Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1165

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-08-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
11/03694
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1163, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BV9087. Falende middelen over de motivering van de schatting van het w.v.v.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03694 P

Zitting: 20 augustus 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij promisarrest1 van 23 mei 2011 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om aan de Staat een bedrag van € 385.097,25 te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is het Hof in navolging van het rapport SFO uitgegaan van een zogenoemde uitgebreide kasopstelling.

2. Namens de betrokkene heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te ‘s-Gravenhage, een schriftuur houdende elf middelen van cassatie ingezonden.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof de inhoud van proces-verbaal genummerd als AH-36 met bijlage heeft gedenatureerd en dat de beslissing van het Hof derhalve niet voldoet aan het vereiste dat geen afbreuk mag worden gedaan aan de strekking van een bewijsmiddel.

4. Het Hof heeft geoordeeld dat de betrokkene feitelijk leiding heeft gegeven aan [A] BV en dit oordeel onder meer gegrond op de volgende vaststelling:

“Toen [A] werd verhoord naar aanleiding van de in één van haar panden, de [a-straat 1], aangetroffen hennepkwekerij, vertegenwoordigde de veroordeelde naar eigen zeggen [A]. Ook verklaarde hij belast te zijn met de aankoop, verkoop en het beheer van panden, feitelijk de belangrijkste activiteiten van [A].”

5. Deze passage is onder meer voorzien van voetnoot 4, waarin bij wijze van bronvermelding wordt verwezen naar “AH-36 met bijlage”.

6. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het in strafvorderlijke zin onbestaanbaar is om “namens een verdachte rechtspersoon een getuige te horen”. Het proces-verbaal van verhoor van 27 januari 2004, opgenomen onder “AH-36 met bijlage”, houdt in dat de betrokkene als getuige is gehoord. Dat proces-verbaal houdt tevens als verklaring van de betrokkene in:

“Ik ben gemachtigd door de eigenaar [betrokkene 2] van de vastgoedfirma [A], gevestigd [adres]. Ik ben belast met de aankoop, verkoop en beheer van de panden van deze firma.”

7. Deze verklaring kan aldus worden uitgelegd dat de betrokkene door eigenaar [betrokkene 2] van [A] BV was gemachtigd om mede namens [A] BV te spreken, zodat het middel niet tot cassatie hoeft te leiden. Immers, de bestreden overweging van het Hof, ook al is deze strikt strafvorderlijk bezien niet juist, doet met die uitleg geen wezenlijke afbreuk aan (i) het samenstel van de door het Hof opgesomde omstandigheden waaruit blijkt dan wel kan worden afgeleid dat het standpunt van de betrokkene dat hij  - kort gezegd – slechts een ondergeschikte rol binnen [A] vervulde, niet juist is, noch aan (ii) de strekking van de desbetreffende bewijsmiddelen.

8. Het eerste middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene nauw is verbonden met [A] BV mede is gebaseerd op de omstandigheid dat op bepaalde offertes het telefoonnummer van de betrokkene is vermeld, zulks terwijl het Hof onvoldoende nauwkeurig de bewijsmiddelen heeft aangegeven waaraan deze omstandigheid zou zijn ontleend en bovendien deze omstandigheid niet blijkt uit de door het Hof aangehaalde bewijsmiddelen.

10. Het Hof heeft, voor zover hier van belang, overwogen:

“Betrokkenheid veroordeelde bij [A]

(…)

In de administratie van [A] zijn allerlei brieven aangetroffen, waaruit de nauwe betrokkenheid van veroordeelde bij [A] blijkt. Zo zijn er offertes gericht aan [A], t.a.v. [betrokkene 3] onder vermelding van het mobiele telefoonnummer van de veroordeelde, terwijl een brief d.d. 12 oktober 2004 van een Adviesbureau begint met: "Namens mijn cliënt, [betrokkene], h.o.d.n. [A] B.V., eigenaar van bovenvermeld pent-house".”

11.

Deze passage is onder meer voorzien van voetnoot 6, waarin bij wijze van bronvermelding wordt verwezen naar “AH-7 en AH-12 en de bijlagen daarbij”.

12.

Voor zover het middel de klacht bevat dat “AH-7 en de bijlagen daarbij” 8 bladzijden beslaan en “AH-12 en de bijlagen daarbij” 24 bladzijden, en dat het Hof door het achterwege laten van enige aanduiding van de exacte bladzijden van deze processen-verbaal met bijlagen verzuimd heeft om in zijn overwegingen met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het heeft ontleend dat het mobiele telefoonnummer van de betrokkene op bepaalde stukken zou staan, is het mijns inziens tevergeefs voorgesteld. Ook al had het Hof hier concreet de relevante pagina’s kunnen noemen, dat neemt niet weg dat het Hof de (juiste) vindplaatsen heeft aangehaald. Dat ter achterhaling van die pagina’s enig leeswerk wordt gevraagd, doet daaraan niet af, te minder nu 22 van de 24 bladzijden van “AH-12 en de bijlagen daarbij” worden bestreken door schetsen van een te bestellen keuken en aan deze bestelling verwante gegevens.

13.

In zowel “AH-7 en de bijlagen daarbij” als in “AH-12 en de bijlagen daarbij” wordt melding gemaakt van telefoonnummer 06-22959539. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat niet uit de voormelde processen-verbaal blijkt dat het telefoonnummer aan de betrokkene toebehoort, maar dat zulks wel blijkt uit het door het Hof tot het bewijs gebezigde proces-verbaal met nummer AH-04.2 De klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het op de betreffende offertes vermelde telefoonnummer aan de betrokkene toebehoort, is derhalve tevergeefs voorgesteld.

14.

Het tweede middel faalt.

15.

Het derde middel klaagt dat het Hof de verklaring van [betrokkene 1] heeft gedenatureerd en aldus niet heeft voldaan aan het vereiste dat geen afbreuk mag worden gedaan aan de strekking van een gebezigd bewijsmiddel.

16.

Het Hof heeft op pagina 8 van zijn arrest, voor zover hier van belang, overwogen:

“(…) dat [betrokkene 1] verklaard heeft dat hij zich niet bemoeide met de B.V. en dat hij niet wist wat er in de B.V. omgaat.”

17.

Het Hof verwijst hier naar voetnoot 14, waarin “V-3, p. 2-4” wordt aangehaald. Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1], dat onder voormeld nummer in het dossier is opgenomen, houdt onder meer in:

“Had u enig zicht in wat er gebeurde in de BV?

Ik heb mij daar niet veel mee bemoeid.

Waar heeft u zich wel mee bemoeid?

Ik heb mij alleen bemoeid met het aanvragen van leningen bij de bank. (…)

Heeft u zich bemoeid met verbouwingen van panden?

Nee ik heb mij daar nooit mee bemoeid.”

18.

Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het Hof de verklaring van [betrokkene 1] op pagina 8 van zijn arrest in andere bewoordingen heeft weergegeven dan uit de inhoud van het voormelde proces-verbaal van verhoor blijkt. Mijns inziens behoeft dit evenwel niet tot cassatie te leiden. Er bestaat immers, gelet op alle door het Hof aangehaalde omstandigheden onder het hoofdje ‘Betrokkenheid veroordeelde bij [A]’, geen noodlottig verschil tussen “niet veel mee bemoeid” en “niet mee bemoeid”; het verschil doet geen wezenlijke afbreuk aan de algehele overweging van het Hof dat de betrokkene feitelijk de leiding in de BV had. Ik meen dan ook dat de betrokkene op dit punt geen belang heeft bij cassatie.

19.

Het derde middel faalt.

20.

Het vierde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt in drie klachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het Hof dat sprake is van feitelijk leidinggeven van de betrokkene aan [A] BV zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Bij deze klacht moet worden vooropgesteld dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat [A] BV is gebruikt om (reeds eerder door hennepteelt) wederrechtelijk verkregen voordeel te witwassen. De door het Hof onder het hoofdje ‘Betrokkenheid veroordeelde bij [A]’ vastgestelde omstandigheden moeten in dat licht worden bezien. Gelet op het voorgaande, moet het oordeel van het Hof, inhoudende “dat de veroordeelde wel degelijk leiding gaf aan [A]”, kennelijk aldus worden begrepen dat de betrokkene feitelijk de leiding had binnen [A] Bv en dient het niet in die zin te worden verstaan dat de betrokkene feitelijk leidinggever in de zin van art. 51 Sr was. De eerste klacht is derhalve tevergeefs voorgesteld.

