Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1149

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-10-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
13/04235
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1631, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Kennelijk onredelijk ontslag. Aan het middel te stellen eisen; art. 407 lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/569
JAR 2014/15
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zitting 18 oktober 2013

mr J. Spier

13/04235

80a-Conclusie inzake

[eiser]

tegen

Stichting voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine

1. [eiser] heeft tegen Zadkine een vordering ingesteld gegrond op kennelijk onredelijk ontslag. In eerste aanleg is die vordering gedeeltelijk toegewezen. In het thans bestreden arrest is zij afgewezen.

2. Mr. Broersma, die blijkens het petitum van de cassatiedagvaarding kennelijk meent bij Uw Raad als “gemachtigde” op te treden, heeft tijdig cassatieberoep bezorgd.

3. Het eerste middel komt kennelijk (vooral) op tegen rov. 3.13. Het komt niet verder dan tegen ’s Hofs oordeel in stelling te brengen dat het Ontslagbesluit naar de mening van “Rekwirant” wel degelijk van toepassing is. Deze klacht voldoet in genen dele aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

4.Voor zover het tweede middel al voldoende begrijpelijk is, geeft het niet aan tegen welke rechtsoverweging het opkomt. Het lijkt ook op twee gedachten te hinken: enerzijds ziet het op een ontslagvergoeding en anderzijds op het niet mogen geven van het ontslag. Het verband tussen beide komt evenwel niet op begrijpelijke wijze uit de verf. Met name is niet duidelijk of het [eiser] met deze klacht te doen is om een vergoeding of om iets anders. Laat staan dat wordt uitgelegd waarom schadevergoeding op haar plaats was geweest, dan wel [eiser] “volgens het toepasselijke sociaal plan (..) op grond van anciënniteit (…) niet voor ontslag in aanmerking” had mogen komen en waarom hetgeen het Hof heeft geoordeeld (ik vermoed dat bedoeld is: in rov. 4) onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Ook deze klacht voldoet daarom in het geheel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

5. Ook het derde middel is onbegrijpelijk. Duister is waarom ’s Hofs oordeel de toets der kritiek in cassatie niet zou kunnen doorstaan. In rov. 4 lees ik niets wat correspondeert met stellingen als in het middel geëtaleerd. Bovendien wordt kennelijk – helemaal duidelijk is het niet – beroep gedaan op stellingen die in feitelijke aanleg zouden zijn geëtaleerd zonder dat wordt onthuld waar dat zou zijn gebeurd. Ook deze klacht voldoet daarom in geen enkel opzicht aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal