Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1117

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-10-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
12/05029
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1885, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Partneralimentatie. Gewijzigde omstandigheden. Draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/580
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/05029

Mr. F.F. Langemeijer

18 oktober 2013

Conclusie inzake:

[de vrouw]

tegen

[de man]

In deze alimentatiezaak wordt het oordeel over een gewijzigde draagkracht met diverse klachten bestreden.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (hierna: de man) zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 22 september 2004 heeft de rechtbank te Maastricht de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 13 oktober 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud verschuldigd is van € 320,- per maand, zoals partijen zijn overeengekomen in het in die beschikking opgenomen echtscheidingsconvenant. De man is in 2007 met een andere vrouw gehuwd.

1.3.

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank ingekomen op 8 februari 2011, heeft de man verzocht de vastgestelde partneralimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift te verminderen tot nihil althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag. De man beriep zich op een verminderde draagkracht. De vrouw heeft verweer gevoerd.

1.4.

Bij beschikking van 9 augustus 2011 heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat, ook al zou sprake zijn van gewijzigde omstandigheden, de man voldoende draagkracht overhoudt om de vastgestelde onderhoudsbijdrage te betalen.

1.5.

Op het hoger beroep van de man en het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 25 juli 2012 de beschikking van de rechtbank van 9 augustus 2011 vernietigd. Het hof heeft de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 december 2012 vastgesteld op nihil. In hoger beroep was gebleken dat de dienstbetrekking van de man per 1 maart 2012 is beëindigd. De man heeft een beëindigingsvergoeding ontvangen van € 10.000,- bruto. De man ontvangt een WW-uitkering van € 2.116,20 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en met de (belaste) vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Naar het oordeel van het hof dient er van te worden uitgegaan dat het inkomen van de man tot 1 december 2012 op het oude peil blijft. Voor de periode na 1 december 2012 is het hof uitgegaan van de inkomsten van de man uit de genoemde WW-uitkering. Anders dan de rechtbank besloot het hof dat de huidige echtgenote van de man niet kan bijdragen in de woonlasten. Ook hield het hof rekening met de aflossingen van € 437,- per maand van de schuld van de man bij de Nederlandse Voorschotbank. Het hof besliste dat het inkomen van de man vanaf 1 december 2012, na aftrek van de lasten, geen ruimte meer laat voor het betalen van partneralimentatie (rov. 3.14).

1.6.

De vrouw heeft - tijdig - cassatie ingesteld van de beschikking van het hof1. De man heeft in cassatie verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel 1 is gericht tegen de beslissing om bij vaststelling van de draagkracht rekening te houden met de maandelijkse aflossingen van € 437,- aan de Nederlandse Voorschotbank, “nu de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schuld verband houdt met het uiteengaan van partijen” (rov. 3.11).

2.2.

In hoger beroep heeft de vrouw de noodzaak van het aangaan van de schuld aan de Nederlandse Voorschotbank gemotiveerd bestreden. De klacht in cassatie houdt in dat het hof zijn taak als appelrechter heeft miskend door essentiële stellingen (weren) van de vrouw niet in zijn oordeel te betrekken (de klacht onder a). Voor zover het hof deze stellingen of weren niet relevant heeft geacht, klaagt het middel over een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de omstandigheden die bij het vaststellen van de draagkracht van de alimentatieplichtige moeten worden betrokken (b). Voor het geval dat het hof deze stellingen of weren van de vrouw wel in zijn oordeel heeft betrokken, klaagt het middel dat de weerlegging daarvan niet toereikend door het hof is gemotiveerd. Ter toelichting op deze klacht wijst de vrouw op de in appel getoonde akte van verdeling, waaruit volgde dat ten tijde van de echtscheiding deze schuld aan de Nederlandse Voorschotbank nog niet bestond, en op haar betwisting van de redelijkheid van het besluit om een schuld aan te gaan voor een zo hoog bedrag (c). In het verlengde van dit laatste wordt geklaagd over de verhouding van het geleende bedrag tot het jaarinkomen van de man, en over het voorbijgaan aan het standpunt van de vrouw dat de door de man overgelegde facturen voor herinrichting niet het gehele geleende bedrag dekken (d). Ten slotte wordt geklaagd over het volgens de vrouw ontbrekende verband tussen het uiteengaan van partijen en het bedrag van de bestedingen (e).

2.3.

