Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1173

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
11/05692
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1179, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht. De bewezenverklaring vzv. inhoudende dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard, is niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/05692

Mr. Harteveld

Zitting 17 september 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 5 december 2011 wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het Hof ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat verdachte “redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

3.2. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 8 december 2010 in de gemeente Almere, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor alle categorieën ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Gooimeerdijk-Oost, als bestuurder een motorrijtuig (personenauto), van die categorie1 heeft bestuurd.”

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een in de wettelijke vorm onder nummer PL2544 2010086918-4 door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 8 december 2010 (pagina's 5 en 6 van een dossierproces-verbaal met nummer PL2544 2010086918-1) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van verbalisant:

Op 8 december 2010 zag ik dat een persoon als bestuurder van een motorvoertuig, zijnde een personenauto, dit bestuurde op de openbare weg, de Gooimeerdijk-Oost te Almere. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften, stelde ik een onderzoek in.

Ik gaf de bestuurder op 8 december 2010 een stopteken waaraan hij voldeed. Ik sprak de bestuurder aan. Dc vroeg of hij in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs. Ik zag dat de bestuurder mij een rijbewijs overhandigde. De bestuurder bleek aan de hand van zijn rijbewijs te zijn genaamd:

[verdachte]

Geboren [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats].

Ik heb vervolgens [verdachte] nagevraagd bij de dienstdoende centralist van de meldkamer. Uit dit onderzoek bleek dat [verdachte] een ongeldig verklaard rijbewijs had.

2. Een in de wettelijke vorm onder nummer PL2544 2010086918-7 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor, d.d. 8 december 2010 (pagina's 9 en 10 van het onder 1. genoemde dossierproces-verbaal) voor zover inhoudende, delen van het op 8 december 2010 gehouden verhoor, zakelijk weergegeven:

als verklaring van verdachte:

Op 8 december 2010 ben ik aangehouden voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.

Ongeveer anderhalf jaar geleden ben ik aangehouden omdat ik teveel had gedronken. Ik kreeg later een brief van het CBR dat ik een cursus moest volgen. Ik heb contact opgenomen met het CBR, deze vertelde mij dat de cursus 700 euro kost. Ik heb toen gezegd dat ik dat geld op dat moment niet had. Ik ben dus niet naar deze cursus gegaan. De persoon welke ik heb gesproken bij het CBR, vertelde mij wel dat dit gevolgen zou kunnen hebben voor mijn rijbewijs.

3. Een schriftelijk stuk, inhoudend een lijst tonen CBR vorderingsprocedures (pagina 23 van het onder 1. genoemde dossierproces-verbaal), zakelijk weergegeven onder meer inhoudende en hier van belang:

Naam: [verdachte]

Voornaam: [voornaam]

Geb. Datum: [geboortedatum]/1976

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Datum ongeldigverklaring: 16/09/2009

Categorie: B

4a. Een schriftelijk stuk, te weten een brief d.d. 21 december 2010 van [betrokkene], manager Vorderingen, divisie Rij geschiktheid aan het parket Utrecht/Lelystad (dossiernummer 200900933lmb, pagina 1 van los in het dossier gevoegde CBR correspondentie), zakelijk weergeven onder meer inhoudende en hier van belang:

U heeft het CBR verzocht om aan u de stukken te sturen over:

geboortedatum: [geboortedatum] 1976

adres: [adres].

Hierbij ontvangt u deze stukken. Het besluit van 16 september 2009 hebben wij aangetekend verzonden. De aangetekende brief is niet retour gekomen naar het CBR.

4b. Een schriftelijk stuk, te weten een besluit van het CBR met nummer 2009009331, opgemaakt door mr. E. van Pernis- van de Wal, manager divisie Vorderingen, gericht aan [verdachte], d.d. 16 september 2009 (pagina's 2 en 3 van de onder 4a genoemde CBR correspondentie), zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende en hier van belang:

AANTEKENEN

[verdachte]

[a-straat 1]

[woonplaats]

2009009331 16 september 2009

Geachte [verdachte],

In het besluit van 30 juni 2009 heeft het CBR u een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. Daarbij hebben wij vermeld dat medewerking aan de EMA verplicht is. U heeft niet (voldoende) meegewerkt aan de EMA.

Wat zijn de gevolgen?

Wij hebben uw rijbewijs ongeldig verklaard.

5.

Een schriftelijk stuk, te weten, een ID-staat SKDB, waaruit blijkt dat verdachte van 2 maart 2009 tot 12 april 2010 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven heeft gestaan op het adres:

[adres].”

3.4.

Het Hof heeft voorts onder “Nadere bewijsoverweging” in de bestreden uitspraak nog het volgende overwogen:

“Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij een auto heeft bestuurd, terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, hetgeen hij wist of redelijkerwijs had moeten weten. De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof van 21 november 2011 betoogd dat verdachte van de betreffende beslissing van 16 september 2009 van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen niet op de hoogte was, niettegenstaande het feit dat die beslissing hem aangetekend is toegezonden en deze niet retour is ontvangen door het CBR. De raadsman heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van dit hof van 17 februari 2011, waarin wordt gesteld dat "uit de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief is verzonden en die brief niet retour is gekomen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard". Het hof kwam in die zaak tot een vrijspraak. Nu eenzelfde situatie zich in deze zaak heeft voorgedaan - aldus de raadsman - dient verdachte te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Het enkele feit dat een beslissing tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aangetekend is gestuurd naar het juiste GBA-adres en de betreffende brief niet retour is gezonden naar het CBR kan - indien de betreffende verdachte ontkent op de hoogte te zijn geweest van bedoelde beslissing - ontoereikend zijn voor een bewezenverklaring. In zoverre volgt het hof het verweer van de raadsman.

In de thans ter beoordeling staande zaak zijn er echter (meer) omstandigheden, die verdachte hadden kunnen en ook moeten alarmeren inzake de vraag of zijn rijbewijs nog wel geldig was. Uit de documentatie van verdachte blijkt dat hij op 6 juni 2008 en 11 juni 2009 is aangehouden ter zake van een alcohol verkeersdelict voor welke feiten hij op 15 februari 2010 respectievelijk 13 december 2010 is veroordeeld door de politierechter Zwolle-Lelystad. Op 8 december 2010 heeft verdachte, nadat hij was aangehouden voor het onderhavige strafbare feit, ten overstaan van verbalisanten verklaard dat hij op enig moment na zijn (tweede) aanhouding een brief heeft ontvangen van het CBR, inhoudende dat hij de EMA-cursus moest volgen. Omdat verdachte de daarmee gemoeide kosten niet kon betalen, heeft hij telefonisch contact gezocht met het CBR. In dat gesprek werd hem - volgens zijn eigen verklaring - verteld dat het niet volgen van die cursus consequenties zou hebben voor zijn rijbewijs.

Op grond van de overige stukken kan worden vastgesteld dat het CBR het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs in een brief d.d. 16 september 2009 aangetekend heeft verzonden naar het destijds geldende GBA-adres van verdachte. Deze aangetekend verzonden brief is niet retour gekomen.

Het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel van het hof dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat, toen hij op 8 december 2010 een personenauto bestuurde, hem dat krachtens een ongeldigverklaring van zijn rijbewijs niet was toegestaan.”

3.5.

Het middel komt op tegen het oordeel dat verdachte redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.

3.6.

De enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van een verdachte per aangetekende brief is verzonden en die brief niet retour is gekomen, is onvoldoende om vast te stellen dat een verdachte redelijkerwijs van de ongeldigverklaring moest weten in de zin van art. 9 van de Wegenverkeerswet 1994. Datzelfde geldt indien de brief zowel onaangetekend als aangetekend is verzonden en beide brieven niet als onbestelbaar retour zijn gekomen.2 Dat TNT Post een aangetekend poststuk pleegt te retourneren indien het niet persoonlijk aan de geadresseerde kan worden afgegeven, maakt dit niet anders.3 Maar als naast de niet-retour gekomen kennisgeving over de ongeldigverklaring van het rijbewijs tevens wordt vastgesteld dat het CBR het rijbewijs van verdachte heeft ontvangen en dat verdachte nadien geen nieuw rijbewijs heeft aangevraagd, kan daaruit wél worden afgeleid dat een verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.4

In een arrest van de Hoge Raad van 20 maart 20125 lag het iets anders. In die zaak was de gepoogde berichtgeving van de ongeldigverklaring wél retour gekomen, met daarbij de mededeling “niet afgehaald”. Het Hof achtte evenwel bewezen dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, omdat verdachte (wel) een brief had ontvangen met daarin de mededeling dat hij verplicht is aan de Educatieve Maatregel Alcohol (‘EMA’) mee te werken, dat de betaling van de kosten hiervan binnen tien weken ontvangen moet zijn en dat wanneer hij niet betaalt of wanneer hij zonder geldige reden niet op de EMA verschijnt, het CBR zijn rijbewijs ongeldig zal verklaren. Voorts had het Hof daarbij in aanmerking genomen dat verdachtes raadsman tegen de opgelegde EMA bezwaar had aangetekend, welk bezwaar geen schorsende werking heeft. De Hoge Raad oordeelde ook in die zaak dat het redelijkerwijs moeten weten van de ongeldigverklaring ontoereikend was gemotiveerd.

