Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:122

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-07-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
13/02828
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:696, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Art. 350 lid 3 onder e Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/434
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 13/02828 (WSNP)

mr. Wuisman

Rolzitting: 12 juli 2013

CONCLUSIE inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. C.J. van Woerden

1 Voorgeschiedenis

1.1

Bij vonnis van 26 maart 2013 heeft de rechtbank Noord-Holland de op verzoeker tot cassatie toepasselijke schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd zonder verlening van de schone lei. Verzoeker is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam. Het hof heeft het vonnis bij arrest van 4 juni 2013 bekrachtigd, daartoe het volgende in rov. 2.3 overwegende:

“2.3 De schuldsaneringsregeling kan gelet op artikel 350, derde lid, onder e, Fw, beëindigd worden indien de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen. Onweersproken is komen vast te staan dat [verzoeker tot cassatie] een bedrag van € 1.500,-, dat op 27 september 2011 op zijn bankrekening was gestort, buiten de boedel heeft gehouden. Weliswaar heeft [verzoeker tot cassatie] gezegd dat dit geld niet van hem was maar van een vriend van hem, maar dat heeft hij verder niet kunnen onderbouwen. Nadat de bewindvoerder eind 2011 met de storting bekend werd, heeft de bewindvoerder [verzoeker tot cassatie] er herhaaldelijk op gewezen dat dit bedrag ten goede van de boedel dient te komen. Desondanks heeft [verzoeker tot cassatie] tot op heden niets op deze boedelschuld afgelost, zelfs niet nadat hij bij de rechtbank ter zitting van 8 januari 2013 hiertoe nog een allerlaatste kans heeft gekregen. Dergelijk handelen vormt voldoende grond om de schuldsaneringsregeling te beëindigen. De omstandigheid dat [verzoeker tot cassatie] moeite heeft om in zijn eerste levensbehoeften te voorzien, zoals betaling van huur, waardoor het hem niet mogelijk is gebleken om op de schuld af te lossen, dient, hoe ongelukkig ook, voor rekening en risico van [verzoeker tot cassatie] te blijven. In dit verband komt het aflossingsvoorstel zoals door [verzoeker tot cassatie] ter zitting in hoger beroep is gedaan, het hof dan ook niet realistisch voor, nu niet valt in te zien hoe [verzoeker tot cassatie] met een eventuele verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, maandelijks van zijn vrij te laten bedrag € 60,- a € 70,- extra aan de boedel kan aflossen zonder hiervoor nieuwe schulden aan te gaan.”

2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

Er zijn twee cassatiemiddelen aangevoerd.

Cassatiemiddel I

2.2

In cassatiemiddel I wordt ’s hofs oordeel bestreden dat verzoeker tot cassatie zijn stelling dat het op zijn rekening gestorte bedrag van € 1.500,- niet hem maar een vriend van hem toekwam, niet verder heeft kunnen onderbouwen. Dit oordeel komt erop neer dat het hof de stelling niet voor juist houdt. In cassatie kan dus niet ervan worden uitgegaan dat het bedrag van € 1.500,- niet aan verzoeker tot cassatie toekwam.

2.3

Het bestreden oordeel vormt een bewijsoordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Die onbegrijpelijkheid wordt in het middel niet aangetoond.

2.4

In de toelichting op het middel wordt niet vermeld dat of waar reeds bij het hof is aangevoerd dat de betaling van het bedrag van € 1.500,- naar de rekening van verzoeker tot cassatie door tussenkomst van Envoy Services Limited is verricht. In cassatie is geen ruimte om dit feit voor het eerst op te voeren. Verder komt niet aannemelijk voor dat buiten de kring van gokkers, die anoniem online gokken, het feit dat Envoy Services Limited betaling aan anonieme gokkers verricht, als feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd. Tenslotte, indien de betaling naar de rekening van verzoeker tot cassatie door Envoy Services Limited is verricht, dan volgt daaruit niet dwingend of met een hoge mate van waarschijnlijkheid dat het bedrag niet aan verzoeker tot cassatie toekwam.

Cassatiemiddel II

2.5

Bij cassatiemiddel II wordt ervan uitgegaan dat verzoeker tot cassatie niet de rechthebbende van het bedrag van € 1.500,- is geweest. Dat uitgangspunt strookt niet met het in het kader van cassatiemiddel I besproken oordeel van het hof. Nu dat oordeel tevergeefs wordt bestreden, dient de conclusie te zijn dat cassatiemiddel II reeds moet stranden op gemis aan deugdelijke feitelijke grondslag.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op grond van artikel 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden