ten voordele van de betrokkene zoals omschreven in het eerste lid aanhef en onder c Sv wordt kort aangeduid ook wel het ‘novum’ genoemd.1 Uit de tekst van deze bepaling blijkt dat niet elk nieuw gegeven van feitelijke aard een ‘novum’ in de hierboven weergegeven wettelijke betekenis oplevert. Om die status te bereiken zullen drie hindernissen moeten worden genomen. Het moet immers gaan om een gegeven dat (i) aan de eerder oordelende rechter niet bekend was tijdens het onderzoek ter terechtzitting, (ii) op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, en wel (iii) zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot – voor zover hier relevant – hetzij vrijspraak, hetzij niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

15.

Van een novum kan sprake zijn indien de feitenrechter binnen het hem bekende materiaal tot een foutieve selectie en waardering van het bewijsmateriaal is gekomen, bijvoorbeeld door een onjuiste interpretatie van bepaalde feitelijke gegevens. Die onjuistheid kan berusten op onvoldoende specialistische kennis van de rechter waardoor hij de relevantie en de betekenis, kortom de portee, van het gegeven niet (volledig) heeft doorgrond. In dat geval heeft de rechter een fout gemaakt die als ernstig valt te kwalificeren omdat deze vermeden had kunnen worden, zou de rechter zich hebben laten voorlichten door een deskundige die wel over de benodigde (specialistische) kennis beschikt. Daarvan verschilt het geval waarin de onjuistheid later aan het licht komt door bekendwording van gegevens die op het moment van de behandeling van de zaak nog onbekend waren. Nieuwe verklaringen of nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen die gegevens op enig moment blootleggen. De rechter die met uiterste zorgvuldigheid de zaak heeft behandeld en tot een oordeel is gekomen dat verdedigbaar was op grond van het toen bestaande procesdossier en de toenmalige stand van de wetenschap, kan naar uit later blijkende voortgeschreden wetenschappelijke inzichten het toch mis hebben gehad. Denk alleen al aan de steeds verfijnder wordende DNA-analysetechnieken. Omdat ook dan het oordeel van de feitenrechter uiteindelijk niet juist blijkt te zijn, kan sinds de wetswijziging – naast het klassieke feitelijke gegeven (voorheen omstandigheid) – het nieuwe deskundigeninzicht een novum in de hier bedoelde zin vormen.2 In zoverre kan worden gesproken van een verruiming van de werkingssfeer van het novum, hetgeen in die zin ook door de wetgever is beoogd.

16.

Dat neemt niet weg dat een korte blik op de wetsgeschiedenis laat zien dat de herziening beperkt moet blijven tot uitzonderlijke gevallen. Ik citeer de toenmalige minister Hirsch Ballin van Justitie:

“Aan de andere kant dient te worden voorkomen dat het gezag van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak te veel wordt aangetast. De belangen van de rechtszekerheid en doelmatigheid brengen met zich dat op een gegeven moment een strafvorderlijke procedure als beëindigd dient te worden beschouwd (het adagium: «lites finiri oportet»). Dit is een reden om de herzieningsprocedure te beperken tot uitzonderlijke gevallen.

Het vertrouwen in de strafrechtspraak is gediend met een goede balans tussen deze twee belangen. Welk vertrouwen geniet immers de strafrechtspraak als een veroordeling onaantastbaar blijft doordat geen nader onderzoek plaatsvindt naar aanwijzingen dat de zittingsrechter relevante informatie niet tot zijn beschikking heeft gehad en mogelijk tot een andere uitspraak zou zijn gekomen als dit wel het geval was? Ook het omgekeerde geldt. Welk vertrouwen geniet de strafrechtspraak als elke onherroepelijke veroordeling al snel aantastbaar blijkt? Hierbij dient te worden bedacht dat het strafprocesrecht nog andere «veiligheidskleppen» kent dan de herziening, zoals de gratie. Doel van het wetsvoorstel is om te voorzien in een correctiemogelijkheid voor die gevallen, waarin andere strafvorderlijke voorzieningen geen adequate oplossing bieden.”3

En:

“Herziening is een buitengewoon rechtsmiddel dat buitengewoon dient te blijven.”4

17.

Hierop sluit aan het volgende citaat dat afkomstig is uit de vordering tot herziening van mijn ambtgenoot Knigge in de zaak Lucia de Berk5:

“3.2.5
Over de noodzaak van houvast biedende criteria nog het volgende. Het feit dat de verdachte zijn onschuld steeds is blijven volhouden, kan op zich bezwaarlijk een grond voor herziening opleveren. Als het anders was, zou van het litis finiri oportet niets overblijven. Om die reden kan ook het feit dat op de veroordeling kritiek mogelijk is, bezwaarlijk een grond voor herziening vormen. Vóór de rechter vonnis wees, was er volop gelegenheid tot debat. Dat de verdediging ongelijk kreeg, wil niet zeggen dat haar argumenten onzinnig waren. Wel kan gezegd worden dat de rechter andere argumenten zwaarder liet wegen. Met dat oordeel hoeft men het niet eens te zijn. Men moet zich er wel bij neerleggen. Anders kan van de rechter net zo goed geen beslissing worden gevraagd. De argumenten die vooraf voor vrijspraak pleitten, zijn er na de uitspraak nog steeds. Dat op grond daarvan kritiek op de veroordeling kan worden geventileerd, kan moeilijk een reden voor herziening vormen. Daarbij zij aangetekend dat de advocaat die zijn ter zitting gehouden (niet onzinnige, plausibel klinkende) pleidooi voor vrijspraak na de uitspraak blijft uitdragen, min of meer vrij spel heeft. Een officier van justitie die hem tegenspreekt, is er niet meer. Daardoor kan er gemakkelijk het beeld ontstaan dat de veroordeelde ten onrechte is gestraft. In een mediacratie, waarin het beeld alles overheersend is geworden, is dat niet onbedenkelijk. Alleen ‘harde’, houvast biedende criteria kunnen dan voorkomen dat de grond onder het litis finiri oportet wordt weggespoeld.”

18.

Wil een aanvraag tot herziening kans van slagen hebben, dan zal zij dus ook onder de huidige wettekst onverminderd aan hoge eisen moeten voldoen. Ingeval van vaagheid of onvoldoende onderbouwing ten aanzien van de hierboven genoemde drie voorwaarden, is zo een verzoek kansloos. Er zullen argumenten moeten worden aangevoerd, die niet alleen nieuw zijn maar ook en vooral door hun relevantie de onjuistheid van het oordeel van de feitenrechter aannemelijk maken, of die op zijn minst ernstige twijfel aan de feitelijke juistheid van de einduitspraak teweegbrengen. De argumenten moeten dan ook een zodanig gewicht hebben dat dit de bewijsconstructie doet breken. Omgekeerd kan de kracht van de bewijsconstructie maken dat de argumenten te licht zijn of worden bevonden. Daaruit volgt dat het nieuw gepresenteerde gegeven en de bewijsconstructie niet alleen op zichzelf maar ook in verhouding tot elkaar dienen te worden gewogen. Mijn ambtgenoot Aben verwoordt dit laatste in zijn vordering tot herziening betreffende ‘De zes van Breda' als volgt:

“Indien de veroordeling bijvoorbeeld wordt gedragen door meervoudig, krachtig en wederkerig onafhankelijk bewijsmateriaal (zoals eventueel een bepaalde combinatie van forensisch-technisch bewijsmateriaal, getuigenverklaringen en videobeelden) dat de veroordeelde ten tijde van het delict consistent positioneert op de plaats van het delict, zal een nieuwe getuigenverklaring die de veroordeelde in potentie alsnog een alibi verschaft niet snel kwalificeren als een novum. In het licht van de overtuigende bewijsconstructie wettigt zij immers niet het ernstige vermoeden dat de rechter bij bekendheid met die getuigenverklaring tot een vrijspraak zou zijn gekomen. Anderzijds, indien de veroordeling is gebaseerd op weinig onderscheidend bewijsmateriaal is de kans (veel) groter dat dezelfde alibiverklaring erin slaagt de toegepaste bewijsconstructie te ondermijnen.”6

Tegen de achtergrond van de voorgaande beschouwingen komt het mij voor een goed begrip van de zaak dienstig voor stil te staan bij de bewijsconstructie die door het Gerechtshof is toegepast. Deze bewijsconstructie bestaat uit dertig bewijsmiddelen en uitgebreide bewijsoverwegingen. De bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen hebben voor een deel betrekking op, kort gezegd, de aangetroffen situatie en bevindingen ter plaatse, de wijze van overlijden van de slachtoffers, het tijdstip van hun overlijden – en daaraan gekoppeld het ochtendscenario - en de doodsoorzaak. Voor een ander deel houden de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen informatie in op grond waarvan de aanvrager als dader wordt aangemerkt. Deze dadergerelateerde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen betreffen uitsluitend getuigenverklaringen en verklaringen van de aanvrager zelf. Er is dus geen technisch bewijs dat in de richting van de aanvrager wijst. Hieronder haal ik uit de bewijsconstructie enkel aan hetgeen dat van belang is voor de beoordeling van het herzieningsverzoek, met name het dadergerelateerde bewijsmateriaal waaronder de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en het relaas van verbalisant [verbalisant 2] betreffende een door [getuige 4] afgelegde verklaring.



V Relaas van de feiten/de bewijsconstructie van het Hof

(i) Inleiding

19.

Na de door het Hof toegewezen vordering tot wijziging, luidt de tenlastelegging – kort samengevat - dat de aanvrager 1. primair telkens opzettelijk en met voorbedachte raad a. [slachtoffer 1] en haar twee kinderen, b. het zesjarige zoontje [slachtoffer 2] en c. de negenjarige dochter [slachtoffer 3], van het leven heeft beroofd, en 1. subsidiair dat hij opzettelijk en met voorbedachte raad twee, althans één, van hen van het leven heeft beroofd (moord in de zin van art. 289 Sr), en meer subsidiair doodslag op (een of meer van) hen.

