Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1230

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-11-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
13/00491
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:272, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Caribische zaak. Is voldoende aannemelijk dat het griffierecht in appel tijdig is voldaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/94
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 13/00491

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 8 november 2013

Conclusie inzake:

1. [verzoekster 1]

2. [verzoekster 2]

3. [verzoekster 3]

4. [verzoekster 4]

5. [verzoeker 5]

6. [verzoekster 6]

tegen

[verweerder]

Kernvraag in de onderhavige procedure is of het hof het hoger beroep van verzoekers tot cassatie, hierna: [verzoeker] c.s., terecht vervallen heeft verklaard op de grond dat [verzoeker] c.s. het verschuldigde griffierecht niet tijdig hebben betaald.

1. Verkorte weergave van het procesverloop 1

1.1 Op 18 oktober 2010 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao, hierna: het GEA, een vonnis gewezen in een geschil tussen [verzoeker] c.s. enerzijds en verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], en Cashtra N.V. anderzijds2.

1.2 Bij akte van appel, ingediend ter griffie van het GEA en gedateerd 24 november 2010, hebben [verzoeker] c.s. van dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hierna: het hof3.

1.3 Het hof heeft de zaak, onder aanhouding van elke verdere beslissing, bij (tussen)vonnis van 21 februari 2012 naar de rol van 20 maart 2012 verwezen voor aktewisseling.

1.4 [verzoeker] c.s. zijn ter rolle van 20 maart 2012 niet verschenen. Aan hen is akte niet dienen verleend, waarbij vonnis is bepaald op de rol van 30 oktober 20124.

1.5 Het hof heeft vervolgens bij (eind)vonnis van 30 oktober 2012 verstaan dat het hoger beroep is vervallen en heeft de griffier opgedragen de aantekening in het algemeen register door te halen.

1.6 Op 14 januari 2013 hebben [verzoeker] c.s. op de voet van art. 66 Rv.C.5 een verzoek gedaan aan het hof tot herstel van het eindvonnis van 30 oktober 20126. Aan dat verzoek hebben [verzoeker] c.s. ten grondslag gelegd dat de vaststelling van het hof dat het griffierecht niet is betaald op een kennelijke (apparaats)fout berust, daar het griffierecht wel tijdig en volledig is voldaan7.

[verweerder] heeft bij faxbericht van 21 januari 2013 op het verzoek van [verzoeker] c.s. gereageerd8.

Het hof heeft het verzoek van [verzoeker] c.s. bij vonnis van 26 februari 2013 afgewezen.

1.7 [verzoeker] c.s. hebben tegen de vonnissen van het hof van 21 februari 2012 en 30 oktober 2012 tijdig9 beroep in cassatie ingesteld.

[verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.

[verzoeker] c.s. hebben afgezien van het geven van schriftelijke toelichting10.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen.

2.2 De onderdelen 2, 3 en 4, die ik als eerste behandel, zijn gericht tegen rechtsoverweging 2 van het tussenvonnis en rechtsoverweging 2.1 van het eindvonnis, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

tussenvonnis van 21 februari 2012

“2. Uit de zich bij de stukken van het Hof bevindende appelakte valt niet af te leiden, bijvoorbeeld door een stempel met daarop de datum van ontvangst, op welke datum deze is ingediend. Aldus valt niet vast te stellen of het hoger beroep tijdig is ingesteld. Verder speelt het volgende. Ervan uitgaande dat de appelakte is ingediend op de datum van dagtekening, 24 november 2010, waren [verzoeker] c.s. ingevolge artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevoegd om tot en met 5 januari 2011 een memorie van grieven in te dienen. Dit brengt weer met zich dat [verzoeker] c.s. op grond van artikel 270 lid 5 Rv uiterlijk op 5 januari 2011 het griffierecht hadden moeten betalen, op straffe van verval van het beroep. In het onderhavige geval blijkt niet of, en zo ja, wanneer en hoeveel griffierecht er is betaald. Het hof zal [verzoeker] c.s. daarom in staat stellen zich uit te laten over het bovenstaande. Daarna zal [verweerder] een antwoordakte mogen nemen. Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.”

eindvonnis van 30 oktober 2012

“2.1 Het Hof heeft [verzoeker] c.s. in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vragen wanneer het appel is ingesteld en of en wanneer er griffierecht is betaald. [verzoeker] c.s. hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Zoals reeds in het tussenvonnis overwogen, hadden [verzoeker] c.s. – ervan uitgaande dat de appelakte is ingediend op de datum van dagtekening van 24 november 2010 – uiterlijk op 5 januari 2011 het griffierecht moeten betalen, op straffe van verval van het beroep. Nu omtrent de betaling van griffierecht uit het dossier niets blijkt en [verzoeker] c.s. zich daaromtrent ook niet hebben uitgelaten, zal het Hof ervan uitgaan dat geen griffierecht is betaald. Met deze vaststelling is ingevolge artikel 270 lid 5 Rv het hoger beroep vervallen. De grieven behoeven geen beoordeling en [verzoeker] c.s. zullen worden veroordeeld in de proceskosten van [verweerder].”

2.3 De onderdelen, die zich voor een gezamenlijke behandeling lenen, klagen in de kern dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoeker] c.s. het griffierecht niet tijdig hebben betaald, althans dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is.

2.4 Ingevolge het bepaalde in art. 270 lid 5 Rv.C. vervalt een aanhangig hoger beroep en wordt de aantekening in het algemeen register doorgehaald, wanneer – zakelijk weergegeven – binnen de voor indiening van de memorie van grieven gestelde termijn geen vooruitbetaling plaatsvindt van het door de griffier getaxeerde bedrag aan kosten en vast recht.

2.5 Het hof is er bij zijn beoordeling van de vraag of in de onderhavige zaak het griffierecht tijdig is betaald, vanuit gegaan dat dit uiterlijk op 5 januari 2011 door [verzoeker] c.s. moest zijn voldaan11.

[verzoeker] c.s. hebben gesteld dat het griffierecht vóór genoemde datum is voldaan en hebben in dat verband een beroep gedaan op de volgende, in cassatie overgelegde, stukken:

( i) de kopie van een ondertekende cheque (met nummer [001]) – afkomstig van Advocatenkantoor Thomson & Saleh N.V., het kantoor waar de gemachtigde van [verzoeker] c.s. werkzaam is, en ten gunste van: “Gerecht in Eerste Aanleg” – die een waarde vertegenwoordigt van NAF 15.000,-, en die als datum vermeldt: “17-12-2010” 12;

(ii) de door het hof afgegeven kwitantie van 17 december 2010, waaruit valt af te leiden dat het hof op die datum een bedrag van NAF 15.000,- heeft ontvangen van “Thomson & Saleh Law Offices”. Op deze kwitantie is voorts als chequenummer vermeld: [001] en dat het bedrag is betaald “Wegens hoger beroep (memorie van grieven) van [verzoeker], G vs Cashtra N.V.”, waarbij als zaaknummer “30603” (het zaaknummer van het hoger beroep in de onderhavige zaak) wordt vermeld13;

(iii) het bankafschrift van de RBTT Bank van 13 januari 2011, waaruit blijkt dat van het rekeningnummer van het kantoor van de gemachtigde van [verzoeker] c.s. een bedrag van NAF 15.000,- is geïncasseerd terzake een cheque met nummer [001]14.

2.6 Op basis van de onder 2.5 genoemde stukken is m.i. voldoende aannemelijk dat [verzoeker] c.s. op 17 december 2010 – derhalve (ruim) vóór de door het hof genoemde datum van 5 januari 2011 – het griffierecht voor het hoger beroep in de onderhavige zaak hebben voldaan.

2.7 De vraag rijst dan of [verzoeker] c.s. een en ander pas in cassatie kunnen aanvoeren, temeer nu zij bij tussenvonnis van 21 februari 2012 in de gelegenheid zijn gesteld zich over de tijdigheid van betaling van het griffierecht uit te laten en de onder 2.5 genoemde feiten en omstandigheden zich voordien hebben voorgedaan.

2.8 [verzoeker] c.s. hebben in dit verband het volgende aangevoerd15:

- zij zijn niet persoonlijk of bij gemachtigde (mr. Thomson) bij de uitspraak ter terechtzitting van 21 februari 2012 tegenwoordig geweest en mr. Thomson is niet op de hoogte gesteld, noch anderszins op de hoogte geraakt van het feit dat dit tussenvonnis is gewezen. In weerwil van art. 286 Rv.C. is mr. Thomson niet bij aangetekende dienstbrief door de griffier van het GEA ervan in kennis gesteld dat het vonnis bij de griffier was ingekomen. Evenmin heeft zij een afschrift van het vonnis in haar postvak in de advocatenkamer van het gerechtsgebouw te Curaçao aangetroffen (zoals wél gebruikelijk is nadat een vonnis wordt gewezen16). Het vonnis is ook niet aan haar kantoor verzonden. Doordat mr. Thomson niet op de hoogte was van het bestaan van het vonnis, heeft zij ook niet, zoals het hof in het tussenvonnis had opgedragen, op de rol van 20 maart 2012 een akte uitlating genomen als bedoeld in rov. 2 van het tussenvonnis.

- op 21 februari 2012 is eveneens een tussenvonnis gewezen in het principaal appel van Cashtra, waarin Cashtra is opgedragen zich uit te laten over de vraag of zij het griffierecht tijdig had betaald, hetgeen Cashtra bij akte van 20 maart 2012 heeft gedaan. Eerst doordat mr. Thomson een kopie van de door Cashtra genomen akte uitlating heeft ontvangen, is zij van het tussenvonnis in dat appel op de hoogte gekomen.

- pas eerst door ontvangst van het eindvonnis in het hoger beroep van [verzoeker] c.s. is mr. Thomson op de hoogte geraakt van het bestaan en de inhoud van het tussenvonnis in dat appel.

2.9 Indien de door het middel geschetste gang van zaken voldoende aannemelijk is, dient in cassatie voorshands van de juistheid daarvan te worden uitgegaan17.

Die aannemelijkheid zou kunnen worden gevonden in het griffiedossier van het GEA en/of van het hof. Navraag bij de griffie van de Hoge Raad leert dat het Caribische griffiedossier op 31 januari 2013 is opgevraagd en dat op 6 mei 2013 een rappel is gestuurd. Op mijn verzoek is op 18 oktober 2013 nogmaals een rappel gestuurd. Met het oog op de voortgang van de zaak ga ik vooralsnog uit van de juistheid van de door het middel geschetste gang van zaken18.

2.10 Slotsom is mitsdien dat het oordeel van het hof dat het griffierecht niet op tijd is betaald, onjuist is evenals de gevolgtrekking van het hof dat het hoger beroep is vervallen in verband met het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Het middel slaagt derhalve in zoverre, zodat de in cassatie bestreden uitspraken moeten worden vernietigd en de zaak moet worden teruggewezen naar het hof voor verdere behandeling.

2.11 Overigens merk ik op dat het hof in zijn uitspraak van 26 februari 2013 naar aanleiding van het door [verzoeker] c.s. ingediende verzoek op de voet van art. 66 Rv.C. geheel in het midden heeft gelaten of er tijdige betaling van het griffierecht heeft plaatsgevonden en het volgende geoordeeld:

“2.2 De stelling dat het griffierecht wel tijdig en volledig is betaald kan niet leiden tot toewijzing van het verzoek. Het herstel van een op dat punt mogelijk onjuiste einduitspraak valt niet onder het toepassingsbereik van artikel 66 lid 1 Rv, welke regeling betrekking heeft op een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent (HR 13 april 2012, LJN: BV5549, NJ 2012, 246). Een onjuiste of onjuist geachte rechterlijke uitspraak kan niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel worden aangetast (HR 4 mei 1990, NJ 1990, 677).”

2.12 Het hof heeft – met juistheid – geoordeeld dat herstel van een op dat punt mogelijk onjuiste einduitspraak niet valt onder het toepassingsbereik van art. 66 Rv.C., en dat een onjuiste of onjuist geachte rechterlijke uitspraak niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast19.

In dat verband zou ik mijn eerdere oproep aan de Nederlandse wetgever20 willen uitbreiden naar de Caribische wetgevers om te bezien of er in dergelijke gevallen een wettelijke regeling kan komen waardoor de thans vereiste tijdrovende en kostbare weg van het instellen van een gewoon rechtsmiddel kan worden vermeden.

2.13 Onderdeel 1, dat is gericht tegen – de hiervoor onder 2.2 geciteerde – rechtsoverweging 2 van het tussenvonnis, klaagt dat het oordeel van het hof dat uit de zich bij de stukken van het hof bevindende appelakte niet valt af te leiden op welke datum deze is ingediend en dat aldus niet valt vast te stellen of het hoger beroep tijdig is ingesteld, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende is gemotiveerd.

2.14 Nu de vonnissen van het hof dienen te worden vernietigd omdat het hof ten onrechte het hoger beroep vervallen heeft verklaard op grond van het niet tijdig betaald zijn van het griffierecht, hebben [verzoeker] c.s. in dit stadium van de procedure geen belang bij dit onderdeel. Zoals vermeld, is het hof er kennelijk en veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat de appelakte is ingediend op de datum van dagtekening, 24 november 2010, en heeft het de datum waarop het griffierecht voor het hoger beroep uiterlijk door [verzoeker] c.s. moest zijn betaald – 5 januari 2011 – daarop gebaseerd. In zoverre zijn [verzoeker] c.s. dus niet geschaad door het oordeel van het hof dat niet valt vast te stellen of het hoger beroep tijdig is ingesteld.

2.15 In de procedure na cassatie en verwijzing speelt deze kwestie echter wel een rol, omdat het hof de zaak – na de vaststelling dat het griffierecht door [verzoeker] c.s. tijdig is voldaan – zou kunnen afdoen op grond van zijn oordeel in rechtsoverweging 2 van het tussenvonnis dat uit de zich bij de stukken van het hof bevindende appelakte niet valt af te leiden, bijvoorbeeld door een stempel met daarop de datum van ontvangst, op welke datum deze is ingediend, dat aldus niet valt vast te stellen of het hoger beroep tijdig is ingesteld en dat [verzoeker] c.s. zich daarover moeten uitlaten21.

Gelet op hetgeen in het verzoekschrift tot cassatie is aangevoerd22, met name de gestelde omstandigheid dat de griffie van het GEA bij het indienen van de appelakte als ontvangstbevestiging een afgestempelde kopie van het voorblad van de appelakte heeft meegegeven aan mr. Thompson, welke kopie als productie 1 in cassatie is overgelegd, komt het mij voor dat het hof zal moeten terugkomen van zijn oordeel dat niet valt vast te stellen of het hoger beroep tijdig is ingesteld, althans dat het zijn oordeel op dat punt nader moet motiveren.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 21 februari 2012 en 30 oktober 2012 en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Gelet op het feit dat het in cassatie in de kern gaat om de vraag of [verzoeker] c.s. het in het kader van de appelprocedure verschuldigde griffierecht (tijdig) hebben voldaan, volsta ik met een sterk verkorte weergave van het procesverloop. Voor een weergave van het procesverloop in eerste aanleg verwijs ik naar het vonnis van het GEA van 18 oktober 2010 onder het kopje “De procedure”. Voor het procesverloop in hoger beroep verwijs ik naar het tussenvonnis van het Gemeenschappelijk hof van 21 februari 2012, onder 1.1-1.4, en het eindvonnis van dat hof van 30 oktober 2012, onder 1.

2 Cashtra N.V. is in de onderhavige procedure geen partij meer. In het verzoekschrift tot cassatie – zie p. 7 onder (o) – wordt gesteld dat zij zelfstandig in hoger beroep is gekomen van het vonnis van het GEA van 18 oktober 2010.

