Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1112

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-09-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
12/04788
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1081, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Beëindiging arbeidsovereenkomst met advocaat-stagiaire, uitleg studiekostenbeding. Onverschuldigd betaald loon?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2013/299
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04788

mr. Van Peursem

Zitting 13 september 2013

Conclusie inzake:

[verzoekster]

(hierna: [verzoekster])

eiseres tot cassatie

tegen

[verweerder]

(hierna: [verweerder])

verweerder in cassatie, niet verschenen

Het gaat in deze zaak om de uitleg van een studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst met een advocaat-stagiaire. [verzoekster] maakt aanspraak op terugbetaling van de kosten van de (beroeps)opleiding van [verweerder], maar [verweerder] meent - met kantonrechter en hof - daartoe niet gehouden te zijn. Ook ziet deze procedure op de vraag wanneer de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd en of [verweerder] uit hoofde van onverschuldigde betaling loon dient terug te betalen over de periode 20 december 2009 tot en met 31 december 2009.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1. [verweerder] is op 1 november 2005 bij [verzoekster] in dienst getreden als juridisch medewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten tot 1 mei 2006. Aansluitend hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de periode 1 mei 2006 tot 1 november 2006.

1.2 Vervolgens hebben partijen op 29 september 2006 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, ingaande op 1 oktober 2006. Krachtens deze arbeidsovereenkomst is [verweerder] voor 40 uur per week als advocaat-stagiaire in dienst getreden van [verzoekster]. In art. 2 met als opschrift “Duur van de arbeidsovereenkomst” heeft art. 2.1 de volgende bepaling:

Met ingang van 1 oktober 2006 treedt werknemer voor 40 uur in dienst bij werkgever voor bepaalde tijd en wel voor de duur van de opleiding als advocaat-stagiaire.

Uitgangspunt daarbij is een termijn van 3 jaar en 3 maanden. Indien na beëindiging van de stage niet tot aanstelling als advocaat-medewerker wordt overgegaan, vervalt deze overeenkomst derhalve van rechtswege zonder dat vooraf opzegging is vereist.

1.3 Art. 5 van deze arbeidsovereenkomst met als opschrift “Kosten beroepsopleiding” bevat in het eerste lid een studiekostenbeding dat luidt als volgt:

Werkgever zal de opleidingskosten onder meer verbonden aan de stage (inclusief VSO-cursussen) voor haar rekening nemen. In het geval de dienstbetrekking door werknemer of aan hem te wijten redenen tijdens de stage of binnen een jaar na het verkrijgen van de stageverklaring wordt beëindigd, zullen deze kosten 100% door de werknemer terugbetaald dienen te worden en in het geval het dienstverband tussen een en twee jaar na de stageverklaring om genoemde redenen wordt beëindigd, bedraagt het percentage 50%. Na twee jaar na de stageverklaring is werknemer geen vergoeding meer verschuldigd.

1.4 Op 20 december 2009 heeft de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Maastricht aan [verweerder] de advocaat-stageverklaring gegeven.

1.5 Op 27 december 2009 heeft [verweerder] [verzoekster] bericht dat hij niet als advocaat aan het kantoor [van verzoekster] verbonden wenst te blijven.

1.6 Op 30 december 2009 hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, waarin partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] op 1 januari 2010 voor 28 uur per week in dienst treedt van [verzoekster] en dat deze arbeidsovereenkomst van rechtswege zal eindigen op 31 januari 2010.

1.7 [verzoekster] heeft [verweerder] bij brief van 28 januari 2010 meegedeeld dat het door [verzoekster] aan [verweerder] over januari 2010 verschuldigde loon, de over 2009 verschuldigde bonus, de kosten terzake een treinreis en het loon wegens niet genoten vakantiedagen zouden worden verrekend met de door [verzoekster] ten behoeve van [verweerder] betaalde opleidingskosten.

1.8 [verweerder] heeft hierop bij dagvaarding van 18 februari 2010 [verzoekster] in kort geding gedagvaard en gevorderd: achterstallig loon, vakantiebijslag, bonus, uitbetaling van resterende vakantiedagen en vergoeding van de kosten terzake een treinreis, een en ander vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en (buitengerechtelijke) kosten. Op 11 maart 2010 heeft [verzoekster] het loon c.a. alsnog betaald. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 1 april 2010 is [verzoekster] onder meer veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de in het vonnis vermelde bedragen en de wettelijke verhoging van € 600,--.

1.9 Bij inleidende dagvaarding van 26 mei 2010 heeft [verzoekster] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht en het volgende gevorderd:

- veroordeling van [verweerder] tot betaling van opleidingskosten ad € 10.104,-- en buitengerechtelijke kosten ad € 833,--, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en tot betaling van nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- een verklaring voor recht dat [verzoekster] primair gerechtigd was de betaling van het loon en emolumenten te verrekenen met de opleidingskosten die [verweerder] uit hoofde van het studiekostenbeding aan haar is verschuldigd en subsidiair dat zij bevoegd was de betaling van het loon en emolumenten op te schorten;

- [verweerder] te veroordelen tot terugbetaling van de wettelijke verhoging van € 348,-- uit hoofde van onverschuldigde betaling.

1.10 [verzoekster] heeft aan haar vorderingen onder meer de volgende stellingen ten grondslag gelegd. Tussen partijen zijn meer dan drie arbeidsovereenkomsten gesloten die de maximaal toegestane periode van drie jaren overschrijden op grond van art. 7:668a BW, dus dient de laatste arbeidsovereenkomst (d.d. 30 december 2009) te worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voorts geldt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd alleen kan eindigen door opzegging. In casu heeft [verweerder] te kennen gegeven niet langer voor [verzoekster] te willen werken, dit betekent dat de dienstbetrekking door [verweerder] of aan hem te wijten redenen is beëindigd binnen een jaar na het verkrijgen van zijn stageverklaring in de zin van art. 5.1 van de arbeidsovereenkomst, en dus is [verweerder] gehouden de opleidingskosten voor 100% terug te betalen. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de arbeidsovereenkomst, waarin het studiekostenbeding is opgenomen, een einde is gekomen met de verkrijging van de stageverklaring, nu er tussen partijen geen nieuwe arbeidsovereenkomst als advocaat-medewerker is gesloten noch door eiseres daartoe een formeel en concreet aanbod is gedaan.

1.11 Bij tussenvonnis van 5 januari 2011 heeft de kantonrechter te Maastricht een comparitie van partijen gelast tot het geven van inlichtingen en zo mogelijk tot het beproeven van een minnelijke regeling. Deze heeft plaatsgevonden op 23 mei 2011. De comparitie heeft niet geleid tot een minnelijke regeling.

1.12 Bij eindvonnis van 22 juni 2011 heeft de kantonrechter de vorderingen van [verzoekster] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. De kantonrechter overwoog hiertoe dat [verzoekster] in dit geval niet ten nadele van [verweerder] een beroep kon doen op art. 7:668a BW en dat daarmee de grondslag aan de vorderingen van [verzoekster] kwam te ontvallen (rov. 4.3).

1.13 [verzoekster] is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis d.d. 22 juli 2011. Bij memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, heeft [verzoekster] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. De vermeerdering van eis is voorwaardelijk ingesteld: voor het geval het hof zou oordelen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 20 december 2009 van rechtswege is geëindigd, vordert [verzoekster] dat [verweerder] uit hoofde van onverschuldigde betaling wordt veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde salaris over de periode van 20 december tot en met 31 december 2009, door [verzoekster] gesteld op € 1.137,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente.

1.14 Het hof heeft bij arrest van 26 juni 2012 het bestreden vonnis bekrachtigd. Het hof overwoog hiertoe in rov. 4.5 e.v. als volgt. Het hof neemt als uitgangspunt dat nu partijen van mening verschillen over de reikwijdte van het studiekostenbeding, deze door de rechter vastgesteld dient te worden aan de hand van het Haviltex-criterium (rov 4.5, 1e alinea, onder verwijzing naar HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981, 635 en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9430, NJ 2001, 199). De toepassing van dit uitlegcriterium in deze zaak verwoordt het hof in de tweede en volgende alinea’s van rov. 4.5 als volgt:

Het studiekostenbeding is bij overeenkomst van 29 september 2006 aangegaan in het kader van de opleiding van [verweerder] tot advocaat. Deze opleiding heeft geduurd van 1 oktober 2006 tot de verkrijging door [verweerder] van de stageverklaring op 20 december 2009. Tijdens voormelde periode heeft [verweerder] als advocaat-stagiaire voor [verzoekster] gewerkt. Blijkens art. 2.1. van de arbeidsovereenkomst was het de bedoeling van partijen dat de arbeidsrelatie tussen hen zou eindigen indien niet tot aanstelling van [verweerder] als advocaat-medewerker zou worden overgegaan. Uit art. 7.5 van het stagereglement van het arrondissement Maastricht (productie 2 cva), welk reglement blijkens art. 8.5 onderdeel uitmaakt van de rechtsverhouding tussen patroon en stagiaire, blijkt dat bij voorkeur aan het einde van het tweede stagejaar doch uiterlijk zes maanden voor het einde van de stageperiode, overleg met de stagiaire dient te worden gevoerd over de mogelijkheid na het einde van de stage aan het kantoor van de patroon verbonden te blijven en zo ja, onder welke voorwaarden.

Het hof is van oordeel dat het op de weg van [verzoekster] als werkgeefster lag om tijdig een voldoende concreet aanbod aan [verweerder] te doen over het al dan niet na ommekomst van de stageperiode in dienst blijven van [verweerder] maar dan als advocaat-medewerker. Niet is gesteld of gebleken dat [verzoekster] tijdig een concreet aanbod aan [verweerder] voor de functie van advocaat-medewerker heeft gedaan. De beoordelingsgesprekken van 7 mei 2009 en 17 november 2009 waarbij tussen partijen aan de orde is geweest of [verweerder] als advocaat-medewerker aan het kantoor van [verzoekster] verbonden wilde blijven kunnen niet als een voldoende concreet aanbod worden aangemerkt. Evenmin kunnen de op 10 december 2009 tijdens een diner gemaakte opmerkingen omtrent arbeidsvoorwaarden die zouden gelden voor [betrokkene] (een toekomstige collega) en [verweerder] als zodanig worden aangemerkt. De verklaring van de voormalige partner van [verweerder] (productie 13 cvr) is in het licht van het vorenstaande nietszeggend.

Het eind van december 2009, nadat [verweerder] te kennen had gegeven niet als advocaat-medewerker aan het kantoor van [verzoekster] verbonden te willen blijven, door [verzoekster] aan [verweerder] gedane aanbod is niet tijdig.

De arbeidsovereenkomst voor de duur van een maand, die partijen vervolgens eind december 2009 zijn aangegaan, is kennelijk bedoeld als een soort “uitwerkcontract” waarbij [verweerder] bepaalde werkzaamheden zou afmaken en kan niet als een voldoende concreet aanbod om als advocaat-medewerker in dienst te blijven van [verzoekster] worden beschouwd.

Nu [verzoekster], terwijl zulks op haar weg lag, heeft nagelaten tijdig een voldoende concreet aanbod voor de functie van advocaat-medewerker aan [verweerder] te doen, kan niet worden geoordeeld dat [verweerder] de arbeidsrelatie heeft beëindigd op een zodanige wijze dat hij is gehouden de studiekosten terug te betalen. Integendeel, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, mocht [verzoekster] niet verwachten dat [verweerder] de studiekosten voor zijn rekening zou nemen. Het beroep van [verzoekster] op het studiekostenbeding faalt daarom.

Ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van [verzoekster] dat gelet op het bepaalde in artikel 7:668a lid 1 sub a BW de arbeidsovereenkomst van 29 september 2006 is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maakt dit het vorenstaande niet anders.

Uit het voorgaande volgt dat [verweerder] de opleidingskosten niet behoeft terug te betalen.

De grieven II en III falen mitsdien.

Het hof vervolgt in het bestreden arrest met de volgende overwegingen:

4.6. Nu de voorwaarde waaronder [verzoekster] haar eis in hoger beroep heeft vermeerderd niet in vervulling is gegaan wordt aan de beoordeling van de vermeerderde eis, te weten de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling, niet toegekomen.

4.7. Het door [verzoekster] gedane bewijsaanbod wordt als zijnde niet relevant gepasseerd.

4.8. Aangezien de grieven falen zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. [verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De wettelijke rente is in redelijkheid toewijsbaar vanaf 14 dagen na datum van dit arrest.

1.15 [verzoekster] heeft tijdig cassatieberoep doen instellen tegen het arrest d.d. 26 juni 2012. [verweerder] heeft geen verweer gevoerd in cassatie.

2 Beoordeling van het cassatieberoep

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit vijf klachten. Klacht A, gericht tegen rov. 4.5, valt uiteen in twee onderdelen, waarbij het eerste onderdeel weer uiteenvalt in een rechts- en een motiveringsklacht over de uitleg van het studiekostenbeding en het tweede onderdeel de motiveringsklacht bevat dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de stelling van [verzoekster] dat zij wel degelijk een tijdig en concreet aanbod heeft gedaan aan [verweerder] om medewerker te worden. Klacht B voert aan dat het hof in zijn bestreden arrest heeft verzuimd om essentiële stellingen van [verzoekster] te behandelen door in de voorlaatste alinea van rov. 4.5 te overwegen dat ook wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van [verzoekster] inzake de conversie van de arbeidsovereenkomst van 29 september 2006 per 1 november 2009 tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, dit niet maakt dat [verweerder] de opleidingskosten dient terug te betalen. Klacht C betoogt dat het hof zijn oordeel in rov. 4.6 van het bestreden vonnis, dat de voorwaarde waaronder [verzoekster] haar eis in hoger beroep heeft vermeerderd niet in vervulling is gegaan, onvoldoende toereikend heeft gemotiveerd. Klacht D voert aan dat het hof het door [verzoekster] gedane bewijsaanbod onterecht als niet relevant heeft gepasseerd in rov. 4.7. Klacht E omvat geen zelfstandige klacht, maar stelt dat indien één van de voorgaande klachten slaagt, rov. 4.8 en het dictum van het bestreden arrest evenmin in stand kunnen blijven.

Studiekostenbeding 2 - inleiding

2.2

Het studiekostenbeding is in tegenstelling tot een aantal andere bijzondere arbeidsrechtelijke bedingen niet wettelijk geregeld. In literatuur en praktijk verstaat men er de afspraak onder dat de werkgever onder bepaalde voorwaarden de voor de werknemer betaalde kosten voor het volgen van een studie of opleiding kan terugvorderen van de werknemer bij einde dienstverband. Men neemt aan dat dit beding in beginsel niet is te begrijpen onder het non-concurrentiebeding van art. 7:653 BW en ook niet onder het boetebeding van art. 7:650 BW.3

2.3

Het standaardarrest over het studiekostenbeding is van 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816, NJ 1983, 796 (Muller/Van Opzeeland). Het ging daar om een studie-overeenkomst binnen het kader van een doorlopende arbeidsovereenkomst, waarbij Van Opzeeland, kapitein van een schip, tijdens de studieperiode loon werd doorbetaald en in die periode niet zijn gewone (vaar)werk behoefde te verrichten, maar deze studie diende te volgen. In ruil daarvoor verbond hij zich na beëindiging van de opleiding tien jaar in dienst te blijven om zo de volledige opleidingskosten terug te betalen, dan wel dat pro rato te doen bij eerdere uit diensttreding. Het dienstverband werd, na voltooiing van de opleiding, eerder beëindigd door ontslag op staande voet. In cassatie was de vraag aan de orde of onder “studiekosten” uit dat beding ook kon worden verstaan loon dat tijdens de studieperiode was betaald aan de werknemer – naast de studiekosten in enge zin van de opleiding zelf. In beide feitelijke instanties was terugbetaling van studiekosten in enge zin toelaatbaar geacht, maar loonterugbetaling afgewezen. Het wettelijke systeem is dat loon staat tegenover bedongen arbeid, ook als die bestaat uit het volgen van een opleiding, waarbij loon een specifieke, wettelijk beschermde status heeft, was de daaraan ten grondslag liggende gedachte, zoals uiteengezet en onderschreven door A-G Franx in zijn conclusie, maar de Hoge Raad oordeelde anders.

2.4

De in het Van Opzeeland arrest genoemde voorwaarden waaronder terugbetaling van loon kan worden gevorderd blijken uit rov. 3.1 van dat arrest:

“(…)In een dergelijke situatie kan de werkgever pas baat hebben van de studiewerkzaamheden van zijn werknemer, nadat de studieperiode gedurende welke het loon werd doorbetaald, is afgelopen, en wel voor zover en voor zolang de werknemer na beëindiging van zijn studieperiode bij de werkgever in dienst blijft. Wordt de dienstbetrekking bij de werkgever dadelijk na voltooiing van de studie beëindigd, dan kan niet gezegd worden dat de betreffende studiewerkzaamheden ten bate van de werkgever zijn verricht. Anders dan de Rb. in de zesde rechtsoverweging heeft aangenomen, verzet het systeem van de wet zich niet zonder meer tegen een financiële regeling tussen werkgever en werknemer, die met voormelde bijzondere aspecten aldus rekening houdt dat zij: a. de tijdsspanne vaststelt gedurende welke de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de werknemer tijdens diens studiewerkzaamheden verworven kennis en vaardigheden, b. bepaalt dat de werknemer, indien de dienstbetrekking tijdens of onmiddellijk na afloop van de studieperiode eindigt, het loon over die periode aan de werkgever zal moeten terugbetalen en c. deze terugbetalingsverplichting vermindert naar evenredigheid van het voortduren van de dienstbetrekking gedurende de onder a. bedoelde tijdsspanne. Een dergelijke regeling komt er immers op neer dat het bedrag aan loon dat de werknemer uiteindelijk over de studieperiode geacht zal worden te hebben verdiend, in evenredigheid staat tot de duur van het dienstverband na afloop van de studie, in welke periode de studiewerkzaamheden van de werknemer pas mede ten bate van de werkgever hebben kunnen strekken.

(…)

Bovendien zal, wil een zodanige regeling – zoals in het onderhavige geval – bij beëindiging van de dienstbetrekking binnen een bepaalde tijd na afloop van de studie een verplichting tot terugbetaling van de reeds gedurende de studieperiode ontvangen loonbedragen meebrengen, deze voor de werknemer zo ernstige consequentie duidelijk aan hem moeten zijn uiteengezet.

Ook zal bij een dergelijke regeling de werkgever onder omstandigheden in strijd met de goede trouw handelen, als hij de werknemer op grond van de getroffen regeling aan terugbetaling van ontvangen loonbedragen houdt, wanneer hij zelf het initiatief tot beëindiging van de dienstbetrekking van de werknemer heeft genomen.4

2.5

In het studiekostenbeding uit art. 5.1 van de arbeidsovereenkomst in de zaak die nu in cassatie voorligt, wordt geen onderscheid gemaakt tussen studiekosten in enge zin en loonkosten gedurende de opleidingstijd. In deze procedure vordert [verzoekster] alleen de opleidingskosten als zodanig terug (overigens wel: zoals door haar begroot; de hoogte daarvan wordt door [verweerder] bestreden in de feitelijke instanties), niet het tijdens de opleidingsdagen door [verweerder] genoten loon. Nog niet is uitgemaakt door Uw Raad of deze voorwaarden opgeld doen voor terugbetaling van de opleidingskosten in enge zin, afgezien van doorbetaald loon. De lagere rechtspraak en literatuur is verdeeld over deze vraag5. Dat is onwenselijk en leidt tot rechtsonzekerheid.

2.6

Terzijde: het lijkt van praktisch belang voor de rechtseenheid en rechtsontwikkeling als Uw Raad zijn visie hierop zou geven. Daar leent zich deze zaak mogelijk wel voor, middels een obiter dictum, bijvoorbeeld in het kader van de behandeling van klacht A, maar ik ben mij er van bewust dat dat wel heel “obiter” is in dit geval. Klacht A heeft immers tot voorwerp de uitleg die het hof heeft gegeven aan het studiekostenbeding. [verzoekster] heeft dat beding ingeroepen om studiekosten in enge zin terug te vorderen. In cassatie is geen klacht gericht op de vraag of de voorwaarden uit het Van Opzeeland-arrest wel zijn nageleefd (in feitelijke instanties was dat wel een geschilpunt, vgl. cva onder C (strijd met duidelijkheidsvereiste) en cvr 61-66, gevolgd door cvd 71-77; cva onder H (geen glijdende schaal) en cvr 82-84 gevolgd door cvd 84-88 en cva onder I (wel parallelle toepassing Van Opzeelandcriteria op terugvordering van studiekosten in enge zin)) en al helemaal niet of deze (integraal) van toepassing zijn op terugvordering van studiekosten in enge zin. Ik pleit toch voor een overweging ten overvloede vanwege de roep uit de praktijk. Even & Boot6 beargumenteren na analyse van de lagere rechtspraak na het Van Opzeeland-arrest dat de toetsingscriteria niet helder zijn. Enerzijds omdat niet duidelijk is of met “goede trouw” uit het meer dan 30 jaar oude arrest is bedoeld de aanvullende of derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, anderzijds doordat niet duidelijk is of de criteria uit dat arrest ook gelden voor terugvordering van studiekosten in enge zin. Als een van de mogelijkheden om daar wel duidelijkheid over te krijgen noemen zij “een nieuwe richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad.” Loonstra & Zondag7 achten een onderscheid tussen opleidingskosten in enge zin en loonkosten gedurende de opleiding “moeilijk te rechtvaardigen”, nu het belang van een werknemer om niet gedurende jaren met een hoge opleidingsschuld te zitten even groot is als het gaat om het betaalde loon als wanneer het gaat om de opleidingskosten zelf. Dit verduidelijken zij met het fictieve voorbeeld dat een werknemer met een salaris van € 4.000,- per maand een middag per week wordt vrijgesteld voor een opleiding van 12 maanden (ongeveer 10% van het salaris, dus € 4.800,- over 12 maanden), welke opleiding bijvoorbeeld € 5.000,- kost. Het financiële belang van die twee componenten is dan ongeveer even groot. Overigens menen Even & Boot8 dat de voorwaarden uit het Van Opzeeland-arrest niet allemaal (ten volle) voor studiekosten in enge zin op gaan en dat er hogere eisen gesteld kunnen worden aan terugvorderen van volledige studiekosten (met inbegrip van loonkosten) in vergelijking met studiekosten in engere zin. Van Aalst9 vindt analoge toepassing van de voorwaarden uit het arrest op studiekosten in engere zin “voor de hand liggen”, mogelijk met een uitzondering voor de eis dat de terugbetalingsverplichting duidelijk moet worden uiteengezet. Rote10 bekritiseert de lijn van Hof Den Haag (geen analoge toepassing voor studiekosten in engere zin11) als “niet juist en onwenselijk”. Zij wijst erop dat de rechtsonzekerheid rond het in belang toenemende studiekostenbeding niet in het belang is van werknemers in een tijd waarin scholing van werknemers tijdens dienstverband steeds meer nadruk krijgt (“employability”-tendens, dat wil zeggen investeren in de inzetbaarheid van de werknemer). Ook zij is voorstander van analoge toepassing van de criteria uit het Van Opzeeland-arrest op terugvordering van studiekosten in engere zin. Zekic12 pleit zelfs voor een wettelijke regeling, waartoe men bijvoorbeeld in België is overgegaan. De tendens in de meest recente – overigens als gezegd verdeelde en casuïstische – lagere rechtspraak is dat bij terugvordering van studiekosten in enge zin het ontbreken van een glijdende schaal geen belemmering is, nu het Van Opzeeland-arrest niet op deze component zag. Dan is alleen de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en de norm van goed werkgeverschap tegen integrale terugvordering in stelling te brengen. Er lijkt mij veel voor te zeggen om daarbij aan te sluiten.

