Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1159

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
11/05291
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1156, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. HR: art. 81.1 RO. Ambtshalve: Overschrijding redelijke termijn. Compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegepast in de eveneens bij de HR aanhangige hoofdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/05291

Mr. Wortel

Zitting 1 oktober 2013

conclusie inzake

[betrokkene]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 21 juli 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Leeuwarden, zitting houdend te Arnhem, waarbij het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 4.900,-, en de veroordeelde ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting is opgelegd aan de Staat hetzelfde bedrag te betalen.

1.2 Namens de verdachte heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

1.3 Deze zaak vertoont samenhang met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder griffienummer 11/05300, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2.1 Het middel behelst de klacht dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is aangenomen op basis van minstens één eerdere oogst, terwijl in de strafzaak niet het telen van de hennepplanten doch slechts het opzettelijk aanwezig hebben daarvan bewezen is verklaard.

2.2 De omstandigheid dat de bewezenverklaring niet het telen van de hennepplanten betreft kan in elk geval niet doorslaggevend zijn. Ook dat telen is immers een vorm van bezit waarmee niet zonder meer een voordeel gerealiseerd kan zijn. Pas als aannemelijk wordt dat een afnemer bij vooruitbetaling, nog voor het oogsten en leveren van de hennep, heeft betaald, kan ‘telen’ een handeling zijn die reeds voordeel heeft opgeleverd.

Dit roept de vraag op waarom het (opzettelijk) aanwezig hebben van hennep niet evenzeer een bezitshandeling kan zijn waarvan in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval – de hoeveelheid hennepplanten, de professionele inrichting van de kwekerij en/of de kennelijke omvang van de investeringen – kan worden aangenomen dat zij reeds een voordeel heeft gebracht. Tot die bijzonderheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat het enkele voorhanden hebben van hennep reeds een voordeel heeft opgeleverd, behoort zeker ook de omstandigheid dat in de kwekerij al eens werd geoogst. Er is immers geen reden om aan te nemen dat bij het oogsten van hennep (als roesmiddel, dus niet voor de verwerking van de plantenvezels in textiel of iets dergelijks) de opgekweekte planten verloren gaan. Dat oogsten geschiedt, voor zover mij bekend, door het wegknippen van de plantentoppen waarna de planten weer kunnen uitgroeien en nieuwe toppen kunnen ontwikkelen. Er zal misschien wel een grens zijn aan het vermogen van de hennepplant om telkens opnieuw toppen te vormen en in bloei te geraken, maar in de praktijk kan worden aangenomen dat een eerdere oogst in een hennepkwekerij geheel of ten dele afkomstig is geweest van de hennepplanten die later, bij ontdekking van de kwekerij, zijn aangetroffen. Daaruit volgt bovendien dat niet met precisie vastgesteld behoeft te worden of de eerdere oogst is verkregen binnen het in de bewezenverklaring (van opzettelijk aanwezig hebben) genoemde tijdvak.

2.3 Aangezien het Hof in deze ontnemingsprocedure niet méér behoefde vast te stellen dan de aannemelijkheid dat het voordeel door middel van het in de strafzaak bewezen feit is behaald, getuigt het in dit middel bestreden oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting, Het is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

3.1 Het middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

3.2 In de conclusie die vandaag inzake de onderliggende strafzaak wordt genomen is erop gewezen dat de met behandeling van dat cassatieberoep gemoeide tijd de aandacht vraagt.

Met die kanttekening strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G