21.

De tweede in het middel vervatte klacht houdt in dat de vaststelling van het Hof dat de betrokkene gelden heeft geïnvesteerd in [A] BV niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Bij deze klacht moet wederom worden bedacht dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat [A] BV is gebruikt om (reeds eerder door hennepteelt) wederrechtelijk verkregen voordeel te witwassen. Wat er ook zij van de stelling dat uit de bewijsmiddelen dient te blijken dat de betrokkene gelden in [A] BV heeft geïnvesteerd, dient het oordeel van het Hof, mede gelet op het voorgaande, kennelijk aldus te worden begrepen dat het Hof met de term investeringen doelde op de bedragen die in zijn arrest zijn weergegeven onder het hoofdje ‘Erfenis’. Het Hof heeft bij de bedoelde overweging verwezen naar het ‘Rapport SFO’, welk rapport in paragraaf 8.2.14 melding maakt van de uitgaven die de betrokkene ten behoeve van [A] BV heeft gedaan. De tweede klacht mist derhalve doel.

22.

De derde in het middel vervatte klacht houdt in dat uit geen van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de betrokkene voordeel wederrechtelijk uit een rechtspersoon heeft verkregen. Als de steller van het middel hiermee bedoelt te zeggen dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten ‘uit een rechtspersoon’ berust het op een onjuiste lezing van ’s Hofs arrest. De door het Hof gevolgde redenering houdt immers in dat het geld dat contant in [A] BV is geïnvesteerd of ten behoeve van die rechtspersoon is aangewend, moet worden aangemerkt als door de betrokkene (reeds eerder) wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze klacht mist derhalve feitelijke grondslag.

23.

Het vierde middel faalt.

24.

Het vijfde middel klaagt dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen onder “AH-8 en de bijlagen daarbij” niet zonder meer dragend kunnen zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaande uit “uitgaven voor recreatie”.

25.

Het Hof heeft, voor zover hier van belang, overwogen (arrest, p. 10):

“Uitgaven recreatie

(…)

Nu alle boekingen, waarop de facturen betrekking hebben, met dezelfde klantenkaart zijn gedaan en nu één van die facturen zich in de fouillering van veroordeelde bevond, acht het hof voldoende aannemelijk dat de veroordeelde degene is geweest die de contante voldoening van deze facturen heeft verzorgd en/of bekostigd, te meer nu niet voldoende concreet is aangevoerd door welke andere personen, waar, wanneer en/of hoe deze facturen dan zouden zijn betaald.”

26.

Voor zover de toelichting op het middel de klacht bevat dat “AH-8 en de bijlagen daarbij” 31 bladzijden beslaan en het Hof door het achterwege laten van enige aanduiding van de exacte bladzijden van dit proces-verbaal met bijlagen verzuimd heeft om in zijn overwegingen met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het heeft ontleend dat de betrokkene de facturen van de geboekte reizen contant heeft voldaan, zij verwezen naar hetgeen ik hierboven onder punt 12 heb opgemerkt. Hier wijs ik er nog slechts op dat “AH-8 en de bijlagen daarbij” weliswaar 31 bladzijden beslaan, maar dat 28 bladzijden hiervan kopieën van de facturen van de gemaakte boekingen betreffen.

27.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen onder “AH-8 en de bijlagen daarbij” niet blijkt (a) dat de boekingen met dezelfde klantenkaart zijn gedaan en aan wie die klantenkaart dan zou zijn gekoppeld en (b) dat de facturen van die boekingen geheel zijn betaald en door wie die betalingen zouden zijn gedaan indien dat wel het geval is.

28.