3.7.

In de onderhavige zaak heeft het Hof bewezen verklaard dat verdachte op 8 december 2010 heeft gereden en dat hij toen redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarbij heeft het Hof het volgende in aanmerking genomen:

- verdachte is op 6 juni 2008 en op 11 juni 2009 aangehouden ter zake van een alcoholverkeersdelict, voor welke feiten hij op 15 februari 2010 respectievelijk op 13 december 2010 (vijf dagen na het onderhavige feit) door de politierechter is veroordeeld;

- op 8 december 2010 heeft verdachte, nadat hij was aangehouden voor het onderhavige strafbare feit, ten overstaan van verbalisanten verklaard dat hij op enig moment na zijn (tweede) aanhouding een brief heeft ontvangen van het CBR, inhoudende dat hij de EMA-cursus moest volgen. Omdat verdachte de daarmee gemoeide kosten niet kon betalen, heeft hij telefonisch contact gezocht met het CBR. In dat gesprek werd hem, zo verklaart hij, verteld dat het niet volgen van die cursus consequenties zou hebben voor zijn rijbewijs;

- het CBR heeft het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs in een brief d.d. 16 september 2009 aangetekend verzonden naar het destijds geldende GBA-adres van verdachte en deze aangetekend verzonden brief is niet retour gekomen.

3.8.

Deze zaak onderscheidt zich mijns inziens niet in beslissende mate van de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad waarbij ik moet toegeven daarover wel enige tijd in dubio te hebben verkeerd. Maar van belang lijkt mij voorop te stellen dat bij het redelijkerwijs moeten vermoeden zoals bedoeld in art. 9 WVW1994 het gaat om het bewijs van een subjectief bestanddeel en dat levert een andere, strengere maatstaf op dan wanneer het de (schijnbaar) spiegelbeeldige situatie van een beroep op afwezigheid van alle schuld zou betreffen. In het hierboven al genoemde arrest van 20 maart 2012 (zie voetnoot 5) expliciteert de Hoge Raad dat uitgangspunt ook. Daarmee ligt het risico van onbekendheid met de gang van zaken rond de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet primair bij de burger, zoals ook Schalken in zijn noot bij het arrest lijkt te betogen. Met dat voor ogen schiet de bewijsredenering van het Hof in de onderhavige zaak in mijn ogen toch tekort. Dat, kort gezegd, verdachte eerst tweemaal is aangehouden ter zake van rijden onder invloed gaat aan de oplegging van een EMA met eventueel daarop volgend een bestuursrechtelijke ongeldigverklaring van het rijbewijs logischerwijs vooraf, maar daarmee is nog niet voldoende vastgesteld dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs inmiddels ongeldig was verklaard. Niet blijkt van een ingeleverd rijbewijs en van de gang van zaken bij de door het Hof genoemde politierechterzitting van 15 februari 2010 en eventueel aldaar gedane mededelingen blijkt evenmin. Het enige dat wel ‘positief’ wijst in de richting van het aannemen van het redelijkerwijs moeten vermoeden is de volgens de verdachte aan hem gedane mededeling van het CBR omtrent de gevolgen van het niet bezoeken van de EMA-cursus. Maar daarbij neem ik in aanmerking dat blijkens de gehanteerde bewijsmiddelen – en dus nét iets anders dan het Hof weergeeft in zijn bewijsoverweging in het verkorte arrest – de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hem is gezegd dat het niet volgen van de cursus gevolgen zóu kunnen hebben voor zijn rijbewijs. Het besef van die mogelijkheid lijkt mij uiteindelijk niet voldoende om de weegschaal te doen doorslaan in de richting van het redelijkerwijs moeten vermoeden als bedoeld in art. 9 WVW 1994.

3.9.

Het middel slaagt.

4.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde in hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aangezien tevens is vastgesteld dat het rijbewijs voor alle categorieën ongeldig was verklaard, zou dit zich voor taalkundige verbetering in “van één van die categorieën” hebben geleend.

2 Zie HR 25 januari 2011, LJN BO6762. En voorts driemaal met betrekking tot een schorsing van het rijbewijs: HR 9 maart 2010, LJN BK6140; HR 21 september 2010, LJN BM9410; HR 13 maart 2012, LJN BV6666, NJ 2012/320 m.nt. Schalken (in NJ 2012/321).

3 HR 29 mei 2012, LJN BW6673.

4 HR 19 juni 2012, LJN BW8747.

5 HR 20 maart 2012, LJN BV8246, NJ 2012/321 m.nt. Schalken.