Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1231

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-11-2013
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
13/04254
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:331, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Naar oordeel hof zal saniet verplichtingen schuldsaneringsregeling onvoldoende nakomen gelet op (i) gezondheidsklachten waarvan aard en ernst niet zijn vastgesteld en (ii) onvoldoende beheersen Nederlandse taal. Onvoldoende gemotiveerd oordeel? Belang gelet op ontstaan schulden niet te goeder trouw?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/104
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 13/04254 (WSNP)

mr. Wuisman

Rolzitting: 8 november 2013

CONCLUSIE inzake:

[verzoekster]

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes

1 Voorgeschiedenis

1.1

Uit de in het geding gebrachte stukken en uit gestelde en niet onjuist bevonden feiten blijkt omtrent verzoekster tot cassatie onder meer het volgende. Zij is in maart 1964 te Colombia geboren en in 2002 naar Nederland gekomen. In 2006 heeft zij de Nederlandse nationaliteit verkregen. Zij is naar Nederland gekomen voor een medische behandeling, te weten verwijdering van een hersentumor. Voor kosten van medische hulp was zij aanvankelijk niet verzekerd, zodat zij deze zelf moest dragen. De ingreep heeft niet tot een volledig herstel geleid. Toen verzoekster tot cassatie in Nederland kwam, was zij in gemeenschap van goederen gehuwd. Aan dat huwelijk is echter in september 2010 een einde gekomen. Zij is Spaans sprekend en beheerst de Nederlandse taal in onvoldoende mate.

1.2

Op 24 mei 2012 heeft verzoekster tot cassatie bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift ingediend houdende het verzoek om tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Er was een schuldenlast van € 20.179,69, waaronder een huurschuld van € 6.797,10 en een schuld aan Skala Home Electronics B.V. van € 6.185,89 in verband met de aanschaf van een koelkast, wasmachine en droger. Bij vonnis van 13 februari 2013 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. Verzoekster tot cassatie is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag dat het vonnis bij arrest van 27 augustus 2013 heeft bekrachtigd. Evenals de rechtbank oordeelt het hof dat verzoekster tot cassatie voor een belangrijk deel van de schulden – meer in het bijzonder voor wat betreft de huurschuld en de schuld aan Skala – niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten zien aanzien van het aangaan en/of onbetaald laten van die schulden te goeder trouw is geweest (rov. 4 en 5), terwijl de aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende aanleiding geven om desondanks toelating tot de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd te achten (rov. 6). Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoekster tot cassatie haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal kunnen nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (rov. 7).

1.3

Tegen het arrest van het hof is verzoekster tot cassatie in cassatie gekomen bij een verzoekschrift dat op 3 september 2013 bij de griffie van de Hoge Raad is binnen gekomen. Dit verzoekschrift voldeed niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, omdat het ingediend noch getekend was door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek in cassatie is op de juiste wijze hersteld, nu op 16 september 2013 - en daarmee binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift - een getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift door een advocaat bij de Hoge Raad ter griffie is ingediend. Als de dag waarop de zaak is aangebracht geldt dan de dag waarop het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend(1). Verzoekster tot cassatie is derhalve tijdig in cassatie gekomen.

In het verzoekschrift is het voorbehoud van aanvulling van de cassatieklachten na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting bij het hof opgenomen. Van dat voorbehoud is middels een aanvullend verzoekschrift d.d. 8 oktober 2013 gebruik gemaakt.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1

In het verzoekschrift tot cassatie zijn vier cassatiemiddelen opgenomen. Zij strekken tot bestrijding van de twee gronden in de rov. 4, 5 en 6 respectievelijk 7, waarop het hof komt tot bekrachtiging van de afwijzing door de rechtbank van het verzoek tot toelating van de schuldsaneringsregeling. Ieder van die gronden kan de afwijzing zelfstandig dragen. Reeds indien één van die gronden cassatiebestendig blijkt, kan het cassatieberoep geen doel treffen.

2.2

In middel IV wordt het oordeel van het hof in rov. 7 bestreden dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster tot cassatie haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

2.2.1

Onder 6.2 van het verzoekschrift wordt gewezen op de vermelding op blz. 4 van de overgelegde Verklaring Schuldsanering als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub e Fw dat, gezien de lichamelijke toestand van verzoekster tot cassatie en de taalbarrière, dat het niet te verwachten is, dat zij ooit nog aan het arbeidsproces zal deelnemen. In welk opzicht beoogd wordt hiermee rov. 7 te bestrijden, wordt evenwel niet duidelijk aangegeven. Aangevoerd wordt dat sanering van iemands schuldenpositie bereikt kan worden langs de weg van een minnelijk akkoord. Dat gegeven legt in ieder geval in de onderhavige zaak geen gewicht in de schaal. Vast staat dat in de onderhavige zaak de poging van de Kredietbank, die aan verzoekster tot cassatie schuldhulp bood, om haar schuldenpositie tot oplossing te brengen is mislukt.

2.2.2

Onder 6.3 t/m 6.7 wordt bestreden dat het hof in rov. 7 de eis stelt dat verzoekster tot cassatie in staat moet zijn om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zelfstandig na te komen. Op dit punt mist het middel echter feitelijke grondslag. Bedoelde eis stelt het hof in rov. 7 niet. Het hof stelt vast dat verzoekster tot cassatie niet in staat zal zijn om zelfstandig de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen en dus daarbij hulp van anderen nodig zal hebben. Anders gezegd, het nakomen door verzoekster tot cassatie van de verplichtingen uit de schuldsanerin-regeling met de hulp van andere personen is voor het hof alleszins aanvaardbaar. Maar voor die noodzakelijke hulp ziet het hof evenwel (nog) onvoldoende voorzieningen getroffen. Dit laatste oordeel is van feitelijke aard en is in cassatie slechts op begrijpelijkheid te toetsen. Dat het oordeel onbegrijpelijk is wordt niet aangetoond, ook niet met wat ter zake in het aanvullend verzoekschrift in cassatie wordt aangevoerd.

2.3

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de tweede grond waarop het hof de afwijzing door de rechtbank van het verzoek tot toelating van haar tot de schuldsaneringsregeling bekrachtigd tevergeefs wordt bestreden. Dat brengt mee dat het arrest van het hof in stand blijft, ook indien de andere cassatiemiddelen terecht zouden zijn voorgedragen. Deze middelen missen derhalve belang en kunnen om die reden verder onbesproken blijven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . Zie HR 10- juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773.