Uit de door het Hof onder “AH-8 en de bijlagen daarbij” gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat (i) een medewerker van reisbureau [...] heeft verklaard dat de betreffende reizen zijn geboekt met dezelfde klantenkaart, (ii) een medewerker van reisbureau [...] heeft verklaard dat de bijbehorende facturen geheel zijn betaald met contant geld en (iii) de betrokkene met elke boeking in verband kan worden gebracht. Hieruit volgt dat de conclusie dat de betrokkene de facturen geheel (met contant geld) heeft voldaan gerechtvaardigd is. Het oordeel van het Hof dat de contante uitgaven voor geboekte vakanties kunnen worden aangemerkt als door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is derhalve niet onbegrijpelijk.3

29.

Het vijfde middel faalt.

30.

Het zesde middel klaagt dat de beslissing van het Hof om de aankoopprijs en verscheidene kosten met betrekking tot een Jeep Cherokee als uitgaven aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken, berust op tegenstrijdige bewijsmiddelen.

31.

Uit de toelichting op het middel blijkt dat het middel zich in zijn klachten beperkt tot het bij het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekken van de aankoopprijs van de Jeep Cherokee.

32.

Het Hof heeft op grond van de verklaring van [betrokkene 5], zoals afgelegd bij de Rechter-Commissaris op 16 januari 2008, en een overgelegd bankafschrift van [betrokkene 5] vastgesteld dat [betrokkene 5] de aankoopprijs van de Jeep Cherokee heeft betaald. Desalniettemin heeft het Hof het aannemelijk geacht dat deze aankoopprijs voor rekening van de betrokkene is gekomen op grond van de vaststelling dat de betrokkene de Jeep Cherokee direct dan wel aanstonds na de aankoop in gebruik heeft genomen. Het Hof heeft deze vaststelling ontleend aan voormelde verklaring. De steller van het middel voert tevergeefs aan dat het Hof eveneens de verklaring zoals die door [betrokkene 5] bij de politie is afgelegd, genummerd als verklaring G-19, tot het bewijs heeft gebezigd. Het Hof maakt immers enkel melding van deze verklaring in het kader van de verbouwing door de betrokkene op Ibiza, die in opdracht van [betrokkene 5] is verricht. Het Hof heeft laatstgenoemde verklaring derhalve niet gebezigd tot het bewijs van het gebruik van de Jeep Cherokee direct na de aanschaf en deze derhalve niet redengevend geacht voor de betaling van de aankoopprijs door de betrokkene. Hieruit volgt dat geen sprake is van een tegenstrijdige bewijsvoering op dit punt.

33.

Het zesde middel faalt.

34.

Het zevende middel klaagt dat de beslissing van het Hof om de aankoopprijs en verscheidene kosten met betrekking tot een Landrover Discovery als uitgaven aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.

35.

Het Hof heeft onder het hoofdje “Landrover Discovery” overwogen:

