Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1128

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
11/03481
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1117, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR verbetert de kwalificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03481

Zitting: 3 september 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 20 juli 2011 verdachte wegens (ten aanzien van de revolver:) “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en (ten aanzien van de munitie:) “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Daarnaast heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een in een andere zaak bij vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 maart 2009 opgelegde straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd (75 dagen gevangenisstraf).

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door bewezen te verklaren dat verdachte een revolver en munitie “telkens als bepaald in de Wet wapens en munitie” voorhanden heeft gehad, terwijl dit niet is tenlastegelegd.

4.2.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“feit 1:

hij op 11 juni 2010 in de gemeente Deventer een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, een revolver, en munitie van categorie III, telkens als bepaald in de Wet wapens en munitie, te weten 21 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad.”

4.3.

De grondslag van de tenlastelegging wordt verlaten wanneer meer of anders bewezen wordt verklaard dan is tenlastegelegd.1 In het onderhavige geval wordt door het Hof niet meer of anders bewezenverklaard dan is tenlastegelegd, nu het door de toevoeging slechts expliciteert dat de termen in de tenlastelegging dezelfde betekenis hebben als in de Wet wapens en munitie. Daarbij neem ik in aanmerking dat onder de tenlastelegging staat vermeld dat de daarin gebruikte termen en uitdrukkingen, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht worden in dezelfde betekenis te zijn gebezigd. Aldus heeft het Hof de grondslag van de tenlastelegging dan ook niet verlaten. Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat het Hof bij de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest, gebruik heeft gemaakt van een proces-verbaal van aanhouding, waarvan het ernstige vermoeden rijst dat het ten onrechte niet tijdens de behandeling van de zaak is voorgehouden.

5.2.

Ter terechtzitting van het Hof van 6 juli 2011 is door de verdediging onder meer het verweer gevoerd dat, kort gezegd, de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest. Het Hof heeft voornoemd verweer, voor zover van belang, als volgt verworpen2:

“Het hof stelt het volgende vast. 

(…)

Op 11 juni 2010 te 20:10 uur werd verdachte in het perceel [a-straat 1] te Deventer, in opdracht van officier van justitie mr. G. Brouwer, in verband met vermoedelijke overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie aangehouden (4). Bij gelegenheid van zijn aanhouding werd verdachte aan een veiligheidsfouillering onderworpen, waarbij op verdachte een revolver en munitie werden aangetroffen. 

Het hof overweegt daaromtrent alsvolgt. (…) Voor zover namens verdachte een beroep is gedaan op onrechtmatigheid bij de aanhouding van verdachte wegens het ontbreken van een concrete verdenking jegens verdachte, mist het verweer feitelijke grondslag, nu verdachte in opdracht van de officier van justitie kon worden aangehouden in verband met (relevante en belastende) informatie ten aanzien van verdachte van vermoedelijke overtreding van de Wet wapens en munitie. De omstandigheid dat het aanvankelijk gemelde tijdstip van de ophanden zijnde overval met een uur was overschreden maakt dit niet anders. Het hof verwerpt daarom ook dit verweer. 

(4) Proces-verbaal van aanhouding, d.d. 11 juni 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaren AOENON 011 en AOENON 020”

5.3.

De steller van het middel wijst erop dat de verdediging zich in hoger beroep, maar ook in eerste aanleg, alwaar een verweer met dezelfde strekking is gevoerd, expliciet op het standpunt heeft gesteld dat de officier van justitie geen opdracht heeft gegeven de verdachte aan te houden en er geen sprake was van een ontdekking op heterdaad, zodat de aanhouding onrechtmatig is geweest. Voorts is aangevoerd dat de Rechtbank voornoemd verweer heeft verworpen, nu het, anders dan de raadsman in eerste aanleg, van oordeel was dat de aanhouding is te kwalificeren als een aanhouding op heterdaad.3 Gelet op het voorgaande rijst volgens de steller van het middel het ernstige vermoeden dat de inhoud van het proces-verbaal van aanhouding, waarnaar het Hof in voetnoot 4 verwijst en waarin vermeld is dat de aanhouding op last van de officier van justitie is geschied, verdachte (want immers ook de Rechtbank) niet bekend was en dat de inhoud van dat stuk niet ter terechtzitting in hoger beroep is medegedeeld.

5.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 6 juli 2011 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van het procesdossier.

De advocaat-generaal en de raadsman delen mee dat daarmee kan worden volstaan en dat verder voorhouden van stukken niet nodig is.”

5.5.

Uit voornoemd proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof volgt dat de voorzitter van het Hof mondeling de korte inhoud van het procesdossier heeft medegedeeld. De Hoge Raad gaat tegenwoordig met dergelijke vermeldingen akkoord.4 Dat maakt het lastig om in cassatie te controleren of een ten bezware van de verdachte gebruikt stuk zich werkelijk in het dossier bevond en werkelijk ter terechtzitting is voorgehouden. De Hoge Raad lijkt als uitgangspunt te hanteren dat alle stukken die door het Hof worden ingezonden, zich ten tijde van de behandeling in het dossier bevonden en dat het er op grond daarvan voor mag worden gehouden dat de inhoud ervan kort is medegedeeld. Alleen in geval van ernstige twijfel is dit anders.5 Een blik achter de papieren muur leert mij dat het desbetreffende proces-verbaal van aanhouding onderdeel uitmaakt van het zich bij de processtukken bevindende (doorgenummerde) verzamel-proces-verbaal. Bovendien is het proces-verbaal van aanhouding waarop de steller van het middel doelt door de Rechtbank6 evenals door het Hof7 tot het bewijs gebezigd voor zover dit proces-verbaal inhoudt dat na de aanhouding van verdachte bij de veiligheidsfouillering in de rechter broekzak aan de voorzijde een revolver en in de linker broekzak aan de voorzijde 21 patronen werden aangetroffen. Aldus leveren de stukken niet het ernstige vermoeden op dat het desbetreffende proces-verbaal van aanhouding zich niet bij de stukken van het geding bevond waarvan de verdediging kennis heeft kunnen nemen. Gelet hierop wordt het proces-verbaal geacht te zijn medegedeeld. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde (onder 1), voor zover betrekking hebbend op het voorhanden hebben van munitie, ten onrechte heeft gekwalificeerd als “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, aangezien het bewezenverklaarde in zoverre slechts één overtreding van het in art. 26 lid 1 WWM vervatte verbod oplevert, en dat daardoor tevens de oplegging van de straf onvoldoende met redenen is omkleed.

6.2.

In aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde betrekking heeft op 21 scherpe patronen die in de broekzak van de verdachte werden aangetroffen en dat ingevolge art. 1 aanhef en onder 4° WWM zowel één patroon als een aantal patronen “munitie” in de zin van de WWM vormt, levert de bewezenverklaarde overtreding van het in art. 26 lid 1 WWM vervatte verbod op het voorhanden hebben van munitie slechts één bij art. 55 lid 1 WWM strafbaar gesteld feit op.8 Aldus heeft het Hof het feit voor zover dat betrekking heeft op het voorhanden hebben van de munitie ten onrechte gekwalificeerd als “meermalen gepleegd”.9 In het onderhavige geval komt het strafmaximum lager te liggen wanneer de kwalificatie wordt verbeterd door “meermalen gepleegd” daaruit te schrappen, maar het verschil is relatief gezien gering (7 maanden op 5 jaar plus 4 maanden).10 De opgelegde straf (3 maanden) blijft daar ver onder, terwijl het bovendien enkel gaat om de juridische waardering van het bewezenverklaarde feit, die de aard en ernst daarvan in concreto niet raakt. Niet aangenomen kan daarom worden dat het Hof in de verbeterde kwalificatie aanleiding zou hebben gevonden een lagere straf op te leggen.11 Met verbetering van de kwalificatie kan dus worden volstaan.

7. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.

8. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Namens verdachte is op 26 juli 2011 beroep in cassatie ingesteld. Dit betekent dat nu reeds kan worden vastgesteld dat de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep uitspraak zal kunnen doen, zodat de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf.

9. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de kwalificatie en de strafoplegging, tot verbetering van de kwalificatie en tot vermindering van de straf volgens de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie bijvoorbeeld G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer 2011, bewerkt door Borgers, p. 654-655.

2 De inhoud van de door het Hof gebruikte voetnoot heb ik onder het citaat weergegeven.

3 Zie p. 3 van het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 september 2010.

4 Zie bijvoorbeeld HR 8 juli 2003, LJN AF9539 (niet gepubliceerd), waarin een klacht hieromtrent met de aan art. 81 RO ontleende formulering is afgedaan.

5 Zie bijvoorbeeld HR 12 april 2011, LJN BN4351, NJ 2011/358 m.nt. N. Keijzer.

6 Zie p. 4 van het vonnis (voetnoot 3).

7 Zie bewijsmiddel 1.

8 HR 3 juni 1997, LJN ZD0737, NJ 1997/657, HR 3 juli 2007, LJN BA5034 en HR 24 mei 2011, LJN BP6439.

9 Ik merk nog het volgende op. In zijn strafmotivering heeft het Hof onder meer het volgende overwogen: “De cilinder van de revolver was op het moment van aantreffen voorzien van drie scherpe patronen. In zijn andere, linkerbroekzak had verdachte nog eenentwintig scherpe patronen.” Het Hof heeft aldus in zijn strafmotivering betrokken dat naast de 21 in de broekzak van verdachte aangetroffen patronen tevens 3 patronen in de cilinder van de revolver zijn aangetroffen. Het voorhanden hebben van deze 3 patronen in de cilinder van de revolver zijn evenwel tenlastegelegd noch bewezenverklaard. Nu hierover niet wordt geklaagd, laat ik het bij deze enkele opmerking daaromtrent.

10 Het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III kent een strafmaximum van vier jaren (art. 26 lid 1 WWM in verbinding met art. 55 lid 3 onder a WWM). Het voorhanden hebben van munitie van categorie III heeft een strafmaximum van negen maanden (art. 26 lid 1 WWM in verbinding met art. 55 lid 1 WWM). Het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III en van munitie van categorie III “meermalen gepleegd”, leidt als gevolg van toepassing van art. 57 lid 2 Sr tot een totaal strafmaximum van vijf jaren en vier maanden, terwijl voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van categorie III een totaal strafmaximum van vier jaren en negen maanden te gelden heeft.

11 Zie bijv. HR 19 januari 1999, LJN ZD1304, NJ 1999/293. Ik merk op dat geen beroep kan worden gedaan op art. 80a RO, omdat de schriftuur voor de inwerkingtreding ervan is ingediend.