20.

Het Hof heeft ten laste van de aanvrager de moord op respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bewezen verklaard en hem op grond daarvan tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. De tenlastegelegde moord op [slachtoffer 1] achtte het Hof niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de aanvrager daarvan is vrijgesproken. De in meer subsidiaire vorm tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer 1] zou op zichzelf bewijsbaar zijn, zo vat ik de desbetreffende overweging van het Hof samen, maar bleek inmiddels krachtens art. 70 onder 4 Sr verjaard, ten gevolge waarvan het Openbaar Ministerie ter zake van dat misdrijf niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van de aanvrager.

(ii) Bevindingen met betrekking tot de plaats delict en de slachtoffers

21.

Onder het hoofd “Nadere bewijsoverwegingen” heeft het Hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen geconcludeerd dat [slachtoffer 1] - op 5 maart 1984 aangetroffen op de grond van de woonkamer naast haar zoontje - is overleden door verstikking als gevolg van verwurging, dat wil zeggen omsnoering met een koord om de hals van het slachtoffer. Niet dus heeft het Hof bewezen geacht dat de aanvrager bij het opzettelijk om het leven brengen van [slachtoffer 1] anders dan in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld (overweging 43), zodat dit feit niet als moord kon worden gekwalificeerd.

22.

Dat is anders ten aanzien van de beide kinderen, aldus het Hof (overweging 44). Het Hof acht op grond van de in het arrest weergegeven bevindingen uitgesloten dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voorafgaand aan het doden van [slachtoffer 1] zijn omgebracht door de aanvrager (overweging 5), althans is het volgens het Hof hoogst waarschijnlijk dat de aanvrager het jegens de kinderen gepleegde geweld niet eerder heeft uitgeoefend dan nadat hij [slachtoffer 1] dodelijk letsel had toegebracht (overweging 43). Deze door het Hof vastgestelde volgorde is belangrijk, omdat het Hof daaruit tot de gevolgtrekking is gekomen dat de aanvrager de beide kinderen opzettelijk en met voorbedachte raad heeft gedood. [slachtoffer 2] is verwurgd met een springtouw, door de aanvrager kennelijk in de hal aangetroffen, en een damesriempje. Op een moment dat [slachtoffer 2] reeds stervende was, heeft de aanvrager met een scherp voorwerp op het jongetje ingestoken. Uit de steekverwondingen die [slachtoffer 2] heeft opgelopen blijkt op geen enkele wijze van een onbeheerst en ongeremd handelen, maar zijn integendeel de messteken naar de ervaring van het Hof met een vrijwel ongekende precisie toegediend op de meest kwetsbare plaatsen die het lichaam kent. De drie steekverwondingen aan de hals enerzijds en tien steekverwondingen in de hartstreek anderzijds zijn zeer dicht opeen geplaatst (overweging 44). Daarnaast – het Hof laat de volgorde waarin de kinderen om het leven zijn gebracht bij gebrek aan daarvoor bruikbare gegevens in het midden – heeft de aanvrager de volstrekt weerloze [slachtoffer 3], die zich in rusttoestand in haar kamer bevond, aldaar opgezocht. Aan de hand van de sectiebevindingen is met betrekking tot haar hetzelfde patroon waarneembaar als bij [slachtoffer 2]: er zijn bij [slachtoffer 3] sporen van strangulatie aangetroffen, die kennelijk tot de dood hebben geleid, en acht steekverwondingen, waarvan vijf in de hartstreek en drie in de hals.

23.

Het Hof heeft in ogenschouw genomen dat een aantal bekenden van [slachtoffer 1] mogelijk als dader in aanmerking kwamen. Deze vielen echter af, kort gezegd omdat het Hof gemotiveerd is uitgegaan van het eerder genoemde ochtendscenario. In dit scenario zijn de slachtoffers om het leven gebracht in de vroege ochtend van zondag 4 maart 1984 en niet op de avond daarvoor (het door de verdediging bepleite avondscenario).

24.

Dat het Hof bewezen acht dat de aanvrager degene is geweest die zich heeft schuldig gemaakt aan het doden van de slachtoffers, verduidelijkt het Hof in de navolgende overwegingen:

“De aanwijzingen tegen verdachte

35.

Het hof acht bewezen dat verdachte degene is geweest die zich heeft schuldig gemaakt aan het doden van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

36.Het hof grondt dit oordeel - in grote lijnen - op de volgende feiten en omstandigheden.

a. Vaststaat dat verdachte bij [slachtoffer 1] aan de deur is geweest op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode waarin de misdrijven hoogstwaarschijnlijk zijn gepleegd, namelijk na het opstaan van [slachtoffer 1] tot aan het ontbijt in de ochtend van zondag 4 maart 1984. De taxichauffeur [betrokkene 2] heeft verdachte omstreeks 6.45 uur afgezet op een plaats niet ver van de Argonautenstraat. Verdachte is naar zijn zeggen vanaf dat punt naar de woning van [slachtoffer 1] toegelopen en hij heeft bij haar woning aangebeld.

b. Er zijn in het geheel geen aanwijzingen dat enige andere bekende van [slachtoffer 1] dan verdachte op dit voor het afleggen van een bezoek nogal opmerkelijke tijdstip bij [slachtoffer 1] aan de deur is geweest, terwijl het misdrijf door een bekende van [slachtoffer 1] moet zijn gepleegd.

c. [slachtoffer 1] rekende op de komst van een bekende. De in de woning van [slachtoffer 1] aangetroffen omstandigheden duiden hier op. [slachtoffer 1] had zich vóór haar ontbijt op zondagochtend reeds opgemaakt. [slachtoffer 1] maakte zich niet altijd op. Zij deed dat als zij zich zeker wilde voelen. Verscheidene lichten in de woning waren aan, hetgeen betekent dat zij was opgestaan op een moment van nachtelijke duister of van schemering. Verdachte had zijn bezoek aangekondigd, naar zijn zeggen de voorafgaande avond of nacht. Het betrof een bezoek dat door verdachte op een zeer vroeg tijdstip (op een zondagochtend) zou worden afgelegd, hetgeen voor hem mede gelet op zijn levensritme niet ongewoon was.

d. Verdachte verklaart op maandag 5 maart 1984 's ochtends naar de woning van getuige [getuige 2] te zijn gegaan. Uit de verklaringen van de getuige [getuige 2] (bewijsmiddel 16, 17 en 18) leidt het hof af dat verdachte op maandagochtend 5 maart 1984 op haar, [getuige 2], adres aankwam en daar wilde verblijven omdat de politie hem zocht. Op dat moment was de vondst van de lichamen van [slachtoffer 1] en haar twee kinderen nog niet gedaan en van hun gewelddadig overlijden kon verdachte dan ook niet op de hoogte zijn indien hij - zoals hij heeft verklaard - daarbij geen enkele betrokkenheid had. Verdachte heeft nimmer verklaard voor welk ander misdrijf dan hier besproken hij door de politie kon worden gezocht.

e. Voorts leidt het hof uit [getuige 2] verklaring af dat verdachte reeds op maandag 5 maart 1984 een voor zijn doen opmerkelijke belangstelling had voor de inhoud van de krant van die dag. Die belangstelling kon alleen informatie betreffen die tot de ochtendbladen was gekomen vóór de deadline van inlevering van de kopij op de avond tevoren.

f. Uit de verklaringen van [getuige 1], - door tussenkomst van getuige [verbalisant 2] - [getuige 4] en [getuige 3] leidt het hof af dat verdachte aan deze personen bij één of meer gelegenheden in een al dan niet verder verleden heeft meegedeeld dat hij een vrouw en (haar) twee kinderen heeft vermoord. Ook heeft verdachte zulks medegedeeld aan een getuige die aan het hof louter bekend is onder de codenaam NN2. Zij is door de rechter-commissaris als bedreigde getuige gehoord. Haar verklaring wordt door het hof slechts gebezigd ter ondersteuning van de verklaringen van [getuige 1], [getuige 4] en [getuige 3] voor zover zij melding maken van een uitlating van gelijke strekking. De moord op een vrouw en (haar) twee kinderen is naar Nederlandse maatstaven een zodanig unieke gebeurtenis dat verdachtes mededelingen hieromtrent in deze context niet anders dan betrekking kunnen hebben op de thans onderzochte misdrijven.

Overwegingen met betrekking tot een aantal van de voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen

37.

Namens verdachte is aangevoerd dat een aantal van de afgelegde getuigenverklaringen onbetrouwbaar is en derhalve niet voor het bewijs van het tenlastegelegde kan worden gebezigd. Het betreft hier de verklaringen van de al genoemde getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 3]. Te dien aanzien heeft de verdediging - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:
a. ten aanzien van de getuige [getuige 1]: [getuige 1] heeft - kort gezegd - verklaard dat verdachte haar meermalen heeft verteld "een wijf met (twee) koters" te hebben vermoord. Daarbij heeft verdachte ook de naam van de bewuste moeder genoemd: [slachtoffer 1]. Dit alles wordt niet bevestigd door degenen aan wie [getuige 1] dit (vóór de afleveringen van het televisieprogramma 'P.R. de Vries, misdaadverslaggever' waarin dit onderwerp aan de orde kwam) naar eigen zeggen zou hebben verteld. Er is geen redelijke verklaring voor het feit dat zij één en ander niet heeft verteld bij gelegenheid van haar aangifte van verkrachting door verdachte d.d. 4 mei 1998. Zij heeft, gelet op het verleden, wraak als motief om een jegens verdachte onjuiste, belastende verklaring af te leggen.
b. ten aanzien van de getuige [getuige 2]: De verklaringen uit 1984 en die uit 2002 en latere jaren inzake het verblijf van verdachte in haar woning enkele dagen in maart 1984 verschillen onderling, zijn inconsistent, onwaarschijnlijk en oncontroleerbaar. Aannemelijk is dat het drankgebruik van getuige bij het afleggen van deze verklaringen een rol heeft gespeeld. Voorts heeft verbalisant [verbalisant 1] tijdens het verhoor op 23 mei 2002 (waarvan een bandopname is afgespeeld tijdens de terechtzitting in hoger beroep) een sturende rol gespeeld teneinde een verdachte belastende verklaring te construeren. Ook getuige [getuige 2] kan, gelet op een mogelijk onheuse bejegening van haar door verdachte in het verleden, wraak als motief hebben om een jegens hem belastende doch incorrecte verklaring af te leggen.
c. ten aanzien van de getuige [getuige 4]: Verscheidene getuigen bevestigen dat deze getuige een pathetische leugenaar mag worden genoemd. Hij heeft zijn belastende verklaring, inhoudende dat verdachte hem in 1984 in detentie heeft verteld een vrouw met kinderen vermoord te hebben kennelijk uit wraak afgelegd. Deze verklaring is op een aantal punten aantoonbaar onjuist en [getuige 4] heeft in 2002 eerst contact met de politie gezocht na het reeds genoemde programma van Peter R. de Vries over de zaak van [slachtoffer 1] te hebben gezien.
d. ten aanzien van de getuige [getuige 3]: De verklaring van deze getuige, inhoudende dat verdachte hem had meegedeeld een vrouw met twee kinderen 'het licht te hebben uitgeblazen', is enkel gebaseerd op de informatie die in het programma van P.R. de Vries is weergegeven. Dit blijkt bijvoorbeeld alleen al uit het feit dat hij - evenals in de uitzending van P.R. de Vries - ten onrechte melding maakt van het 'Olympiaplein' als de plaats waar verdachte door taxichauffeur [betrokkene 2] is afgezet in plaats van het Stadionplein alwaar zulks in werkelijkheid is geschied. Waarschijnlijk wil de getuige met deze verklaring de door justitie in het vooruitzicht gestelde beloning voor informatie in deze zaak opstrijken.

38.

Ad a. De verdediging zij toegegeven dat er op onderdelen enige verschillen zijn tussen de verklaringen die door getuige [getuige 1] bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep zijn afgelegd, maar het hof is van oordeel dat de hoofdlijnen ervan in voldoende mate consistent zijn. De omstandigheid dat [getuige 1] bij gelegenheid van haar aangifte wegens verkrachting op 4 mei 1998 geen melding heeft gemaakt van hetgeen zij kon verklaren in relatie tot de thans onderzochte zaak, doet evenmin af aan de betrouwbaarheid van haar tot het bewijs gebezigde verklaring, nu zij voor die omstandigheid een naar 's hofs oordeel plausibele reden heeft gegeven die - anders dan de verdediging wil doen geloven - beslist niet volstrekt onbegrijpelijk is, zulks in het licht van hetgeen [getuige 1] - blijkens het veroordelend vonnis van 11 februari 1999 - bekend kon zijn over de dreiging en het geweld waartoe verdachte kennelijk in staat was. Daarbij neemt het hof in overweging dat deze getuige ter terechtzitting in hoger beroep een betrouwbare indruk heeft gemaakt en ook overigens niet de indruk heeft gewekt uit wraak of angst voor de vrijlating van verdachte een belastende verklaring te hebben afgelegd en slechts om die reden daarbij te persisteren. Ten slotte wordt haar verklaring ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 6] (dossier 2002 - blz. 594): "Ik weet het niet voor 100% zeker, maar ik geloof dat ze (het hof begrijpt: getuige [getuige 1] zei: 'dat hij zijn ex en twee kinderen vermoord had'."

Ad b. De verdediging heeft terecht opgemerkt dat de verschillende verklaringen van getuige [getuige 2] onderling verschillen. Echter, ook in de verklaringen van deze getuige is er consistentie ten aanzien van een aantal hoofdlijnen:
- het voor haar onverwachte bezoek van verdachte op maandag 5 maart 1984, op een moment dat zij elkaar al enige maanden niet meer gezien hadden;
- verdachtes verblijf voor enige dagen in haar woning;
- verdachtes verzoek (opdracht) een pak melk en een krant te halen;
- haar verbazing dat verdachte een krant wilde hebben;
- het verzoek een vlek uit een jasje van verdachte te wassen;
- het feit dat zij na terugkeer door de van haar geschrokken verdachte een pistool op zich gericht krijgt;
- haar constatering dat het te wassen jasje was verdwenen en er in de tuin iets lag te smeulen;
- het feit dat verdachte haar die maandag meedeelde dat hij voor de politie op de vlucht was en dat hij bij haar wilde verblijven;
- de voor haar verrassende omstandigheid dat hij op dinsdag niet naar de clubavond van de "Hells Angels" is gegaan.
Voor zover [getuige 2] in 2002 en daarna uitvoeriger over één en ander is gaan verklaren heeft zij daarvoor een logische verklaring gegeven: zij wilde verdachte in 1984 beschermen. Daarbij komt dat de verklaring van [getuige 2] op een aantal belangrijke onderdelen (waaronder het bezoek van verdachte en het uitwassen van een jasje) wordt ondersteund door de eveneens ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuige [getuige 7]. Er zijn geen aanwijzingen dat [getuige 2] met deze getuige contact heeft gehouden, zodat afstemming van hun verklaringen onderling onwaarschijnlijk is. Voorts is ook de verklaring van verdachte zelf tot op zekere hoogte ondersteunend voor de verklaring van [getuige 2], namelijk daar waar hij op enig moment ook zelf melding maakt van zijn bezoek aan haar op 5 maart 1984, zijn verblijf in haar woning en zijn mededeling dat hij de politie wilde ontlopen. Uit de bandopname van het verhoor van deze getuige door de verbalisant [verbalisant 1] van 23 mei 2002 blijkt naar 's hofs oordeel in het geheel niet dat [verbalisant 1] [getuige 2] waar het haar verklaring betreft trachtte te beïnvloeden, en in ieder geval heeft het hof kunnen constateren dat [getuige 2] zich niet heeft laten beïnvloeden. Ten slotte heeft [getuige 2] tijdens haar verhoor ter terechtzitting in hoger beroep geen onbetrouwbare indruk gemaakt, en is ook overigens niet aannemelijk geworden dat zij uit wraak of uit andere onoorbare motieven onjuiste, de verdachte belastende verklaringen zou hebben afgelegd. Dat [getuige 2] in haar leven met enige regelmaat onder invloed van grote hoeveelheden alcohol zou hebben verkeerd, hetgeen verdachte ten overstaan van het hof telkenmale heeft willen benadrukken, brengt niet reeds op zichzelf mee dat aan haar integriteit als getuige moet worden getwijfeld. Gelijke overweging geldt voor de door verdachte meermalen aan het hof voorgehouden beroepsuitoefening waarvoor [getuige 2] gedurende bepaalde periodes in haar leven heeft gekozen.

Ad c. De verdediging heeft terecht opgemerkt dat het niet uitgesloten moet worden geacht dat de verklaringen die door de getuige [getuige 4] vanaf 2002 zijn afgelegd kunnen zijn beïnvloed door de uitzendingen van het televisieprogramma van P.R. de Vries. Het is in deze zaak niet duidelijk geworden of [getuige 4] één of meer van deze uitzendingen heeft bekeken. Het hof gaat er daarom van uit dat zulks wél het geval is. Om die reden zal tot het bewijs enkel worden gebezigd het proces-verbaal d.d. 9 oktober 2002 (dossier 2002 - blz. 687 e.v.; bewijsmiddel 25) van de ook ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde verbalisant [verbalisant 2] (bewijsmiddel 26). In dit proces-verbaal is opgenomen een weergave van het verhoor van [getuige 4] uit 1985, waarin hij verklaart (het hof begrijpt, gelet op [getuige 4] verklaring d.d. 30 augustus 2002, dossier 2002 - blz. 727) in 1984 uit de mond van verdachte te hebben gehoord dat hij een vrouw en haar twee kinderen had vermoord. Anders dan de verdediging gaat het hof ervan uit dat verdachte en [getuige 4] tijdens de detentie in 1984 (verdachte van 22 maart 1984 t/m 24 april 1984 in P.I. Demersluis en [getuige 4] van 20 maart 1984 tot en met 6 juli 1984 in P.I. De Schans (dossier 2002 - blz. 753)) op enig mogelijk onbewaakt moment met elkaar contact kunnen hebben gehad en ook daadwerkelijk hebben gehad, waarbij verdachte aan [getuige 4] mededeling heeft gedaan van het doden van een moeder en haar twee kinderen.

Ad d. Vast is komen te staan dat verdachte en [getuige 3] tegelijkertijd in het Huis van Bewaring in Den Bosch in detentie hebben verbleven. Zelfs indien [getuige 3] pas na en eventueel door kennisneming van een op voorliggende zaak betrekking hebbende uitzending van het televisieprogramma van P.R. de Vries de politie op de hoogte heeft gesteld van informatie inhoudende dat verdachte hem in detentie heeft meegedeeld 'een vriendin met twee koters het licht te hebben uitgeblazen', dan nog doet het enkele feit dat hij daarbij op een ondergeschikt punt in zijn verklaring een gelijke fout maakt als die in de bedoelde uitzending van P.R. de Vries wordt gemaakt, niet zonder meer af aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring waar het de hoofdlijnen aangaat. Ter terechtzitting heeft de getuige [getuige 3] een uitgebreide, zeer gedetailleerde verklaring afgelegd. Daar komt bij dat niet is gebleken van het door de verdediging aan [getuige 3] toegeschreven motief om een onjuiste belastende verklaring af te leggen, te weten de hem in het vooruitzicht gestelde beloning. Integendeel, uit het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat [getuige 3] deze beloning gevraagd noch verkregen heeft.

39.

Samenvattend kunnen de verklaringen van de hiervoor onder a tot en met d genoemde getuigen voor het bewijs worden gebezigd, nu deze verklaringen op essentiële onderdelen consistent zijn en steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Hetgeen prof. Van Koppen in zijn rapportage d.d. 5 april 2004 omtrent de betrouwbaarheid van de verschillende verklaringen heeft opgemerkt kan daaraan niet afdoen. Van Koppen heeft meermalen opgemerkt dat het hem voorliggende materiaal - naar het hof begrijpt: uit wetenschappelijk oogpunt - geen aanknopingspunten biedt om een keuze te maken tussen de mogelijke beweegredenen die in concreto aan het afleggen van een belastende verklaring ten grondslag liggen. Het hof daarentegen kan en moet, binnen de door de wet getrokken grenzen, van al het hem beschikbare materiaal datgene tot het bewijs bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.Daarbij zal het hof zeker acht hebben te slaan op hetgeen de wetenschap te bieden heeft, althans daaraan niet voorbij mogen gaan, doch niet zelden zal het hof beslissingen moeten nemen in kwesties waarin de wetenschap weinig tot geen zinnige uitspraken vermag te doen.
Het hof overweegt voorts dat de getuigen [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4], van wie gesteld noch gebleken is dat zij elkaar kennen of omtrent één en ander hun verklaringen hebben geharmoniseerd, vanuit verschillende invalshoeken verklaren uit de mond van verdachte gelijkluidende mededelingen te hebben gekregen omtrent het doden van - naar het hof begrijpt – [slachtoffer 1] en haar kinderen. Niet aannemelijk is geworden dat zij die informatie van een ander dan verdachte zelf hebben en deze pas later hebben vernomen bij gelegenheid van een uitzending van het televisieprogramma van P.R. de Vries.
Ten slotte wordt overwogen dat niet aannemelijk geworden is dat één of meer van de genoemde vier getuigen in het vooruitzicht van een beloning hun verklaring hebben afgelegd. Na de veroordeling van verdachte in eerste aanleg heeft de getuige [getuige 1] via de politie gevraagd of zij voor een beloning in aanmerking kon komen. De officier van justitie heeft daarop positief besloten (blz. 77 requisitoir advocaat-generaal). [getuige 2] heeft geen enkel moment gevraagd om een beloning, maar uiteindelijk - zo begrijpt het hof - wel ontvangen (blz. 82 requisitoir advocaat-generaal).”

25.

Aan de bewijsconstructie heeft het Hof onder meer de navolgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 primair onder b. en c. primair bewezengeachte:

(…)

15.

Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/1984 d.d. 13 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], brigadier en hoofdagentrechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 323 t/m 327 van "dossier 1984").

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:

Ik werk als taxichauffeur. Op zondag 4 maart 1984 omstreeks 06.25 uur reed ik op de Gooiseweg te Amsterdam. Op dat moment werd via de taxicentrale een taxi gevraagd. Ik moest voorkomen [a-straat] (het hof begrijpt: [a-straat]) 13 te Amsterdam, waar is gevestigd Angels Place (het hof begrijpt: het clubhuis van de Hells Angels). Na ongeveer twee minuten was ik ter plaatse. Toen ik voor genoemd perceel aankwam stond er een man langs de weg. Ik stopte naast hem en ik zag dat het een Hells Angel was. Ik zag dat het een grote grove kerel was, gekleed als een Hells Angel. Ik bedoel hiermee dat hij een jack droeg met daarop het embleem van de Hells Angels. De man stapte rechts achter in. Hij zei mij goede dag en zei Stadionplein. Of deze man alcohol had gebruikt weet ik niet. Hij was in ieder geval niet dronken en ik had ook niet de indruk dat hij verdovende middelen had gebruikt. Ik denk dat de rit een kleine tien minuten geduurd heeft. Tijdens de rit heb ik nog wat met de man zitten praten. Hij vroeg mij of ik het druk had. Ik ben het Stadionplein opgereden en ik moest stoppen na de Tuyll van Seerooskerkenweg op het stukje voor de Argonautenstraat. Hij betaalde mij 16 gulden, waarbij twee gulden fooi was inbegrepen.

16.

Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/1984 d.d. 28 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 476 en 477 van "dossier 1984").

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Nu blijkt mij dat [aanvrager] (hof: verdachte) reeds op maandagmorgen 5 maart 1984 in de ochtenduren in mijn woning is gekomen. Het was in ieder geval vroeg. [aanvrager] heeft mij niet van tevoren gebeld, daar de telefoon was afgesloten. Hij kwam voor mij dus geheel onverwachts. Die middag, dus maandag 5 maart 1984, nadat wij uit bed waren gekomen, vertelde [aanvrager] mij, dat hij een paar dagen bij mij bleef. Hij zei dat hij zich wat rustig moest houden, omdat de politie hem zocht. Hij heeft mij niet verteld waarom de politie hem zocht. Ik heb hem dat ook niet gevraagd. [aanvrager] is tot en met woensdag 7 maart 1984 in mijn woning gebleven. Hij is zelfs die dinsdagavond niet naar de clubavond van de Hells Angels geweest, iets dat hij normaal nimmer overslaat.

17.

De verklaring die de getuige [getuige 2] op de terechtzitting in eerste aanleg van 14 januari 2003 heeft afgelegd, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Rond carnaval 1984 stond [aanvrager] weer voor mijn deur. Het was maandag of dinsdag (het hof begrijpt: maandag 5 maart 1984 of dinsdag 6 maart 1984). Ik dacht maandag tegen de ochtend. Ik had [aanvrager] vanaf november 1983 tot aan carnaval niet meer gezien. Het was niet logisch dat hij langskwam. Hij had zijn jas over zijn colours aan. Hij vroeg of ik zijn jas kon wassen. Hij had een vlek op zijn mouw. Het is mij niet gelukt om de vlek eruit te wassen. Ik ben later naar de kroeg gegaan, heb een krant en een fles melk voor [aanvrager] meegenomen. Het was opvallend dat ik een krant voor hem moest meenemen, want hij las nooit een krant. Hij was de krant niet echt aan het lezen, meer aan het bekijken.
Toen ik terugkwam was er iets verbrand in de tuin.
Ik heb in 1984 niet alles verklaard, wat ik wist. Ik was een beetje bang natuurlijk. Ik had wel een reden om bang voor [aanvrager] te zijn.

18.

De verklaring van de getuige [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2004.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ken [aanvrager]. Ik heb hem rond 1982/1983 in een shoarmatent leren kennen. In diezelfde tijd heb ik een relatie met hem gekregen. Wij hebben toen ook een tijdje samengewoond. Op een gegeven moment vertrok [aanvrager].
De bewuste maand in 1984 kwam [aanvrager] opeens bij mij in huis. Hij was opeens bij mij binnen. Onze relatie was al vanaf oktober 1983 verbroken.
Het verbaasde mij dat [aanvrager] opeens voor mijn neus stond. Bij mij was het voorheen niet vaker gebeurd dat [aanvrager] een tijdje weg was en dan opeens weer terugkwam.
Volgens mij was het op een doordeweekse dag. Ik weet wel dat het in de tijd van het carnaval was. [aanvrager] kwam 's nachts/'s morgens binnen. Zoals ik al drie keer eerder heb verklaard: [aanvrager] kwam 's morgens vroeg bij mij binnen. Ik ging toen al bijna mijn bed uit en opeens stond hij bij mij binnen. Hij wilde bij mij slapen en ik ben gewoon gaan douchen en naar de kroeg gegaan. In de tussentijd vroeg [aanvrager] mij de jas uit te wassen. Hij vroeg mij dit te doen vóórdat ik naar de kroeg ging. Het was of een spijkerjas of zijn suèdejas. Ik moest die jas uitwassen omdat er een vlek in zat.
Vóórdat ik naar de kroeg ging heb ik de jas in het water laten weken. Toen ik terugkwam was de jas niet meer in huis was.
Achteraf bezien vond ik het wel gek dat ik direct 's ochtends vroeg de jas moest uitwassen, maar dat is [aanvrager].
Ik was wel zo een type bij wie je kon schuilen. Ik denk dat [aanvrager] daar wel vanuit ging.
Vóórdat ik de deur uitging kreeg ik van [aanvrager] het verzoek om de jas uit te wassen en een krant en melk mee te nemen.
Ik ben eerst naar de kroeg gegaan en heb daarna een krant en melk voor [aanvrager] meegenomen. Toen ik binnenkwam schrok ik omdat er een pistool op mij werd gericht. Voordat ik wegging had ik niet gezien dat [aanvrager] een pistool bij zich had. Ik had daar niet op gelet. Ik denk dat [aanvrager] schrok dat ik opeens binnen kwam en daarom richtte hij, denk ik, het pistool op mij. Ik weet niet of [aanvrager] iets of iemand anders had verwacht.
[aanvrager] bladerde de krant door.
Het is juist dat ik heb verklaard dat [aanvrager] niet een geregeld krantenlezer was. Op het moment zelf was ik niet verbaasd dat hij een krant wilde hebben, maar als je er achteraf over nadenkt weer wel. Ik kreeg gewoon het verzoek een krant en melk te halen en dat heb ik gedaan.
Ik weet nog steeds zeker dat [aanvrager] op dinsdagavond niet naar de clubavond van de Hells Angels is geweest. Dat viel mij op en dat is een van de dingen die me zijn bijgebleven.
Het is juist dat ik naderhand een aantal dingen wel bij de politie heb verklaard, die ik destijds in 1984 niet had verklaard. Als ik in mijn eerste verklaring had gesproken over het jasje en alles wat daarmee samenhangt, dan denk ik dat ik hier nu niet had gezeten. Uit veiligheidsoverwegingen voor mijzelf heb ik dat achtergehouden. Ik had toen een kind van anderhalf jaar. Ik was bang dat als ik openheid van zaken gaf het voor mij wel eens verkeerd kon aflopen.
Uit veiligheidsoverwegingen heb ik in 1984 minder verklaard en bepaalde dingen achtergehouden.
Het schijnt dat ik met iemand heb gesproken over [aanvrager], het jasje, de krant en de melk. Ik weet nu dat [getuige 7] (het hof begrijpt: getuige [getuige 7]) dat verteld heeft en er is nog wel iemand, maar die leeft niet meer. Vlak nadat het gebeurd was heb ik dat met hen besproken.
Ik heb het aan iemand verteld en later kwam uit dat het [getuige 7] was.
Ik wist dat [verdachte] [slachtoffer 1] kende.
Naderhand heb ik de jas niet meer in huis gezien. Toen ik thuis kwam lag er iets in de tuin te smeulen.
[aanvrager] had meerdere jassen aan en hij had een jas over zijn colours aan. In ieder geval één jas werd aan mij gevraagd te wassen. De jas met de coulours mocht ik toch niet wassen.
De vlek zat op de mouw aan de bovenkant.
Toen [aanvrager] bij mij binnenkwam droeg hij een jas over zijn colours.
Ik zag hem (hof: verdachte) altijd met zijn colours. Als je colours hebt, dan moet je ermee lopen.
Ik weet nog dat [aanvrager] niet naar de clubavond van de Hells Angels is geweest. Dinsdagavond is de clubavond van de Hells Angels. [aanvrager] had toen al een nacht bij mij geslapen.

19.

Een ambtsedig proces-verbaal nummer 2002038173 d.d. 2 juli 2002 opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent-rechercheur van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde bladzijden 383 t/m 386 zaak "Oostvink'', zaakdossier 1 deel V Moord/doodslag [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3]).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

Op 25 juni 2002 hoorde ik een vrouw als getuige genaamd: [getuige 7].

De getuige verklaarde op mijn vragen als volgt:

[getuige 2] vertelde mij dat [aanvrager], haar vriend die bij de Hells Angels zat, bij haar was gekomen en dat hij een spijkerjas had die helemaal onder het bloed zat. [getuige 2] moest die voor hem wassen. Dat had ze gedaan.

20.

De verklaring van de getuige [getuige 7], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2004.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het is juist dat ik eerder ben gehoord door de politie en de rechter-commissaris. Ik weet nog wat ik toen heb verklaard. Ik heb toen de waarheid verklaard en blijf bij die verklaringen.

Op die maandag dat ik [getuige 2] met die ruige man zag heb ik niet met haar en/of hem gesproken.

[getuige 2] zal mij één dag daarna gezegd hebben dat die man bij haar was blijven slapen.

lk weet alleen dat [getuige 2] een bebloed spijkerjack heeft gewassen voor de persoon die maandagmiddag bij haar zat.

[getuige 2] heeft mij verteld dat het een bebloed spijkerjack betrof.

[getuige 2] heeft mij verteld dat die man - genaamd [aanvrager] - die nacht bij haar is blijven slapen.

Op die bewuste maandagmiddag werkten noch [betrokkene 3], noch [betrokkene 4] in café "[A]". Iemand anders stond op dat moment achter de bar van café "[A]". [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ken ik veel te goed. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] waren nooit op maandagmiddag in café "[A]".

Het verhaal van het bebloede spijkerjack kan ik mij nog heel goed herinneren.

21.

Een ambtsedig proces-verbaal nummer 2002038173 d.d. 14 mei 2002 opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 1], respectievelijk inspecteur en hoofdagent, rechercheurs van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde bladzijden 186 t/m 191 zaak "Oostvink", zaakdossier 1., deel II Moord/doodslag [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3]).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven:

Het was in de jaren dat [aanvrager] vastzat in Den Bosch in verband met een gewapende overval. Ik zat toen ook vast in Den Bosch. Hij zat toen ook bij de Hells Angels. [aanvrager] vertelde dat hij een vriendin met twee kinderen gedumpt had. Ik weet niet meer hoe hij het precies gezegd heeft, maar ik geloof dat hij gezegd heeft dat hij een vriendin met twee koters het licht had uitgeblazen.

22.

De verklaring van de getuige [getuige 3], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2004.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het is juist dat ik [aanvrager] heb leren kennen toen ik in Den Bosch gedetineerd zat.
Ik blijf bij mijn eerder afgelegde verklaring, namelijk dat [aanvrager] mij in het huis van bewaring in Den Bosch heeft verteld dat hij een vriendin met twee koters het licht had uitgeblazen. Hij heeft dat in mijn aanwezigheid gezegd.
[aanvrager] heeft het mij verteld nadat hij stuff had gebruikt. Ik dacht toen niet aan grootspraak van [aanvrager]. Ik heb dingen gezien én alles wat [aanvrager] zegt komt uit. Alles wat hij zegt kan hij waarmaken.
Ik kon het mij duidelijk herinneren, want ik dacht nog hij zal wel geen geintjes maken. Hij was met andere dingen ook zo serieus.
[aanvrager] heeft er tussendoor wel eens vaker over gesproken.
[aanvrager] werd vooral loslippig als hij gebruikt had. Ik weet niet of [aanvrager] zich achteraf kon herinneren wat hij mij verteld had. Wij hebben het er naderhand eigenlijk nooit meer over gehad.
Ik heb hem nooit gevraagd of het echt waar was.
Ik heb niet de aflevering over [aanvrager] van Peter R. de Vries gezien. Ik heb destijds eens een televisie aangezet en het laatste stukje van een aflevering van Peter R. de Vries gezien. Dat is ook de aanleiding geweest waarom het mij op een gegeven moment weer te binnen schoot en ik dacht dat ik er toch iets over moest zeggen. Ik heb de moeder van het Engelse meisje gezien en daar heb ik op gereageerd.

23.

De verklaring die de getuige [getuige 1] op de terechtzitting in eerste aanleg van 14 januari 2003 heeft afgelegd, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb van 1996 tot 1998 een relatie met [aanvrager] gehad.
[aanvrager] heeft meerdere keren tegen mij gezegd: "Ik heb al eens een wijf met koters vermoord". Ik heb hem één keer gevraagd of het werkelijk waar was dat er kinderen bij betrokken waren. Hij zei toen dat het inderdaad waar was. Hij heeft toen ook de voornaam van die vrouw genoemd. [slachtoffer 1] was het. Haar achternaam heeft hij niet verteld.

24.

De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2004.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb van 1996 tot 1998 een relatie met [aanvrager] gehad. Het is juist dat [aanvrager] mij heeft verteld dat hij een vrouw en twee kinderen vermoord zou hebben. [aanvrager] zei dat ze lastig werden. Hij heeft niet verteld hoe de kinderen heetten, maar hij vertelde wel dat de vrouw [slachtoffer 1] heette. Hij heeft toen geen achternaam genoemd.
[aanvrager] was niet het type om iets te vertellen wat niet waar was om stoer te zijn. Het is vaker ter sprake gekomen dat [aanvrager] een vrouw en twee kinderen had vermoord.
De dag nadat hij me voor het eerst had verteld over het doden van die vrouw en twee kinderen vroeg ik [aanvrager] over de kinderen en hij bevestigde weer dat het waar was.
Destijds heb ik aan twee CID-mensen verteld dat [aanvrager] mij had verteld dat hij een vrouw en twee kinderen zou hebben vermoord.
Ik heb Peter (het hof begrijpt: P.R. de Vries) van [slachtoffer 1] verteld zonder dat hij mij bepaalde feiten had verteld. Ik heb Peter exact hetzelfde verteld als [aanvrager] mij heeft verteld en wat ik u nu vertel, namelijk dat [aanvrager] mij heeft verteld dat hij een vrouw en twee koters had vermoord en dat de vrouw [slachtoffer 1] heette.
[aanvrager] blufte nooit. Als [aanvrager] zei dat hij iemand had vermoord, dan had hij dat gedaan. Daar twijfelde ik niet aan en iedereen om [aanvrager] heen bevestigde dit.
De eerste keer dat [aanvrager] mij vertelde dat hij een vrouw en twee kinderen had vermoord was bij mij thuis in de huiskamer. [aanvrager] ging met een vriend weg om wat te verkopen. Het was 's nachts al vrij laat en hij was al voor de tweede keer teruggekomen. Omdat [aanvrager] geen huissleutels bij zich had kwam ik uit bed en vertelde hem dat ik niet van plan was om de hele nacht voor portier te spelen, omdat ik ook nog een klein kind had dat driemaal per nacht een flesje wilde hebben. [aanvrager] kwam terug naar boven gerend en sloeg en schopte mij met schoenen met stalen neuzen tegen het hoofd. Ik denk dat mijn opmerking de aanleiding voor [aanvrager]' gedrag was. [aanvrager] was al halverwege de trap naar beneden en hij kwam teruggerend. Hij sloeg mij daarna de kamer in. Waarschijnlijk ben ik daarbij flauw gevallen. [aanvrager] gooide toen water over mij heen en ik kwam weer tot mijn positieven. Daarna gooide hij mij op de bank en vertelde mij dat hij al eens eerder "een wijf en twee koters had vermoord" en dat mij hetzelfde kon gebeuren. [aanvrager] heeft toen niet iets anders gezegd en/of ik heb toen niet iets anders verstaan. Hij heeft het daarna nog diverse malen herhaald. Er is toen niets anders gezegd.
[aanvrager] gebruikte de woorden "koter" en "koters" wel vaker. Als bijvoorbeeld mijn zoontje lastig was, dan zei [aanvrager] zoiets als: "Wat is die koter weer vervelend."
"Koter" is een Amsterdams woordje. Het woord koter werd wel vaker door [aanvrager] gebruikt en ook in andere verbanden dan in de zin "een wijf met twee koters vermoord".
Volgens mij waren [aanvrager] en ik altijd alleen als hij mij vertelde dat hij "een vrouw en twee koters had vermoord".
Van andere mensen heb ik nooit iets gehoord over de moeder en haar twee kinderen

25.

Een ambtsedig proces-verbaal, d.d. 9 oktober 2002 opgemaakt door [verbalisant 2], inspecteur van de regiopolitie Groningen (doorgenummerde bladzijden 687 t/m 690 in de zaak "Oostvink", zaakdossier 1., deel XI Moord/doodslag [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3]).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

In de jaren '80 was ik werkzaam bij de Gemeentepolitie Groningen als groepsbrigadier bij de afdeling Illegale Vuurwapens van de Bijzondere Recherche. Op deze afdeling waren destijds tevens werkzaam de hoofdagenten [verbalisant 6] en [verbalisant 7]. Eind 1984 werd door ons een onderzoek verricht. Voor deze zaak werd als verdachte aangehouden [getuige 4]. [getuige 4] deed een boekje open over een aantal andere zaken. Zo verklaarde hij dat hij uit de mond van ene [aanvrager] had gehoord dat deze een vrouw en haar twee kinderen had vermoord.

26.

De verklaring van de getuige [verbalisant 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2003.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De strekking van de verklaring van [getuige 4] herinner ik mij. De inhoud niet. De strekking was dat een moeder en twee kinderen waren vermoord.

27.

Een proces-verbaal van 8 augustus 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. D. Radder, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 augustus 2002 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van NN2:

Ik ken [aanvrager] sinds ongeveer 1980.
Op een nacht in mei 1984 ben ik door [aanvrager] verkracht. Hij stond midden in de nacht opeens in mijn slaapkamer, ik werd wakker van zijn binnenkomst. Ik lag in bed. [aanvrager] ging direct boven op mij liggen. Hij had een bijl, een klewang en een pistool bij zich. [aanvrager] was onder invloed, het was voor mij duidelijk dat hij niet nuchter was. Toen hij weg wilde gaan zei hij met luide stem ongeveer de volgende woorden: "Je houdt je bek dicht. Je zegt niets, anders dan kill ik je, net als die [slachtoffer 1]".
De naam [slachtoffer 1] had ik weleens gehoord. Het was een naam die ik weleens binnen de kennissenkring had horen vallen. Ik wist haar achternaam niet en wist verder niets van haar af. Behalve dat zij in Amsterdam woonde.
Een paar maanden later was ik op een politiebureau. Ik zat in de wachtruimte en zag daar een aanplakbiljet hangen. Het was een biljet waarop een beloning werd uitgeloofd aan degen die tips kon geven over de moord op [slachtoffer 1] en haar twee kinderen. De achternaam heb ik toen wel gelezen, maar die ben ik inmiddels vergeten. Wat ik al wist werd op dat moment erg duidelijk, het vormde voor mij de bevestiging dat hij haar echt vermoord had. Er staat mij vaag iets van bij dat hij in zijn dreigement aan mij het ook heeft gehad over haar koters. In ieder geval kan ik mij herinneren dat toen ik het aanplakbiljet zag ik al wist dat hij zowel [slachtoffer 1] als de kinderen had vermoord.
U vraagt mij waarom ik het woord koters gebruik. Dat woord gebruik ik omdat [aanvrager] het nooit over kinderen had maar over koters.
Toen ik in een aankondiging van een programma van Peter R. de Vries zag dat het over deze zaak zou gaan kwam het bij mij weer naar boven. Naar aanleiding van de uitzending besloot ik alsnog mijn informatie te geven. Dat was omdat ik begreep dat het de laatste kans was om er iets zinnigs mee te doen en omdat het mij altijd dwars had gezeten dat ik destijds heb gezwegen.”

VI De namens verzoeker als zodanig gepresenteerde vijf ‘nova’

26.

Ik ben toegekomen aan de weergave van de namens de aanvrager aangevoerde en door diens raadsman mr. Peters als zodanig aangeduide vijf ‘nova’. Vooraf verdient opmerking dat de ‘nova’ 1 t/m 3 verklaringen van drie voormalige relaties van [getuige 1] betreffen, over hetgeen zij aan hen zou hebben toevertrouwd met betrekking tot de belastende verklaringen die zij jegens de aanvrager heeft afgelegd. ‘Novum 4’ is een op 10 augustus 2009 afgelegde verklaring van [getuige 4], een voormalige medegedetineerde van verzoeker. En ‘novum 5’ behelst, als gezegd, een uitgewerkt opgenomen telefoongesprek tussen [getuige 2] en [betrokkene 1], de echtgenote van verzoeker. Naar het inzicht van mr. Peters doet elk ‘novum’ op zichzelf en ook bezien in onderling verband en samenhang met de andere gepresenteerde ‘nova’ het ernstige vermoeden rijzen dat ware dit (alles) aan het Hof bekend geweest, dit zou hebben geleid tot vrijspraak van verzoeker, hetzij tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

(i) ‘Novum 1’ (verklaring [getuige 8])

27.

Het betreft een verklaring van [getuige 8], op 20 oktober 2012 afgelegd tegenover [betrokkene 5], verbonden aan het particulier onderzoeksbureau [B] te Rijssen, vergunning verleend door het (toenmalige) ministerie van Justitie onder nummer POB 982. Deze verklaring is door [betrokkene 5] gerelateerd in diens rapport d.d. 23 oktober 2012, welk rapport als bijlage 1 bij het herzieningsverzoek is gevoegd. Blijkens dat rapport heeft [getuige 8] toen onder meer verklaard dat [getuige 1] en hij op een avond in de jaren 2001-2002 door Peter R. de Vries bezocht werden, dat [getuige 1] bij de eerste ontmoeting tegen De Vries heeft gezegd “Hier niets specifieks over te kunnen zeggen maar best te geloven dat [aanvrager] dat gedaan zou kunnen hebben” en dat zij na het vertrek van De Vries tegen hem, [getuige 8], zou hebben gezegd:

“Ik ga de politie een handje helpen om die psychopaat te pakken. Ik draai wel een verhaaltje in elkaar.”

Voorts heeft, aldus [getuige 8], [getuige 1] bij daaropvolgende bezoeken van Peter R. de Vries verschillende keren tegen hem gezegd dat zij uit de mond van de aanvrager heeft gehoord: “Dat hij [slachtoffer 1] en haar twee koters had vermoord” en dat Peter R. de Vries haar heeft aangezet tot het afleggen van een verklaring bij de politie, hetgeen ook is gebeurd, en waarvoor [getuige 1] een beloning van € 30.000,- heeft ontvangen, zulks terwijl [getuige 8] naar zijn zeggen vóór die tijd nog nooit iets had gehoord over de betrokkenheid van de aanvrager bij de bedoelde delicten, hetgeen vreemd zou zijn omdat [getuige 1] op 8 mei 2002 tegenover de Regiopolitie Amsterdam Amstelland heeft verklaard: “Ik kan u vertellen dat het spitsuur in mijn hoofd is. Ik ben met het hele gebeuren onafgebroken 24 uur per dag bezig. Ik kan aan niets anders meer denken”.

28.

Verder is bij ‘novum 1’ een rapport van de PD/Recherche, inhoudend een buurtonderzoek in de straat alwaar [getuige 1] en [getuige 8] in de jaren 2001 en 2003 woonachtig waren en waaruit volgens mr. Peters samenvattend blijkt dat Peter R. de Vries meermalen door buurtbewoners is gesignaleerd bij [getuige 1] en dat [getuige 1] korte tijd na de uitzending van Peter R. de Vries en na het uitkeren van € 30.000,- door justitie over nieuwe motoren en een Mercedes beschikte.

29.

De conclusie van mr. Peters luidt als volgt. Uit de verklaring van [getuige 8] kan redelijkerwijs niets anders worden afgeleid dan dat [getuige 1] een belastende verklaring jegens de aanvrager verzonnen heeft om de aanvrager onterecht te beschuldigen en waarvoor zij van justitie € 30.000,- heeft ontvangen, zodat als gevolg van de verklaring van [getuige 8] de door het Hof gebezigde (belastende) verklaringen van [getuige 1] slechts als onbetrouwbaar dan wel als kennelijk leugenachtig kunnen worden gekwalificeerd.

(ii) ‘Novum 2’ (verklaring [getuige 9])

30.

Dit ‘novum’ behelst allereerst de verklaring van [getuige 9], op 8 mei 2012 afgelegd ten overstaan van notaris mr. B. van de Graaf. In deze verklaring zegt [getuige 9] gedurende een periode van enkele jaren een intieme relatie te hebben gehad met [getuige 1], die hij ook kende als [getuige 1], en dat [getuige 1] hem tijdens een heftige ruzie tussen hen beiden letterlijk liet weten:

“Je bent nog niet van me af. Ik ben een soort zwarte weduwe en ben machtig. Ik heb al eens iemand die mij onrecht heeft aangedaan totaal vernietigd. Door een valse verklaring van mij is mijn ex [aanvrager] levenslang veroordeeld. Niet dat hij de moord gepleegd heeft maar die straf verdiende hij gewoon om wat hij mij had aangedaan. Ik zou dus maar oppassen als ik jou was”

Deze verklaring vervolgt aldus:

“Ik was op de hoogte van haar verleden en haar rol in de moordzaak waarvoor [aanvrager] tot levenslang was veroordeeld. Ik schrok heftig van haar tirade en toen we beiden tot bedaren waren gekomen hebben we er nog lang over nagepraat. Het was toen dat ze mij smeekte dat hetgeen ze zich in woede had laten ontvangen (ik begrijp: ontvallen, AG) geheim te houden en met niemand te bespreken. Ze gaf aan dat er op een gegeven moment geen weg meer terug was. Met het afleggen van een verklaring tegen [aanvrager] was haar een aanzienlijke premie in het vooruitzicht gesteld. Ook door Peter R. de Vries. “Dat geld had ik toen keihard nodig”, zo zei ze me en dat was ook naast wraak een andere reden waarom ze de verklaring(en) tegen [aanvrager] had afgelegd, zo liet [getuige 1] mij weten”.”

31.

Voorts is bij de verklaring van [getuige 9] gevoegd een kluisverklaring van [getuige 10], inhoudende dat hij als vertrouwensman bij de voornoemde door [getuige 9] afgelegde verklaring d.d. 6 mei 2012 (ik begrijp: 8 mei 2012, AG) aanwezig is geweest en dat hij de inhoud daarvan kan bevestigen.

32.