“Bij doorzoeking van de woning van de veroordeelde aan [adres] werd een kentekenbewijs, betreffende een Landrover Discovery, kenteken [AA-00-BB], houder [betrokkene 9] aangetroffen. Onderzoek wees uit dat deze [betrokkene 9] van 16 mei 2002 tot 22 september 2005 als houder van deze auto geregistreerd was en dat [betrokkene 10] houder was vanaf 22 september 2005. [betrokkene 10] heeft de auto van veroordeelde voor een proefrit ter beschikking gesteld gekregen en de auto uiteindelijk, toen veroordeelde reeds in voorlopige hechtenis zat, van hem persoonlijk gekocht. De koopprijs van EUR 20.000,-- heeft hij vervolgens contant overhandigd aan [betrokkene 3]. [betrokkene 9] heeft desgevraagd verklaard dat zij op verzoek van veroordeelde een Landrover op haar naam heeft laten stellen. Auto noch kentekenbewijs heeft zij ooit onder zich gehad. Rekeningen en boetes die zij in verband met deze auto ontving gaf zij ter betaling aan veroordeelde. Verder bleek dat de veroordeelde als bestuurder van deze auto bij een aanrijding betrokken was geweest; werden bonnen van Carglass op dit kenteken in de woning van veroordeelde aangetroffen; bleek de auto ten name van veroordeelde verzekerd te zijn geweest en bleken werkorders en facturen voor onderhoud van deze auto ten name van veroordeelde gesteld geweest te zijn. Blijkens het in zoverre niet bestreden Rapport SFO, het proces-verbaal met documentcode D-7 en het vonnis, waarvan beroep, is voor tenminste EUR 16.393,06 aan kosten aan die auto en het gebruik ervan contant door veroordeelde uitgegeven. Verder onderzoek heeft uitgewezen dat de auto binnen enkele weken na 30 april 2002 was aangekocht door autohandelaar [betrokkene 11] en dat de koopprijs circa EUR 23.000,- moet hebben belopen. De veroordeelde heeft de auto van [betrokkene 11] ter beschikking gesteld gekregen. Volgens de veroordeelde is dit om niet geschied, onder meer omdat de veroordeelde voor een verbouwing voor [betrokkene 11] materialen moest vervoeren; de zoon van [betrokkene 11] heeft als getuige verklaard dat zijn vader de auto aan veroordeelde had uitgeleend. Het hof constateert evenwel dat [betrokkene 11] hierover schriftelijk noch mondeling een verklaring heeft afgelegd en dat [betrokkene 12] geen melding heeft gemaakt van zijn redenen van wetenschap, alsmede dat alle voormelde omstandigheden erop duiden dat de veroordeelde de eigenaar van deze auto was. Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk dat de veroordeelde vanaf 16 mei 2002 tot 22 september 2005 de eigenaar van de genoemde Landrover was; dat hij deze op of omstreeks 16 mei 2002 heeft aangekocht van [betrokkene 11] voor tenminste EUR 23.000,--, en dat hij dit bedrag contant heeft betaald.

Het hof gaat er daarom evenals de rechtbank van uit dat veroordeelde in verband met deze auto in de onderzoeksperiode een bedrag van tenminste EUR 39.893,06 contant heeft uitgegeven.”

36.

Voor zover het middel de klacht bevat dat “D-7 en de bijlagen daarbij” 45 bladzijden beslaan en het Hof door het achterwege laten van enige aanduiding van de exacte bladzijden van dit proces-verbaal met bijlagen verzuimd heeft om in zijn overwegingen met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het heeft ontleend dat de betrokkene de aankoopprijs en verscheidene kosten met betrekking tot de Landrover Discovery heeft betaald, zij verwezen naar hetgeen hiervoor onder punt 12 is opgemerkt.

37.

Voor zover het middel er over klaagt dat de opmerking van de betrokkene, inhoudende dat hij de auto om niet ter beschikking gesteld heeft gekregen, en de opmerking van [betrokkene 12], inhoudende dat zijn vader slechts heeft bemiddeld bij de verkoop van de Landrover Discovery, niet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen, gaat het eraan voorbij dat het Hof deze opmerkingen niet tot het bewijs heeft gebezigd gelet op zijn overweging “dat alle voormelde omstandigheden erop duiden dat de veroordeelde de eigenaar van deze auto was”. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen deze conclusie dragen en kunnen redengevend worden geacht voor de vaststelling dat de aankoopprijs en verscheidene kosten met betrekking tot de Landrover Discovery aan de betrokkene kunnen worden toegerekend (in het kader van een kasopstelling). Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

38.

Het zevende middel faalt.

39.

Het achtste middel klaagt dat de beslissing van het Hof om de kosten van een aggregaat aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling)en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken niet zonder meer begrijpelijk is. In de toelichting op het middel wordt daarbij het volgende naar voren gebracht: “Aangezien de enige rechtstreekse kenbron voor de door het Hof aan verzoeker toegerekende uitgave van € 10.500 nu juist het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 13] is, is het zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat het Hof blijkbaar getuige [betrokkene 13] wel heeft willen volgen voor wat betreft de aanschaf en betaling van het aggregaat, maar het Hof vervolgens ten aanzien van (de strandtent van) [betrokkene 14] meent dat diens betrokkenheid "(...) op geen enkele wijze met verifieerbare gegevens onderbouwd of anderszins aannemelijk geworden" is. Datzelfde geldt voor de aanschaf van het aggregaat, waarvan bijvoorbeeld ook geen factuur is opgenomen bij proces-verbaal AH-31.”

40.

De vaststelling dat de betrokkene een aggregaat in oktober 2004 heeft gekocht tegen een prijs van € 10.500 heeft het Hof gegrond op de erkenning daarvan door de betrokkene, het bewijsmiddel onder nummer AH-31 en een geschrift, inhoudende de niet-ondertekende verklaring van getuige [betrokkene 13]. Hieruit volgt dat het Hof de verklaring van [betrokkene 13] slechts heeft gebruikt voor zover die verklaring betrekking heeft op de periode waarin en de prijs waartegen de koop heeft plaatsgevonden. Een dergelijke selectie en waardering van het bewijsmateriaal is aan het Hof als feitenrechter voorbehouden. De klacht is derhalve tevergeefs voorgesteld.

41.

Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof de namens de betrokkene ingediende conclusie van antwoord tot het bewijs heeft gebezigd, kan het evenmin tot cassatie leiden. Het Hof heeft kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat niet door of namens de betrokkene is weersproken dat uit de bewijsmiddelen, te weten AH-31 en het geschrift inhoudende de niet-ondertekende verklaring van getuige [betrokkene 13], blijkt dat de betrokkene in oktober 2004 een aggregaat heeft gekocht tegen een prijs van € 10.500.

42.

Het achtste middel faalt.

43.

Het negende middel klaagt dat de beslissing van het Hof om de kosten van een frituurinstallatie aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.

44.

Het Hof heeft onder het hoofdje ‘Vacuümapparaat’ vastgesteld dat de betrokkene een factuur van € 4.760 contant heeft voldaan.

45.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat deze factuur tevens de koopprijs van een frituurinstallatie ad EUR 1.190 behelst, terwijl van deze kosten kan worden gezegd dat zij voor rekening van de werkgever van de betrokkene, [C], zijn gekomen, omdat geen van de andere bewijsmiddelen betrekking heeft op eventuele frituuractiviteiten van de betrokkene.

46.

De factuur vermeldt een bedrag van € 3.570 aan vacuümmachines en een bedrag van € 1.190 aan een frituurinstallatie, terwijl de overige bewijsmiddelen niets inhouden waaruit blijkt dat laatstgenoemd bedrag in het kader van een uitgebreide kasopstelling aan de betrokkene kan worden toegerekend. Het middel klaagt daarover terecht.

47.

Het negende middel slaagt.

48.

Het tiende middel klaagt dat de beslissing van het Hof om de helft van de kostprijs van de aangetroffen verdovende middelen aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken niet is gebaseerd op de inhoud van een wettig bewijsmiddel.

49.

Het Hof heeft, voor zover hier van belang, overwogen (arrest, p. 16):

“Aankoop verdovende middelen

(…)

Wat betreft de Wassenaarse partij heeft de rechtbank aannemelijk geoordeeld dat dit voor wat betreft de helft van de kostprijs daarvan wel voldoende aannemelijk is. (…)

Het hof stelt op grond van het vonnis in de strafzaak, waartegen geen appel is ingesteld, vast dat de veroordeelde tezamen met tenminste één ander heeft gepoogd hennep en marihuana uit Nederland uit te voeren, dat de veroordeelde een hoeveelheid van de aangetroffen partij hennep/marihuana heeft aangekocht en dat hij onderhandelingen heeft gevoerd over de levering en de prijs daarvan. Gelet hierop, alsmede op het feit dat de veroordeelde slechts over één andere persoon als financier rept, alsmede omdat niet aannemelijk is geworden dat de aangetroffen partij op de pof is geleverd noch dat deze via een bankoverschrijving is betaald, acht het hof aannemelijk dat veroordeelde de helft van de aankoopprijs van deze partij betaald heeft en dat dit in contanten is geschied.”