In beginsel kunnen alle bestaande betalingsverplichtingen van invloed zijn op de draagkracht van een alimentatieplichtige. De enkele omstandigheid dat een schuld na de echtscheiding is aangegaan en anders dan om een huwelijkse schuld af te lossen, doet niet af aan dit uitgangspunt. De constatering dat de man maandelijks € 437,- aflost op zijn schuld aan de Nederlandse Voorschotbank is in cassatie niet ter discussie gesteld. Wel is juist, dat de rechter bij het vaststellen van de draagkracht bevoegd is aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen; dit kan onder meer wanneer de schuld nodeloos is aangegaan. De motivering moet dan inzicht geven in zijn gedachtegang2.

2.4.

In eerste aanleg heeft de vrouw inderdaad aangevoerd dat met de maandelijkse aflossing van de schuld aan de Nederlandse Voorschotbank geen rekening mag worden gehouden bij de vaststelling van de draagkracht van de man, noch met schulden die zijn afgelost met het bij de Nederlandse Voorschotbank opgenomen bedrag3. In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat de echtelijke woning diende te worden opgeknapt toen partijen uit elkaar gingen en dat hij daarvoor een lening is aangegaan bij Interbank, welke lening in 2010 is overgesloten bij de Nederlandse Voorschotbank4. De man heeft facturen overgelegd waaruit blijkt dat hij de woning heeft opgeknapt5. In haar reactie op de derde grief heeft de vrouw aangevoerd dat de noodzaak om deze schuld aan te gaan niet is aangetoond. Zij heeft betwist dat met de overgelegde facturen de noodzaak is aangetoond van de opknapbeurt en van de schuld die de man hiervoor zou zijn aangegaan.

2.5.

De klacht onder a faalt: nu de man in hoger beroep heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank over het al dan niet in aanmerking nemen van de schuld bij de Nederlandse Voorschotbank, diende het hof hierover te beslissen. De klachten onder b t/m e treffen geen doel: volgens het hof heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat de schuld aan de Voorschotbank verband houdt met het uiteengaan van partijen. In dit oordeel ligt onmiskenbaar besloten dat het hof in weerwil van het verweer de noodzaak tot het aangaan van de schuld door de man voldoende aangetoond achtte. Dit oordeel berust op een waardering van feitelijke aard. Deze waardering stemt overeen met de in alinea 2.3 hiervoor genoemde hoofdregel en behoefde, ook zij wordt beschouwd in het licht van het tussen partijen gevoerde debat, geen nadere motivering om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Het hof kon zich beperken tot de essentiële stellingname, namelijk de betwisting door de vrouw van de noodzaak van het aangaan van deze schuld. Het hof was niet gehouden alle onderliggende argumenten van de vrouw afzonderlijk te bespreken6. Ook overigens behoefde zijn beslissing geen verdergaande motivering7. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

2.6.

Onderdeel 2 betreft de woonlasten van de man waarmee het hof rekening heeft gehouden als volgt:

“De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn huidige echtgenote kan bijdrage in de helft van de woonlasten. De vrouw heeft de stelling van de man betwist. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen, gaat het hof voor wat betreft de woonlasten uit van de volledige door de man betaalde hypotheekrente van € 641,- per maand, de premie levensverzekering van € 52,- per maand en het forfait overige eigenaarslasten van € 95,-.”

Volgens de vrouw heeft het hof de - door de grieven getrokken - grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep veronachtzaamd. Zij voert aan dat de rechtbank de woonlasten van de man had verminderd met de in de bijstandsnorm verdisconteerde gemiddelde basishuur van € 210,- per maand. Omdat een daartegen gerichte grief van de man ontbrak, had het hof bij de vaststelling van de draagkracht volgens de vrouw eveneens deze vermindering moeten toepassen (de rechtsklacht onder a). Subsidiair klaagt de vrouw dat het oordeel onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen partijen over en weer hadden aangevoerd (de motiveringsklacht onder b).

2.7.

In de systematiek van de gebruikelijke alimentatienormen wordt bij de vaststelling van de draagkracht rekening gehouden met het minimumbedrag dat voor het levensonderhoud van de alimentatieplichtige en zijn gezin noodzakelijk is en daarenboven met bepaalde vaste (woon)lasten. Omdat in het normbedrag voor levensonderhoud al is gerekend met een bedrag voor woonlasten, moet dubbeltelling worden vermeden. Het hof heeft dit niet uit het oog verloren. Het hof heeft in rov. 3.11, blz. 4 onder B, in de rubriek “Lasten van de man, Wwb-normbedrag”, uitdrukkelijk rekening gehouden met het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, exclusief de ondergrens woonkostencomponent. In een ander verband, namelijk in reactie op de stelling van de vrouw dat de huidige echtgenote van de man kan bijdragen aan de woonlasten van de man, overweegt het hof dat om de door het hof genoemde reden van de huidige echtgenote van de man niet kan worden verwacht dat zij een bijdrage in de woonlasten levert. Daaraan verbond het hof de gevolgtrekking dat rekening wordt gehouden met de volledige door de man betaalde hypotheekrente van € 641,- per maand, de premie levensverzekering van € 52,- per maand en het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- (en niet met een bijdrage van de nieuwe echtgenote). In deze overweging ligt niet besloten dat het hof de in de bijstandsnorm verdisconteerde gemiddelde basishuur van € 210,- per maand tweemaal heeft meegeteld als last van de man8. Zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht stuit hierop af.

2.8.

Onderdeel 3 klaagt dat het hof bij de vaststelling van de draagkracht van de man ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de − in hoger beroep onbestreden − beslissing van de rechtbank dat de fiscale consequenties in de vorm van een hypotheekrenteaftrek van € 7.692,- en het eigenwoningforfait van € 660,- per jaar in acht worden genomen. Nu tegen dit uitgangspunt geen grief was gericht, heeft het hof volgens de klacht zijn taak als appelrechter althans de negatieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep miskend door de betreffende bedragen niet (kenbaar) in zijn beoordeling te betrekken (de rechtsklacht onder a). Subsidiair klaagt de vrouw dat onbegrijpelijk is waarom het hof deze bedragen niet in de vaststelling van de draagkracht heeft betrokken (de motiveringsklacht onder b).

2.9.

Beide klachten missen feitelijke grondslag. De rechtbank had in haar beschikking het netto besteedbaar inkomen van de man vastgesteld op € 2.585,- per maand9. Het hof heeft onderscheid gemaakt tussen de periode van 1 maart 2012 tot 1 december 2012 (toen de man nog een dienstbetrekking had) en de periode vanaf 1 december 2012 (waarin het hof uitging van een WW-uitkering). Voor het tijdvak van 1 maart tot 1 december 2012 heeft het hof het door de rechtbank vastgestelde netto inkomen gecorrigeerd met de arbeidskorting van € 2.012,- per jaar omdat de man in 2012 hierop geen aanspraak meer heeft omdat hij werkloos is. Daarmee komt het netto besteedbaar inkomen op € 2.418,- per maand (rov. 3.12). Hieruit volgt m.i. dat ook het hof acht heeft geslagen op de hypotheekrenteaftrek (van € 7.692,-) en het eigenwoningforfait (van € 660,-) per jaar. Onderdeel 3 faalt.

2.10.

Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 3.11 en heeft betrekking op de post `ziektekosten’. Het middelonderdeel klaagt dat het hof ten onrechte uitgaat van een zorgtoeslag van € 53,- per maand (het bedrag op basis van een alleenstaande): de man heeft geen grief gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat bij de zorgtoeslag moet worden uitgegaan van een gehuwde staat en dat, bij de inkomsten van de man, het bedrag op basis van een tweehoofdig gezin wordt genomen (de rechtsklacht onder a). Subsidiair noemt het middelonderdeel onbegrijpelijk dat het hof rekening heeft gehouden met een zorgtoeslag van € 53,- per maand, in plaats van € 116,- zoals vastgesteld in de voorschotbeschikking toeslagen 2012 van de Belastingdienst d.d. 29 december 2011 (de motiveringsklacht onder b)10.

2.11.

De rechtbank constateerde dat de man en zijn huidige echtgenote aan ziektekosten € 105,- per maand tot hun last hebben (zijnde de premies ziektekostenverzekering van in totaal € 243,- per maand alsmede het eigen risico voor twee personen van € 28,-, doch te verminderen met het reeds in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 45,- en de zorgtoeslag van € 121,- per maand). De rechtbank overwoog vervolgens:

“Zelfs indien de rechtbank zou aannemen dat de man voornoemde lasten volledig voor zijn rekening neemt, is de man, rekening houdende met een draagkrachtpercentage van 60% over zijn draagkrachtruimte en het door hem nog te verkrijgen belastingvoordeel, nog steeds ruimschoots in staat om de thans geldende partneralimentatie te betalen. Echter van de partner van de man mag gelet op het hiervoor overwogene eigenlijk verwacht worden dat zij een deel van de woonlasten betaalt en in ieder geval haar eigen ziektekostenpremie voldoet. (…)”11.

Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het veronderstelt dat de rechtbank heeft beslist dat - in het kader van de draagkrachtberekening - moet worden uitgegaan van lasten van de man waarbij de zorgtoeslag wordt vastgesteld op basis van huwelijkse staat en dat bij de inkomsten van de man het totale bedrag op basis van een tweehoofdig gezin in aanmerking moet worden genomen. Indien de huidige echtgenote van de man haar eigen ziektekostenpremie zou voldoen, zou zij daarvoor een deel van de zorgtoeslag van € 121,- per maand aanwenden. Middelonderdeel 4 gaat dan ook uit van een onjuiste lezing van de beschikking van de rechtbank. Bovendien lag in de grieven van de man besloten dat hij wenste dat zijn draagkracht ook op dit punt opnieuw door het hof zou worden beoordeeld. De man heeft in hoger beroep gesteld dat, zelfs indien zijn echtgenote de helft van de woonlasten en de premie zorgverzekering zou betalen, hij vanaf het moment dat hij een WW-uitkering ontvangt niet voldoende draagkracht heeft om de vastgestelde alimentatie te voldoen12. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man (in het tijdvak vanaf 1 december 2012) rekening met het op de Wwb gebaseerde normbedrag voor een zelfstandig wonende alleenstaande ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Dit uitgangspunt wordt in cassatie niet bestreden. Dat het hof bij de post ziektekosten vervolgens eveneens uitgaat van een alleenstaande en de maandelijkse last die deze ter zake zou hebben, is te verklaren doordat het hof op dit uitgangspunt heeft voortgebouwd. Op het voorgaande stuit de klacht onder a af.

2.12.

Ook de klacht onder b kan de vrouw niet baten. De Voorschotbeschikking toeslagen 2012 van de Belastingdienst is gebaseerd op het inkomen van de man en zijn huidige echtgenote. Nu het hof bij de post ziektekosten uitgaat van de lasten van een alleenstaande, diende het in aanmerking te nemen bedrag aan maandelijkse zorgtoeslag dienovereenkomstig te worden aangepast. Kennelijk heeft het hof de hoogte van de zorgtoeslag vastgesteld op basis van de WW-uitkering van de man van € 2.116,20 per maand. Deze vaststelling is niet onbegrijpelijk13.

2.13.

Terugkijkend, wordt toepassing van art. 81 lid 1 RO in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Van het voorbehoud tot aanvulling van het middel na ontvangst van het p.-v. van de mondelinge behandeling in appel, is geen gebruik gemaakt.

2 HR 29 september 1978, NJ 1979/143 en HR 26 oktober 1979, NJ 1980/270. Zie verder: Asser/De Boer 1* 2010, nr. 626 en S.F.M. Wortmann, Groene Serie, Personen- en Familierecht, art. 1:397 BW aant. 6.

3 Verweerschrift in eerste aanleg, blz. 2, 2e - 5e alinea.

4 Beroepschrift, grief III.

5 De facturen zijn overgelegd als productie 15 bij het beroepschrift.

6 Vgl. HR 22 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4462, NJ 1983/34.

7 Naar vaste rechtspraak kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld aan beslissingen die, zoals de onderhavige, uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht of behoefte naar voren gebrachte omstandigheden; zie onder meer: HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2742, rov. 3.4.

8 Zie in dit verband post 123 ‘Woonlasten’ in de draagkrachtberekeningen die de man als producties 11 en 14 bij zijn beroepschrift heeft overgelegd.

9 Blz. 3, 3e alinea. De rechtbank nam onder meer in aanmerking de fiscaal in aftrek te brengen hypotheekrente van € 7.692,- per jaar en het eigenwoningforfait van € 660,- per jaar.

10 De bedoelde voorschotbeschikking is in het geding gebracht bij brief van de man aan het hof d.d. 30 mei 2012.

11 Blz. 3, 3e alinea en blz. 4, 1e alinea.

12 Beroepschrift, blz. 3, 4e alinea.

13 Vgl: belastingdienst.nl/toeslagen/docs/berekening_zorgtoeslag_2012_tg0821z21fd.pdf