Volgens mr. Peters kan uit de verklaring van [getuige 9] redelijkerwijs niets anders worden afgeleid dan dat [getuige 1] een belastende verklaring jegens de aanvrager verzonnen heeft om hem uit wraak en geldzucht onterecht te beschuldigen en te vernietigen. Om die reden kunnen de door het Hof als bewijsmiddel gebezigde verklaringen van [getuige 1] slechts gekwalificeerd worden als onbetrouwbaar dan wel als kennelijk leugenachtig.

(iii) ‘Novum 3’ (verklaring [getuige 11])

33.

Dit ‘novum’ ziet op de verklaring van [getuige 11], op 10 december 2012 tegenover notaris mr. E.D. Visscher afgelegd. In deze verklaring zegt [getuige 11] dat hij in 2007 een aantal weken met [getuige 1] heeft samengewoond en zij hem in die tijd het volgende had toevertrouwd:

“Ze vertelde me dat ze [aanvrager], haar ex, een aantal jaren geleden een hak heeft gezet omdat hij haar zoveel had aangedaan. Ze vertelde me hierover dat ze op aandringen van Peter R. de Vries naar de politie was gegaan om te verklaren dat [aanvrager] tegen haar tijdens een heftige ruzie zou hebben geroepen: “Pas maar op ik heb al eerder een vrouw met kinderen vermoord.” De weken dat hij bij haar verbleef heeft ze ook de banden van de uitzendingen van Peter R. de Vries laten zien. Dat was ook het moment dat ze mij vertelde over de zaak [slachtoffer 1]. Ze vertelde nogmaals dat ze [aanvrager] in deze zaak een hak had gezet als gevolg waarvan hij nu levenslang veroordeeld is.”

34.

Daaruit leidt mr. Peters af dat [getuige 1] een belastende verklaring jegens de aanvrager verzonnen heeft om hem onterecht te beschuldigen en erbij te lappen. De door het Hof als bewijsmiddel gebezigde verklaringen van [getuige 1] kunnen als gevolg van de verklaring van [getuige 11] slechts gekwalificeerd worden als onbetrouwbaar dan wel als kennelijk leugenachtig.

(iv) ‘Novum 4’ (verklaring [getuige 4])

35.

Dit ‘novum’ wordt gevormd door de, tegenover de notaris mr. F.M. Kosterjoenje afgelegde, verklaring van [getuige 4]. Door mij zakelijk weergegeven luidt deze verklaring dat [getuige 4] ontkent in 1985 een verklaring te hebben afgelegd tegenover dan wel te hebben gesproken met de verbalisanten [verbalisant 7], [verbalisant 6] en/of [verbalisant 2] over de zaak [slachtoffer 1] en dat [aanvrager] hem nooit heeft verteld dat hij [slachtoffer 1] en haar twee kinderen van het leven zou hebben beroofd. Voorts ontkent [getuige 4] in die verklaring in 1984 op enig moment contact te hebben gehad met [aanvrager] (toen [aanvrager] in Demersluis zat en hijzelf in het Schouw, en, zo voegt [getuige 4] eraan toe, het onmogelijk was contact te hebben met een gedetineerde van Demersluis). Nu stelt [getuige 4] met betrekking tot zijn in 2002 afgelegde verklaring, dat hij deze onder druk van teamleider [betrokkene 6] en [betrokkene 7] heeft moeten afleggen; hij werd gedwongen zijn aan hem opgelegde verklaring te ondertekenen daar hij anders gearresteerd zou worden voor een zaak die hem voor lange tijd achter de tralies zou doen belanden.

36.

De bij de notaris afgelegde verklaring van [getuige 4] is volgens mr. Peters geheel in tegenspraak met hetgeen verbalisant [verbalisant 2] in een ambtsedig proces-verbaal van 9 oktober 2002 heeft gerelateerd onderscheidenlijk ter terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2003 heeft verklaard.

(v) ‘Novum 5’ (telefoongesprek [betrokkene 1] met [getuige 2])

37.

Het gaat hierbij om een uitwerking van een opgenomen telefoongesprek van de echtgenote van de aanvrager, [betrokkene 1], met [getuige 2] in maart 2012. Het lijkt mij niet nodig deze uitwerking in haar geheel weer te geven.

38.

Waar het mr. Peters om gaat is dat [getuige 2] in dit gesprek verklaart en bevestigt dat zij na het afleggen van haar verklaring € 25.000,- van justitie, in de persoon van rechercheur [verbalisant 1], heeft ontvangen. Bezien in het licht van de tegenstrijdigheden en verschillen tussen de verklaringen door haar afgelegd in 1984 en 20027 dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat het in het vooruitzicht gestelde tipgeld invloed heeft gehad op het belastende karakter van de verklaring van [getuige 2] afgelegd in 2002. Indien de rechtbank en het Hof weet hadden gehad van de ontvangen beloning voor de belastende verklaring afgelegd in 2002 hadden de rechtbank en het Hof wellicht getwijfeld aan het waarheidsgehalte en de betrouwbaarheid van deze afgelegde verklaring, aldus mr. Peters.

VII Beoordeling en weging van de ‘nova’ in verhouding tot de bewijsconstructie

39.

De aanvraag tot herziening heeft ten doel de bewijsvoering van het Hof ter discussie te stellen door de onbetrouwbaarheid en/of de ongeloofwaardigheid van de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 1] (bewijsmiddelen 23 en 24), [getuige 4] (bewijsmiddelen 25 en 26) en [getuige 2] (bewijsmiddelen 16, 17 en 18) aannemelijk te maken.

40.

De meeste pijlen zijn gericht op de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [getuige 1]. Dat zij tegen een justitiebeloning van € 30.000,- in strijd met de waarheid ten aanzien van de aanvrager belastend heeft verklaard – samengevat inhoudend dat de aanvrager tegen haar heeft gezegd dat hij al eens een wijf met twee koters had vermoord en daarbij de naam van [slachtoffer 1] heeft genoemd -, zou blijken uit de later afgelegde verklaringen van drie ex-minnaars van haar, namelijk [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 11].

41.

Niet kan ik mr. Peters volgen in zijn betoog dat het Hof, zou het bekend zijn geweest met de in 2012 afgelegde verklaringen van [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 11], als gevolg daarvan de voor het bewijs gebezigde belastende verklaringen van [getuige 1] als onbetrouwbaar dan wel als kennelijk leugenachtig zou hebben aangemerkt en als in strijd met de waarheid afgelegd zou hebben weggeschoven, en dat de verklaringen van [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 11] in dat licht bezien als nova hebben te gelden, die op zichzelf en ook in onderlinge samenhang tot het ernstige vermoeden leiden dat ware dit (alles) aan het Hof bekend geweest, dit zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.

42.

Blijkens het proces-verbaal inhoudende de getuigenis van [getuige 1] d.d. 8 februari 2002, welk proces-verbaal een kluisverbaal zou worden, en als productie 2 bij de aanvrage is gevoegd, heeft [getuige 1] - in gezelschap van haar toenmalige vriend [getuige 8] - een beeld van de aanvrager geschetst door te verklaren over de keren dat zij door de aanvrager in elkaar werd geslagen en geschopt, werd bedreigd, werd beschoten, bijna werd gekeeld en werd verkracht, voor welke verkrachting de aanvrager is veroordeeld. Zij heeft toen onder meer het volgende naar voren gebracht:

“Ook vertelde hij mij dat al eens eerder een wijf met koters had vermoord. Toen hij dit zei was hij dronken en vertelde er verder niets meer over. De volgende dag of in ieder geval later heb ik [aanvrager] hier nog eens naar gevraagd. Ik vond het namelijk onvoorstelbaar dat [aanvrager] kinderen vermoord zou hebben. Hij zou kinderen wel kunnen slaan maar vermoorden kon ik niet geloven. Ik heb er diverse keren naar gevraagd.

Ik heb ook eens ook de naam van die vrouw gevraagd die hij vermoord zou hebben. Hij antwoordde mij toen: "[slachtoffer 1]" De reden voor het vermoorden van [slachtoffer 1] en die kinderen zou zijn geweest dat [slachtoffer 1] lastig was geworden.

Ik heb een paar keer aan [aanvrager] gevraagd of dit echt waar was. Hij antwoordde toen Ja, het is echt gebeurd en met jou gebeurt hetzelfde als je het aan de politie verteld.

(…)

De namen die [aanvrager] mij noemde zoals [slachtoffer 1] en [betrokkene 8] had ik voordien nooit gehoord. Ik heb deze namen uitsluitend via/van [aanvrager] gehoord. Ik heb nooit publicaties gelezen of gezien waarin deze namen werden genoemd.

(…)

De getuige gaf aan in een getuigebeschermingsprogramma te willen.”

43.

Blijkens de inhoud van dit proces-verbaal zat [getuige 8] erbij toen [getuige 1] deze beschuldigingen jegens de aanvrager uitte, maar is hij er niet eenmaal tussendoor gekomen. Dat was dan toch voor hem een uitgelezen moment geweest om in te grijpen, zou de verklaring van [getuige 1] onwaar zijn en zou zij eerder tegen hem hebben gezegd de politie te helpen om die psychopaat te pakken door een verhaaltje in elkaar te draaien. Nu ga ik er niet aan voorbij dat [getuige 1] en [getuige 8] op dat moment nog een relatie met elkaar hadden, en dat de gedachte zou kunnen opkomen – zeker weten doen we het niet - dat [getuige 8] om die reden zijn mond hield. Dat [getuige 8] bij gelegenheid van de getuigenis van [getuige 1] op 8 februari 2002 zich stilhield om relationele redenen, acht ik echter allerminst waarschijnlijk. Want ook nadat hun relatie beëindigd was en [getuige 8], naar ik begrijp, in 2010 terechtstond wegens mishandeling van diezelfde [getuige 1], heeft hij geen enkel woord gewijd aan de beschuldigingen van haar aan het adres van de aanvrager, laat staan deze beschuldigen weersproken of weerlegd. Pas in 2012 komt [getuige 8] opeens met de als novum 1 gepresenteerde verklaring over die beschuldiging van [getuige 1], overigens zonder daarbij enige uitleg te geven over zijn beweegredenen. Deze recente verklaring van [getuige 8] acht ik dan ook bepaald niet overtuigend.

44.

[getuige 9], oud directeur van [C] en inmiddels overleden, zou blijkens zijn op 8 mei 2012 tegenover een notaris afgelegde verklaring het geheim dat [getuige 1], met wie hij een buitenechtelijke seksuele relatie had, met hem had gedeeld – te weten dat zij tegen hem gezegd zou hebben dat de aanvrager “door een valse verklaring” van haar tot levenslang is veroordeeld – niet mee in zijn graf willen nemen. Als ik het wel heb heeft hij deze verklaring afgelegd in het bijzijn van zijn biograaf ([getuige 10]), terwijl hij stervende was. Dat hij die verklaring heeft afgelegd in het bijzijn van zijn biograaf heeft geen meerwaarde. Wat de beweegreden van [getuige 9] is geweest om, als al [getuige 1] het voorgaande tegen hem zou hebben gezegd, dit niet veel eerder aan de politie te melden maar pas op zijn sterfbed op te biechten, kunnen we hem niet meer vragen.

45.

Waarom [getuige 11] pas in 2012 met zijn verklaring komt, blijkt niet uit zijn verhaal. Van meer belang is dat uit de door hem op 10 december 2012 tegenover notaris mr. E.D. Visscher afgelegde verklaring niet blijkt dat [getuige 1] tegenover hem heeft aangegeven dat zij in haar beschuldiging jegens de aanvrager een verklaring heeft afgelegd die in strijd met de waarheid is. De enkele woorden van haar, zo zij die al tegenover [getuige 11] heeft geuit, dat zij de aanvrager ‘een hak wilde zetten’ is daartoe onvoldoende. Zelfs als zou [getuige 1] de aanvrager een hak hebben willen zetten, dan kan daaruit op zichzelf nog niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat haar beschuldigende verklaringen jegens de aanvrager dus onwaar zijn. Een hak zetten betekent volgens de Dikke van Dale immers: iemand in een onaangename positie brengen, de gelegenheid te baat nemen om iemand nadeel te berokkenen. Dat kan natuurlijk ook heel goed door een verborgen waarheid over iets of iemand alsnog te onthullen.

46.

Dan ‘novum 4’, de nieuwe verklaring van [getuige 4]. In deze nieuwe verklaring heeft [getuige 4] zijn eerder afgelegde beschuldiging, zoals gerelateerd in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen 25 en 26, ingetrokken bij een notaris.8 Zeven jaar na dato laat [getuige 4] weten dat de aanvrager hem nooit heeft verteld dat hij [slachtoffer 1] en haar twee kinderen om het leven heeft gebracht.

47.

Dat deze nieuwe verklaring van [getuige 4] door mr. Peters als ‘novum’ wordt ingebracht is enigszins opmerkelijk te noemen. Want was het niet zo dat (ik verwijs naar overweging 37c van het Hof), diezelfde [getuige 4] volgens de verdediging was te kwalificeren als “een pathetische leugenaar”? In het licht van deze profielschets valt niet in te zien waarom zijn nieuwe verklaring opeens wel van een hoog waarheidsgehalte getuigt. Daarbij komt dat [getuige 4] met zijn nieuwe verklaring niet zegt dat hij zijn door verbalisant [verbalisant 2] gerelateerde beschuldiging – dat hij uit de mond van ene [aanvrager] had gehoord dat deze een vrouw en haar twee kinderen had vermoord - nooit en te nimmer heeft geuit. Maar dát hij dat toen zo verklaard heeft, kwam, zegt hij nu, doordat hij onder druk werd gezet door teamleider [betrokkene 6] en [betrokkene 7]. Deze bewering is echter niet onderbouwd, en dat hij toen gedwongen zou zijn een valse verklaring af te leggen blijkt uit geen enkel processtuk.

48.

Ook de uitwerking van het als ‘novum’ 5 gepresenteerde telefoongesprek tussen [betrokkene 1] en [getuige 2] is allesbehalve sterk. Als dragende grond voor dit ‘novum’ wordt aangevoerd dat daaruit blijkt dat [getuige 2] een justitiebeloning (‘tipgeld’) voor haar verklaring heeft gekregen. Maar dat is geen nieuw gegeven, want dat was het Hof blijkens het arrest al bekend, evenals de beloning aan [getuige 1]. Ik wijs op de laatste alinea van overweging 39 van het Hof. Daarin staat dat niet aannemelijk is geworden dat een of meer van de genoemde getuigen in het vooruitzicht van een beloning hun verklaring hebben afgelegd.

Verder blijkt uit de transcriptie van dat telefoongesprek, dat [getuige 2] in weerwil van de nogal sturende en dwingende vraagstelling van [betrokkene 1] – ik geef slechts één voorbeeld: “Dus ik wil eerst[e] weten in hoeverre hebben ze jou besodemieterd en de rest van de boel. Want ze hebben heel veel mensen belazerd (…) met het afleggen van hun verklaring” – geheel en al bij haar voor de aanvrager belastende verklaringen blijft.

49.

Bovendien merk ik op dat mr. Peters enkel zegt dat sprake is van tegenstrijdigheden in en verschillen tussen de door [getuige 2] in 1984 en 2002 afgelegde verklaringen, zonder dit nader te expliciteren. Overigens heeft het Hof vastgesteld dat de verklaringen van [getuige 2] onderling verschillen, maar ten aanzien van een aantal hoofdlijnen consistent zijn.

50.

Het door het Hof vastgestelde ochtendscenario wordt in het herzieningsverzoek niet bestreden, zodat daarvan bij de beoordeling van het herzieningsverzoek dient te worden uitgegaan.

51.

In dat ochtendscenario zijn de dadergerelateerde bewijsmiddelen te plaatsen. Omdat deze bewijsmiddelen van cruciaal belang zijn voor de bewijsconstructie waarop de veroordeling van de aanvrager berust, heeft het Hof deze blijkens zijn bewijsoverwegingen uitvoerig beoordeeld en gewogen op hun consistentie, betrouwbaarheid, bewijswaarde en bewijskracht.

52.

Dat geldt in het bijzonder voor de belastende verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], ook in relatie tot de overige dadergerelateerde bewijsmiddelen. Daarbij merk ik hier met nadruk op dat het Hof de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] heeft getoetst, wel degelijk óók in het licht van verschillen op onderdelen binnen de eigen verklaringen en de in het vooruitzicht gestelde beloning, en dat het Hof dit oordeel van een ruime motivering heeft voorzien (overwegingen 38 ad a en ad b en 39).

53.

Voorts wijs ik erop dat [getuige 1] en [getuige 2] niet van hun beschuldigingen zijn teruggekomen. Sterker nog, uit de transcriptie van het tussen [betrokkene 1] en [getuige 2] gevoerde telefoongesprek blijkt helder dat [getuige 2] geen woord van haar destijds geuite beschuldiging jegens de aanvrager terugneemt.9

54.

De betrouwbaarheid van de door [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde belastende verklaringen vindt ook nu nog voldoende steun in de overige door het Hof voor het bewijs gebezigde dadergerelateerde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het Hof (waarbij komt de ondersteunende verklaring van de getuige [getuige 6], zoals weergegeven in overweging 38 Ad a).

55.

Naast de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] blijven in deze herzieningsprocedure de verklaringen van de getuigen [getuige 3], NN2, [betrokkene 2] (de taxichauffeur) en [getuige 7], evenals trouwens de verklaringen van de aanvrager zelf (bewijsmiddelen 28, 29 en 30), onweersproken staan. Met betrekking tot de door het Hof gebezigde dadergerelateerde bewijsmiddelen heeft alleen [getuige 4] zijn toentertijd afgelegde verklaring, zoals door verbalisant [verbalisant 2] gerelateerd en verklaard, herroepen.

56.

In het licht van het voorgaande kan worden vastgesteld dat afgezien van de getuige [getuige 4] de (overige) getuigen bij hun eertijds afgelegde verklaringen zijn gebleven.

57.

Nu de nieuwe verklaring van [getuige 4] dat hij zijn belastende verklaring onder druk van de politie heeft afgelegd niet heeft onderbouwd en overigens geen steun vindt in enig processtuk, zodat achter de geloofwaardigheid van zijn nieuwe verklaring slechts een vraagteken past, meen ik dat de bewijsconstructie van het Hof in haar geheel onaangetast blijft.

VIII Slotconclusie

58.

Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat hetgeen in de aanvraag tot herziening is aangevoerd niet een novum in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv oplevert en dat de bewijsconstructie van het Gerechtshof daardoor niet wordt aangetast. Daaruit vloeit voort dat de aanvraag tot herziening naar mijn inzicht ongegrond is.

59. Deze conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Voor een uitvoerige uiteenzetting van dit begrip, verwijs ik naar de fraaie vordering tot herziening van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2549. Daarin beschrijft hij ook de Puttense moordzaak, de Schiedammer Parkmoord, de zaak Ina Post en de zaak Lucia de Berk.

2 MvA, Kamerstukken I 2011/12, 32 045, nr. C, p. 4.

3 MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 5.

4 MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 11.

5 HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD4153, NJ 2009/44.

6 Voorafgaand aan HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7190, NJ 2013/278 m.nt. Schalken.

7 Niet wordt uitgelegd waaruit deze tegenstrijdigheden en verschillen zouden bestaan.

8 Overigens blijkt uit overweging 38 Ad c van het Hof dat [getuige 4] ook zelf een verklaring heeft afgelegd (dossier 2002-blz. 727) en dat het Hof deze verklaring niet voor het bewijs heeft gebruikt omdat [getuige 4] mogelijk de bewuste uitzending van Peter R. de Vries had gezien en daardoor was beïnvloed.

9 En uit productie 2 bij het herzieningsverzoek blijkt dat [getuige 1] ook in een viertal door haar, niet voor het bewijs gebezigde, in politieverbalen gerelateerde verklaringen heeft verklaard over de moord op een vrouw en haar twee kinderen.