50.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat “het feit dat de veroordeelde slechts over één andere persoon als financier rept” niet is ontleend aan de inhoud van een wettig bewijsmiddel, nu in het onderdeel “Aankoop verdovende middelen” geen enkele voetnoot is opgenomen. Het Hof heeft voormelde overweging gegrond op hetgeen in het vonnis in de hoofdzaak is vastgesteld. De bewezenverklaring zoals die in dat vonnis is opgenomen, houdt echter in dat de betrokkene de feiten “met een ander of anderen” heeft gepleegd. Ook overigens spreekt de Rechtbank van “ander of anderen”. Hieruit volgt dat de beslissing van het Hof om in het kader van een kasopstelling de helft van de kostprijs van de aangetroffen verdovende middelen aan de betrokkene in het kader van een uitgebreide kasopstelling toe te rekenen en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken niet zonder meer begrijpelijk is. Het middel klaagt daarover terecht.

51.

Het tiende middel slaagt.

52.

Het elfde middel klaagt dat de beslissing van het Hof om bedragen van € 9.000 en € 85.508 die aan [A] BV zijn betaald aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.

53.

Het bedrag van € 9.000 diende bij oprichting van [A] BV op haar rekening te worden gestort door [betrokkene 1]. Het Hof heeft blijkens voetnoot 44 onder het hoofdje ‘Erfenis’ op grond van de bewijsmiddelen onder ‘Dossier Witwassen p. 6’ en ‘G-17’ vastgesteld dat de broer van de betrokkene, [betrokkene 7], op verzoek van de betrokkene € 9.000 heeft gestort op de bankrekening van [A] BV op 30 april 2002 en dat [betrokkene 7] dit bedrag contant heeft teruggekregen van de betrokkene.

54.

Gelet op het voorgaande is de beslissing van het Hof om het bedrag van € 9.000 aan de betrokkene toe te rekenen en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel klaagt over de toerekening van dit bedrag in het kader van een uitgebreide kasopstelling is het derhalve tevergeefs voorgesteld.

55.

Het bedrag van € 85.508 betreft de optelsom van kasstortingen die door [betrokkene 1] zijn gedaan ten behoeve van [A] BV in de periode 2002-2004. In het ‘Rapport SFO betreffende [A]’ wordt melding gemaakt van het vermoeden dat de bedragen van deze kasstortingen afkomstig zijn uit betalingen door de betrokkene. De betrokkene heeft zich tegen dit vermoeden verweerd door aan te voeren dat de bedragen afkomstig waren uit een erfenis die [betrokkene 1] zou hebben ontvangen. Het Hof heeft onder het kopje “Erfenis” geoordeeld dat het bestaan van deze erfenis niet aannemelijk is geworden en dat [betrokkene 1] zich in het geheel niet met [A] bezig hield, zodat het Hof het aannemelijk acht dat de contante betaling van € 85.508 door de betrokkene is gedaan. Het mag zo zijn dat het Hof aan de verklaringen van de betrokkene omtrent de erfenis geen geloof hecht, daarmee is nog niet inzichtelijk gemaakt waarom het Hof het aannemelijk acht dat de contante betaling van € 85.508 door de betrokkene is gedaan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan dit lijkt mij niet volgen. Op grond van het voorgaande meen ik dat het oordeel van het Hof dat het bedrag van € 85.508 bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden betrokken niet zonder meer begrijpelijk is. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

56.

Het elfde middel slaagt voor zover het klaagt over het bedrag van € 85.508 dat als wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene is toegerekend. Voor het overige faalt het middel.

57.

Het negende, het tiende en het elfde middel slagen. De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden en kunnen naar mijn mening worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

58.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Indien het bestreden arrest wordt vernietigd, zal de rechter die zich zal moeten buigen over de op te leggen betalingsverplichting rekening dienen te houden met deze schending van de redelijke termijn.4

59.

Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

60.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Hetgeen in zaken als de onderhavige het controleren van de weergave van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet eenvoudig maakt.

2 Het Hof heeft naar dit proces-verbaal verwezen in voetnoot 41.

3 Ik herinner eraan dat de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de zgn. uitgebreide kasopstelling berust.

4 Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis.