Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1216

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
12/04150
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1245, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

(Appel)procesrecht. Verzoek om uitstel in verband met wisseling advocaat op de dag waartegen akte niet-dienen was aangezegd. Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr); algemene regels voor uitstel (art. 2.11-2.13 Lpr). Afwijzing verzoek slechts indien uitstel onverenigbaar is met art. 20 Rv of de eisen van een goede procesorde. Motiveringseisen afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/540
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/04150

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 6 september 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

1. [eiseres 1]

2. [eiseres 2]

3. [eiseres 3]

tegen

1. [verweerster 1]

2. [verweerster 2]

Het gaat in deze zaak in het principale cassatieberoep om de vraag of het hof na een wijziging in de procesvertegenwoordiging terecht akte niet-dienen van grieven heeft verleend. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep stelt de vraag aan de orde of het hof die wijziging in de procesvertegenwoordiging terecht heeft gekwalificeerd als onttrekking als bedoeld in hoofdstuk 6 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingzaken bij de gerechtshoven.

1. Procesverloop 1

1.1 Verweerster in cassatie onder 1 (hierna: [verweerster 1]) heeft bij inleidende dagvaarding van 22 september 2010, eiseressen tot cassatie onder 1-3 (hierna: [eiseres] c.s.) alsmede verweerster in cassatie onder 2 (hierna: [verweerster 2]) gedagvaard voor de rechtbank Utrecht. Zij heeft daarbij – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart:

(i) dat de gemeenschap van de in liquidatie verkerende maatschap Benvalor I is verdeeld op de door [verweerster 1] in de dagvaarding aangegeven wijze, althans dat de rechtbank gelast dat de gemeenschap wordt vereffend en de rechtbank de gemeenschap verdeelt;

(ii) dat [eiseres 1], [eiseres 2] en [eiseres 3] voor gelijke delen aan [verweerster 1] wegens overbedeling een bedrag van € 253.417,- dienen te betalen, te vermeerderen met de contractuele rente van 5%, althans met de wettelijke rente.

1.2 [eiseres] c.s. hebben in conventie gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie, na aanvulling van de gronden van de eis2, – samengevat – gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat [verweerster 1] is gehouden aan [eiseres] c.s. te vergoeden, de schade, op te maken bij staat, die het gevolg is van

(i) de niet nakoming van de op [verweerster 1] rustende verbintenis tot voortzetting van de maatschap met [eiseres] c.s. per 1 januari 2010,

(ii) het feit dat [verweerster 1] de maatschap per 1 januari 2010 heeft verlaten en

(iii) de weigering van [verweerster 1] om de met [verweerster 2] bereikte materiële overeenstemming over de gevolgen van zijn uitstoting na te komen. [eiseres] c.s. hebben daarnaast gevorderd dat de rechtbank [verweerster 1] veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schade.

1.3 [verweerster 2] heeft eveneens in conventie gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie – samengevat – gevorderd dat de rechtbank een deskundige benoemt die met inachtneming van door de rechtbank te geven aanwijzingen een boedelbeschrijving zal vervaardigen van het te verdelen vermogen van de op 1 januari 2010 ontbonden maatschap Benvalor, in het kader waarvan de deskundige tevens de jaarrekeningen 2008 en 2009 van de maatschap dient op te stellen, dan wel dat de rechtbank beslist zoals zij in goede justitie meent te moeten beslissen en onder aanhouding van de procedure in afwachting van de door de deskundige uit te brengen boedelbeschrijving.

1.4 [verweerster 1] heeft tegen de vorderingen in reconventie gemotiveerd verweer gevoerd.

1.5 Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 12 januari 2011 een comparitie van partijen had gelast die vervolgens op 23 mei 2011 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 28 september 2011 de zaak onder aanhouding van iedere verdere beslissing naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door partijen als in het dictum vermeld.

1.6 In dit vonnis heeft de rechtbank – samengevat en voor zover thans van belang – overwogen (rov. 4.7) dat [verweerster 1] niet is tekortgeschoten in de nakoming van enige op haar rustende verbintenis tot voortzetting van de samenwerking zodat de daarmee samenhangende reconventionele vorderingen van [eiseres] c.s. zullen worden afgewezen3 en voorts (rov. 4.16) dat de reconventionele vordering [verweerster 2] tot benoeming van een deskundige die een boedelbeschrijving dient op te stellen, zal worden toegewezen4.

1.7 De rechtbank heeft bij vonnis van 28 december 2011 tussentijds hoger beroep van haar tussenvonnis van 28 september 2011 toegestaan.

1.8 [eiseres] c.s. zijn daarop van genoemd vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem.

1.9 Bij brief van 24 februari 2012 heeft de advocaat van [verweerster 1], mr. J.R. Beversluis, namens [verweerster 1] aan [eiseres] c.s. aangezegd dat zij op 17 april 2012 de memorie van grieven dienden te nemen, met aanzegging akte niet-dienen5.

1.10 Ter rolle van 17 april 2012 is geen memorie van grieven genomen en heeft mr. P.J. van der Korst zich in de plaats gesteld van mr. G.A.A. Conyn als procesvertegenwoordiger van [eiseres] c.s.. Daarnaast heeft de rolraadsheer het door de nieuwe procesadvocaat van [eiseres] c.s. gevraagde uitstel voor het nemen van de memorie van grieven geweigerd en akte van niet-dienen van grieven verleend6.

1.11 [eiseres] c.s. hebben bij faxbericht van 20 april 2012 bezwaar gemaakt tegen de beslissing tot het verlenen van de akte niet-dienen en de rolraadsheer verzocht hen alsnog in de gelegenheid te stellen de memorie van grieven te nemen.

De rolraadsheer heeft het bezwaar van [eiseres] c.s. bij brief van de griffier van 27 april 2012 verworpen en de rolbeslissing tot het verlenen van de akte niet-dienen gehandhaafd.

1.12 Het hof heeft op 3 juli 2012 bepaald dat tegen de rolbeslissingen van 17 april 2012 en 27 april 2012 tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld.

1.13 [eiseres] c.s. hebben tegen de rolbeslissing van 17 april 2012 en de in de brief van de griffier van het hof van 27 april 2012 vervatte verwerping van het bezwaar7 tijdig8 beroep in cassatie ingesteld.

[verweerster 1] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van art. 80a RO, althans tot verwerping van het cassatieberoep en heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

De rolraadsheer heeft – gehoord de P-G – mededeling gedaan dat de zaak niet voor toepassing van art. 80a RO in aanmerking komt.

[eiseres] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep.

Tegen [verweerster 2] is verstek verleend.

Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [verweerster 1] nog heeft gedupliceerd.

2. Inleiding op het principaal en het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel en juridisch kader

2.1 In de onderhavige zaak gaat het in het principaal cassatieberoep in de kern om de vraag of het hof terecht akte niet-dienen heeft verleend nu het de wijziging van de procesvertegenwoordiging aan de zijde van [eiseres] c.s. ter rolle van 17 april 2012 heeft gekwalificeerd als onttrekking maar desondanks de bepalingen in hoofdstuk 6 van het rolreglement niet heeft toegepast. Het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep richt zich tegen de door het hof gegeven kwalificatie van de wijziging van de procesvertegenwoordiging als onttrekking en verbindt daaraan de gevolgtrekking dat hoofdstuk 6 van het rolreglement in het geheel niet van toepassing is. Daarmee is het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de verste strekking, reden waarom ik dat cassatieberoep hierna onder 3 als eerste bespreek, hoewel het voorwaardelijk is ingesteld.

2.2 Niet in discussie is (en terecht) dat de rolbeslissing van 17 april 2012 en de in de brief van de griffier van het hof van 27 april 2012 vervatte verwerping van het bezwaar voor cassatie vatbare uitspraken van het hof zijn.

2.3 Alvorens op het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel in te gaan, schets ik het juridisch kader van de beëindiging van de opdracht aan de advocaat tijdens een lopende procedure.

2.4 Onttrekking is de beëindiging door de procesadvocaat van zijn opdracht9. Indien de advocaat de overeenkomst opzegt en zich aan de verdere behandeling van de zaak onttrekt, heeft die opzegging in het geding pas rechtsgevolg nadat zij ter rolle bekend is gemaakt aan de wederpartij en de rechter. Het geding wordt voortgezet waarbij de partij al dan niet een nieuwe advocaat stelt10. Onttrekking is volgens de Hoge Raad een de cliënt persoonlijk betreffende omstandigheid, zodat het redelijker is dat de cliënt erin voorziet dat hij wederom door een advocaat in het proces wordt vertegenwoordigd dan dat de tegenpartij gedwongen zou zijn tot het doen van nasporingen en het maken van kosten teneinde de procespartij wier advocaat zich heeft onttrokken te dagvaarden tot hervatting van het rechtsgeding11.

2.5 De (gevolgen van de) beëindiging wordt beheerst door het contractenrecht12 en het advocatentuchtrecht. Volgens Snijders in zijn noot onder HR 2 februari 200113 dient de zich aan de zaak onttrekkende advocaat alles in het werk te stellen dat redelijkerwijze van hem mag worden verwacht om de cliënt tijdig bewust te maken van de betekenis van een zo spoedig mogelijke opvolging, ook al bepalen de relevante art. 7:408 BW en art. 7:422 BW dat niet uitdrukkelijk voor de opdracht in het algemeen resp. de lastgeving in het bijzonder. Hij verwijst daarbij ook naar art. 7:401 BW, dat de opdrachtnemer verplicht de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen en naar art. 9 lid 3 van de Gedragsregels voor Advocaten, dat de advocaat die besluit zijn opdracht neer te leggen, voorschrijft, dat op zorgvuldige wijze te doen en zodanig dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt. Snijders meent dat deze gedragsregel tevens een rechtsregel vormt, die men kan beschouwen als een subregel van art. 7:401 BW14.

2.6 Als gevolg van de onttrekking kan de partij in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging geen processuele handelingen meer verrichten15. Den Hartog Jager noemt de onttrekking een eenzijdige proces- en rechtshandeling en acht voor de rolraadsheer geen taak weggelegd om de rechtsgeldigheid van de onttrekking te toetsen. Wel zou de rolrechter volgens hem kunnen weigeren akte te verlenen van de onttrekking zolang niet vaststaat dat de cliënt is gewezen op de gevolgen van de onttrekking en dat hij voor vervanging moet zorgen. Den Hartog Jager baseert dit op het hierna geciteerde artikel 6.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven16.

2.7 Ook de cliënt (de opdrachtgever) kan de opdracht te allen tijde opzeggen en wel op de voet van art. 7:408 lid 1 BW17. Deze opzegging wordt veelal aangeduid als herroeping18. Een partij kan de door haar gestelde procesadvocaat niet herroepen zonder tegelijkertijd een andere procesadvocaat te stellen (art. 79 lid 2 Rv.19). In de praktijk stelt de opvolgend advocaat zich en vervangt hij daarmee zijn voorganger. Uit de eenzijdige herroepingsbevoegdheid lijkt te volgen dat de eerder gestelde advocaat zich niet kan verzetten tegen de opvolging20.

2.8 Anders dan ingeval van de in art. 226 Rv. genoemde gevallen leidt onttrekking niet tot schorsing van het geding. Hetzelfde geldt – uiteraard – voor herroeping.

Op grond van art. 226 Rv. wordt het geding van rechtswege geschorst indien de gestelde advocaat overlijdt of doordat hij zijn hoedanigheid van advocaat verliest21. Ratio van deze bepaling – die opgeld doet onafhankelijk van de vraag of de rechtsbetrekking tussen de advocaat en zijn cliënt voortduurt – is de desbetreffende partij te beschermen tegen de gevolgen van het feit dat zij niet langer in de procedure is vertegenwoordigd ten gevolge van een van de beide in het artikel genoemde omstandigheden. Van dit feit zal de partij niet altijd op de hoogte zijn, zonder dat haar dit valt toe te rekenen, hetgeen rechtvaardigt dat de schorsing van rechtswege plaatsvindt22.

De in art. 226 Rv. genoemde gevallen hebben gemeen dat de partij haar advocaat verliest door oorzaken buiten haar invloedssfeer23. Zoals gezegd is onttrekking (en ook herroeping) nu juist een de cliënt persoonlijk betreffende omstandigheid, welke omstandigheden in de bewoordingen van de Hoge Raad niet op één lijn kunnen worden gesteld met de dood of het verlies van de betrekking van de gestelde procesadvocaat24.

2.9 Hoofdstuk 6 van het ten tijde van de onderhavige procedure geldende en toepasselijke Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, hierna: het rolreglement, luidt als volgt25:

6 Onttrekking

6.1 Mededeling onttrekking

De advocaat van een partij die zich op een roldatum aan een zaak wil onttrekken, geeft daarvan bericht met een aan het hof gericht H-formulier.

De advocaat heeft zijn opdrachtgever over de gevolgen daarvan geïnformeerd. Bij zijn bericht aan het hof bevestigt de advocaat dat hij deze verplichting is nagekomen.

6.2 Rolverwijzing voor het stellen van een nieuwe advocaat

Na de onttrekking wordt de zaak verwezen naar de roldatum gelegen op een termijn van twee weken later voor het stellen van een nieuwe advocaat.

6.3 Nieuwe advocaat gesteld

Indien zich voor de in artikel 6.1 bedoelde partij een andere advocaat stelt, wordt de proceshandeling waarvoor deze partij staat, alsnog op de in artikel 6.2 genoemde roldatum verricht. Op schriftelijk verzoek van deze partij kan hiervoor eenmaal een uitstel van vier weken worden verleend.

6.4 Geen nieuwe advocaat gesteld

Indien zich op de in artikel 6.2 genoemde roldatum geen andere advocaat stelt, vervalt het recht van de partij om de proceshandeling waarvoor deze staat te verrichten en kan de wederpartij verzoeken in de zaak arrest te wijzen.

Indien zich op deze roldatum geen andere advocaat stelt en de wederpartij niet verzoekt in de zaak arrest te wijzen of de proceshandeling waarvoor zij staat op deze datum niet verricht, wordt de zaak 53 weken aangehouden voor het verrichten van deze proceshandeling.”

2.10 M.i. is de ratio van de artikelen 6.2 en 6.3 van het rolreglement dat de nieuwe advocaat in de gelegenheid wordt gesteld zich in te werken voordat hij een proceshandeling moet verrichten. Deze ratio geldt naar mijn mening dan zowel bij beëindiging van de opdracht door de advocaat (onttrekking) als de beëindiging van de opdracht door de cliënt (herroeping). Dit brengt mee dat het voor de toepasselijkheid van hoofdstuk 6 van het rolreglement niet ter zake behoort te doen wie de overeenkomst van opdracht heeft opgezegd.



2.11 Indien een procesadvocaat zich onttrekt, schrijft artikel 6.2 van het rolreglement voor dat de zaak veertien dagen wordt aangehouden voor het stellen van een nieuwe advocaat. Uit de formulering: “wordt de zaak verwezen” volgt dat dit geen discretonaire bevoegdheid van de rolrechter is. De nieuwe advocaat kan zich dus veertien dagen later stellen.

2.12 Artikel 6.3 van het rolreglement bepaalt vervolgens dat de nieuwe advocaat op die rol de proceshandeling kan verrichten waarvoor zijn partij stond op het moment dat de vorige procesadvocaat zich onttrok. M.i. dient dit voorschrift zo te worden gelezen dat de nieuwe advocaat, indien de vorige advocaat veertien dagen eerder partijperemptoir stond voor het nemen van een memorie van grieven, op de eerste rol waarop hij zich presenteert ook partijperemptoir staat voor het nemen van grieven. Was de eerdere procesadvocaat akte niet-dienen aangezegd, dan ‘verhuist’ deze aanzegging mee naar de rol van veertien dagen later en dient deze akte te worden verleend indien niet van grieven wordt gediend26.

2.13 Ingeval van onttrekking en de voor die situatie geldende bepalingen van hoofdstuk 6 van het rolreglement is een andere situatie aan de orde dan wanneer art. 133 lid 4 Rv.27 en de naar aanleiding daarvan gewezen rechtspraak van toepassing zou zijn. Indien op de juiste wijze akte niet-dienen is aangezegd tegen een bepaalde roldatum en de vereiste proceshandeling niet op die roldatum wordt verricht vervalt vanwege art. 133 lid 4 Rv. immers het recht om dat te doen28 en verleent de rolraadsheer in beginsel op dat moment29 of indien de zaak rechtsgeldig is geschorst: nadien30, akte niet-dienen.

In geval van onttrekking van een advocaat geeft artikel 6.3 van het rolreglement echter de hoofdregel en vervalt op grond van artikel 6.4 van het rolreglement het recht om de proceshandeling te verrichten pas indien zich geen nieuwe advocaat stelt.

3 Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel

3.1

Het middel is gericht tegen de rolbeslissing van 27 april 2012, waarin het hof – voor

zover thans van belang – als volgt heeft geoordeeld:

“(…) Zoals al gememoreerd is [eiseres] c.s. bij brief van 24 februari 2012 aangezegd dat zij op de roldatum 17 april 2012 de memorie van grieven dienden te nemen, met aanzegging akte niet dienen. Op maandag 16 april 2012 om 16.33 uur is ter griffie van het hof ontvangen het H2-formulier van de zijde van [eiseres] c.s. waarin is vermeld dat mr. P.J. van der Korst zich voor [eiseres] c.s. stelt in de plaats van mr. G.A.A. Conyn en waarin wordt verzocht om een aanhouding van zes weken voor het nemen van de memorie van grieven.

Dit verzoek is, met het H14-formulier waarin het bezwaar van [verweerster 1] is verwoord, voorgelegd aan de rolraadsheer ter beoordeling. Vervolgens heeft de rolraadsheer beslist dat het gevraagde uitstel wordt geweigerd en akte niet dienen wordt verleend. Voorts is de onttrekking van mr. Conyn en het stellen van mr. Van der Korst als advocaat van [eiseres] c.s. in het roljournaal verwerkt.

(…)

[eiseres] c.s hebben voorts betoogd dat de beslissing van de rolraadsheer in strijd is met artikel 6 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr). Hen moet worden nagegeven dat de artikelen 6.2 en 6.3 Lpr bepalen dat, na de onttrekking door een advocaat, de zaak verwezen wordt naar een roldatum van twee weken later voor het stellen van een nieuwe advocaat en dat, als zich een nieuwe advocaat voor een partij stelt, de proceshandeling waarvoor deze partij staat alsnog op de hiervoor bedoelde roldatum wordt verricht. Gelet hierop zou in beginsel aan de nieuwe advocaat mr. Van der Korst een uitstel van twee weken verleend moeten worden.

In dit geval was echter akte niet dienen aangezegd tegen de roldatum 17 april 2012. Blijkens het relaas van [eiseres] c.s. was op zondag 15 april 2012 gebleken dat er bezwaren waren gerezen tegen de vertegenwoordiging van mr. Conyn en dat een nieuwe advocaat moest worden gezocht. De rolraadsheer constateert dat, nu er op 17 april 2012 geen memorie van grieven is genomen, deze kennelijk niet gereed was, ondanks de aangezegde akte niet dienen. Het had voor de hand gelegen, daar waar mr. Conyn [eiseres] c.s. tot en met 15 april 2012 (dat wil zeggen twee dagen voor de dag waarop de memorie van grieven genomen moest worden) heeft bijgestaan, dat hij de memorie van grieven in elk geval in concept gereed had. Verder heeft [eiseres] c.s. niet toegelicht waarom pas op 15 april 2012 duidelijk werd dat mr. Conyn [eiseres] c.s. niet langer kon bijstaan als advocaat. Een en ander brengt de rolraadsheer tot de conclusie dat de advocaatwissel (mede) tot doel had om met een beroep op artikel 6.2 en 6.3 Lpr te kunnen ontkomen aan de aangezegde akte niet dienen.

Daarin ziet de rolraadsheer aanleiding om, met toepassing van artikel 1.15 Lpr af te wijken van de artikelen 6.2 en 6.3 Lpr, het door [eiseres] c.s. gevraagde uitstel te weigeren en de beslissing tot het verlenen van de akte niet dienen te handhaven. Het bezwaar van [eiseres] c.s. tegen de rolbeslissing zal derhalve worden verworpen. Een belangenafweging maakt dat niet anders.”

3.2

Het middel klaagt in de eerste plaats dat de vaststelling van het hof dat de onttrekking van mr. Conyn in het roljournaal is verwerkt en het oordeel in de voorlaatste alinea ( hiervoor als tweede alinea geciteerd) blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting omdat de wijziging in de procesvertegenwoordiging ten onrechte is gekwalificeerd als onttrekking van mr. Conyn, terwijl sprake was van een herroeping waartoe een – vanwege art. 79 lid 2 Rv. verplichte – advocatenwissel is aangekondigd en uitgevoerd, zodat voor toepassing van art. 6.2 en 6.3 van het rolreglement geen grond aanwezig was.

3.3

Voor zover de klacht al niet afstuit op de omstandigheid dat het oordeel zozeer is verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst31, meen ik – zoals hiervoor onder 2 uiteengezet – dat hoofdstuk 6 van het rolreglement zowel op onttrekking als op herroeping ziet. Anders dan [verweerster 1]32 zie ik niet dat hoofdstuk 6 van het rolreglement “evident niet” op een andere situatie dan onttrekking toepasbaar zou kunnen zijn, ondanks de titel van het hoofdstuk. Voorts geloof ik niet dat een uitstel dat op de voet van artikel 6.3 maximaal zes weken kan bedragen, voor het verrichten van de proceshandeling een “open uitnodiging tot misbruik” is. De klacht faalt derhalve.

3.4

Het middel klaagt in de tweede plaats dat de bestreden vaststelling en oordelen onvoldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd nu uit het namens [eiseres] c.s. op 16 april 2012 ingediende H2-formulier blijkt dat sprake is van herroeping in plaats van onttrekking.

3.5

Hoewel m.i. ten overvloede, bespreek ik ook deze motiveringsklacht, waartoe ik eerst de relevante correspondentie tussen partijen en het hof weergeef:

(i) Namens [eiseres] c.s. is op 16 april 2012 met gebruikmaking van het formulier “H2 Stellen/wijzigen/onttrekken advocaat/niet in staat” aan de roladministratie van het hof bericht dat op 17 april 2012 mr. P.J. van der Korst zich stelt voor [eiseres] c.s. in de plaats van mr. G.A.A. Conyn. Bij de rubriek “Eventuele rolinstructie” is het volgende opgenomen:

“In verband met advocaatwissel vragen wij zes weken aanhouding voor memorie van grieven”.

(ii) Mr. Beversluis, advocaat van [verweerster 1], heeft op 16 april 2012 met gebruikmaking van het formulier “H14 Bezwaar tegen verzoek wederpartij” in de rubriek “tegen welk verzoek van de wederpartij heeft u bezwaar” het volgende ingevuld:

“Bezwaar wordt gemaakt tegen het verzoek tot aanhouding dat wordt gedaan in verband met de onttrekking als advocaat van mr. Conyn.”

Daarbij is als motivering ingevuld:

“[eiseres] c.s. was partijperemptoir en akte niet-dienen aangezegd. Gelet ook op het tijdstip van de mededeling inzake onttrekking, heeft de actie van [eiseres] klaarblijkelijk louter het doel de sanctie op het partijperemptoir te ontgaan en verder uitstel te verkrijgen. Dit is misbruik van procesrecht.”

(iii) Op 16 april is wederom een ‘H14-formulier’ namens [verweerster 1] aan de roladministratie verzonden waarin bezwaar wordt gemaakt tegen “het verzoek tot uitstel i.v.m. wisseling advocaat” met de volgende “aanvullende motivering”:

“De huidige advocaat mr. Conyn is werkzaam op het kantoor van de appellanten. Er is geen conflict tussen appellanten en mr. Conyn als hun advocaat. Er is ook overigens geen enkel argument om de onttrekking te bewerkstelligen per de onderhavige roldatum (waartegen akte niet dienen was aangezegd). Hierin ook is sprake van misbruik van procesrecht.”

(iv) De rolraadsheer heeft ter rolle van 17 april 2012 blijkens de diverse categorieën van het extract uit de minuten:

  • -

    mr. Van der Korst genoteerd in plaats van mr. Conyn als procesvertegenwoordiger appellant;

  • -

    geconstateerd dat de memorie van grieven niet is genomen;

  • -

    akte niet-dienen verleend; en

  • -

    het gevraagde uitstel voor het nemen van de memorie van grieven geweigerd omdat er geen deugdelijke reden is voor uitstel.

(v) Mr. Van der Korst heeft daarop het bij faxbericht van 20 april 2012 verzocht om alsnog van grieven te dienen “en wel binnen vier weken, althans binnen twee weken na uw beslissing” en onder meer als bezwaar tegen het weigeren ter rolle van 17 april 2012 van uitstel en ten het verlenen van akte niet-dienen aangevoerd dat deze beslissingen in strijd zijn met hoofdstuk 6 van het rolreglement. Daarbij heeft hij – voor zover thans van belang – ter toelichting op de wijziging in de procesvertegenwoordiging het volgende vermeld:

“3. Pas op laatstgenoemde datum [15 april 2012, W-vG] bleek dat er bezwaren zijn gerezen tegen de vertegenwoordiging van mr. Conyn van [eiseres] c.s. op grond waarvan [eiseres] c.s. – eerst op die datum – moest beslissen om een andere advocaat in de arm te nemen.

(…)

17. Evenmin is sprake van misbruik van procesrecht, zoals namens I.A. [verweerster 1] B.V. tweemaal ongefundeerd wordt gesteld. De drempel voor misbruik van procesrecht is hoog. (…) Zoals uit de feitenweergave volgt, heeft [eiseres] c.s. een redelijk belang bij het gebruik van art. 6 Reglement.

Ik bied hierbij bewijs aan van de in deze brief omschreven omstandigheden aan de zijde van [eiseres] c.s.”

(vi) Mr. Beversluis heeft bij faxbericht van 23 april 2012 als volgt gereageerd op het faxbericht van mr. Van der Korst:

“(…) In de punten 3 en 4 van aangehaalde brief worden redenen gegeven waarom de onttrekking van mr Conyn als advocaat geschiedde tegen de roldatum 17.04.2012, de roldatum waartegen [eiseres] c.s. partijperemptoir was aangezegd. Die redengeving is feitelijk onjuist. Mr. Conyn zelf gaf namelijk bij brief van 16.04.2012 aan mij en mr. Pütz – de advocaat van geïntimeerde partij van [verweerster 2] – aan, dat hij in juli a.s. de praktijk neerlegt én voorziet dat getuigenbewijs gaat volgen waarin hij dan als getuige gaat optreden, hetgeen zal nopen tot terugtrekking als advocaat. Van enige noodzaak per 17.04 2012 als advocaat terug te treden wordt niet gerept. [verweerster 1] houdt staande dat de gewraakte actie slechts als doel had de sanctie van een aangezegd partijperemptoir te ontgaan en ander uitstel te verkrijgen en misbruik van (rol)procesrecht inhoudt. (…)”

(vii) Vervolgens heeft mr. Van der Korst bij faxbericht van 24 april 2012 de stelling van mr. Beversluis “dat de advocaatwissel slechts als doel had de sanctie van een aangezegd partijperemptoir te ontgaan” betwist en het volgende gemeld:

“De brief van mr. Conyn [van 16 april 2012 aan mr. Beversluis, W-vG] was in neutrale bewoordingen geschreven omdat het hem – gelet op de verhouding tot zijn cliënten – niet vrijstond enige mededeling te doen over de reden voor de onttrekking, anders dan hij heeft gedaan, en er bovendien, vertrouwend op het rolreglement, geen reden bestond om hier ten opzichte van de wederpartijen uit te weiden. Die reden was wel degelijk dat er bij cliënten bezwaren waren gerezen tegen de vertegenwoordiging door mr. Conyn; daags voor het nemen van de memorie van grieven openbaarde zich een majeur verschil van inzicht in de te voeren strategie.”

Het hof heeft daarna bij brief van de griffier van het hof van 27 april 2012 het bezwaar tegen de rolbeslissing van 17 april 2012 verworpen.

3.6

Uit de inhoud van de hiervoor weergegeven correspondentie blijkt allereerst dat [verweerster 1] in de appelprocedure niet heeft gesteld dat de wijziging van de procesvertegenwoordiging aan de zijde van [eiseres] c.s. niet als een onttrekking van de advocaat kon worden gekwalificeerd. Daarnaast acht ik het, mede gelet op het feit dat de advocaat van [verweerster 1] in de geciteerde correspondentie steeds over onttrekking spreekt, niet onbegrijpelijk dat het hof de gang van zaken als onttrekking heeft aangemerkt.

3.7

Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep dient derhalve te worden verworpen.

4 Bespreking van het principale cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen.

Onderdeel 1 richt zich tegen de rolbeslissing van het hof van 17 april 2012 (zoals hiervoor onder 1.10 weergegeven).

Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat (een redelijke uitleg en toepassing van) art. 6.2 en 6.3 van het rolreglement meebrengen dat in het geval zich – na onttrekking door de advocaat van een partij – een nieuwe advocaat zich stelt voor die partij, op schriftelijk verzoek een uitstel van (minimaal) vier, althans twee weken aan die partij moet, althans kan, worden verleend, althans dat in dat geval geen akte van niet-dienen van die proceshandeling mag worden verleend. Voorts heeft, aldus het subonderdeel, het hof miskend dat art. 6.2 en 6.3 van het rolreglement reeds een deugdelijke reden oplevert voor uitstel.

Volgens subonderdeel 1.2 zijn de oordelen van het hof in ieder geval onvoldoende gemotiveerd gelet op het op het door [eiseres] c.s. bij H2-formulier ingediende verzoek om aanhouding voor het nemen van de memorie van grieven “in verband met een advocaatwissel”.

4.2

Zoals hiervoor vermeld onder 1.9 heeft de advocaat van [verweerster 1], mr. J.R. Beversluis, bij brief van 24 februari 2012 namens [verweerster 1] aan [eiseres] c.s. akte dienen van grieven aangezegd tegen 17 april 2012. Aangezien het hof de wijziging in de procesvertegenwoordiging ter rolle van 17 april 2012 heeft aangemerkt als een onttrekking als bedoeld in hoofdstuk 6 van het rolreglement, had de nieuwe advocaat van [eiseres] c.s., mr. P.J. van der Korst, zich op de voet van art. 6.2 van rolreglement veertien dagen later kunnen stellen en had hij op 1 mei 2012 van grieven kunnen dienen bij gebreke waarvan de rolraadsheer op dat moment akte niet dienen van grieven had moeten verlenen (zie hiervoor onder 2.12).

4.3

Op het eerste gezicht lijkt het alsof mr. Van der Korst zich in de vingers heeft gesneden door zich reeds op 17 april 2012 te stellen, dezelfde rol als waarop mr. Conyn zich onttrok.

Ik meen dat dat niet het geval behoort te zijn. Het hof heeft bij brief van de griffier van 27 april 2012 het bezwaar van [eiseres] c.s. tegen de rolbeslissing van 17 april 2012 verworpen en daartoe onder meer geoordeeld dat op grond van de artikelen 6.2 en 6.3 van het rolreglement in beginsel aan de nieuwe advocaat mr. Van der Korst een uitstel van twee weken moet worden verleend.

Dat oordeel geeft m.i. blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zou m.i. moeten luiden dat de nieuwe advocaat die zich op dezelfde roldatum stelt als de vorige advocaat zich onttrekt altijd een uitstel van twee weken krijgt. Dit geldt te meer in de gevallen waarin akte niet-dienen is aangezegd tegen de roldatum waarop de vorige procesadvocaat zich onttrekt. Juist in die gevallen is het, mede gelet op de verstrekkende gevolgen van het verlenen van een akte niet-dienen, van belang dat de opvolgend procesadvocaat een korte termijn wordt gegund om de proceshandeling voor te bereiden die hij na die veertien dagen op straffe van verval moet verrichten. Deze termijn kan m.i., uitzonderlijke gevallen daargelaten, niet worden bekort met de toepassing van art. 1.15 van het rolreglement, dat de rolraadsheer de bevoegdheid geeft om van het rolreglement af te wijken.

Voor een beoordeling van de vraag of de opvolgend advocaat wellicht ook in staat is geweest die proceshandeling al onmiddellijk te verrichten op de roldatum waarop hij zich stelt, is m.i. geen ruimte.

4.4

Ik meen dat het principale cassatieberoep in zoverre slaagt en dat de overige klachten (subonderdeel 1.3 en onderdeel 2) thans geen bespreking meer behoeven.

De arresten van 17 april 2012 en 27 april 2012 dienen derhalve te worden vernietigd.

Met betrekking tot de verwijzing bestaat er m.i. aanleiding om de zaak op de voet van art. 422a Rv. terug te wijzen naar het gerechtshof Arnhem (thans gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) omdat dit hof nog geen inhoudelijke beslissingen in deze zaak heeft gegeven.

5 Conclusie in het principale en voorwaardelijk incidentele cassatieberoep

De conclusie strekt

  • -

    in het principale cassatieberoep tot vernietiging van de arresten van het gerechtshof Arnhem van 17 april 2012 en 27 april 2012 en tot terugwijzing naar dit hof (thans gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) en

  • -

    in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Gelet op de in cassatie voorliggende vraag vermeld ik slechts het procesverloop (verkort). Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de tussenvonnissen van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2011 en van 28 september 2011 en voor het procesverloop in hoger beroep de hierna aan de orde komende rolbeslissingen van het gerechtshof Arnhem van 17 april 2012 en 27 april 2012.

2 Akte houdende aanvulling van de gronden van de eis en uitlating na tussenvonnis van 7 december 2011 (onder 29).

3 Zie ook rov. 4.15. Ik merk op dat, zoals vermeld onder 1.2, de reconventionele vordering van [eiseres] c.s. bij na het tussenvonnis genomen Akte houdende aanvulling van de gronden van de eis en uitlating na tussenvonnis van 7 december 2011 is uitgebreid.

4 Zie daarnaast o.m. rov. 4.8, 4.19, 4.21, en 4.22.

5 Zie de brief van de griffier van het hof van 27 april 2012. Bedoelde brief van 24 februari 2012 bevindt zich niet in de procesdossiers.

6 Zie het overgelegde extract uit de minuten en de brief van de griffier van het hof van 27 april 2012.

7 Door het hof aangeduid als rolbeslissing.

8 De cassatiedagvaarding is op 17 juli 2012 uitgebracht.

9 Zie HR 2 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9764, (NJ 2002/372 m.nt. H.J. Snijders), rov. 3.3.

10 Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2012, nr. 17, p. 22.

11 Zie voetnoot 8.

12 Meer in het bijzonder als uitgangspunt de bepalingen van de overeenkomst van opdracht, zie o.a. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/25 met verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 7, p. 318; A.I.M. van Mierlo, Rolrecht in Nederland, par. 4.4. Volgens Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2007, nr. 97, is als de advocaat rechtshandelingen verricht, in zoverre sprake van lastgeving. Zie ook Stein/Rueb, Burgerlijk Procesrecht, 2007, p. 69 en R. Verkijk, De advocaat in het burgerlijk proces, diss. 2010, p. 290-321..

13 Zie voetnoot 8.

14 Zie daarover ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/25.

15 Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/26 met verdere verwijzingen; Hugenholtz/Heemskerk, nr. 17 met verdere verwijzingen. W.H.B. den Hartog Jager, Procederen met of zonder procesvertegenwoordiger en andere aspecten van procesvertegenwoordiging, 2012, nr. 130 noemt enkele voorbeelden van handelingen die z.i. nog wel kunnen worden verricht.

16 A.w., nr. 130, p. 102.

17 Van Mierlo, a.w., par. 4.4; A.I.M. van Mierlo en J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg, 2003, par. 3.3.3.

18 Niet te verwarren met het rechtsmiddel herroeping (art. 382 e.v. Rv.).

19 Art. 146 Rv.(oud).

20 Den Hartog Jager, a.w., 2012, nr. 128.

21 Onder verlies van hoedanigheid als bedoeld in art. 226 lid 1 Rv. valt mede te verstaan schorsing als advocaat, hetzij op grond van disciplinaire maatregel, hetzij op andere wettelijke grond, zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2915, (NJ 2012/514).

22 HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2915, (NJ 2012/514), rov. 3.2.

23 Van Maanen/Van Dam-Lely 2012, (T&C Rv), art. 226 Rv, aant.1.

24 HR 2 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9764, (NJ 2002/372 m.nt. H.J. Snijders).

25 Tweede versie, januari 2011, gepubliceerd in Stcrt. 2010, nr. 19241.

26 Zie daarover en over hetgeen ik onder 2.13 opmerk ook mijn heden genomen conclusie in de zaak met rolnummer 12/04685.

27 Zie ook art. 1.7 van het rolreglement. De bevoegdheid van een rolraadsheer om na een peremptoirstelling met het verlenen van ‘akte niet-dienen’ te beslissen dat het recht om een memorie van grieven te nemen vervallen is verklaard, is een neerslag van hetgeen rechtstreeks uit art. 133 lid 4 Rv. voortvloeit, zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 332. Vgl. voorts HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7671, (RvdW 2010/1088). Art. 133 lid 4 is op zijn beurt weer een operationalisering van art. 20 Rv., waarin de rechter is opgedragen te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure en zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve, rekening houdend met de belangen van partijen maatregelen te treffen zoals te bepalen dat het recht om te concluderen is vervallen, aldus Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 135.

28 Zie over onttrekking en over het voorschrift van art. 133 lid 4 Rv. de CPG vóór HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, (NJ 2006/405 m.nt. G.R. Rutgers).

29 Zoals in de zaak van HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5664; HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9024, (NJ 2013/28) en van HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176, (NJ 2012/158). Zie in dit verband voorts de noot van Rutgers onder HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, (NJ 2006/405) onder 6 en 7 en de CPG vóór HR 4 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7220, (NJ 1998/220) onder 2.8-2.11.

30 Zoals in de zaak van HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7671, (NJ 2012/513).

31 Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nrs. 99 en 101-102; W.D.H. Asser, Civiele cassatie (2012), par. 4.7.3.3.

32 Zie de dupliek van mr. Rijpma onder 3.19.