Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:110

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-03-2013
Datum publicatie
23-07-2013
Zaaknummer
12/03673
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:69, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wijziging tll en ‘hetzelfde feit’. Art. 313 Sv, art. 68 Sr, art. 21, aanhef en onder a, RVV 1990 en art 181.1 WVW 1994. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BM9102. Wijziging van een oorspronkelijk op art. 21, aanhef en onder a, RVV 1990 toegesneden tll. in een op art. 181.1 WVW1994 toegesneden tll. is niet toegestaan. Zowel het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen is dermate groot dat geen sprake kan zijn van ‘hetzelfde’ feit i.d.z.v. art. 68 Sr. Een andere opvatting zou onvoldoende recht doen aan de regeling van de bijzondere excepties in het tweede en derde lid van art. 181 WVW 1994 indien het in het eerste lid omschreven feit eerst bij de behandeling van de tlgd. verkeersovertreding ttz. in e.a. of in h.b. op de wijze als voorzien in art. 313 Sv alsnog aan de tll. zou worden toegevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/79 met annotatie van J.W. van der Hulst
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03673

Zitting: 19 maart 2013

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens “overtreding van het bepaalde bij artikel 21, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,--, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf maanden.

2. Namens verdachte heeft mr. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam, zeven middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft miskend dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], op 24 januari 2008 te Ewijk op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A50, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 162 kilometer per uur terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was.”

5. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat wel bewezen is verklaard hoe snel de bestuurder ter plaatse heeft gereden maar niet wat ter plekke de maximumsnelheid was.

6. Art. 21 (oud) RVV 1990 luidt:

“Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

a. voor motorvoertuigen op autosnelwegen 120 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur;

b. (…)”

7. Art. 92 (oud) RVV 1990 luidt:

“1. Overtreding van de artikelen 3 tot en met 12, 14 tot en met 27, 31 tot en met 43, 45, 46, 49 tot en met 61b, 62, met uitzondering van verkeersbord C22 van bijlage 1, 68, zesde lid, 74, tweede lid, 82, 83 en 86b is een strafbaar feit.

2. Bij de veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.”

8. Uit deze bepalingen, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt, dat tot de bestanddelen van het in deze bepalingen vervatte strafbaar feit behoort dat sneller is gereden dan ter plaatse geoorloofd was. Kern van het in deze bepalingen vervatte strafbaar feit is immers dat een van de gedragsregels van het RVV 1990 is geschonden, dus dat sneller is gereden dan ter plaatse is toegestaan.

9. In de onderhavige bewezenverklaring is niet met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat sneller is gereden dan ter plaatse is toegestaan. Tot vernietiging van het arrest van het Hof lijkt dit op het eerste gezicht niet behoeven te leiden. Zoals de art. 20 e.v. (oud) RVV 1990 laten zien was het destijds in Nederland nergens toegestaan op de weg sneller te rijden dan 120 km/u. Dit betekent dat in de bewezenverklaring, die immers inhoudt dat de bestuurder op de weg heeft gereden met een snelheid van 162 km/h, besloten ligt dat de bestuurder sneller heeft gereden dan (waar dan ook) was toegestaan.

10. Het bewezenverklaarde feit is gepleegd in het jaar 2008. Toen hield art. 21, aanhef en onder a, RVV 1990 nog in dat op autosnelwegen een maximumsnelheid gold van 120 km/h en niet, zoals thans, een maximumsnelheid van 130 km/h. Van enig gewijzigd inzicht1 in de strafbaarheid van de onderhavige overtreding van de maximumsnelheid geeft die wetswijziging geen blijk.2 Die wetswijziging kan hier dus buiten beschouwing blijven.

11. Tegenover het feit dat in de bewezenverklaring besloten ligt dat de bestuurder sneller heeft gereden dan (waar dan ook) was toegestaan, staat echter dat uit de bewezenverklaring niet kan worden opgemaakt welke gedragsregel is overtreden. Reed de bestuurder op een autosnelweg dan gold (toen) een maximumsnelheid van 120 km/h (art. 21 (oud) RVV 1990), reed hij op een autoweg dan was de maximumsnelheid 100 km/h, reed hij buiten de bebouwde kom dan gold een maximumsnelheid van 80 km/h (art. 21 (oud) RVV 1990), reed hij in de bebouwde kom dan was de maximumsnelheid van 50 km/h (art. 20 (oud) RVV1990). Verder is ook nog mogelijk dat ter plaatse door borden een andere maximumsnelheid was aangegeven bij overschrijding waarvan de verdachte zich schuldig zou maken aan overtreding van art. 62 RVV 1990, inhoudende dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Dat verkeersteken zou dan kunnen zijn bord A1 van bijlage I RVV 1990 “maximumsnelheid”.

12. Naar mijn mening kan het onderhavige gebrek niet worden verholpen door in aanmerking te nemen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de plaats waar de verdachte ten tijde van de overtreding reed een autosnelweg was. De bestanddelen van een strafbaar feit dienen te blijken uit de bewezenverklaring, niet (louter) uit de bewijsmiddelen.

