Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1121

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-09-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
11/04499
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1107, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Eenvoudige belediging. Termen “beledigd” en “beledigend” i.d.z.v. art. 266.1 Sr. HR ambtshalve: mede gelet op hetgeen de door het Hof gebezigde bm inhouden kan de in de tll. en bewezenverklaring omschreven gedraging - het opzettelijk spuwen tegen een raam van de auto waarin aangeefster was gezeten - niet zonder meer worden aangemerkt als “belediging” i.d.z.v. art. 266.1 Sr. Daaruit volgt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de in de tll. voorkomende termen “beledigd” en “beledigend” en dat het derhalve de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. HR spreekt verdachte om doelmatigheidsredenen vrij van het hem onder 1 tlgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04499

mr. Jörg

Zitting 10 september 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 26 september 2011 is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. belediging en 2. bedreiging veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien weken en een geldboete van € 350,-.

2. Namens de verdachte heeft mr D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgedragen.

3. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de door de aangeefster gedane schriftelijke klacht betrekking heeft op belediging.1

4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard:

“dat hij op 7 juli 2009 te Amsterdam opzettelijk [betrokkene] door feitelijkheden in haar tegenwoordigheid heeft beledigd, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk beledigend gespuwd tegen een raam van een auto waarin [betrokkene] was gezeten."

5. De desbetreffende klacht is gedaan op 4 december 2009 en betreft “spugen op het motorvoertuig" van aangeefster op 7 juli 2009 naar aanleiding van een verkeersconflict. Een middels toeteren op een gevaarlijke situatie geattendeerde scooterrijder ging voor de auto van de betrokken automobiliste staan en spuugde op de ruit aan de bestuurderszijde. Deze hoorde die persoon zeggen: "Ik ga je dood maken", waarbij hij een snijdende beweging langs zijn keel maakte. Ook sloeg hij met zijn hand tegen het raam. Nadat de automobiliste had gezegd wat de scooterrijder fout had gedaan zei deze tegen haar: "Kom uit die auto. Ik maak je dood." Daarna volgde gescheld en werd de doodsbedreiging herhaald. De aangeefster was bang en voelde zich bedreigd.
Aldus de korte inhoud van de klacht, welke inhoud geheel overeenkomt met de aangifte, vijf maanden eerder.

6. Blijkens de inhoud van het door het Hof gebruikte bewijsmiddel 5 is er enige steun voor de bedreiging (NB: feit 2 betreft een ander slachtoffer), nl. in de verklaring van een getuige die een hoop geschreeuw hoorde, waaronder de tekst “Dikke trut, kom uit die auto" en het slaan met de handpalm tegen de autoruit.

7. De verdachte verklaarde bij het Hof:

“Ik was boos. Ik weet dat het niet netjes is om tegen de auto van een ander aan te spugen. Ik heb niet zomaar tegen het raam gespuugd op 7 juli 2009. De bestuurster had mij bijna omver gereden. Het spugen was mijn reactie."

8. De steller van het middel maakt bezwaar tegen de veranderde kwalificatie van het materiële feitencomplex. Op zijn minst had in de klacht moeten worden vermeld dat sprake was van aanranding van de eer of goede naam van de aangeefster.

9. Ik voel met het bezwaar mee, zij het langs iets andere weg. Dat het spugen in iemands gezicht belediging door middel van een feitelijkheid inhoudt is zijdelings in ettelijke strafzaken aan de orde geweest en daarin niet tot onderwerp van rechtsstrijd gemaakt.2 Het lijkt mij een uitgemaakte zaak: iemand in het gezicht spugen is intrinsiek beledigend. Maar spugen op een autoruit? Ik kan het geheel met het Hof eens zijn dat het gedrag van de verdachte onbehoorlijk en onfris is,3 maar is daardoor de aangeefster beledigd? Het spugen op een autoruit is naar mijn mening niet intrinsiek beledigend. Daarom zal een slachtoffer duidelijk moeten aangeven dat hij zich daardoor aangetast voelde in zijn eer of goede naam. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake: ik heb het nergens gelezen. Ik wijs ook op een verdere overweging van het Hof in zijn arrest:

“De kort daarna ter plaatse gearriveerde inspecteur van politie heeft medegedeeld dat zij zag dat verdachtes slachtoffer huilde en dat zij hoorde dat verdachtes slachtoffer zei erg geschrokken te zijn van verdachtes optreden tegen haar en dat het slachtoffer in het begin moeite had om aan de inspecteur mede te delen wat haar was aangedaan."

10. Mijn oordeel is dus dat de beslissing ten aanzien van de veroordeling ter zake van feit 1 geen stand kan houden. Mogelijk komt de verdachte na een terugwijzing van de zaak van de drup in de regen.

11. Het tweede middel komt op tegen de beslissing van het Hof om het Openbaar Ministerie ontvankelijk te achten in de vervolging hoewel de termijn van drie maanden voor het indienen van de klacht is overschreden.

12. Absoluut is die termijn van drie maanden niet. Indien de politie na onderzoek van een aangegeven niet-klachtdelict tot de conclusie komt dat het materiële feitencomplex een klachtdelict betreft zou het onredelijk zijn die onderzoekstijd – zij het binnen de perken – niet bij de driemaandentermijn op te tellen. Doorslaggevend is op dit punt of de klachtgerechtigde vervolging wenste ter zake van het delict waarvoor uiteindelijk wordt vervolgd.4

13. Het middel faalt.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de ter zake van feit 1 genomen beslissingen en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend A-G

1 Volgens de schriftuur heeft het Hof een onjuiste beschikking gegeven.

2 HR 7 april 2009, NJ 2009/187 LJN; HR 11 januari 1994, LJN ZC8448, NJ 1994/278; HR 4 oktober 2011, LJN BR2224 (81 RO).

3 Straftoemetingsoverweging op p. 8 van het proces-verbaal.

4 Steun hiervoor in HR 11 januari 1994, LJN ZC8448, NJ 1994/278; HR 31 maart 1998, LJN ZD0996, NJ 1998/608; en HR 2 november 2004, LJN AQ4289.