Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1122

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
13/01062 en 13/01063
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1109, Gevolgd
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1110, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

13/01062 B

OM-cassatie. Art. 552p Sv. De voorwaarde waaronder het middel is voorgesteld, is door vernietiging van de beschikking in de zaak met griffienummer 13/01063B vervuld. Nu de HR bedoelde beschikking heeft vernietigd op de grond dat het oordeel van de Rb dat het beklag gegrond moet worden verklaard niet begrijpelijk is, komt aan de beschikking in onderhavige zaak de grondslag te ontvallen.

13/01063 B

OM-cassatie. Beklag, beslag, art. 552a Sv. HR stelt relevante overwegingen m.b.t. een rechtshulpverzoek dat is gestoeld op een verdrag uit ECLI:NL:HR:2002:ZD2927 voorop. De Rb heeft het beklag gegrond verklaard en daartoe overwogen dat het OM in de stellingen van klaagster aanleiding had moeten vinden tot het verrichten van nader onderzoek. Dat oordeel is, nu de Rb niet ervan heeft blijk gegeven bij haar oordeel te hebben betrokken dat en waarom het OM niet kon worden verzocht nader onderzoek alsnog te verrichten, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01062 B en 13/01063 B

Zitting: 3 september 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster 1] (13/01062 B) en [klaagster 2] (13/01063 B)

1. In de zaak met nr. 13/01063 B heeft de Rechtbank Midden-Nederland, zitting houdend te Groningen, bij beschikking van 23 januari 2013 het beklag ex 552a lid 1 Sv van [klaagster 2] gericht tegen het voorgenomen gebruik en de kennisneming van de inhoud van een aantal inbeslaggenomen documenten gegrond verklaard. Bij beslissing van diezelfde datum heeft de Rechtbank in de zaak met nr. 13/01062 B een vordering ex art. 552p lid 2 Sv strekkende tot het verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen van de genoemde inbeslaggenomen documenten aan de officier van justitie voor overdracht aan de Russische autoriteiten afgewezen.

2. Zowel tegen de beschikking van de Rechtbank op het beklag ex 552a lid 1 Sv (de zaak met nr. 13/01063 B) als tegen de beslissing van de Rechtbank op de vordering ex 552p lid 2 Sv (de zaak met nr. 13/01062 B) is door het openbaar ministerie cassatieberoep ingesteld. De beide cassatieberoepen kunnen gezamenlijk worden behandeld.

3. Namens het openbaar ministerie heeft mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het Arrondissementsparket Midden-Nederland, zowel in de zaak met nr. 13/01063 B als in de zaak met nr. 13/01062 B een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend. Namens [klaagster 2], klaagster in de zaak met nr. 13/01063 B en belanghebbende in de zaak met nr. 13/01062 B, is door mr. G.G.J. Knoops en mr. L. Vosman, beiden advocaat te Amsterdam, in beide genoemde zaken een verweerschrift ingediend. Beide verweerschriften zijn wat de inhoud betreft gelijkluidend.

4 De overwegingen van de Rechtbank

4.1.

In de zaak met nr. 13/01063 B heeft klaagster op 4 januari 2013 een klaagschrift ingediend gericht tegen het voorgenomen gebruik en de kennisneming van de inhoud van een aantal naar aanleiding van een Russisch rechtshulpverzoek op 23 mei 2012 onder [klaagster 1] inbeslaggenomen documenten. De bestreden beschikking houdt wat betreft de weergave van de standpunten van klaagster en het openbaar ministerie en wat betreft de beoordeling van de Rechtbank van het klaagschrift het volgende in.

Standpunten

Standpunt verdediging

Namens klaagster is in het klaagschrift het navolgende aangevoerd (zakelijk weergegeven).

Op bevel van de Nederlandse autoriteiten zijn naar aanleiding van een rechtshulpverzoek d.d. 12 juli 2011 van de Russische Federatie op 23 mei 2012 onder [klaagster 1] te [plaats], ([a-straat 1]), documenten in beslaggenomen die de rechtspositie van klaagster raken. Klaagster heeft bezwaar tegen het (voorgenomen) gebruik c.q. de kennisneming door de politie of justitie van de (inhoud van de ) inbeslaggenomen voorwerpen om de navolgende redenen.

I.

Onvoldoende grondslag

De grondslag waarop de inbeslagname van de documenten is gebaseerd is volstrekt niet geconcretiseerd, zowel niet naar tijd als niet naar plaats, waardoor klaagster zich hiertegen niet in redelijkheid kan verdedigen.

II.

Onvoldoende onderbouwing rechtshulpverzoek

Voor zover klaagster bekend, is het rechtshulpverzoek van de Russische autoriteiten niet met enige concrete verdenking onderbouwd, hetgeen ook in strijd is met artikel 454 lid 5 en 6 van het Wetboek van Strafvordering van de Russische Federatie.

III.

Potentiële flagrante schending van artikel 6 EVRM in het licht van ‘new criminal charge’ dan wel andere oneigenlijke aanwending ten behoeve van civiele acties in Rusland

Het rechtshulpverzoek van de Russische Federatie bevat het verzoek om [betrokkene 3], voornoemd, te horen over klaagster met name over een aantal financiële transacties waarbij zij betrokken zou zijn geweest. Dit in combinatie met het feit dat het rechtshulpverzoek van de Russische Federatie verwijst naar artikel 159 van het Strafwetboek van de Russische Federatie dat ziet op fraude, zou ertoe kunnen leiden dat klaagster door de Russische Federatie reeds als verdachte wordt aangemerkt, dan wel zou kunnen worden aangemerkt.

Er is ernstige reden om te vermoeden dat de inbeslaggenomen documenten dan wel het verhoor van [betrokkene 3] oneigenlijk zullen/zal worden aangewend voor het doen starten van een strafvervolging jegens klaagster, dan wel het onderbouwen van een nieuwe ‘criminal Charge’ dan wel het in strijd met artikel 6 EVRM voeren van civiele acties tegen klaagster.

Klaagster heeft tot op heden geen inzage gehad in de feiten waarop een mogelijke verdenking ter zake van fraude is gebaseerd. Indien de inbeslaggenomen voorwerpen worden overgedragen, staat dit een effectieve verdediging en voorbereiding hiervan in de weg.

Blijkens het rechtshulpverzoek is er op 25 november 2008 ter zake artikel 159 lid 4 van het Russische Wetboek van Strafrecht een strafrechtelijk onderzoek geopend. Een groep personen, die onder anderen blijkens het rechtshulpverzoek zou bestaan uit [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 5], zouden een criminele organisatie hebben gevormd. Door de affidavit van 4 januari 2013 (onder ede afgelegd door [klaagster 2]) wordt aangetoond dat de strafzaken tegen deze personen inmiddels zijn geëindigd door middel van onherroepelijke veroordelingen. Dit betekent dat de feitelijke grondslag voor het rechtshulpverzoek inmiddels is achterhaald. Het is voorts een indicatie dat het rechtshulpverzoek, dat meer dan 3 jaar later is aangevraagd, in redelijkheid niet meer kan zien op het strafrechtelijke onderzoek tegen de vier voornoemde personen maar duidelijk ziet op het construeren van een strafrechtelijke verdenking c.q. vervolging van klaagster. In het licht hier van klemt te meer dat een deugdelijke onderbouwing van het rechtshulpverzoek ontbreekt.

IV.

Weigeringsgrond artikel 552 m lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv) in relatie tot politieke achtergrond

De verdediging is van mening dat er sprake is van een weigeringgrond ex artikel 552m lid 1 Sv, te weten dat de strafvervolging ten behoeve waarvan onderhavige rechtshulp is verzocht een politieke achtergrond heeft, dusdanig dat dit de conclusie wegdraagt dat klaagster, indien vervolgd in Rusland, daar zal worden blootgesteld aan een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. De verdediging heeft hiertoe onder meer verwezen naar bijlage 3 en 4 van de pleitnotities. Deze bijlagen bevatten ten eerste een beëdigde verklaring van klaagster in verband met haar aangifte tegen [betrokkene 1], die verbonden is aan personen binnen de Russische overheid, met name [betrokkene 6]. Indien deze 2 bijlagen in onderling verband worden beschouwd is er gegronde reden om aan te nemen dat de verzochte rechtshulp inderdaad in strijd komt met artikel 6 EVRM. Met name wordt verwezen naar paragraaf 15 en 16 van de beëdigde verklaring van klaagster waaruit blijkt dat haar bezittingen in Rusland indirect via de Russische overheid voorwerp zijn geworden van een ‘corporate buyout' die volgens informatie van klaagster is geregisseerd door de Russische overheid.

V.

Weigeringsgrond artikel 552m lid 3 Sv in verband met fiscale component

Het is klaagster voorts niet bekend of de minister van justitie ca. financiën ex artikel 552m lid 3 Sv speciale autorisatie heeft verleend nu het in casu kennelijk eveneens om een verdenking gaat die een fiscale component kan impliceren nu blijkens het rechtshulpverzoek meerdere vragen werden gesteld aan [betrokkene 3] omtrent de betalingswijze en blijkens het feit dat de Russische Federatie verwijst naar artikel 159 van het Strafwetboek van de Russische Federatie: fraude.

De verdediging heeft ter zitting van 9 januari 2013 het klaagschrift nader toegelicht in combinatie met het standpunt van de verdediging betreffende de door officier op 4 oktober 2012 ingediende vordering ex artikel 552p Sv. Er is onder meer aangevoerd (zakelijk weergegeven) dat de verdediging reeds bij schrijven van 30 december 2011, middels een concept klaagschrift ex artikel 552a Sv met 5 producties, gemotiveerd bezwaar heeft gemaakt tegen de verzochte rechtshulp. Het openbaar ministerie is derhalve al meer dan 1 jaar bekend met de bezwaren van [klaagster 2] tegen het voldoen aan het verzoek van de Russische autoriteiten. Er is door het openbaar ministerie vervolgens geen onderzoek gedaan naar de verweren, noch is er nadere informatie opgevraagd bij de Russische autoriteiten.

Dit betekent dat de in het (concept) klaagschrift neergelegde ‘real risk’ c.q. vrees voor strafrechtelijke vervolging in de Russische Federatie, bij gebreke aan een weerlegging, in strijd is met het Soering-uitgangspunt en de rechtbank dient hier dan ook vanuit te gaan. Tevens heeft het openbaar ministerie deze bezwaren niet aan het dossier toegevoegd.

