Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1098

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-09-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
12/05542
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1403, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon wegens onderverzekering inboedel privé-woning. Kan schade worden toegerekend aan tekortschieten voormalig assurantietussenpersoon? Causaal verband? Art. 6:98 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/550
JA 2014/1 met annotatie van S. Colsen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 12/05542

mr. Wuisman

Roldatum: 27 september 2013

CONCLUSIE inzake:

1. [eiser 1],

2. [eiseres 2],

eisers tot cassatie,

advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,

tegen

[verweerder],

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. D.M. de Knijff.

In de onderhavige zaak is er sprake van schade bij eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.), doordat inbraakschade wegens onderverzekering niet ten volle uit een inboedelverzekering is vergoed. [eiser] c.s. verlangen van verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]), voormalig assurantietussenpersoon van [eiser] c.s., vergoeding van de schade wegens onderverzekering.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie staat het volgende vast(1):

(i) [eiser] heeft omstreeks april 2002 aan [verweerder] verzocht om met betrekking tot een inboedelverzekering, die bij Nationale-Nederlanden voor een privé-woning – een rijksmonument – was afgesloten, een verhoging van de verzekerde som van NLG 200.000,- naar NLG 800.000,- te regelen.

(ii) Nationale-Nederlanden heeft voor de verlangde verhoging een voorlopige dekking verleend. Die dekking droeg een voorlopig karakter, omdat de beveiliging van de woning aan nadere voorwaarden diende te voldoen. [eiser] heeft het elektronisch alarmsysteem laten aanpassen. Het daarna van het installatiebureau ontvangen Borg-Certificaat heeft [eiser] op 25 september 2002 naar [verweerder] gezonden. Deze heeft dat certificaat pas op 4 juli 2003 naar Nationale-Nederlanden doorgestuurd.

(iii) Bij brief van 17 oktober 2003 heeft [verweerder] aan [eiser] bericht dat de verzekering nog niet was aangepast omdat de beveiliging niet aan de eisen van Borg klasse 3 voldeed, en dat om aan die eisen te voldoen ook nog bouwkundige aanpassingen nodig waren. [eiser] heeft daarop bij brief van 3 november 2003 geantwoord dat de beveiliging aan de eisen van Borg klasse 3 voldeed en dat hij het betreffende certificaat al bij brief van 25 september 2002 had toegestuurd.

(iv) Op 13 november 2003 heeft [verweerder] aan [eiser] bericht dat Nationale-Nederlanden nogmaals heeft laten weten dat het ingezonden certificaat van beveiliging niet het gevraagde Borg-Certificaat was, aangezien het slechts betrekking had op de elektronische beveiliging.

(v) Nationale-Nederlanden heeft in een brief van 22 december 2003 aan [verweerder] geschreven:

“(…) hebben wij nog geen reactie van ontvangen op ons schrijven van 06-11-2003. Wij zijn dan ook genoodzaakt de voorlopige dekking per heden te laten vervallen. Tevens melden wij u dat deze dekking per 20-09-2004 wordt voorgezet exclusief diefstal c.q. vandalisme dekking. Indien wij alsnog in het bezit worden gesteld van een geldig Borg-Certificaat zal er weer volledige dekking zijn. Wilt u verzekerde wijzen op eventuele onderverzekering.”

Deze brief heeft [eiser], naar hij heeft gesteld en in cassatie dient te worden aangenomen, niet ontvangen.

(vi) Bij brief van 22 maart 2004 bericht Nationale-Nederlanden aan [verweerder] onder meer:

“(…) Dit opleveringsbewijs betreft alleen het aanbrengen van een elektronische beveiliging, geen bouwkundige beveiliging. Zoals wij u tijdens diverse telefoongesprekken hebben meegedeeld is bouwkundige beveiliging ook noodzakelijk. Dit hebben wij u ook op 6 november 2003 schriftelijk bevestigd. Met uw schrijven van 19 februari 2004 stuurt u ons hetzelfde opleveringsbewijs (…). In verband hiermee willen wij ons standpunt genoemd in onze brief van 22 december 2003 handhaven. De voorlopige dekking gaan wij dan ook niet voortzetten vanaf 22 december 2003 en wij zullen de polis 20 september 2004 wijzigen.”

Ook deze brief heeft [eiser], naar hij heeft gesteld en in cassatie dient te worden aangenomen, niet ontvangen.

(vii) Nationale-Nederlanden heeft in juni 2004 een gewijzigd polisblad verstrekt, waarop geen verzekerde som van € 453.780,- was vermeld. Per de vervaldatum 20 september 2004 is de inboedelverzekering voortgezet exclusief dekking voor diefstal en vandalisme.

(viii) Uit onvrede over de dienstverlening van [verweerder] (met betrekking tot een brandverzekering betreffende zijn advocatenkantoor) heeft [eiser] begin juni 2006 zijn gehele verzekeringsportefeuille ondergebracht bij [B] B.V. (hierna: [B]).

(ix) [B] heeft [eiser] in juni 2006 ervan op de hoogte gebracht dat de verzekerde som van weleer van de inboedelverzekering (€ 90.200,-) niet was verhoogd. Uit daarop tussen [eiser] en [verweerder] op 20 en 22 juni 2006 gewisselde e-mails blijkt dat [eiser] toen ermee bekend was dat de verzekerde som van de bestaande inboedelverzekering nog altijd slechts omstreeks € 90.000,- bedroeg en dat er geen dekking voor diefstal en inbraak was.