2.7

De in het Van Opzeeland-arrest vereiste “duidelijkheid” leidt in de lagere rechtspraak veelal tot een strikte interpretatie van het beding en dus een restrictieve uitleg, waarbij eventuele onduidelijkheden voor rekening van de werkgever komen.13 Die gedachte is aansprekend.

Het studiekostenbeding bezien in het licht van de duurbepaling

2.8

Een tweede inleidende beschouwing alvorens aan bespreking van de cassatieklachten toe te komen is de volgende. De duurbepaling van art. 2 van de arbeidsovereenkomst omschrijft de bepaalde tijd waarvoor het dienstverband wordt aangegaan als: “de duur van de opleiding als advocaat-stagiaire”. In confesso is dat die duur eindigt bij verkrijging van de stageverklaring door [verweerder]. Dat was in dit geval op 20 december 2009. Dat sluit aan bij het “uitgangspunt” in de in 1.2 geciteerde duurbepaling dat de duur (ongeveer) 3 jaar en 3 maanden zal zijn. Een dergelijke omschrijving is gebruikelijk in arbeidsovereenkomsten met advocaat-stagiaires, die veelal voor bepaalde tijd worden aangegaan, omdat de afronding van de advocatenstage afhangt van het moment van verkrijging van de stageverklaring. De bepaalde tijd verstreek in feite 11 dagen eerder dan de als “uitgangspunt” genomen 3 jaar en 3 maanden vanwege het moment van verkrijging van de stageverklaring. Art. 2.1 bepaalt verder dat voor het geval “na beëindiging van de stage niet tot aanstelling als advocaat-medewerker wordt overgegaan” de overeenkomst van rechtswege vervalt zonder dat opzegging is vereist. Dit stelsel van de duurregeling is van belang voor de beoordeling van het studiekostenbeding in art. 5.1 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, alleen al omdat daarin het inschakelmoment van de terugbetalingsverplichting is omschreven als het geval dat “de dienstbetrekking door werknemer of aan hem te wijten redenen tijdens de stage of binnen een jaar na het verkrijgen van de stageverklaring wordt beëindigd”. De twee besproken bepalingen hangen zodoende nauw samen. Of de overeenkomst in dit geval van rechtswege is geëindigd, is de vraag vanwege de feitelijke complicatie van opvolgende overeenkomsten van bepaalde tijd hier en de driekwart dwingendrechtelijke wettelijke regels daarvoor. Nu het dienstverband uit de eerste arbeidsovereenkomst tussen partijen inging op 1 november 2005 en deze is gevolgd door naadloos aansluitende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, lijkt mij dat het dienstverband van [verweerder] per 1 november 2008 van rechtswege is geconverteerd in een dienstverband voor onbepaalde tijd op grond van art. 7:668a lid 1 sub a BW. Voortschrijdend inzicht bij [verzoekster] mondt in appel uit in eenzelfde conclusie (vgl. MvG onder 12-15, waartegen MvA 16-22). Het hof heeft dit kennelijk ook gezien, maar zich voor de vraag of [verzoekster] een beroep toekwam op het studiekostenbeding, niet uitdrukkelijk uitgelaten of sprake was van beëindiging van rechtswege, bepleit door [verweerder], of van de voortzettingsvariant (al dan niet vervolgens beëindigd met wederzijds goedvinden, zo voeg ik daar voor een beter begrip aan toe), kennelijk omdat het dit voor de beantwoording van de hem voorgelegde vraag niet noodzakelijk achtte. Overigens is verhelderend om voor ogen te houden dat partijen zelf in december 2009 er allebei van uit gingen dat de stage-overeenkomst van rechtswege was geëindigd vanwege het verstrijken van de bepaalde tijd14 en dat mogelijke conversie bij hen pas veel later in beeld is gekomen. Dat vertroebelde aanvankelijk het partijdebat nogal.

Twee varianten

2.9

Een derde inleidende beschouwing moet ik dan wijden aan het volgende.

2.10

Analyse van de hofuitspraak die ten toets staat leert mijns inziens dat het hof doorslaggevend heeft geoordeeld dat [verzoekster] niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk 6 maanden voor afloop van de stage, voldoende concreet met [verweerder] het gesprek is aangegaan over een op de advocatenstage aansluitend dienstverband als advocaat-medewerker en tegen welke arbeidsvoorwaarden dat zou gebeuren. In wezen stranden daarop alle vorderingen van [verzoekster]. Deze vanwege de plaatselijke Orde van Advocaten opgelegde verplichting werkt rechtstreeks door in de arbeidsverhouding tussen partijen op grond van het toen geldende stagereglement van het arrondissement Maastricht (art. 7.5 jo. art. 8.5, vgl. rov. 4.5, 2e alinea van het in cassatie aangevallen arrest). Overigens, zo voeg ik daar aan toe, ook art. 1.2 van de arbeidsovereenkomst waarbij [verweerder] als advocaat-stagiaire is aangesteld bepaalt dat nog eens ondubbelzinnig.15 Deze contractuele verplichting van de patroon lijkt mij geen betrekkelijke formaliteit, maar een bepaling die past in de norm van goed werkgeverschap16. Immers, door dit zo in te kleden wordt kennelijk bedoeld de stagiaire in de eindfase van de advocatenstage duidelijkheid te verschaffen, zodat deze weet waar hij of zij aan toe is en zich zo nodig tijdig kan beraden op een eventuele andere toekomst dan als advocaat-medewerker bij het kantoor van de (voormalige) patroon. Dat maakt bepaald begrijpelijk dat het hof hier zo zwaar aan tilt. Het hof heeft de andersluidende stellingen van [verzoekster], dat zij wel tijdig een aanbod heeft gedaan, verworpen en haar bewijsaanbiedingen als niet relevant gepasseerd. Ik meen dat het hof dat zonder schending van rechtsregels kon doen en daarbij zijn motiveringsplicht niet heeft geschonden. Ik kom daartoe als volgt.

2.11

De centrale stelling van [verweerder] in deze procedure is dat de stage-overeenkomst van rechtswege is geëindigd op 20 december 2009 met het verkrijgen van de stageverklaring. Of dat zo is, overweegt het hof niet, maar gelet op de wettelijke conversie van art. 7:668a lid 1 sub a BW hoeft dat op zichzelf nog niet te verbazen. Uit de overwegingen van het hof – die op dit punt geen schoonheidsprijs verdienen, zo veel kan worden toegegeven aan de opsteller van het cassatiemiddel – volgt indirect, maar mijns inziens wel zonder meer, dat het hof uitgaat van verlenging voor onbepaalde tijd. Bij onderzoek van de overwegingen van het hof vanuit de insteek dat de overeenkomst voor bepaalde tijd is geëindigd op 20 december 2009, loop je namelijk op verschillende manieren vast.

2.12

In de eerste plaats valt dan niet te begrijpen waarom het hof in rov. 4.6 aangeeft dat de voorwaarde waaronder [verzoekster] haar eis in hoger beroep heeft vermeerderd, niet in vervulling is gegaan. Die voorwaarde is immers dat voor juist moet worden gehouden dat de overeenkomst met [verweerder] met ingang van 20 december 2009 van rechtswege is geëindigd. Voor dat geval vordert [verzoekster] als onverschuldigd betaald salaris terug over de periode 20-31 december 2009. Vanwege de wettelijke conversie behoefde het hof daar ook niet meer woorden aan vuil te maken, zou ik denken.

2.13

Ook valt dan niet te begrijpen, waarom het hof de eventuele conversie van de stage-overeenkomst naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van art. 7:668a lid 1 sub a BW per 1 november 2009 (bedoeld moet volgens mij zijn: 2008, maar dat terzijde) niet relevant zou vinden in de een na laatste alinea van rov. 4.5.

2.14

Ik meen dat de hiervoor besproken variant niet de juiste is vanwege de meergenoemde wettelijke conversie. In de mijns inziens juiste optiek gaan de zoëven besproken bezwaren dan ook niet op. In die variant laat het hof in het midden hoe het dienstverband precies is geëindigd en scharniert zijn hele redenering om het niet nakomen van de verplichting van [verzoekster] om tijdig (de voorwaarden van) een voortgezet dienstverband als advocaat-medewerker bij [verweerder] aan te kaarten. Die verplichting heeft het hof zeer zwaar laten meewegen. In die sleutel is de vraag of er is verlengd of niet op zich ook niet direct van belang, omdat ook dan doorslaggevend is dat er niet tijdig met [verweerder] concreet is gesproken over (de voorwaarden van) voortzetting en [verzoekster] daarom geen beroep kan doen op het studiekostenbeding. Bezwaar één uit de andere variant (voorwaarde eisvermeerdering niet vervuld) gaat hier niet op en bezwaar twee doet er dan ook niet toe.

2.15

Ik voeg hier nog een afsluitende beschouwing aan toe. [verzoekster] neemt in de procedure als overwegend standpunt in dat de stage-overeenkomst/de arbeidsverhouding niet van rechtswege is geëindigd maar door toedoen van [verweerder]. [verweerder] hamert er bij herhaling op dat de arbeidsverhouding bij gebreke van een aanvaard medewerkerscontract van rechtswege is geëindigd op 20 december 2009, waarna partijen een “uitwerkcontract” van een maand hebben getekend.

2.16

Een paar gezichtspunten daarbij. [verweerder] heeft zich daags na het verkrijgen van zijn stageverklaring ziek gemeld bij [verzoekster]17. Dat valt slecht te rijmen met zijn latere standpunt dat de overeenkomst van rechtswege was beëindigd de dag ervoor. Gelet op art. 7:668a lid 1 sub a BW klopt dat juridisch ook niet. [verzoekster] heeft zelf op het “uitwerkcontract” voor een maand aangedrongen en [verweerder] (ook) niet wegens onregelmatige beëindiging aangepakt. Alles overziende ligt het meest in de rede dat partijen de arbeidsverhouding met wederzijds goedvinden hebben beëindigd of beëindigd hebben geacht, althans dat [verzoekster] zich bij beëindiging/niet voortzetting van het dienstverband op instigatie van [verweerder] op zichzelf heeft neergelegd (en nog een “uitwerkcontract” voor een maand met hem heeft gesloten om lopende zaken af te werken) – zij het onder invloed van “wederzijdse rechtsdwaling”, omdat zij beiden toen de werking van art. 7:668a BW niet in het vizier hadden. Deze alleszins gebruikelijke beëindigingswijze18 is door [verweerder] in eerste aanleg aanvankelijk in een andere sleutel19 aangevoerd. Maar bij MvA onder 18 geeft [verweerder] als reactie op het voortschrijdend inzicht van [verzoekster] in appel dat de stage-overeenkomst op 1 november 2008 was geconverteerd in een overeenkomst voor onbepaalde tijd die diende te worden opgezegd, dat hierbij dan sprake is van beëindiging met wederzijds goedvinden “in gezamenlijk overleg”. (Een vorm van) beëindiging met wederzijds goedvinden kan ook heel wel de optiek van het hof zijn geweest. Dat, in combinatie met de werking van art. 7:668a lid 1 sub a BW, kan dan weer goed verklaren waarom het hof het niet nodig heeft geoordeeld het ene of andere standpunt van partijen omtrent de beëindiging te onderschrijven of te verwerpen. Met name niet, omdat het hof klaarblijkelijk zwaar heeft getild aan het in zijn optiek niet tijdig voldoen door de patroon aan zijn verplichting uiterlijk 6 maanden voor het verstrijken van de stageperiode concreet te bezien tegen welke voorwaarden de alsdan ex-stagiaire medewerker kon worden. Schending van die verplichting vindt het hof dragend voor zijn oordeel dat de patroon dan geen beroep toekomt op het studiekostenbeding ten nadele van de ex-stagiaire. Ook als de beëindiging van het dienstverband wel als een opzegging door [verweerder] moet worden gezien, blijft dat volgens de hofuitspraak overigens dragend.

Klacht A

2.17

Klacht A richt zich tegen het volgende oordeel (op grond van de daaraan voorafgaande overwegingen in rov. 4.5 als hiervoor weergegeven in 1.14) van het hof in rov. 4.5 van het bestreden arrest:

Nu [verzoekster], terwijl zulks op haar weg lag, heeft nagelaten tijdig een voldoende concreet aanbod voor de functie van advocaat-medewerker aan [verweerder] te doen, kan niet worden geoordeeld dat [verweerder] de arbeidsrelatie heeft beëindigd op een zodanige wijze dat hij is gehouden de studiekosten terug te betalen.

2.18

Het eerste onderdeel van Klacht A voert aan dat het hof met het bestreden oordeel een onbegrijpelijk uitleg heeft gegeven aan het studiekostenbeding door aan te nemen dat alleen dan is voldaan aan de voorwaarde die het studiekostenbeding stelt, indien is gesteld en gebleken dat [verzoekster] [verweerder] een voldoende concreet en tijdig aanbod heeft gedaan om medewerker te worden. Betoogd wordt dat deze beperkte uitleg onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting en niet volgt uit de tekst van het beding, voorts voert het onderdeel aan dat de tekst van het beding er juist op wijst dat alle omstandigheden van het geval relevant kunnen zijn bij het beantwoorden van de vraag of [verweerder] de arbeidsrelatie heeft beëindigd op een zodanige wijze dat hij is gehouden de studiekosten terug te betalen. Voor zover het hof van een ander oordeel uitgaat, is het volgens dit onderdeel onjuist.

2.19

Voorop staat dat de uitleg van processtukken en de vaststelling van de strekking van stellingen feitelijke beslissingen zijn, die zijn voorbehouden aan het hof als feitenrechter.20 De uitleg van overeenkomsten kan in cassatie wel als een gemengde beslissing worden behandeld, wanneer geklaagd wordt dat de feitenrechter een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd voor de uitleg van de overeenkomst, of weliswaar het Haviltex-criterium weergeeft, maar dat vervolgens niet (juist) toepast.21 Als gezegd heeft het hof voorop gesteld dat het studiekostenbeding uitgelegd moet worden aan de hand van het Haviltex-criterium (eerste alinea van rov. 4.5). In cassatie wordt deze overweging van het hof niet bestreden en de klachten in onderdeel A hebben dan ook slechts betrekking op de feitelijke uitleg die het hof heeft gegeven aan het studiekostenbeding en betogen niet dat het hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het Haviltex-criterium. Ten aanzien van feitelijke beslissingen zoals de uitleg van een beding in een overeenkomst tussen partijen, geldt dat deze in cassatie slechts beperkt toetsbaar zijn op begrijpelijkheid. De uitleg die het hof heeft gegeven aan het studiekostenbeding in rov. 4.5 van het bestreden arrest en de motivering die het hof hieraan ten grondslag legt, acht ik niet ontoereikend en niet onbegrijpelijk. Het hof heeft bij zijn beoordeling niet alleen de tekst van het beding tot uitgangspunt genomen maar toepassing gegeven aan het Haviltex-criterium en alle relevante omstandigheden van het geval bij zijn beoordeling betrokken, zoals de aard van het beding, de (bijzondere) aard van de arbeidsovereenkomst tussen een patroon en een advocaat-stagiaire en de daarop van toepassing zijnde externe regelementen zoals het stagereglement van het arrondissement Maastricht. Hierop strandt de rechtsklacht. Het hof heeft op begrijpelijke wijze bij zijn beoordeling tot uitgangspunt genomen dat [verzoekster] slechts een beroep op het studiekostenbeding toekomt wanneer zij tijdig en voldoende concreet met [verweerder] onder ogen heeft gezien of en onder welke voorwaarden hij na afronding van zijn stage in dienst kon blijven als advocaat-medewerker. Voorts heeft het hof vastgesteld dat dit feitelijk niet is gebeurd en dat om deze reden niet gezegd kan worden dat [verweerder] de arbeidsrelatie met [verzoekster] heeft beëindigd op een wijze die toepassing van het studiekostenbeding rechtvaardigt. Deze feitelijke beslissing van het hof, die aan hem is voorbehouden, is in rov. 4.5 van het bestreden arrest op een voldoende inzichtelijke wijze gemotiveerd.

2.20

De tweede klacht in onderdeel A betoogt dat het hof, door te oordelen, in rov. 4.5 van het bestreden arrest, dat [verzoekster] heeft nagelaten tijdig een voldoende concreet aanbod te doen aan [verweerder] voor de functie van advocaat-medewerker, de stellingen van [verzoekster] ter zake ongemotiveerd heeft gepasseerd. Geklaagd wordt dat hoewel [verzoekster] in haar processtukken zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bij herhaling heeft gesteld en onderbouwd dat zij [verweerder] wel een voldoende concreet en tijdig aanbod heeft gedaan, het hof zonder motivering heeft overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat [verzoekster] tijdig een concreet aanbod aan [verweerder] heeft gedaan voor de functie van advocaat-medewerker. Bij schriftelijke toelichting onder 23 trekt [verzoekster] dit nog ruimer door aan te voeren dat zij in feitelijke instanties heeft onderbouwd dat de dienstbetrekking door aan [verweerder] te wijten redenen is beëindigd, waarbij zij zich niet alleen heeft beperkt tot de stelling van het tijdig doen van een concreet medewerkersaanbod.

2.21

Mijns inziens mist de tweede klacht in onderdeel A feitelijke grondslag waar wordt aangevoerd dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de stelling van [verzoekster] dat zij [verweerder] een tijdig en concreet aanbod heeft gedaan voor de functie van advocaat-medewerker. Het hof heeft immers in rov. 4.5 van het bestreden arrest deze stelling van [verzoekster] en de onderbouwende verklaringen uit de processtukken op voldoende inzichtelijke wijze besproken en is tot het oordeel gekomen dat het door [verzoekster] aan [verweerder] gedane aanbod niet tijdig is geschied in het kader van de vaststelling door het hof dat op grond van art. 7.5 van het stagereglement uiterlijk 6 maanden voor de afloop van de stageperiode overleg dient plaats te vinden over de mogelijkheid verbonden te blijven aan het kantoor van de patroon. Dit uiteindelijke oordeel is feitelijk van aard en voorbehouden aan het hof als feitenrechter, mits voldoende begrijpelijk gemotiveerd, hetgeen, als aangegeven, hier volgens mij zo is. Dat het aan [verweerder] te wijten zou zijn dat de dienstbetrekking is beëindigd op grond van hetgeen [verzoekster] daartoe heeft aangevoerd, zoals [verzoekster] in cassatie nog nader betoogt, is door het hof anders afgewogen – en dat heeft het hof zo kunnen doen zonder rechtsregel te schenden en afdoende gemotiveerd, omdat het hof als feitenrechter zwaarder heeft gewogen dat in zijn optiek [verzoekster] niet tijdig over de brug is gekomen met voldoende concrete plannen rond een aansluitend medewerkerschap van [verweerder]. In feite komt dit neer op het oordeel dat [verzoekster] zich niet heeft gehouden aan de normen van goed werkgeverschap. Anders gezegd: dat er (ook, of beter: andere) elementen zijn aan te voeren die wijzen de richting van een uiteindelijk aan toedoen van [verweerder] te wijten beëindiging van de arbeidsverhouding, zoals het middel en de schriftelijke toelichting aandragen, moge zo zijn, maar die zijn door het hof anders gewogen en dat is aan hem voorbehouden, omdat dit niet op rechtens onjuiste of onbegrijpelijke wijze in cassatie-technische zin is gebeurd. Dat het hof als feitenrechter ook een andere afweging zou hebben kunnen maken, maakt het vorenstaande niet anders. Daarop strandt onderdeel A.

2.22

Zoals hiervoor in 2.6 en 2.7 bepleit, geef ik in overweging in een obiter dictum aan te geven of de criteria uit het Van Opzeeland-arrest ook gelden buiten de context van terugvordering van loon, dus voor studiekosten in enge zin en of de “goede trouw” uit bedoeld arrest ziet op de aanvullende of derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ik verwijs voor de richting waarin dat obiter zou kunnen gaan kortheidshalve naar het daar opgemerkte.

Klacht B

2.23

In onderdeel B wordt een motiveringsklacht gericht tegen het volgende oordeel van het hof in rov. 4.5 van het bestreden arrest:

Ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van [verzoekster] dat gelet op het bepaalde in artikel 7:668a lid 1 sub a BW de arbeidsovereenkomst van 29 september 2006 per 1 november 2009 is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maakt dit het vorenstaande niet anders. Uit het voorgaande volgt dat [verweerder] de opleidingskosten niet behoeft terug te betalen.

Betoogd wordt dat het hof met dit oordeel heeft verzuimd essentiële stellingen van [verzoekster] te behandelen.

2.24

Volgens mij mist ook de in onderdeel B voorgestelde klacht feitelijke grondslag. Voorop staat immers dat het hof niet verplicht is in te gaan op alle stellingen van partijen en dat er pas sprake is van een motiveringsgesprek wanneer het hof een essentiële stelling ongemotiveerd onbesproken heeft gelaten22. In casu heeft het hof de stelling van [verzoekster] inzake de conversie van de arbeidsovereenkomst van 29 september 2006 gemotiveerd onbesproken gelaten. Het hof geeft in de bestreden rechtsoverweging immers aan dat ook wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van [verzoekster] inzake de conversie van de arbeidsovereenkomst van 29 september 2006 dit geen verschil uitmaakt voor de vraag of [verweerder] in casu verplicht is de opleidingskosten terug te betalen op grond van het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Ook dan weegt voor het hof (en dat mocht voor hem als feitenrechter) zwaar dat naar zijn oordeel niet tijdig voldoende concreet met [verweerder] onder ogen is gezien of en tegen welke arbeidsvoorwaarden hij als advocaat-medewerker aan kantoor verbonden kon blijven. Toe kan worden gegeven dat deze overweging best duidelijker tot uitdrukking had kunnen brengen dat sprake is van conversie en dat dat voor het dragende oordeel van het hof niet uitmaakt, maar onbegrijpelijk in cassatie-technische zin is dit om de aangegeven reden niet.23

Klacht C

2.25

Onderdeel C richt zich tegen de volgende overweging van het hof in rov. 4.6 van het bestreden arrest:

Nu de voorwaarde waaronder [verzoekster] haar eis in hoger beroep heeft vermeerderd niet in vervulling is gegaan wordt aan de beoordeling van de vermeerderde eis, te weten de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling, niet toegekomen.”

Betoogd wordt dat het hof zijn oordeel, dat de voorwaarde waaronder [verzoekster] haar eis in hoger heeft vermeerderd niet in vervulling is gegaan, ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.26

[verzoekster] heeft bij memorie van grieven een voorwaardelijke vermeerdering van eis ingesteld24 en zich op het standpunt gesteld dat, indien en voor zover de arbeidsovereenkomst van [verweerder] met ingang van 20 december 2009 van rechtswege is geëindigd, daarmee vaststaat dat [verweerder] over de periode van 20 december 2009 tot en met 31 december 2009 ten onrechte salaris heeft ontvangen en [verzoekster] hierop aanspraak maakt op grond van onverschuldigde betaling.