Gelet op bovenvermelde verzoekt klaagster de rechtbank om het voorgenomen gebruik van de (inhoud van de) inbeslaggenomen zaken te verbieden en aldus de door de Russische autoriteiten gevorderde medewerking af te wijzen. De verdediging heeft ter zitting verzocht om de inbeslaggenomen stukken te vernietigen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat zij bij het ministerie van justitie heeft aangegeven dat klaagster vreest voor de gevolgen van een eventuele overdracht van de inbeslaggenomen stukken. Het ministerie heeft toegezegd dat wanneer de overdacht van de stukken zal worden verleend het ministerie de stukken naar de Russische autoriteiten zal opsturen met de clausule dat de stukken alleen mogen worden gebruikt in de strafzaak van de vier in het rechtshulpverzoek genoemde verdachten.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vraag of de strafzaak tegen de vier voornoemde verdachten al dan niet is afgedaan, op het standpunt gesteld dat Nederland er gelet op het vertrouwensbeginsel vanuit moet gaan dat er door de Russische autoriteiten geen stukken worden opgevraagd voor een strafzaak die reeds is afgedaan.

Subsidiair is de officier van justitie van mening dat de stukken die door de verdediging zijn ingebracht eerst dienen te worden vertaald, zodat er ook goed kan worden beoordeeld of er in deze politiek gevoelige zaak nog nadere vragen dienen te worden gesteld aan de Russische autoriteiten.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat een buitenlands rechtshulpverzoek ten grondslag ligt aan de inbeslagneming. Het strafvorderlijk belang dat de rechtbank moet beoordelen in de onderhavige procedure moet dan ook worden ingevuld met inachtneming van het belang van de Russische Autoriteiten. Nu het verzoek van de Russische autoriteiten gestoeld is op een verdrag, is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk gevolg zal worden gegeven aan een verzoek als het betreffende rechtshulpverzoek. Van inwilliging van het verzoek kan slechts worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder artikel 552l Sv, of indien door inwilliging wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.

Om tot een beoordeling te komen van de vraag of het Openbaar Ministerie in het geval van klaagster heeft mogen vasthouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zal de rechtbank beoordelen of klaagster met de door haar ingebrachte informatie aannemelijk heeft gemaakt dat zich in haar zaak feiten en of omstandigheden voordoen op basis waarvan aannemelijk is geworden dat zich dergelijke belemmeringen voordoen of waardoor gehandeld wordt in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.

Klaagster dient daarbij (een begin) van bewijs te leveren op grond waarvan kan worden aangenomen dat van vorenstaande situatie sprake is. Eerst indien klaagster daarin is geslaagd kan het Openbaar Ministerie niet langer volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

In casu is door klaagster een uitgebreid feitelijk betoog gevoerd. Gelet op hetgeen door klaagster is aangevoerd, mede in het licht van de producties die zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat klaagster in deze procedure aannemelijk heeft gemaakt dat de strafzaak die in het rechtshulp verzoek genoemd wordt en op grond waarvan uitlevering van een aantal inbeslaggenomen stukken wordt gevraagd, inmiddels is geëindigd. De strafzaak waarop het rechtshulpverzoek ziet, dateert volgens dit verzoek uit 2008 en ziet op ‘fraudelijke diefstal van geldmiddelen van OAO’ gepleegd door een aantal met name genoemde verdachten. Bij de door klaagster overgelegde stukken bevinden zich echter vonnissen (daterend uit 2011) die zijn gewezen tegen een aantal van de in het rechtshulp verzoek genoemde verdachten ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) en die een veroordeling lijken te behelzen terzake van hetzelfde feit waarop het rechtshulpverzoek ziet. Deze vonnissen zijn gewezen kort voor de datum waarop het onderhavige rechtshulp verzoek is uitgebracht. Nu aannemelijk is dat de strafzaak waarop het rechtshulpverzoek van de Russische Autoriteiten ziet, inmiddels door onherroepelijke vonnissen is geëindigd is er feitelijk geen grond meer voor het rechtshulpverzoek.

Voorts heeft klaagster aannemelijk gemaakt, onder meer door te verwijzen naar de inhoud en de vraagstelling van het rechtshulpverzoek, dat de Russische Autoriteiten niet uitsluitend belangstelling voor klaagster als getuige hebben, doch dat zij haar mogelijk ook als verdachte beschouwen. Zij wordt in het rechtshulpverzoek echter niet als verdachte genoemd. De vragen waarop het rechtshulpverzoek ziet, hebben met name betrekking op financiële transacties waarbij klaagster betrokken is geweest, terwijl uit het rechtshulpverzoek niet duidelijk wordt wat het verband is tussen deze transacties en de verdenking in de strafzaak tegen de genoemde verdachten. Klaagster heeft ter onderbouwing van haar stelling bij de stukken ook krantenartikelen uit Russische dagbladen overgelegd waarin zij als verdachte in een strafzaak wordt genoemd. In de strafzaak waarop de krantenartikelen zien wordt ook de boot ‘[A]’ genoemd. In het onderhavige rechtshulpverzoek worden diverse vragen over deze boot gesteld.

Het vorenstaande brengt mee dat klaagster in deze procedure aannemelijk heeft gemaakt dat het rechtshulpverzoek ten aanzien van de inbeslaggenomen documenten misleidend is, danwel dat de inbeslaggenomen documenten oneigenlijk kunnen worden gebruikt voor het doen starten van een strafvervolging jegens klaagster, ofwel voor het doen starten van civiele acties tegen klaagster. In verband met dit laatste heeft klaagster - die in Rusland veel vermogen heeft - aangegeven bevreesd te zijn voor ‘corporate raiding’ in Rusland welke vrees zij nader heeft onderbouwd door te verwijzen naar algemene producties die zien op dit verschijnsel in Rusland.

Nu klaagster haar stellingen op een aantal punten aannemelijk heeft gemaakt, had het Openbaar Ministerie dan ook niet zonder nader onderzoek en onder verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel er van uit mogen gaan dat er geen sprake was van belemmeringen van wezenlijke aard of van schending van fundamentele beginselen van Nederlands procesrecht. Het Openbaar Ministerie had in de stellingnames van klaagster, die zij concreet heeft onderbouwd en aannemelijk heeft gemaakt, zondermeer aanleiding moeten zien om nader onderzoek te verrichten.

Nu het Openbaar Ministerie echter reeds zeer geruime tijd de gelegenheid heeft gehad nader onderzoek te doen - klaagster heeft haar standpunt middels haar raadslieden reeds bij brief van 30 december 2011 aan het Openbaar Ministerie doen toekomen, zodat het Openbaar Ministerie daarmee bekend kon worden verondersteld - en dit heeft nagelaten, komt dit voor rekening van het Openbaar Ministerie.

Dat brengt met zich mee dat de rechtbank het klaagschrift gegrond zal verklaren en het voorgenomen gebruik van de (inhoud) van de inbeslaggenomen zaken zal verbieden.

Voor zover verzocht is om de inbeslaggenomen stukken te vernietigen wijst de rechtbank dat verzoek af nu deze stukken aan een ander dan klaagster toebehoren, zodat zij niet een recht op teruggave kan claimen en haar derhalve naar het oordeel van de rechtbank in deze procedure ook niet het recht om vernietiging van de stukken toekomt.”

4.2.

In de zaak met nr. 13/01062 B is op 4 oktober 2012 een vordering ex 552p lid 2 Sv ingediend die strekt tot het verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen van de naar aanleiding van het Russische rechtshulpverzoek van 23 mei 2012 onder [klaagster 1] inbeslaggenomen documenten aan de officier van justitie voor overdracht aan de Russische autoriteiten. De bestreden beslissing van de Rechtbank houdt, voor zover hier van belang, met betrekking tot deze vordering het volgende in.

“BEOORDELING

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering en is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, eventueel met toevoeging van de clausule dat de stukken alleen mogen worden gebruikt in de strafzaak van de vier in het rechtshulpverzoek genoemde verdachten.

De raadslieden van belanghebbende [klaagster 2] hebben zich verzet tegen toewijzing van de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de rechtbank het klaagschrift betreffende de inbeslaggenomen stukken bij beschikking van 23 januari 2013 gegrond heeft verklaard en het voorgenomen gebruik van de (inhoud van de) inbeslaggenomen zaken heeft verboden, de vordering tot het verlof om de stukken van overtuiging die in beslag zijn genomen over te dragen aan de Russische autoriteiten dient te worden afgewezen.”

4.3.

Het middel in de zaak met nr. 13/01062 B is voorwaardelijk ingesteld met het oog op het geval dat het cassatiemiddel in de zaak met nr. 13/01063 B doel treft. Het middel klaagt dat in dat geval de grond aan de bestreden beschikking is ontvallen. Op het middel voorgesteld in de zaak met nr. 13/01063 B komt het dus aan. Als dat middel slaagt, slaagt ook het middel in de samenhangende zaak. Ik bespreek daarom eerst het middel in de zaak met nr. 13/01063 B.

5 Opmerking vooraf

Geen van beide middelen klaagt over het oordeel van de Rechtbank in beide zaken dat [klaagster 2], onder wie de desbetreffende documenten niet in beslaggenomen zijn en aan wie de documenten evenmin toebehoren, als belanghebbende kan worden aangemerkt.1 Het middel in de zaak met nr. 13/01063 B klaagt evenmin over het impliciete oordeel van de Rechtbank dat klaagster ex art. 552a Sv kan klagen over het “gebruik” – bestaande uit de (voorgenomen) kennisneming – van de inbeslaggenomen documenten.2 Beide punten kunnen daarom blijven rusten.

6 Het middel in de zaak 13/01063 B

6.1.

Het middel klaagt over de gegrondverklaring van het op de voet van art. 552a lid 1 Sv ingediende klaagschrift. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het oordeel van de Rechtbank dat klaagster aannemelijk heeft gemaakt dat het strafrechtelijk onderzoek waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft inmiddels is geëindigd en dat er “feitelijk geen grond meer [is] voor het rechtshulpverzoek”.

6.2.

De steller van het middel neemt aan dat de Rechtbank daarbij het oog heeft gehad op de weigeringsgrond vervat in art. 552l lid 1 aanhef en onder b Sv. De inwilliging van het verzoek zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting welke in strijd is met (kort gezegd) het ne bis in idem-beginsel. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Daarin valt niet te lezen dat de Rechtbank aannemelijk gemaakt acht dat de in de desbetreffende documenten vervatte informatie zal worden gebruikt om de verdachten die in het rechtshulpverzoek met name worden genoemd – en die reeds onherroepelijk zouden zijn veroordeeld – opnieuw te vervolgen voor hetzelfde feit.

6.3.

De vraag is natuurlijk op welke weigeringsgrond de Rechtbank dan wel het oog heeft. De bestreden beschikking is daarover niet erg duidelijk. Uit hetgeen de Rechtbank vooropstelt, zou afgeleid kunnen worden dat zij het feit dat aan een rechtshulpverzoek als de onderhavige de grondslag is ontvallen, ziet als een belemmering van wezenlijke aard die voortvloeit uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder artikel 552l Sv, dan wel als een omstandigheid die maakt dat door inwilliging van het verzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht. Ik zou het er echter voor willen houden dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat aan het verzoek geen gevolg kan worden gegeven omdat van een verzoek in de zin van art. 552h lid 1 Sv geen sprake is. Volgens genoemd artikellid moet het gaan om een verzoek dat “in verband met een strafzaak [is] gedaan”. Als de strafzaak reeds is geëindigd, kan van bedoeld verband geen sprake zijn. De vraag waarom het mijns inziens gaat, is dus niet of inwilliging van het verzoek mag worden geweigerd, maar om de daaraan voorafgaande vraag of van een verzoek (in de zin van wet en verdrag) kan worden gesproken.

6.4.

Het oordeel van de Rechtbank dat klaagster aannemelijk heeft gemaakt dat het rechtshulpverzoek misleidend is, kan wellicht in dezelfde sleutel worden gezet. Als het verzoek in feite enkel is gedaan om civiele acties tegen klaagsters te beginnen, is van een verzoek dat verband houdt met een strafzaak op de keper beschouwd geen sprake. Hetzelfde kan het geval zijn als het verzoek is gedaan om een strafvervolging tegen klaagster te beginnen, namelijk als die strafvervolging geen verband houdt met de strafzaak die in het verzoek wordt genoemd. Maar mogelijk heeft het beroep op het misleidende karakter van de door de Russische autoriteiten verstrekte informatie ook nog een andere functie. De misleiding als zodanig draagt wellicht bij aan het oordeel van de Rechtbank dat het openbaar ministerie “niet langer kan volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel”. Ik kom daarop nog terug.

6.5.

Terug naar de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat klaagster aannemelijk heeft gemaakt dat de in het rechtshulpverzoek genoemde strafzaak reeds is geëindigd, niet zonder meer begrijpelijk is. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat nadere motivering behoeft waarom het bij de vonnissen die tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn gewezen, zou gaan om onherroepelijke veroordelingen ter zake van hetzelfde feitencomplex en waarom van dergelijke onherroepelijke vonnissen ook sprake zou zijn ten aanzien van de twee andere in het rechtshulpverzoek met name genoemde personen. Tevens wordt erop gewezen dat het rechtshulpverzoek mede betrekking heeft op “onbekende persoenen”. Dat de strafzaak ook reeds ten aanzien van die onbekende personen geëindigd is in een onherroepelijke veroordeling, valt zonder nadere motivering niet in te zien, aldus het middel.

6.6.

Ik beperk mij kortheidshalve tot dat laatste argument. Uit de weergave van de feiten in het rechtshulpverzoek kan – vanwege de kwaliteit van de vertaling met enige moeite en met de nodige voorzichtigheid – worden afgeleid dat [betrokkene 1] (een van de met name genoemde verdachten die reeds onherroepelijk zou zijn veroordeeld) waarnemend directeur was van OOO “[B]” waarvan [klaagster 2] de feitelijke eigenaar was. Als medeverdachten van [betrokkene 1] worden genoemd: [betrokkene 5], [betrokkene 4], [betrokkene 2] en “onbekende personen”. Verkrijger van de door deze verdachten gestolen geldmiddelen was de in Cyprus gevestigde rechtspersoon“[C] Ltd”. Volgens de genoemde [betrokkene 1] was deze rechtspersoon “een rechtsraadpleger, agent en vertegenwoordiger” van [klaagster 2] op Cyprus.3 De gestolen geldmiddelen zouden (als ik het goed begrijp weer volgens [betrokkene 1], die met de vervolgende autoriteiten een ‘deal’ zou hebben gesloten4) overgeboekt zijn op een betaalrekening van [D] Ltd. op de Britse Maagdeneilanden ten behoeve van de verwerving van een motorjacht voor [klaagster 2]. Dat jacht (de “[A]”) zou vervolgens voor een bedrag van 20.5 miljoen USD ten gunste van [klaagster 2] zijn aangeschaft. De reparatie van dat jacht bij een scheepswerf te Urk leidde tot het onderhavige rechtshulpverzoek teneinde “de vermelde gegevens te proeven en fijtelijke eigendom van de jacht [A] door [klaagster 2] te bevestigen”. Veel van de gedetailleerde vragen waarop het rechtshulpverzoek een antwoord wenst, hebben betrekking op de betrokkenheid van [klaagster 2], [betrokkene 7]5, [betrokkene 1] en [D] Ltd bij de aanschaf en reparatie van het motorjacht.

6.7.

Gelet op deze inhoud van het rechtshulpverzoek lijkt het mij bepaald niet teveel gezegd dat de in het rechtshulpverzoek bedoelde strafzaak mede betrekking heeft op nog onbekende personen. Het lijkt er zelfs op dat het strafrechtelijke (vervolg)onderzoek in die zaak zich vooral richt op die nog onbekende personen. Dat tot die onbekende personen mogelijk klaagster behoort, en dat het onderzoek zou kunnen leiden tot het instellen van een strafvervolging tegen klaagster – hetzij wegens directe betrokkenheid bij de fraude, hetzij wegens heling of witwassen – ligt daarbij in de weergave van de feiten besloten. Dat maakt ook dat de kwalificatie misleidend die de Rechtbank hanteert, op zijn minst relativering verdient. De Rechtbank baseert haar oordeel dat de inbeslaggenomen documenten kunnen worden gebruikt voor het starten van een strafvervolging jegens klaagster op de inhoud van het rechtshulpverzoek. Als echter in dat verzoek niet wordt verbloemd dat klaagster een potentiële verdachte in de strafzaak is, kan moeilijk worden gezegd dat het verzoek op dit punt misleidend is. Dat klaagster nog niet als verdachte in het verzoek wordt opgevoerd, kan daarbij begrepen worden als een teken van zorgvuldigheid die bij het beschuldigen van burgers past. De voor klaagster belastende informatie lijkt voor een belangrijk deel te berusten op verklaringen van [betrokkene 1], die destijds de waarnemend directeur van de investeringsmaatschappij van klaagster was, maar met wie zij inmiddels op voet van oorlog leeft.6 Het zou kunnen dat de Russische autoriteiten niet blind willen varen op deze verklaringen en inderdaad, zoals in het rechtshulpverzoek wordt gesteld, eerst “de vermelde gegevens (willen) proeven” en bevestigd willen zien “ten doele van aalzijdig en objectiea onderzoek van deze strafzaak”.

6.8.

Voor zover de Rechtbank met haar oordeel dat klaagster aannemelijk heeft gemaakt dat er feitelijk geen grond meer is voor het rechtshulpverzoek bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat dit ook naar haar eigen oordeel aannemelijk is geworden, is de klacht dat dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is, gegrond. In het verlengde daarvan ligt dat bij deze interpretatie van de bestreden beschikking ook de in de tweede plaats geuite klacht, inhoudende dat niet zonder meer begrijpelijk is waarom het de Russische autoriteiten niet vrij zou staan naar aanleiding van de inbeslaggenomen documenten een strafrechtelijk onderzoek tegen klaagster in te stellen, slaagt.

6.9.

Nu houdt de steller van het middel uitdrukkelijk rekening met de mogelijkheid dat de overwegingen van de Rechtbank anders gelezen moeten worden en wel in die zin dat het oordeel dat klaagster haar stellingen aannemelijk heeft gemaakt slechts de “inleiding” vormt op het uiteindelijke oordeel van de Rechtbank dat het openbaar ministerie in gebreke is gebleven om nader onderzoek te verrichten en dat de stellingen van klaagster om die reden voor juist moeten worden gehouden. Het zou in deze lezing slechts gaan om een voorlopig oordeel, inhoudende dat klaagster haar stellingen voldoende heeft onderbouwd om het openbaar ministerie aanleiding te geven tot het verrichten van nader onderzoek. Het accent verschuift in deze redenering naar het feilen van het openbaar ministerie. Nu het openbaar ministerie de stellingen van klaagster niet heeft weerlegd, is het beklag gegrond.

6.10.

Uitgaande van deze lezing formuleert het middel twee klachten. De Rechtbank zou aldus het vertrouwensbeginsel hebben miskend. Bovendien zou onbegrijpelijk zijn dat het openbaar ministerie wordt tegengeworpen dat het geen nader onderzoek heeft verricht. Van een situatie die vergelijkbaar is met die in HR 24 november 1998, LJN ZD1433, NJ 1999/153 zou bovendien geen sprake zijn. Ik begin met de eerste klacht.

6.11.

Ik stel voorop dat de bedoelde lezing van de bestreden beschikking mij sterke papieren lijkt te hebben. De vraag die de Rechtbank zegt te moeten beoordelen, is “of het Openbaar Ministerie in het geval van klaagster heeft mogen vasthouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel”. Daarbij hanteert de Rechtbank een verdeling van de bewijslast. Als klaagster erin slaagt “(een begin van) bewijs” voor haar stellingen te leveren, “kan het Openbaar Ministerie niet langer volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel”. De uiteindelijke grond voor honorering van het klaagschrift lijkt aldus te zijn dat het openbaar ministerie zich ten onrechte achter het vertrouwensbeginsel heeft verscholen.

6.12.

Het onderhavige rechtshulpverzoek is gebaseerd op het Europees Rechtshulpverdrag.7 Dat betekent dat dit verzoek inderdaad wordt beheerst door het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De juistheid van de door de verzoekende staat verstrekte informatie moet daarom tot uitgangspunt worden genomen (rule of non inquiry), terwijl de verzoekende staat erop mag rekenen dat de verdragsverplichtingen worden nageleefd.8 Dat laatste heeft vertaling gevonden in art. 552k lid 1 Sv, dat bepaalt dat aan het verzoek zoveel mogelijk gevolg moet worden gegeven. Anders dan de Rechtbank lijkt te menen, gaat het bij dit vertrouwensbeginsel niet om een beginsel dat de verhouding tussen het openbaar ministerie en de belanghebbende beheerst, maar om een beginsel dat de interstatelijke verhoudingen raakt. Het gaat om vertrouwen waarop de verzoekende staat aanspraak kan maken jegens de aangezochte staat. De aangezochte staat kan aan die aanspraak alleen voldoen als alle organen van de aangezochte zich door het vertrouwensbeginsel laten leiden. Ook van de rechter wordt daarom verwacht dat hij op de juistheid van de verstrekte informatie vertrouwt en dat hij aan het gedane verzoek zoveel mogelijk gevolg geeft. Dat betekent dat de beslissende vraag niet kan zijn of het openbaar ministerie mocht vasthouden aan het vertrouwensbeginsel, maar of de Rechtbank daaraan moest vasthouden. Dat een orgaan van de aangezochte staat (het openbaar ministerie) tekort is geschoten, kan in de interstatelijke verhoudingen moeilijk een argument zijn om niet aan de verdragsverplichtingen te voldoen.

6.13.

Absoluut is het vertrouwensbeginsel niet. Het uitgangspunt dat vertrouwd mag worden op de rechtspleging van de aangezochte staat vertegenwoordigt in het ene geval een levende werkelijkheid, maar kan in het andere geval een contrafactisch karakter krijgen. Het is daarom niet onjuist dat de rechter zich bij de vraag of sprake is van een verzoek in de zin van art. 552h lid 1 Sv in voorkomende gevallen kritisch opstelt. Als de verstrekte informatie niet lijkt te kloppen en het verzoek een misleidend karakter lijkt te hebben, ligt het op de weg van de rechter om nader onderzoek te verrichten. Het vertrouwensbeginsel brengt daarbij mee dat dit nadere onderzoek mede – zo niet vooral – zal moeten bestaan uit het inwinnen van nadere inlichtingen bij de verzoekende staat, zodat die staat in de gelegenheid wordt gesteld het verzoek te verduidelijken en eventuele misverstanden weg te nemen. Dat die nadere inlichtingen door tussenkomst van het openbaar ministerie zullen moeten worden ingewonnen, doet daaraan niet af. Dat het openbaar ministerie dergelijke inlichtingen niet uit eigen beweging heeft ingewonnen, ontslaat de rechter niet van zijn verantwoordelijkheid om aan het rechtshulpverzoek zoveel mogelijk gevolg te geven.

6.14.

In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank het kennelijk nodig geacht dat nader onderzoek wordt verricht naar het doel en de strekking van het gedane rechtshulpverzoek. Door desondanks geen opdracht te geven tot dat nadere onderzoek, maar in plaats daarvan het beklag gegrond te achten omdat het openbaar ministerie zich niet langer op het vertrouwensbeginsel kan beroepen, heeft de Rechtbank dat vertrouwensbeginsel geschonden. Voor zover het middel daarover klaagt, is het gegrond.

6.15.

In het voorgaande ligt besloten dat de tweede klacht, inhoudende dat onbegrijpelijk is dat het openbaar ministerie wordt tegengeworpen dat het geen nader onderzoek heeft verricht, geen bespreking behoeft. Voor het geval echter dat de Hoge Raad anders mocht oordelen over de schending van het vertrouwensbeginsel, bespreek ik de klacht desondanks, zij het kort.

6.16.

Het middel komt niet op tegen het (veronderstelde) oordeel van de Rechtbank dat hetgeen namens klaagster naar voren is gebracht, aanleiding geeft tot het verrichten van nader onderzoek. De steller van het middel maakt wel bezwaar tegen de overweging van de Rechtbank dat het openbaar ministerie “reeds zeer geruime tijd” de gelegenheid heeft gehad nader onderzoek te verrichten, maar dit heeft nagelaten. Daarnaast wordt gesteld dat een situatie die vergelijkbaar is met die in HR 24 november 1998, LJN ZD1433, NJ 1999/153 geen sprake is. In die beschikking gaat het om de vraag of aan het in gebreke blijven van het openbaar ministerie de gegrondverklaring van het beklag als consequentie mag worden verbonden

6.17.

Uit de stukken van het geding kan het volgende worden afgeleid. Bij brief van 30 december 2011 heeft één van de raadslieden van klaagster, mr. G.G.J. Knoops, namens klaagster een conceptklaagschrift met als bijlagen een affidavit en een e-mail van klaagster doen toekomen aan het Internationaal Rechtshulp Centrum voor Noord- en Oost-Nederland (een onderdeel van het openbaar ministerie dat onder andere is belast met de coördinatie van de uitvoering van rechtshulpverzoeken). Op 6 januari 2012 heeft de andere raadsman van klaagster, mr. L. Vosman, het Internationaal Rechtshulp Centrum voor Noord- en Oost-Nederland een e-mail met drie persberichten toegezonden. Voorts hebben de raadslieden van klaagster bij schrijven van 7 januari 2013 een tweetal ordners (waarvan één bestemd was voor de OvJ) aan de Rechtbank doen toekomen ten behoeve van de raadkamerbehandeling van 9 januari 2013. De ordner bevat volgens dat schrijven “een affadit van [klaagster 2] met 24 bijbehorende exhibits”. Zoals uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt, heeft zij haar oordeel mede gebaseerd op de deze stukken.

6.18.

Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 9 januari 2013 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

“De officier van justitie voert aan, zakelijk weergegeven, dat het openbaar ministerie middels een brief op het conceptklaagschrift heeft gereageerd. In deze brief heeft het openbaar ministerie kenbaar gemaakt dat de verdediging haar bezwaren kan kenbaar maken bij de rechtbank. Om die reden heeft het openbaar ministerie niet eerder actie ondernomen.

(…)

De officier van justitie stelt zich ten aanzien van de vraag of de strafzaak tegen de vier voornoemde verdachten al dan niet is afgedaan, op het standpunt dat Nederland er, gelet op het vertrouwensbeginsel, vanuit moet gaan dat er door de Russische autoriteiten geen stukken worden opgevraagd voor een strafzaak die reeds is afgedaan.

Subsidiair is de officier van justitie van mening dat de stukken die door de verdediging zijn ingebracht eerst dienen te worden vertaald, zodat er ook goed kan worden beoordeeld of er in deze politiek gevoelige zaak nog nadere vragen dienen te worden gesteld aan de Russische autoriteiten.”

6.19.

Het komt mij voor dat het openbaar ministerie in het conceptklaagschrift van 30 november 2011 met een affidavit en een e-mail van klaagster en de e-mail van 6 januari 2012 met drie persberichten, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, geen aanleiding had hoeven vinden om voorafgaande aan de behandeling van het definitieve klaagschrift, nadere inlichtingen in te winnen bij de Russische autoriteiten. Van veel belang is dat overigens niet. Want ook als geoordeeld zou moeten worden dat het openbaar ministerie op dit punt nalatig is geweest, slaagt de klacht. Ook in zaken waarin het vertrouwensbeginsel niet in het geding is, heeft de beklagrechter een eigen verantwoordelijkheid voor de deugdelijkheid van het onderzoek in raadkamer dat aan zijn beslissing vooraf dient te gaan. Dat brengt mee dat de beklagrechter in beginsel gehouden is de fout van het openbaar ministerie te herstellen door het openbaar ministerie alsnog het nodige aanvullende onderzoek op te dragen. Slechts in betrekkelijk uitzonderlijke gevallen, waarvan sprake was in HR 24 november 1998, LJN ZD1433, NJ 1999/153 , kan de rechter in het gebreke blijven van het openbaar ministerie reden vinden om het beklag gegrond te verklaren. Zo ver was het in de onderhavige zaak echter nog lang niet. Het oordeel van de Rechtbank is dan ook onbegrijpelijk nu zij – om met de Hoge Raad te spreken – “niet ervan heeft blijk gegeven bij [haar] oordeel te hebben betrokken dat en waarom nadere informatie aan het Openbaar Ministerie niet kon worden verzocht”.9

6.20.

Het voorgaande brengt mee dat het middel, ongeacht welke van de twee mogelijke lezingen van de overwegingen van de Rechtbank voor juist wordt gehouden, slaagt.

7 Het middel in de zaak met nr. 13/01062 B

7.1.

Het middel komt op tegen de afwijzing van de vordering tot het verlenen van verlof als bedoeld in art. 552p lid 2 Sv.

7.2.

Nu het middel in de zaak met nr. 13/01063 slaagt, slaagt ook het middel in de onderhavige zaak. Zie hiervoor onder 4.3.

8. In beide zaken slaagt het middel.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikkingen ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot zodanige beslissingen met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Voor zover het gaat om het beklag bedoeld in art. 552p lid 4 Sv zou klaagsters belanghebbende zijn als zij in de strafzaak waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, als verdachte is aangemerkt. Zie HR 21 maart 2000, LJN ZD1772 (niet gepubliceerd). Door de Rechtbank is echter niet vastgesteld dat klaagster als verdachte is aangemerkt.

2 Onder het “gebruik” van het inbeslaggenomen voorwerp pleegt de Hoge Raad niet de kennisneming van de daaraan ontleende informatie te verstaan. Over de kennisneming van gegevens waarop art. 552a Sv betrekking heeft, gaat het in casu niet.

3 Of van OOO “[B]” waarvan zij de eigenaar was. De vertaling laat hier ruimte voor twijfel.

4 In het rechtshulpverzoek wordt gesproken van een “memorandum van overeenstemming”. Vgl. punt 7 van het verweerschrift, waarin gewezen wordt op een vertaald persbericht van 8 juli 2011 – dat als bijlage was gevoegd bij de e-mail die namens klaagster op 6 januari 2012 werd verzonden – waarin zou worden gesteld dat [betrokkene 1] schuld heeft bekend “en een ‘deal’ heeft gesloten met de ‘investigation’”. Dat laatste kan ik niet in het bedoelde persbericht lezen.

5 Volgens een ander persbericht dat als bijlage bij de in de vorige noot bedoelde mail was gevoegd, is [betrokkene 7], “a former finance and deputy prime minister of the region” (waarin de fraude zou hebben plaatsgevonden), de echtgenoot van [klaagster 2]. Vgl. punt 5 van het verweerschrift.

6 In de “Sworn statement of [klaagster 2]” die als Bijlage 3 bij het klaagschrift is gevoegd, beschuldigt klaagster [betrokkene 1] van “corporate raiding” ten nadele van klaagster.

7 Voluit: het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Straatsburg, 20 april 1959).

8 Zie Reijntjes, Mos en Sjöcrona, ‘Wederzijdse rechtshulp’, in: Handboek Internationaal Strafrecht, Deventer 2008, p. 258.

9 HR 23 oktober 2012, LJN BX6930, NJ 2012/619.