3 Zie rov. 1.2 van het tussenvonnis van het hof van 21 februari 2012.

4 Zie het vonnis van het hof van 30 oktober 2012 onder 1.

5 Sinds de staatkundige hervorming van 10 oktober 2010, waarbij het land de Nederlandse Antillen is opgeheven, geldt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat in 2005 voor de Nederlandse Antillen en Aruba is ingevoerd (Publicatieblad van de Nederlandse Antillen (PB) 2005, nr. 59 en Afkondigingsblad van Aruba (AB) 2005, nr. 34), thans voor de afzonderlijke landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Voor de BES-eilanden is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES (Stb. 2010, 497) van kracht, dat inhoudelijk gelijk is aan voornoemd wetboek. De landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben in de ‘Samenwerkingsregeling eenvormig procesrecht Aruba, Curaçao en Sint Maarten’ (de tekst van deze regeling is gepubliceerd in de Landscourant van Aruba van 20 augustus 2010, nr. 17, p. 11 e.v., en – met inbegrip van de bij de regeling behorende nota van toelichting – in de Curaçaosche Courant van 27 augustus 2010, nr. 35, p. 2 e.v.) afgesproken om het procesrecht, voor zover het betreft het procesrecht bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, eenvormig te regelen (zie art. 3 onder b.). De considerans van de Samenwerkingsregeling vermeldt dat de regeling is getroffen in het belang van de rechtsprekende taak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en de Hoge Raad. In het navolgende hanteer ik de aanduiding Rv.C. voor het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Curaçao. Ter onderscheiding daarvan zal ik hierna de aanduiding Rv.NL. hanteren voor zover het gaat om het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6 Zie productie 6 bij het verzoekschrift tot cassatie.

7 Ter onderbouwing van het verzoek hebben [verzoeker] c.s. onder meer gewezen op een kwitantie van het hof van 17 december 2010 en een bankafschrift van het kantoor van de gemachtigde van [verzoeker] c.s. van 13 januari 2011 (bijlagen 3 en 6 bij productie 6 bij het verzoekschrift tot cassatie). De kwitantie van het hof wordt ook weergegeven op p. 7 van het verzoekschrift tot cassatie, en is tevens als productie 4 bij dat verzoekschrift gevoegd.

8 Zie rov. 1 van het vonnis van het hof van 26 februari 2013. Dit vonnis is door de cassatieadvocaat van [verzoeker] c.s. bij brief van 28 februari 2013 toegezonden aan de griffie van de Hoge Raad. De reactie van [verweerder] bevindt zich niet in het door [verzoeker] c.s. overgelegde procesdossier.

9 De cassatietermijn bedraagt in deze zaak drie maanden. Zie art. 4 van de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het cassatierekest is op 30 januari 2013 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen.

10 Zie de brief van de cassatieadvocaat van [verzoeker] c.s. van 8 mei 2013 aan de rolraadsheer van de Hoge Raad.

11 Zie de geciteerde rov. 2 van het tussenvonnis van het hof van 21 februari 2012 en rov. 2.1 van het eindvonnis van het hof van 30 oktober 2012.

12 Zie productie 3 bij het verzoekschrift tot cassatie.

13 Zie productie 4 bij het verzoekschrift tot cassatie, tevens weergegeven op p. 7 van dat verzoekschrift.

14 Zie productie 5 bij het verzoekschrift tot cassatie.

15 Zie het verzoekschrift tot cassatie onder (r) t/m (w).

16 Zie in dit verband ook G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (diss. Curaçao), 2010, p. 88 (nr.  2.30).

17 Vgl. o.m. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843 (NJ 2013, 202), rov. 3.3-3.4.

18 Mocht het griffiedossier alsnog arriveren voordat Uw Raad uitspraak doet, zal ik desgevraagd een nadere conclusie nemen.

19 Het hof verwijst daarbij naar HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5549 (NJ 2012, 246), rov. 3.3. Zie ook HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8693 (NJ 2012, 625, m.nt. H.J. Snijders), rov. 3.4.

20 Zie mijn conclusie vóór HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5549 (NJ 2012, 246) onder 2.8.

21 Zoals ook gesignaleerd in het verzoekschrift tot cassatie, p. 26 onder xxxvi.

22 Zie m.n. p. 5-6 onder (j)-(k), p. 10-11, p. 16 onder i, p. 17 onder v., en p. 26-27 onder xxxvi-xxxviii.