2.27

Na de inleidende beschouwingen over de twee varianten in 2.11-2.16 kan ik hier kort over zijn. In de volgens mij door het hof betrokken variant waarin het hof voor haar dragende oordeel in het midden heeft gelaten zich expliciet uit te laten over beëindiging van rechtswege of verlenging van rechtswege, is deze overweging – in het licht van de werking van art. 7:668a lid 1 sub a BW – helemaal niet onjuist of onbegrijpelijk. In tegendeel, zij volgt daar dwingend uit. In de andere variant is dat wel onbegrijpelijk en zou Klacht C slagen. Als eerder aangegeven acht ik die variant onwaarschijnlijk.

2.28

Het middelonderdeel voert aan dat de inleidende overweging van het hof uit rov. 4.5 over de duur van de opleiding van [verweerder] tot advocaat van 1 oktober 2006 tot 20 december 2009 zou suggereren dat het hof zou menen dat de voorwaarde wel degelijk in vervulling zou zijn gegaan25. Dat zie ik niet zo. De duur van de opleiding en de bedoeling van partijen de stage-overeenkomst tot die tijd te beperken staat los van de semi-dwingendrechtelijke werking van art. 7:688a BW en dus de vraag of het dienstverband was geconverteerd in onbepaalde tijd of niet. Partijen hebben dat, hoewel beide jurist, kennelijk niet helder voor ogen gehad bij het formuleren van de bepalingen van de stage-overeenkomst. Ik heb hiervoor in 2.11-2.16 aangegeven op grond waarvan mijns inziens met overtuiging kan worden gezien dat het hof niet is uitgegaan van beëindiging van rechtswege per datum stageverklaring en dat dat gelet op de werking van art. 7:668a BW ook helemaal niet hoeft te verbazen. Het hof heeft dat op grond van de door hem vastgestelde feiten over de opvolging van het drietal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kennelijk meteen ingelezen en in dat licht bezien volstond de gegeven motivering dan ook alleszins. Klacht C moet dan ook falen.

Klacht D

2.29

Onderdeel D richt zich met zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof, in rov. 4.7 van het bestreden arrest, dat het door [verzoekster] gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd als zijnde niet relevant. Betoogd wordt dat het door [verzoekster] gedane bewijsaanbod voldoet aan de wettelijk vereisten, nu het aanbod tot het leveren van getuigenbewijs voldoende specifiek en ter zake dienend is geweest en dat gelet hierop het oordeel van het hof in rov. 4.7 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is.

2.30

De wettelijke eisen die aan een bewijsaanbod worden gesteld zijn inderdaad dat het bewijsaanbod voldoende specifiek dient te zijn en dat het ter zake dienend is26. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter mede in verband met de eisen van een goede procesorde zal moeten letten op de wijze waarin het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert27.

2.31

De vraag is of het hof de verschillende bewijsaanbiedingen als niet relevant heeft kunnen passeren. Hoewel dat op het eerste gezicht misschien anders lijkt te liggen – er wordt aangeboden te bewijzen dat tijdig tijdens de stageperiode een medewerkerschap is aangeboden dat [verweerder] heeft geweigerd – meen ik bij nadere beschouwing van wat er concreet is aangeboden, dat dat inderdaad wel kon. Ook hier klinkt de echo door van het gebrek aan tijdigheid en concreetheid van de demarches van [verzoekster] in de richting van een eventueel medewerkerschap van [verweerder], zo wil mij voorkomen. Dat werd voor mij inzichtelijk door als uitgangspunt te nemen dat de redenering van het hof moet zijn geweest dat er geen tijdige overeenstemming was bereikt tussen [verzoekster] en [verweerder] over een vervolgaanstelling als advocaat-medewerker van de laatste. Anders gezegd: er lag een te weinig concreet aanbod op tafel dat zodoende ook niet door [verweerder] kon worden aanvaard – en dat ook nog eens niet op tijd. Was dat op zodanige wijze te wijten aan [verweerder], dat [verzoekster] een beroep toekwam op het studiekostenbeding? – zo zou je de redeneertrant van het hof kunnen samenvatten. Antwoord van het hof: nee, dat was niet zo, omdat [verzoekster] zich niet voldoende en niet tijdig heeft gekweten van haar verplichting om dat eventuele medewerkerschap handen en voeten te geven. In dat licht moet naar ik meen het passeren van het bewijsaanbod worden gezien en dan heeft het hof dat zo kunnen doen.

2.32

Voor de volledigheid eerst een beschouwing van de bewijsaanbiedingen van [verzoekster] in eerste aanleg. Bij inleidende dagvaarding onder 2.8 bood [verzoekster] (getuigen)bewijs aan dat [verweerder] het initiatief heeft genomen tot beëindiging van de stage-overeenkomst en heeft afgezien van het aanbod om als advocaat-medewerker te worden aangesteld. In 4.5 van die dagvaarding volgt het bewijsaanbod dat tijdens een diner in december 2009 is gesproken over aanstelling van [verweerder] als advocaat-medewerker en de daaraan verbonden arbeidsvoorwaarden. In 8.1 van die dagvaarding volgt het bewijsaanbod dat [verweerder] bekend was met de financiële consequenties van het studiekostenbeding en andermaal dat [verzoekster] [verweerder] heeft aangeboden om te worden aangesteld als advocaat medewerker. Nauwkeurige beschouwing vanuit het in 2.30 geschetste uitgangspunt leert dat dit alles te weinig concreet is, omdat het erom gaat of en hoe concreet dit is gebeurd minimaal een half jaar voor einde stage. Dat is ook de teneur van de stelling van [verweerder] bij antwoord in eerste aanleg onder 17: Er staat nergens in de dagvaarding dat [verweerder] vóór 20 december 2009 is gevraagd om als advocaat-medewerker in dienst te treden, welke arbeidsvoorwaarden zijn aangeboden en wat daarop door [verweerder] is geantwoord. [verzoekster] heeft volgens [verweerder] slechts “verwacht” dat [verweerder] medewerker zou worden, maar dat is onvoldoende. Dit zou je vrij kunnen vertalen met: Hetgeen [verzoekster] aanvoert was een onvoldoende concreet aanbod om door [verweerder] te kunnen worden aanvaard. Bij repliek onder 59 herhaalt [verzoekster] nog eens een deel van zijn bewijsaanbod voor zover hier aan de orde. De kantonrechter komt daar niet aan toe.

2.33

Dan volgt appel. Bij MvG onder 17 doet [verzoekster] het bewijsaanbod dat is beëindigd door [verweerder] en dat tijdens de stageperiode uitdrukkelijk is besproken dat [verweerder] als advocaat-medewerker zou worden aangesteld en dat [verweerder] dit aanbod van de hand heeft gewezen.

2.34 (

Ook) dat kon het hof irrelevant beschouwen, (andermaal) omdat onvoldoende concreet wordt aangeboden dat dit voor de deadline van een half jaar voor het einde van de stage zich heeft afgespeeld en daar gaat het volgens het hof om. Dus opnieuw: onvoldoende concreet en daarom niet relevant.

2.35

Voor het bij grieven onder 33 gedane bewijsaanbod geldt dat ook: Dat [verweerder] zich positief zou hebben uitgelaten tegenover medewerkers van [verzoekster] omtrent voortzetting van zijn dienstverband als advocaat-medewerker is onvoldoende concreet en dus niet relevant in meerbesproken zin.

2.36

Bij grieven onder 93 volgt een herhaling van de bewijsaanbiedingen uit de eerste aanleg: dat [verweerder] het initiatief tot beëindiging van de stageovereenkomst heeft genomen en dat hij heeft afgezien van het aanbod om als advocaat-medewerker te worden aangesteld. Onder 94 wordt te bewijzen aangeboden dat tijdens het diner in december 2009 is gesproken over arbeidsvoorwaarden van [verweerder] als advocaat medewerker en onder 101 dat hij zich tegenover een externe coach in november 2009 heeft uitgelaten dat hij ervan uitging dat hij medewerker kon blijven. Daarvan is allemaal te zeggen dat als van (doorslaggevend) belang wordt geacht of de patroon tijdig aan de Ordeverplichting heeft voldaan tot het uiterlijk een half jaar voor einde stage voldoende concreet aankaarten van een opvolgend medewerkerschap, de betreffende bewijsaanbiedingen dat aspect (met name van de tijdigheid) niet voldoende concreet aankaarten, zodat deze door het hof inderdaad niet relevant konden worden bevonden. Daarop strandt zowel de rechts- als de motiveringsklacht van onderdeel D.

Klacht E

2.37

Onderdeel E omvat geen zelfstandige cassatieklacht en kan niet tot cassatie leiden nu de voorgaande klachten niet slagen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Zoals vastgesteld door de rechtbank in het vonnis d.d. 22 juni 2011 in rov. 2.1 – 2.4 en in hoger beroep deels anders verwoord overgenomen in rov. 4.1.

2 Literatuur hierover: Grapperhaus, Tolheffing bij einde dienstverband, pogingen van de werkgever om een vergoeding te krijgen voor door de vertrekkende werknemer opgedane kennis, ervaring en vaardigheden, SMA 1996, pp. 398-407, m.n. pp. 405-407, Allegro, Studiekosten: wie betaalt de rekening bij einde dienstverband?, ArbeidsRecht 2000, 30, Van Aalst, Het studiekostenbeding nogmaals bestudeerd, ArbeidsRecht 2004, 4, Keizer in: Heerma van Voss (red.), Scholing in het sociaal recht: Scholing, arbeid en overeenkomst, 2008, pp. 69-97, m.n. nr. 3.4, het studiekostenbeding (pp. 87—94), Vegter, Bedingen inzake studiekosten, JAR Verklaard 2009/3, pp. 7-8, Loonstra & Zondag, Arbeidsrechtelijke themata, 2010, hoofdstuk 7, Bijzondere bedingen, nr. 7.5.3, Het studiekostenbeding, pp. 229-233, Zekic, Het studiekostenbeding – tijd voor een wettelijke regeling, TRA 2010, 35, Bouwens & Duk, Van der Grinten Arbeidsovereenkomstenrecht, 23e druk, 2011, pp. 77-78, Rote, Het studiekostenbeding, ArbeidsRecht 2011/58, Even & Boot in: Even, Houweling e.a. (red.), Arbeidsrechtelijke bedingen, themabundel TAP 2012: Studiekostenbeding: een hebbeding of onding?, pp. 177-204, Van Gent 2013, Sdu Commentaar Arbeidsrecht, 650 BW Boek 7, C.4 (studiekostenbeding) en D.4 (studiekostenbeding).

3 Even & Boot, a.w. nt 2, pp. 177 en 179 en Van Gent, a.w. nt. 2, C.4.

4 Deze criteria zijn bevestigd in HR 5 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5616, NJ 1987, 795 (Muller/Van Opzeeland II).

5 Hof ’s-Gravenhage 17 februari 2009, ECLI:NL:2009:GHSGR:BI3317, Hof Arnhem 8 maart 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ1355, Hof ’s-Gravenhage 22 maart 2011, ECLI:NL:2011: GHSGR:BQ3253, JAR 2011, 150, Ktr Tilburg, 23 maart 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BP9634, JAR 2011, 124, Ktr. Leeuwarden 25 mei 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ6198 en Ktr. Haarlem 4 juli 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BX2993 achten deze voorwaarden niet van toepassing op studiekosten in enge zin, de overige getraceerde lagere rechtspraak wel, vgl. Van Gent, a.w. nt 2, C.4 en de overige rechtspraak genoemd in D.4. In C.4 staat een korte weergave van de discussie in de literatuur.

6 A.w. nt. 2, p. 204.

7 A.w. nt. 2, p. 233, dat instemmend lijkt te worden aangehaald door Van Gent, a.w. nt. 2, C.4 p. 869. Even & Boot, a.w. nt. 2 achten de argumenten pro of contra terugvordering voor beide categorieën vaak gelijkelijk opgaan, met dien verstande dat terugvorderen van loon eerder ontoelaatbaar moet worden geacht.

8 A.w. nt. 2, p. 189.

9 A.w. nt. 2

10 A.w. nt 2

11 Hof ’s-Gravenhage 17 februari 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3317 en 22 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ3253 (ook met betrekking tot een advocaat-stagiaire).

12 A.w. nt. 2.

13 Vgl. de door Van Gent, a.w. nt. 2, C.4 noten 69 en 70 genoemde rechtspraak.

14 MvG 10: “[verzoekster] heeft zich dit voorafgaand aan deze procedure niet gerealiseerd”, MvA 16: “Het eerste beroep van [verzoekster] op art. 7:668a BW is dan ook pas gedaan (…) d.d. 29 september 2010, derhalve acht maanden nadat partijen uit elkaar zijn gegaan.” En MvA 17: “[verzoekster] heeft daarmee erkend dat tussen december 2009 en februari 2010 geen van de partijen enige rekenschap (…) aan art. 7:668a BW heeft gegeven. In die periode zijn partijen er van uit gegaan dat het contract dat zij voor bepaalde tijd (de duur van de stage) hadden gesloten, van rechtswege was geëindigd. [verweerder] heeft zulks precies met zoveel woorden op 27 december 2009 ook aan [verzoekster] meegedeeld. [verzoekster] heeft op dat moment niet geprotesteerd of anderszins kenbaar gemaakt een andere kijk op zaken te hebben gehad. [verzoekster] heeft bijvoorbeeld niet gesteld dat er een contract voor onbepaalde tijd gold en heeft ook niet gesteld dat opzegging vereist was.”

15 Prod. 1 akte tevens houdende overlegging producties van 9 juni 2010 uit de eerste aanleg. Dit artikel luidt: “Beide partijen verbinden zich ten opzichte van elkaar te houden aan de bepalingen van de Advocatenwet en alle op grond van die wet vastgestelde verordeningen.”

16 Ook [verweerder] acht niet nakoming van deze verplichting getuigen van slecht werkgeverschap, zie cvd 30/31.

17 Inleidende dagvaarding 1.8, onbestreden.

18 Bouwens & Duk, Van der Grinten Arbeidsovereenkomstenrecht 23e druk 2011, hoofdstuk 23 met verdere verwijzingen, Duk, De Hoge Raad en het ontslag met wederzijds goedvinden, TRA 2012-4, pp. 5-10.

19 Cva onder B, 30 e.v., waarin het gaat over het “met wederzijdse instemming” beëindigen van zowel de stage-overeenkomst voor bepaalde tijd als het “uitwerkcontract” voor bepaalde tijd en voorts refereert [verweerder] zijdelings aan deze beëindigingsvorm bij zijn argumentatie dat het studiekostenbeding nietig zou zijn wegens strijd met het duidelijkheidsvereiste uit het Van Opzeeland-arrest (vgl. bijv. cva 65).

20 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 103.

21 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 109.

22 Zie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 122.

23 Bij schriftelijke toelichting onder 29 voert [verzoekster] nog aan dat een in een overeenkomst van onbepaalde tijd geconverteerde overeenkomst alleen kan eindigen door opzegging, onder 33 wordt daarop aangevuld: en door ontbinding. Dat ziet over het hoofd dat dat ook kan met wederzijdse instemming, waarvan hier volgens mij sprake is, vgl. hiervoor onder 2.16.

24 Onder nr. 57 MvG tevens houdende vermeerdering van eis d.d. 29 november 2011.

25 Bij schriftelijke toelichting is dit nader uitgewerkt onder 40 en 41.

26 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/209.

27 HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005, 270.