Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1234

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-11-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
13/00608
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:2106, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Art. 1:88 lid 1, aanhef en onder c, BW. Geldleningsovereenkomst. Toestemming echtgenote vereist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/39
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/00608

Mr. P. Vlas

Zitting, 8 november 2013

Conclusie inzake:

[eiser],

eiser tot cassatie

(hierna: [eiser])

tegen

[verweerster],

verweerster in cassatie

(hierna: de maatschap)

In deze gaat het om de vraag of eiser tot cassatie vóór het aangaan van een geldleningsovereenkomst met verweerster in cassatie een handeling heeft verricht waarvoor de toestemming van zijn echtgenote vereist was in de zin van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder c, BW.

1 Feiten en procesverloop

1.1

De relevante feiten in cassatie zijn als volgt.1 Op 27 april 2007 is tussen de vennoten van de maatschap, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], en [eiser] een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen waarin onder meer is afgesproken dat de vordering van € 100.000,- die de vennoten op [eiser] hebben wordt omgezet in een lening en dat [eiser] zekerheid zal verschaffen in de vorm van een hypothecaire inschrijving op zijn onroerend goed.

1.2

Op 29 juni 2007 hebben [eiser] en zijn echtgenote [betrokkene 3] aan de vennoten van de maatschap een recht van hypotheek respectievelijk een recht van pand verleend op hun echtelijke woning met aanhorigheden en op een perceel grond. In verband met zijn voornemen om de echtelijke woning te verkopen, heeft [eiser] een voorstel aan de vennoten gedaan om de hypotheek van de woning af te krijgen. De vennoten hebben uiteindelijk meegewerkt aan royement en doorhaling van de hypotheek.

1.3

Op 7 oktober 2008 heeft [verweerster] ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd. Bij brief van 16 oktober 2008 heeft de echtgenote van [eiser] de geldleningsovereenkomst vernietigd met een beroep op art. 1:88 BW.

1.4

In deze zaak vordert de maatschap dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 22.038,65 vermeerderd met de wettelijke rente. Aan deze vordering legt de maatschap ten grondslag, kort gezegd, dat [eiser] € 85.000,- heeft terugbetaald van het door hem van de maatschap geleende bedrag en dat het resterende bedrag van € 15.000,- opeisbaar is. In het gevorderde totaalbedrag is inbegrepen een bedrag aan verschenen rente, buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten. [eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie een verklaring voor recht gevorderd, onder andere, dat primair aan de geldleningsovereenkomst geen rechtskracht toekomt en subsidiair dat deze overeenkomst is vernietigd althans deze zo nodig alsnog te vernietigen.

1.5

Bij vonnis van 15 september 2010 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch, voor zover van belang, [eiser] veroordeeld om aan de maatschap een bedrag te betalen van € 15.000,- vermeerderd met de contractuele en wettelijke rente. [eiser] is tevens veroordeeld in de proceskosten, de beslagkosten daarin begrepen. De vordering in reconventie van [eiser] is door de rechtbank afgewezen. Bij arrest van 2 oktober 2012 heeft het hof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.6

[eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De maatschap heeft verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen. Onderdeel 1 faalt omdat het feitelijke grondslag mist. Anders dan het middel betoogt, heeft de maatschap ook in eerste instantie aangevoerd dat de lening door [eiser] werd aangegaan ter voldoening van openstaande facturen van aan hem gelieerde vennootschappen.2 Voorts heeft het hof de stelling van [eiser] dat hij vóór het aangaan van de geldleningsovereenkomst een handeling heeft verricht waarvoor de toestemming van zijn echtgenote vereist was, in het licht van de betwisting door de maatschap en het uitblijven van een verdere toelichting op de voormelde stelling door [eiser], onvoldoende onderbouwd geoordeeld, waarmee het hof, anders dan het middel betoogt, niet tevens heeft geoordeeld dat de ter betwisting van het standpunt van [eiser] aangevoerde stellingen van de maatschap ook juist zijn.

2.2

Onderdeel 2 bestaat uit vier subonderdelen. Subonderdeel 2.1 faalt omdat het voortbouwt op onderdeel 1. Subonderdeel 2.2 faalt voor zover het voortbouwt op onderdeel 1. Voor het overige faalt het eveneens waar het betoogt dat het hof gelet op de stellingen van [eiser] (MvG, p. 3) onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de handeling waarop [eiser] doelt ter staving van zijn standpunt inzake de vernietiging van de geldleningsovereenkomst door zijn echtgenote, te weten dat hij vóór het aangaan van de overeenkomst een handeling heeft verricht waarvoor de toestemming van zijn echtgenote vereist was, door [eiser] niet voldoende duidelijk is omschreven en [eiser] ook niet heeft toegelicht waarom zou moeten worden aangenomen dat hij al vóór het aangaan van de geldleningsovereenkomst van niet-schuldenaar in de positie van schuldenaar was geraakt. De door [eiser] aangevoerde stellingen bieden afzonderlijk noch gezamenlijk voldoende steun voor de juistheid van het standpunt van [eiser]. De uitleg die het hof heeft gegeven aan de stellingen van [eiser] is, in het licht van de gemotiveerde betwisting van deze stellingen door de maatschap, niet onbegrijpelijk, te meer omdat het hof in rov. 6 heeft vastgesteld dat de considerans van de geldleningsovereenkomst geen aanwijzing biedt voor de juistheid van het standpunt van [eiser] en voorts omdat tussen partijen vast staat dat de maatschap geen vordering op [eiser] maar op diens vennootschappen had.

Subonderdeel 2.3 faalt omdat het miskent dat het oordeel van het hof in rov. 6 is gebaseerd op meer dan de in het middel bestreden overweging omtrent de considerans van de geldleningsovereenkomst.

Subonderdeel 2.4 faalt bij gebrek aan belang, omdat het zich keert tegen een overweging van het hof (rov. 6: ‘Bovendien staat tussen de partijen vast …’) die niet dragend is voor het oordeel van het hof in rov. 6 dat [eiser] zijn betoog dat hij vóór het aangaan van de geldleningsovereenkomst een handeling heeft verricht waarvoor de toestemming van zijn echtgenote vereist was, onvoldoende heeft toegelicht. Overigens is de door het hof gegeven uitleg aan de door [eiser] in dit verband aangevoerde stellingen niet onbegrijpelijk.

2.3

Onderdeel 3 keert zich tegen rov. 4 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat het niet vermag in te zien dat in de geldleningsovereenkomst een overeenkomst besloten kan liggen van de strekking dat [eiser] zich voor de schuld van een derde verbindt als borg of hoofdelijk medeschuldenaar of op een van de andere wijzen waarop art. 1:88 lid 1 sub c BW ziet (eerste volzin). Voorts merkt het hof op dat [eiser] in hoger beroep ook niet meer betoogt dat dit wel het geval zou zijn (tweede volzin van rov. 4). De klacht keert zich uitsluitend tegen deze laatste overweging (tweede volzin). Daar de eerste overweging van het hof (eerste volzin) niet wordt bestreden, faalt de klacht bij gebrek aan belang: ook bij het slagen van de klacht blijft het oordeel van het hof omtrent art. 1:88 lid 1 sub c BW in stand.

2.4

Onderdeel 4 keert zich tegen rov. 16 van het bestreden arrest waarin het hof heeft overwogen dat [eiser] geen grief heeft gericht tegen de afwijzing van zijn vordering I in reconventie in eerste aanleg, noch tegen die van zijn vorderingen in reconventie die in eerste aanleg als II, IV en VII zijn genummerd. De klacht3 houdt in dat dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is in het licht van de grieven I t/m III welke zijn gericht tegen de overwegingen van de rechtbank die erop neerkomen dat de vernietiging van de geldleningsovereenkomst door de echtgenote van [eiser] geen doel heeft getroffen. De klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat het hof in rov. 3 t/m 6 de grieven I t/m III heeft verworpen en het oordeel van de rechtbank dat de vernietiging van de geldleningsovereenkomst door de echtgenote van [eiser] geen doel heeft getroffen in stand heeft gelaten.

2.5

Onderdeel 5 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en kan dus evenmin tot cassatie leiden.

2.6

Nu geen van de aangevoerde klachten tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, geef ik Uw Raad in overweging het beroep af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1 e.v. van het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 september 2010.

2 Zie proces-verbaal van comparitie d.d. 12 november 2009 (1e aanleg), p. 5, 5e alinea.

3 Abusievelijk bevat de klacht een verschrijving bij het weergeven van rov. 16, wanneer als volgt geciteerd wordt ‘(…) die in eerste aanleg als II, VI en VII waren genummerd (…)’, terwijl rov. 16 luidt: ‘(…) die in eerste aanleg als II, IV en VII waren genummerd (…)’.