13. Het middel slaagt.

14. Het tweede middel houdt in dat het Hof door de vordering tot wijziging van de tenlastelegging te honoreren, heeft miskend dat door die wijziging de tenlastelegging een ander feit ging betreffen in de zin van art. 68 Sr dan het feit dat de verdachte oorspronkelijk was tenlastegelegd, alsmede dat die wijziging betekent dat de bescherming die art. 181 lid 3 WVW 1994 aan de verdachte biedt geen reële betekenis kon hebben.

15. De tenlastelegging luidde oorspronkelijk:

“hij op of omstreeks 24 januari 2008 te Ewijk, gemeente Beuningen, buiten de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, De Rijksweg A50, welke weg als autosnelweg was aangeduid, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 162 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 120 kilometer per uur met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden”

16. Na wijziging luidt de tenlastelegging dat:

“een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], op of omstreeks 24 januari 2008 te Ewijk, in de gemeente Beuningen, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A50, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 162 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 120 kilometer per uur met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden, terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was;

Subsidiair (indien ter zake van het voren staande geen veroordeling zou volgen):

hij op of omstreeks 24 januari 2008 te Ewijk, gemeente Beuningen, buiten de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, De Rijksweg A50, welke weg als autosnelweg was aangeduid, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 162 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 120 kilometer per uur met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden.”

17. Het proces-verbaal van de terechtzitting 10 februari 2011 houdt met betrekking tot deze wijziging in:

“De advocaat-generaal is van oordeel dat de tenlastelegging behoort te worden gewijzigd en legt de op schrift gestelde wijziging aan het hof over en vordert dat die wijziging zal worden toegelaten.

De raadsman verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

lk maak bezwaar tegen de wijziging, want deze geschiedt in een laat stadium van de procedure en het betreft niet hetzelfde feit. Het tenlastegelegde waarover de kantonrechter heeft beslist, betreft schuldaansprakelijkheid en deze ruimere tenlastelegging betreft risicoaansprakelijkheid. Dit is ontoelaatbaar.

De advocaat-generaal merkt -zakelijk weergegeven- op:

Ik ben het niet eens met de raadsman. De wijziging van de tenlastelegging is niet ontoelaatbaar, want het blijft hetzelfde feit.

Het hof wijst, gehoord de advocaat-generaal, verdachte en de raadsman, de vordering toe. De vordering blijft binnen de door de wet en de rechtspraak geschapen grenzen en betreft hetzelfde feitencomplex.”

18. Met betrekking tot bedoelde wijziging houdt het arrest van het Hof in:

“Voor zover is aangevoerd dat de vordering wijziging tenlastelegging zoals deze is toegewezen ter terechtzitting van dit hof op 10 februari 2011 niet had mogen worden toegewezen, wordt overwogen dat de wijziging valt binnen de door artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht gestelde grenzen. Na de wijziging, waarbij kort gezegd de hiervoor weergegeven primaire tenlastegelegging werd toegevoegd, werd verdachte nog steeds een snelheidsovertreding op de in de tenlastelegging genoemde tijd en plaats verweten. Het door de raadsman aangehaalde vierde lid van artikel 181 van de Wegenverkeerswet 1994 stelt eisen aan de dagvaarding. Daarvan was bij de voorliggende gang van zaken geen sprake. Verdachte is wel ter terechtzitting uitvoering in de gelegenheid gesteld aan te geven wie er dan wel op genoemde tijd en plaats gereden had in zijn voertuig.”

19. De wijziging van de tenlastelegging komt hierop neer dat verdachte aanvankelijk werd verweten dat hij sneller had gereden dan ter plaatse was toegestaan, terwijl de tenlastelegging na wijziging de verdachte verwijt dat een onbekend gebleven bestuurder van een personenauto waarvan het kenteken staat op naam van verdachte, een snelheidsovertreding heeft begaan. De tenlastelegging was dus oorspronkelijk toegespitst op het bepaalde in art. 21 (oud) RVV 1990, na wijziging is deze gebaseerd op art. 181 lid 1 WVW 1994 jo. art 21 (oud) RVV 1990.

20. Art. 313 lid 2 Sv houdt in dat een wijziging van de tenlastelegging niet wordt toegelaten wanneer het gevolg daarvan is dat de tenlastelegging niet langer hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr zou inhouden. Omtrent het begrip “hetzelfde feit” als bedoeld in art. 68 Sr overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 1 februari 2011, LJN BM9102, NJ 2011, 394 m.nt. Y. Buruma:

“2.2.3. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een wijziging van de tenlastelegging is volgens bestendige jurisprudentie de aan te leggen maatstaf of de in de aanvankelijke tenlastelegging omschreven gedraging hetzelfde feit in de zin van art. 313, tweede lid, Sv in verbinding met art. 68 Sr vormt als de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven gedraging. Bij toepassing van die maatstaf dient - aldus onder meer HR 16 oktober 2007, LJN BA5833, NJ 2008/127 - te worden onderzocht:
(i) of de verwantschap tussen de verschillende delictsomschrijvingen waarop de oorspronkelijke tenlastelegging en de wijziging daarvan zijn toegesneden, mede in aanmerking genomen of de strekking van de verschillende delictsomschrijvingen niet wezenlijk uiteenloopt, van zodanige aard is, en tevens
(ii) of de in die oorspronkelijke tenlastelegging en de wijziging daarvan verweten gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van die gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat de gedachte achter de in art. 313, tweede lid, Sv opgenomen beperking, die naar art. 68 Sr verwijst, meebrengt dat de gevorderde wijziging toelaatbaar is.
(…)

Verduidelijking van de toetsingsmaatstaf

2.8. Hieronder zal de Hoge Raad de door hem ontwikkelde toetsingsmaatstaf verduidelijken. Inhoudelijk is daarmee geen verandering beoogd. Ook gelet op de Europese rechtspraak acht de Hoge Raad voor een inhoudelijke verandering geen grond aanwezig. Van de Nederlandse maatstaf kan immers niet worden gezegd dat deze teveel nadruk legt op de toetsing van juridische elementen (vgl. rov. 81 van de hiervoor onder 2.7.2 aangehaalde uitspraak van het EHRM), terwijl deze maatstaf voldoende ruimte laat aan wat wel wordt aangeduid als de feitelijke component. Daarbij verdient opmerking dat ook de criteria die in de Europese rechtspraak worden gehanteerd, ("onlosmakelijk met elkaar verbonden" onderscheidenlijk "facts which are substantially the same"), niet als louter feitelijk kunnen worden aangemerkt, en dat de Hoge Raad van oordeel is dat in de Nederlandse rechtspraak destijds op goede gronden afstand is genomen van een louter feitelijk criterium omdat het aanleggen van zo'n maatstaf kan leiden tot onaanvaardbare uitkomsten (vgl. bijv. HR 27 juni 1932, NJ 1932, p. 1659 e.v.).

2.9.1. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit", dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten, en in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken.
Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Indien de tenlasteleggingen respectievelijk de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

2.9.2. Opmerking verdient dat reeds uit de bewoordingen van het begrip "hetzelfde feit" voortvloeit dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr.”3

21. Aan art. 181 WVW 1994 is voorafgegaan art. 40 WVW (oud). Deze bepaling luidde oorspronkelijk:

“1. Voorzoover bij deze wet of den in artikel 2 bedoelden algemeenen maatregel van bestuur de eigenaar of houder van een motorrijtuig niet reeds naast den bestuurder voor overtreding van de daarin vervatte strafbepalingen aansprakelijk is gesteld, zal die eigenaar of houder op gelijke wijze aansprakelijk zijn voor de door den bestuurder van een motorrijtuig gepleegde overtreding van de tegen dezen als zoodanig gerichte strafbepalingen, vervat in die wet en dien algemeenen maatregel van bestuur, tenzij bekend is, wie de bestuurder is, of wel deze op de eerste aanmaning van den betrokken ambtenaar van het Openbaar Ministerie binnen een daarbij te stellen termijn door den eigenaar of houder is bekend gemaakt.

2. Het bepaalde bij het eerste lid geldt slechts dan niet, wanneer door den eigenaar of houder van het motorrijtuig aannemelijk wordt gemaakt, dat van dat rijtuig tegen zijn wil is gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijze niet heeft kunnen beletten.”

Ten aanzien van de juridische aard van deze bepaling overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 21 november 1972, NJ 1973, 123, m.nt. C.B, VR 1973, 127:

“dat (…) de in dat artikel vervatte regeling, waarbij de wetgever kennelijk er van is uitgegaan dat op de eigenaar of houder van een motorrijtuig de plicht rust om zorg te dragen dat met dat motorrijtuig geen overtredingen van verkeersvoorschriften worden begaan welke bij gebreke van een bekende dader onbestraft blijven, hierop neerkomt dat op niet-nakoming van die verplichting door de eigenaar of houder dezelfde straf is gesteld als die welke is bedreigd tegen het strafbaar feit dat de onbekend gebleven bestuurder met het motorrijtuig heeft begaan.”

22. Art. 40 WVW (oud) werd uiteindelijk, na een hier niet ter zake doende wijziging bij Wet van 26 september 1974, Stb. 5464, opgevolgd door een gewijzigd art. 40 WVW (oud).5 Deze laatste bepaling luidde:

“1. Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor dat feit worden gestraft voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet, indien de eigenaar of houder:

a. binnen veertien dagen na daartoe door een der in artikel 42 bedoelde personen in de gelegenheid te zijn gesteld, de naam en het volledige adres van de bestuurder heeft bekend gemaakt;

b. uiterlijk op de dag vóór die der terechtzitting, schriftelijk en onder vermelding van de zaak en de dag der terechtzitting, de naam en het volledige adres van de bestuurder aan het openbaar ministerie bekend maakt;

c. tijdens de terechtzitting, dadelijk na de ondervraging bedoeld in artikel 278 van het Wetboek van Strafvordering, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;

d. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Op straffe van nietigheid wijst de dagvaarding op het in het tweede lid, onder b en c, bepaalde.
4. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt, tenzij anders blijkt, met betrekking tot een motorrijtuig dat is ingeschreven in het in artikel 20, eerste lid, onder f, bedoelde register van opgegeven kentekens, als eigenaar of houder beschouwd degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het feit in dat register was ingeschreven.”

Over de juridische aard van deze bepaling houdt de memorie van toelichting onder meer in:

“In het voetspoor van het eerder vermelde arrest van de Hoge Raad uit 1972 zou men van de eigenaar of houder van een motorrijtuig mogen verwachten, dat hij er toe medewerkt dat met zijn motorrijtuig geen strafbare feiten worden begaan welke bij gebreke van een bekende dader onbestraft blijven. Door het in het verkeer brengen en houden van het motorrijtuig draagt hij immers mede verantwoordelijkheid voor een deel van het algemene risico waaraan het verkeer een ieder blootstelt, en ter beteugeling waarvan onder andere het strafrecht wordt gehanteerd. Daarom mag van hem een zekere mate van zorg verwacht worden, niet alleen dat zijn motorrijtuig niet tegen zijn wil gebruik wordt, maar ook dat hij na redelijke tijd nog kan achterhalen wie ten tijde van het strafbare feit zijn motorrijtuig heeft gebruikt.”6

23. In de kern van de zaak is het huidige art. 181 WVW 1994 gelijkluidend aan laatstgenoemde vorm van art. 40 WVW (oud). Dit betekent dat de juridische aard van het huidige art. 181 WVW 1994 gelijk is aan laatstgenoemde vorm van art. 40 WVW (oud). Deze bestaat naar luid van de memorie van toelichting hierin dat de overtreder van deze bepaling wordt gestraft omdat hij is tekortgeschoten in naleving van de plicht zorg te dragen dat met het motorrijtuig, waarvan hij eigenaar of houder is, geen overtredingen van verkeersvoorschriften worden begaan welke bij gebreke van een bekende dader onbestraft blijven.

24. Zowel het in art. 21 (oud) jo 92 (oud) RVV 1992 vervatte verbod als de strafrechtelijk gesanctioneerde zorgplicht die besloten ligt in art. 181 WVW 1994 beogen de verkeersveiligheid te bevorderen en beschermen dus hetzelfde rechtsgoed. Op beide bepalingen staat dezelfde straf.7 Dit neemt niet weg dat beide strafbepalingen wezenlijk verschillen in juridische aard. Art. 21 (oud) jo 92 (oud) RVV 1992 legt op de bestuurder de verplichting niet sneller te rijden dan toegestaan is, terwijl art. 181 WVW 1994 op de eigenaar of houder van een motorrijtuig de verplichting legt ervoor zorg te dragen dat met dat motorrijtuig geen overtredingen van verkeersvoorschriften worden begaan.8 Dat verschil in juridisch karakter komt ook tot uitdrukking in het feit dat art. 21 (oud) jo 92 (oud) RVV 1992 zich richt tot de bestuurder van een motorrijtuig, en art. 181 WVW 1994 tot de eigenaar of houder van een motorrijtuig. Beide hoedanigheden kunnen samenvallen, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Die samenval wordt door de wet ook niet geëist.

25. Verschil in beschermd rechtsgoed tussen de beide bepalingen zou kunnen worden geconstrueerd9 door als rechtsgoed dat art. 21 (oud) RVV 1990 beschermt de verkeersveiligheid te zien, en als door art. 181 WVW 1994 beschermd rechtsgoed de strafrechtelijke handhaving van de overtreding van gedragsregels in het wegverkeer. Dit spreekt mij niet aan.10 Art. 181 WVW 1994 zou dan worden “losgezongen” van het feit dat dit artikel is geplaatst in de verkeerswetgeving, die zoals art. 2 WVW 1994 laat zien is gericht op bevordering van de veiligheid van het verkeer op de weg en niet op strafrechtelijke sanctionering van de op de Wegenverkeerswet gebaseerde gedragsregels, alsmede van de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis.

26. Ook qua tijd ligt het begaan van beide overtredingen uit elkaar. Pas wanneer de eigenaar of houder, overeenkomstig art. 181 lid 3 onder a WVW 1994 in de gelegenheid is gesteld geweest de bestuurder bekend te maken, deze niet bekend maakt, staat in beginsel vast dat hij niet aan de op hem rustende zorgplicht heeft voldaan. In beginsel, want ook ter terechtzitting kan hij de naam en het volledige adres van de bestuurder nog aan het openbaar ministerie bekendmaken (art. 181 lid 3 onder b WVW 1994).

27. Gelet op het hiervoor beschreven verschil in aard van de strafbare feiten, vervat in de tenlastelegging vóór respectievelijk ná wijziging, alsmede op het hiervoor gesignaleerde verschil tussen de oorspronkelijk tenlastegelegde gedraging en de na wijziging tenlastegelegde gedraging geeft het oordeel van het Hof dat de tenlastelegging na wijziging hetzelfde feit vormt in de zin van art. 68 Sr als de tenlastelegging voor wijziging blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip feit als bedoeld in art. 68 Sr.

28. Het verschil tussen beide feiten springt temeer in het oog wanneer wordt bedacht dat art. 181 lid 3 onder b WVW 1994 de eigenaar of houder de gelegenheid biedt uiterlijk op de dag vóór die van de terechtzitting de naam en het volledige adres van de bestuurder aan het openbaar ministerie bekend te maken. Op het moment dat de tenlastelegging wordt gewijzigd heeft hij die gelegenheid niet meer. Dan is de terechtzitting immers al aangevangen. Natuurlijk had de eigenaar of houder eigener beweging de naam van de bestuurder bekend kunnen maken, maar nu hij niet wegens nalatigheid de naam van de bestuurder bekend te maken werd vervolgd was daarvoor voor hem geen reden en kan hem dus niet voor de voeten worden geworpen dat hij de naam van de bestuurder niet bekend heeft gemaakt.

29. Zoals uit het voorgaande volgt bracht de wijziging van de tenlastelegging mee dat de verdachte realiter niet meer gebruik kon maken van de gelegenheid op de dag vóór die van de terechtzitting de naam en het volledige adres van de bestuurder aan het openbaar ministerie bekend te maken. Het Hof heeft dat proberen op te vangen door te overwegen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig in de gelegenheid is gesteld aan te geven wie er dan wel op genoemde tijd en plaats in zijn voertuig gereden had, maar dat is te laat om de verdachte de gelegenheid te geven op de voet van art. 181 lid 3 WVW 1994 bestraffing te voorkomen. Het middel klaagt daarover terecht.

30. Voor het overige kan het middel buiten bespreking blijven.

31. Het middel slaagt.

32. Alvorens de volgende middelen te bespreken merk ik op dat deze nopen tot een verdergaande doorbreking van de papieren muur dan doorgaans in cassatie gebruikelijk is. Dat komt omdat gevoerde verweren en de verwerping daarvan niet goed zijn te begrijpen wanneer van een aantal stukken, die de griffier van het Hof op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de griffier van de Hoge Raad heeft gezonden, geen kennis wordt genomen. Dit hangt samen met de aard van de bewezenverklaarde overtreding en de wijze waarop het bewijs daarvan pleegt te worden geleverd.

33. Het derde middel richt zich tegen hetgeen het Hof ter verwerping van een verweer heeft overwogen over de bruikbaarheid van het proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant] voor het bewijs.

34. Het middel doelt op hetgeen blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota als verweer is gevoerd:

“3. De foto’s bewijzen niets

(…)

De foto's in zaak 2 zijn zo mogelijk nog mysterieuzer. Ze tonen letterlijk niets meer dan twee lichtjes en daartussen een kentekenplaat [AA-00-BB]. Geen datum, geen snelheid, geen fotofilmnummer, geen apparaattype, etc etc: alle essentiële informatie ontbreekt volledig. Alleen hierom al dient vrijspraak te volgen. En natuurlijk ook vanwege het feit dat uit niets blijkt dat cliënt op dat moment de bestuurder van het voertuig was, terwijl hij zelf zeker weet op dat moment niet te hebben gereden, wederom gebaseerd op zijn kilometerregistratie.”

35. Het Hof heeft met betrekking tot de bruikbaarheid van bedoeld proces-verbaal voor het bewijs overwogen:

Voorafgaand aan de overige verweren

In het dossier bevindt zich een op ambstbelofte opgemaakt proces-verbaal van 14 mei 2008 waarin wordt vermeld dat met “een op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter" een

overeenkomstig de aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van procureurs-generaal reg.nr A 2006A008" gecorrigeerde werkelijke snelheid is vastgesteld van 162 km per uur bij een ter plaatse toegestane snelheid van 120 kilometer per uur. In het proces-verbaal wordt voorts vermeld dat de overtreding is begaan met het op naam van verdachte geregistreerde voertuig met het kenteken [AA-00-BB].

Dit is een volwaardig bewijsmiddel dat de conclusie dat, kort gezegd, de snelheidsmeting op een juiste wijze is geschied kan dragen. Gegeven de hiervoor tussen aanhalingstekens weergegeven passages uit het proces-verbaal kan met name de conclusie getrokken worden dat

- de radarsnelheidsmeter voldeed aan de daaraan te stellen eisen,

- de bedienaar bevoegd was de radarsnelheidsmeter te bedienen,

- bij de snelheidsmeting de daarvoor geldende voorschriften, bijvoorbeeld de minimale afstand tussen gebod en meetlocatie, in acht zijn genomen en

- de correctietabel op een voor de betreffende radarsnelheidsmeter juiste wijze is toegepast.

Door de verdediging zijn in de loop van de procedure een aantal verzoeken gedaan om onderliggende stukken aan het dossier te voegen zoals:

- een ijkrapport,

- lograpporten over het gebruik van de apparatuur na ijking

- stukken betreffende de certificering van de bedienaar

Vooropgesteld moet worden dat het niet aanwezig zijn van die stukken geen formeel beletsel oplevert voor het bezigen tot bewijs van het bedoelde proces-verbaal in de hiervoor weergegeven in.

Wel kan het zo zijn dat door of namens verdachte feiten en omstandigheden aangedragen worden die de bewijswaarde van het proces-verbaal aantasten, of dat die feiten en omstandigheden anderszins aannemelijk worden.

Daarvan is in de onderhavige zaak geen spraken. Inhoudelijk is door en namens verdachte slechts gesteld dat verdachte niet gereden heeft. Het hof verdachte daarin overigens volgen.

De overige verweren betreffen vraagpunten die gissenderwijs aan de orde stellen wat er zoal mis kan gaan bij een snelheidsmeting. Feiten en omstandigheden die de bewijswaarde van het voormelde proces-verbaal aantasten zijn niet aangedragen en ook overigens niet aannemelijk geworden.

Ook de stukken die op verzoek van de verdediging aan het dossier zijn toegevoegd leveren niet een begin van de vereiste aannemelijkheid op. Integendeel. In het voornoemd proces-verbaal wordt als ijkdatum van de apparatuur vermeld 23 mei 2007. Aan het dossier is toegevoegd een ijkrapport van 23 mei 2007 en een formulier “statiefcontrole EVT” van een meting op de A50 op de datum, tijd en plaats vermeld in bedoeld proces-verbaal waarbij opnieuw als “ijkdatum” is weergegeven 23 mei 2007. Aan de raadsman kan worden toegegeven dat de “chain of evidence” tussen deze stukken en het proces-verbaal niet sluitend is. Specifieke, aansluitende setnummers ontbreken in de reeks van documenten. Maar dat hiaat in de bewijsketen mag niet omgedraaid worden, in die zin dat daardoor op enigerlei wijze aannemelijk zou worden dat de snelheidsmeting met een niet geijkte radarsnelheidsmeter zou zijn uitgevoerd.

Het zelfde geldt voor de op verzoek van de verdediging gevoegde foto. Aan het dossier is bij brief van de KLPD van 10 mei 2010 onder vermelding van parketnummer 21-001449-09 een foto toegevoegd van het kenteken [AA-00-BB]. Door vermelding van het parketnummer is aannemelijk dat de foto betrekking heeft op de onderhavige zaak. Op zichzelf kan ook hier de raadsman worden toegegeven dat de foto niet intrinsiek te koppelen is aan de onderhavige zaak. Het is enkel een foto van het kenteken. Maar door dit gebrek wordt niet aannemelijk (of meer aannemelijk) dat het proces-verbaal onjuist zou zijn.

“De foto’s bewijzen niets”

Voor zover de raadsman doelt op de verdenking dat verdachte zelf de bestuurder was, wordt dit verweer gevolgd. Voor zover de raadsman doelt op het ontbreken van zaaksspecificieke informatie op de in deze zaak overgelegde foto (afgezien van het kenteken), wordt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is vermeld, het verweer verworpen in die zin dat het bewijs wordt gevonden in het eerder bedoelde proces-verbaal. De overgelegde foto geeft geen aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van dat verbaal te twijfelen.”

36. Hetgeen het Hof overweegt over de bruikbaarheid van het proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant] voor het bewijs is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik behalve de gebruikelijke wijze waarop de snelheidscontrole pleegt te worden uitgevoerd in aanmerking dat zich in het dossier een formulier statiefcontrole bevindt, dat daarop als datum van snelheidscontrole door de verbalisant [verbalisant] 24 januari 2008 en als controletijd 17.57-22.30 uur is vermeld en dat op de zich in het dossier bevindende foto met het (op verdachtes naam staande) kenteken [AA-00-BB] als datum 24 januari 2008 staat en als tijd 20.34.08 uur. Voor het overige stuit het middel af op de vrijheid van de feitenrechter bij de waardering van de bewijsmiddelen.

37. Het middel faalt.

38. Het vierde middel richt zich tegen de hiervoor onder 35 aangehaalde overweging van het Hof.

39. In de eerste plaats wordt geklaagd dat geen afschrift aan de raadsman is gestuurd van het ijkrapport en van het voorblad statiefcontrole, welke stukken buiten weten van de raadsman aan het dossier zijn toegevoegd, en dat de raadsman er ook niet van op de hoogte is gesteld dat - onder meer - die stukken aan het dossier waren toegevoegd.

40. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 augustus 2011 houdt in dat de raadsman heeft opgemerkt dat ondanks herhaald verzoek de stukken niet in het dossier zitten en dat de voorzitter daarop opmerkt dat de raadsman de stukken bij het Hof had kunnen inzien. Hieruit moet worden afgeleid dat bedoelde stukken, die zich bevinden bij de stukken die de griffier van het Hof op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de griffier van de Hoge Raad heeft gezonden, zich ten tijde van de berechting in hoger beroep bij de stukken van het geding bevonden. Voorts moet hieruit worden afgeleid dat de raadsman de stukken bij het Hof niet heeft ingezien. Een en ander betekent dat voor zover in de toelichting op het middel wordt gesteld dat bedoelde stukken na de berechting nog aan het dossier zijn toegevoegd, de klacht feitelijke grondslag mist. Voor het overige stuit de klacht af op de omstandigheid dat de raadsman, hoewel hij op grond van de op de zitting van 20 mei 2010 aan het openbaar ministerie gegeven opdracht de betreffende ijkrapporten in het dossier te voegen kon verwachten dat die ijkrapporten aan het dossier zouden worden toegevoegd, kennelijk het dossier kort voor de zitting niet heeft ingezien noch om afschrift van die stukken heeft verzocht.

41. In de tweede plaats klaagt het middel dat het Hof blijk heeft gegeven van een verkeerde verdeling van de bewijslast door te overwegen dat de hiaat in de bewijsketen bestaande in het ontbreken van specifieke, aansluitende setnummers in de reeks van documenten, niet mag worden omgedraaid in die zin dat daardoor op enigerlei wijze aannemelijk zou worden dat de snelheidsmeting met een niet geijkte radarsnelheidsmeter zou zijn uitgevoerd.

42. Het oordeel van het Hof moet aldus worden begrepen dat het ontbreken van bedoelde setnummers niet meebrengt dat redelijke twijfel ontstaat aan het uit de stukken in onderlinge samenhang af te leiden feit dat de snelheidsmeting is uitgevoerd met een geijkte snelheidsmeter. Aldus verstaan geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet van een onjuiste verdeling van de bewijslast, en is dit oordeel niet onbegrijpelijk.

43. Ten derde wordt geklaagd dat verdachte in zijn verdediging is geschaad doordat het Hof het ijkrapport heeft toegelaten als bewijs terwijl de daarin vervatte gegevens bij gebreke aan enige onderbouwing met documenten op geen enkele wijze verifieerbaar zijn. Deze klacht stuit af op de vrijheid van de rechter bij de keuze en de waardering van het voorhanden bewijsmateriaal. Daarbij teken ik aan dat zich in het dossier een ijkrapport bevindt van 23 mei 2007 dat betrekking heeft op een snelheidsmeter van het fabricaat Multanova en dat ook op de hiervoor onder 36 beschreven foto als naam van de snelheidsmeter staat aangegeven Multanova.

44. Het middel faalt.

45. Het vijfde middel klaagt over de onbegrijpelijkheid van de verwerping van het verweer, dat niet duidelijk is of de ijking nog geldig was.

46. Het Hof heeft onder verwijzing naar het hiervoor genoemde ijkrapport overwogen dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die meebrengen dat de snelheidsmeting met een niet geijkte snelheidsmeter is verricht. In het licht van hetgeen verdachtes raadsman heeft aangevoerd, kort gezegd erop neerkomende dat niet valt uit te sluiten dat de geldigheid van het ijkrapport door herstel of verandering van de snelheidsmeter is komen te vervallen, heeft het bedoeld verweer op toereikende wijze weerlegd. Daarbij wijs ik erop dat de overtreding heeft plaatsgevonden in de periode waarvoor het ijkrapport was afgegeven.

47. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het Hof aan het verzoek tot nader onderzoek de juiste maatstaf ten grondslag gelegd. Uit hetgeen het Hof te dier zake overweegt blijkt niet dat het Hof een prognose over de uitkomst van het onderzoek aan de verwerping van het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Het Hof heeft immers overwogen dat ook geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zouden nopen tot een dergelijk onderzoek.

48. Het middel faalt.

49. Het zesde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat niet valt uit te sluiten dat het gebruikte meetapparaat een foutmarge van 5% heeft.

50. Volgens de correctietabel zoals deze onder 3.1. (radarsnelheidsmeter) jo. 3.1.1 is opgenomen in de toenmalige Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers11 diende bij een gemeten snelheid van 166 t/m 200 km/h een aftrek te worden toegepast van 6 km/h. In dit licht is het oordeel van het Hof dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden waardoor aannemelijk is dat in weerwil van de duidelijke bewoordingen van het proces-verbaal op dit punt een onjuiste meetcorrectie is toegepast niet onbegrijpelijk en vormt dit een toereikende weerlegging van hetgeen door verdachtes raadsman met betrekking tot de toe te passen meetcorrectie is aangevoerd.

51. Het middel faalt.

52. Het zevende middel houdt in dat het Hof een verkeerde verdeling van de bewijslast aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd omdat het heeft overwogen dat ervan uit moeten worden gegaan dat de verbalisant beëdigd, aangesteld en gecertificeerd was totdat de verdachte overtuigend heeft aangetoond dat dat niet het geval is.

53. Het middel heeft het oog op de volgende overweging van het Hof:

“Bevoegdheid en kwalificatie verbalisanten”

Feiten en omstandigheden waardoor aannemelijk wordt dat er een gebrek zou kleven aan de bevoegdheid en de certificering van de bij het dossier betrokken verbalisant, zijn niet gebleken. Het verweer wordt verworpen.”

54. Blijkens hetgeen het Hof heeft overwogen wordt aan het middel ten onrechte ten grondslag gelegd dat het Hof heeft geoordeeld dat de verbalisant beëdigd, aangesteld en gecertificeerd was totdat de verdachte overtuigend heeft aangetoond dat dat niet het geval is. Het middel mist dus feitelijke grondslag.

55. In aanmerking genomen dat verdachtes raadsman in zijn pleidooi geen enkel concreet aanknopingspunt geeft voor twijfel aan de bevoegdheid en de bekwaamheid van de verbalisant en deze verbalisant blijkens het proces-verbaal deel uitmaakt van de verkeerspolitie van het Korps landelijke politiediensten geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste verdeling van de bewijslast.

56. Het middel faalt.

57. Het derde tot en met het zevende middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

58. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

59. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 12 juli 2011, LJN BP6878.

2 Zie Nota van toelichting op de wijziging van art. 21 RVV 1990, Stb. 2012, 347, p. 4, 5.

3 Deze maatstaf is herhaald in HR 6 maart 2012, LJN BS1716, NJ 2012,448, m.nt. J.M. Reijntjes en HR 25 september 2012, LJN BX5012. Zie voor de bespreking van deze maatstaf J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2012, vijfde druk, p. 529 e.v., J.M. Reijntjes in zijn noot bij HR 6 maart 2012, LJN BS1716, NJ 2012,448 en W.F. van Hattum, Over criminal charge, non bis in idem en het detentierecht, Sancties 2012/44, p. 286-300 (Bespreking van HR 15 mei 2012, LJN BW 5166, NJ 2012, 327 m.nt. A.H. Klip), in het bijzonder p. 296-299.

4 Deze wijziging was ingegeven door de – blijkens het aangehaalde HR 21 november 1972, NJ 1973, 123, m.nt. C.B, VR 1973, 127– onjuiste veronderstelling dat deze bepaling de eigenaar of houder strafrechtelijk aansprakelijk stelde voor de daden van anderen. Zie over de wijze van totstandkoming uitgebreid Th.W. van Veen, Wie reed te snel? in Ad personam, Opstellen aangeboden aan prof. mr. Ch.J. Enschedé, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1981, p. 335-344.

5 Zie over de hier niet ter zake doende redenen voor deze wijziging De Wegenverkeerswet 1994, een strafrechtelijk commentaar, A.E. Harteveld, H.G.M. Krabbe (red.) tweede druk Deventer: Gouda Quint 1999, p. 233-235.

6 Kamerstukken II 1984-1985,19 093, nr. 3, p. 9.

7 Reijntjes (noot bij HR 6 maart 2012, LJN BS1716, NJ 2012, 448 onder 1.) acht de op de feiten gestelde straffen niet van wezenlijk belang voor de vraag of van dezelfde feiten in de zin van art. 68 Sr sprake is.

8 Zo Advocaat-Generaal Remmelink in zijn conclusie bij HR 16 december 1975, NJ 1976, 187, m.nt. Th.W.v.V. t.a.v. het onder 21 aangehaalde art. 40 WVW oud :”De (zorg)plicht zit 'm (…) in het voorkomen van verkeersdelicten.” Zo ook Th.W. van Veen, a.w., p. 342, die spreekt van de door de Hoge Raad in het oorspronkelijke art. 40 WVW (oud) ingelezen verplichting voor de eigenaar of houder “er voor te zorgen dat met zijn auto de verkeersregels niet werden overtreden.”

9 Zie het door Reijntjes zeer kritisch besproken HR 6 maart 2012, LJN BS1716, NJ 2012, 448 waarin beide bepalingen – art. 285 Sr (bedreiging met een misdrijf tegen het leven, althans met zware mishandeling) en art. 6 WVW 1994 - waren gericht op bescherming van hetzelfde rechtsgoed, namelijk lijf en leden, en de Hoge Raad toch verschil in beschermd rechtsgoed aannam, vermoedelijk omdat de verkeersveiligheid werd gezien als het door art. 6 WVW 1994 beschermd rechtsgoed.

10 Een dergelijke uitleg zou beter passen bij het bij Wet van 26 september 1974, Stb. 546 ingevoerde art. 40 WVW (oud), dat iemand die met een motorrijtuig heeft doen of laten rijden de verplichting oplegt de identiteit van de bestuurder bekend te maken indien met het motorrijtuig een overtreding is gepleegd.

11 Aanwijzing van 14 augustus 2006, Stcrt. 175, p. 10.