Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1100

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-10-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
12/05098
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1886, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Aansprakelijkheid tussenpersoon bij aanvraag hypotheek. Mocht tussenpersoon vertrouwen op bevoegdheid van bankmedewerker bij behandeling hypotheekaanvraag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/572
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 12/05098

Roldatum: 18 oktober 2013

mr. Wuisman

CONCLUSIE inzake:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROYAL FOOD B.V.,

2. de vennootschap onder firma BOMBAY PALACE V.O.F.,

3. [eiser 3],

eisers tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes,

tegen:

[verweerder],

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:(1)

(i) Op 19 juni 2003 heeft eiseres tot cassatie onder 1 (hierna: Royal Food) voor een koopsom van € 788.750,- het perceel met opstal gelegen aan [a-straat] 17, 18 en 19 te Arnhem gekocht van Gre Properties XX B.V. In de schriftelijke vastlegging van die overeenkomst van 10 juli 2003 is een financieringsvoorbehoud opgenomen dat - na verlenging - gold tot 23 juli 2003 te 12.00 uur.

(ii) Verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]), die bemiddelde bij de verkrijging van een hypothecaire lening ter financiering van de koopprijs, heeft bij het rayonkantoor te Almere Stad van de SNS Bank N.V. (hierna: de Bank) een financieringsaanvraag op naam van eiser tot cassatie onder 3 (hierna: [eiser 3]) en diens echtgenote ingediend.

(iii) Op 23 juli 2003 heeft [verweerder] naar [betrokkene], een medewerker op het rayonkantoor van de Bank, een e-mailbericht verzonden, waarin eerstgenoemde de telefonische mededeling van laatstgenoemde bevestigt dat fiat is verleend voor de verlangde hypothecaire lening. Dit bericht heeft [verweerder] in kopie doorgestuurd naar de makelaar van de verkoper, die dezelfde dag nog (het doorgaan van de) koop heeft bevestigd.

(iv) Op 1 september 2003, de geplande datum voor het transport, bleek echter de financiering toch niet rond te zijn.

1.2 Op 11 en 16 februari 2004 hebben eisers tot cassatie (hierna: [eisers]) [verweerder] en de Bank gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht en een verklaring voor recht gevorderd dat zij jegens [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hen geleden schade ten gevolge van het niet doorgaan van de financiering alsmede veroordeling van hen tot vergoeding van die schade, voor zover nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Zij hebben verder verzocht [verweerder] en de Bank te veroordelen tot betaling van een voorschot op de geleden schade van € 500.000,-. Aan hun vorderingen hebben [eisers], wat [verweerder] betreft, ten grondslag gelegd dat hij onzorgvuldig jegens hen heeft gehandeld door bij [eiser 3] de indruk te wekken dat de financiering op 23 juli 2003 rond was terwijl dit niet het geval bleek te zijn, en wat de Bank betreft, dat zij is tekortgeschoten in haar verplichting om de financiering aan [eiser 3] te verstrekken, welke verplichting voortvloeit uit de tussen [eiser 3] en de Bank tot stand gekomen overeenkomst, althans uit de toezegging van de Bank aan [verweerder], en daarmee aan [eiser 3], dat de financiering zou worden verstrekt.

[verweerder] en de Bank hebben afzonderlijk verweer gevoerd.(2)

1.3 Bij vonnis d.d. 23 november 2005 heeft de rechtbank de vorderingen van [eisers] tegen de Bank toegewezen en die tegen [verweerder] afgewezen.

1.4 De Bank en [eisers] hebben hoger beroep bij het hof Amsterdam ingesteld.

1.5 In de appelprocedure tussen de Bank en [eisers] heeft het hof na het horen van getuigen bij eindarrest van 23 februari 2010 het vonnis van de rechtbank van 23 november 2005, voor zover op de Bank betrekking hebbend, vernietigd en de vorderingen tegen de Bank alsnog afgewezen. Het hof acht de Bank geslaagd in het bewijs dat haar medewerker [betrokkene] niet bevoegd was om op 23 juli 2003 het fiat op de financieringsaanvraag te geven en dat [verweerder] hiermee bekend was.

1.6 In de appelprocedure tussen [eisers] en [verweerder], welke procedure enige tijd is aangehouden, heeft het hof uitspraak gedaan bij arrest van 13 september 2011. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank van 23 november 2003, voor zover op [verweerder] betrekking hebbend, bekrachtigd. Uitgaande van de veronderstelling dat [betrokkene] op 23 juli 2003 niet bevoegd was het fiat op de financieringsaanvraag te geven, oordeelt het hof, mede op basis van het in de procedure tussen [eisers] en de Bank verkregen bewijsmateriaal: “dat [verweerder] op de mededeling van [betrokkene] van 23 juli 2003 – er wordt inzake de financieringsaanvraag van [eisers] een offerte uitgebracht – mocht afgaan, temeer nu hij eerdergenoemd e-mailbericht van 23 juli 2003 aan [betrokkene], inhoudende een bevestiging van de mededeling dat op de aanvraag van [eisers] fiat is verleend ook aan de ISD(3) in kopie had gestuurd en daarop noch door [betrokkene] c.q. het rayonkantoor Almere Stad, noch door de ISD is gereageerd/[verweerder] kenbaar is gemaakt dat de inhoud van het e-mailbericht onjuist was.”

1.7 Tegen het arrest van 13 september 2011 hebben [eisers] op 13 december 2011 – en daarmee tijdig – beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eisers] hebben gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Er is een klacht voorgedragen die zich als volgt laat samenvatten. Het hof heeft de vraag of [verweerder] heeft mogen vertrouwen op de uitlating van [betrokkene] op 23 juli 2003 dat de Bank akkoord was met de financieringsaanvraag van [eiser 3] niet op de juiste grondslag beoordeeld. [betrokkene] had wel een bevoegdheid om financieringsaanvragen te fiatteren, maar die bevoegdheid strekte zich niet uit tot aanvragen van een financiering ter grootte van € 770.000,-. De beoordeling van een dergelijke financieringsaanvraag geschiedde binnen de Bank op een hoger niveau. [verweerder], die hiervan afwist, had dan ook niet mogen volstaan met zich te verlaten op een mededeling van [betrokkene], maar had dienen te verifiëren of de verlangde financiering ook werkelijk de instemming had van het hogere niveau binnen de Bank.

2.2

De klacht faalt. Het hof onderzoekt of [verweerder], ook indien [betrokkene] binnen de Bank niet de bevoegdheid zou hebben gehad om het fiat te geven ter zake van de aanvraag van [eisers], toch mocht afgaan op een mededeling van [betrokkene] dat de Bank akkoord was met de aanvraag. Die vraag beantwoordt het hof bevestigend op grond van wat het hof uit getuigenverklaringen is gebleken omtrent de communicatie naar buiten met betrekking tot gefiatteerde offertes. Zo merkt het hof in rov. 3.9.3 op: “Naar aanleiding van een hypotheekaanvraag werd een offerte door een medewerker van de bank gemaakt die door een ander moest worden gefiatteerd. Gefiatteerde offertes werden door medewerkers van de SNS Bank ter kennis gebracht van de klanten. Dat behoorde tot het werk van [betrokkene]”. Daarop laat het hof in rov. 3.9.4 volgen: “Het hof is van oordeel dat uit deze verklaringen – in onderling verband en samenhang beschouwd – kan worden afgeleid dat [betrokkene] voor [verweerder] de contactpersoon bij de SNS Bank was en dat [betrokkene] [verweerder] informeerde over de gefiatteerde offertes, uitgebracht naar aanleiding van door [verweerder] ingediende financieringsaanvragen. [verweerder] mocht dan ook in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, afgaan op de mededelingen van [betrokkene].” Het hof onderzoekt nog of een en ander ook opgaat voor de periode na medio februari 2003. Vanaf dat tijdstip behoorden immers alle hypotheekaanvragen niet meer naar rayonkantoren te worden gestuurd maar naar de ISD. [verweerder] was daarvan op de hoogte. Op grond van wat uit verklaringen over de gang van zaken betreffende hypotheekaanvragen na februari 2003 blijkt, concludeert het hof in rov. 3.10.3 evenwel: “(…) dat [verweerder] ervan heeft kunnen en mogen uitgaan dat inzake de financieringsaanvraag van [eisers] het rayonkantoor Almere Stad bevoegd was. Dat brengt mee, gelet op het hiervoor onder 3.9.4 overwogene en het feit dat de financieringsaanvraag van [eisers] een rayonaffaire was, dat [verweerder] op de mededeling van Willems van 23 juli 2003 – er wordt inzake de financieringsaanvraag van [eisers] een offerte uitgebracht – mocht afgaan, temeer nu hij eerdergenoemd e-mailbericht van 23 juli 2003 aan [betrokkene], inhoudende een bevestiging van de mededeling dat op de aanvraag van [eisers] fiat is verleend ook aan de ISD in kopie had gestuurd en daarop noch door [betrokkene] c.q. het rayonkantoor Almere Stad, noch door de ISD is gereageerd/[verweerder] kenbaar is gemaakt dat de inhoud van het e-mailbericht onjuist was.” Een en ander voert het hof tot de slotsom dat [verweerder] op de uitlating van 23 juli 2003 van [betrokkene] heeft mogen afgaan en door dat te doen – en niet nog nader onderzoek naar het akkoord van de Bank te doen – niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Deze slotsom is in het licht van de eerdere vaststellingen van het hof op basis van de getuigenverklaringen niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing komt die slotsom in cassatie niet in aanmerking, omdat zij en de gronden waarop zij rust een geheel van oordelen van feitelijke aard vormen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . Zie rov. 3.1 van het arrest van het hof Amsterdam van 13 september 2011.

2 . Volledigheidshalve wordt vermeld dat de Bank een vrijwaringsprocedure tegen [verweerder] is gestart, waarin de Bank vordert [verweerder] te veroordelen om aan de Bank al datgene te betalen waartoe zij in de hoofdzaak jegens [eisers] zou mogen worden veroordeeld.

3 . Deze afkorting staat voor ‘Intermediaire Servicedesk’, een aparte afdeling binnen de SNS Bank die zich vanaf medio februari 2003 zou gaan bezighouden met het beoordelen van financieringsaanvragen.