( x) Omdat Nationale-Nederlanden zich vanwege de historie van de polis (onder [verweerder]) tegenover [B] al meteen niet bereid verklaarde om de dekking op de lopende polis te verhogen, heeft [B] als gevolmachtigde een nieuwe inboedelverzekering aangevraagd, nu voor een verzekerde som van € 800.000,-, bij een pool van verzekeraars, waaronder Nationale-Nederlanden als hoofdverzekeraar, die voor dat bedrag voorlopige dekking verleende maar onder de voorwaarde dat aan een aantal beveiligingseisen zou worden voldaan.

(xi) Onder vermelding van het oude polisnummer heeft [B] per e-mail van 7 juli 2006 aan [eiser] bericht:

“(…) dat wij bovengenoemde verzekering hebben verhoogd tot € 800.000 en de polisvoorwaarden hebben uitgebreid. Er zal nog een technische inspectie van uw onroerende zaak (…) plaatsvinden, die wij van te voren zullen aankondigen. (…)”.

(xii) Bij brief van 29 augustus 2006 heeft [B], wederom onder vermelding van het oude polisnummer, aan [eiser] bericht dat Nationale-Nederlanden inspectie had verricht in verband met de inboedelverzekering en dat hem uit de ontvangen informatie was gebleken:

Preventie:

Uw woning valt volgens de risicoklasse-indeling in klasse 4 en zal daarom als volgt beveiligd moeten worden:

- De woning zal binnen de beschikbare mogelijkheden moeten worden beveiligd door een NCP (Nationaal Centrum voor Preventie) erkend BORG bedrijf conform Bn (= bouwkundig normaal) en En (elektronisch normaal), in elk geval met een AL2 lijnverbinding. (…)

- De sieraden met een waarde van meer dan € 11.000 zullen voor zover aanwezig in de woning geborgen moeten worden in een vloerkluis of in een inbraakwerende kast conform de desbetreffende NCP/VNS-inschaling.

- Schilderijen met een waarde vanaf € 10.000 dienen aan de wanden verankerd te worden met daartoe geschikte bevestigingsmiddelen.

Een bevestiging dat bovengenoemde maatregelen [zijn genomen, A-G] alsmede het beveiligingsbewijs waaruit blijkt dat uw woning beveiligd is conform Bn en En zien wij graag binnen 2 maanden na dagtekening van deze brief tegemoet.”

(xv) Aan deze beveiligingseisen hadden [eiser] c.s. nog niet voldaan toen op 20 mei 2007 in hun woning werd ingebroken en diverse zaken werden gestolen. Een schade-expert heeft de totale schade getaxeerd op € 73.631,10.

(xiii) Blijkens een brief van 27 augustus 2007 van haar heeft Nationale-Nederlanden het vervallen per 20 september 2004 van de dekking onder de nog van kracht zijnde ‘oude’ inboedelverzekering voor diefstal en vandalisme ingetrokken. Voor deze ‘oude’ inboedelverzekering gold een verzekerde som van € 90.200. Bij brief van 3 december 2007 heeft Nationale Nederlanden wel een beroep gedaan op onderverzekering. Zij heeft daarom aan [eiser] c.s. maar een deel van de schade, namelijk € 12.633,59, uitgekeerd. De nieuwe, door [B] gesloten, verzekering bood geen dekking omdat niet aan de beveiligingsvoorwaarden was voldaan.

(xiv) [eiser] c.s. hebben [verweerder] en [B] aansprakelijk gesteld voor de niet onder de ‘oude’ inboedelverzekering gedekte schade. Met laatstgenoemde hebben [eiser] c.s. een regeling getroffen. Op grond daarvan heeft [B] € 20.000,- aan [eiser] c.s. een bedrag van € 20.000,- betaald.

1.2

[eiser] c.s. hebben bij dagvaarding van 18 mei 2010 tegen [verweerder] een procedure bij de rechtbank Utrecht aanhangig gemaakt. Zij vorderen veroordeling van [verweerder] tot betaling van dat gedeelte van de diefstal- en inbraakschade waarvoor zij geen vergoeding hebben gekregen, zijnde € 40.997,51 (€ 73.631,10 minus € 12.633,59 minus € 20.000,-). Zij stellen daartoe dat [verweerder] als assurantietussenpersoon tegenover hen toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens hen dan wel jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, nu [verweerder] hen niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat de verlangde verhoging van de verzekerde som nog niet was geregeld en dat Nationale-Nederlanden op een gegeven moment zelfs de voorlopige dekking hiervoor had ingetrokken, terwijl [eiser] c.s. in de veronderstelling verkeerden dat zij voor het aangegeven verhoogde bedrag verzekerd waren mede tegen het risico van diefstal. De onderverzekering waarop Nationale-Nederlanden zich beroept, is aldus te wijten aan onzorgvuldig handelen van [verweerder].

1.3

[verweerder] voert verweer tegen de vordering. Hij heeft [eiser] c.s. er bij herhaling op gewezen dat de beveiliging van zijn woning niet voldeed aan de door Nationale-Nederlanden gestelde eisen en dat de verhoging van de verzekerde som om die reden niet werd geaccepteerd. Het nalaten de beveiliging van de woning aan te passen komt dan ook geheel voor rekening en risico van [eiser] c.s. Voor het geval er toch enig verwijtbaar handelen aan zijn kant zou worden vastgesteld, betwist [verweerder] dat er een causaal verband bestaat tussen dit handelen en de schade van [eiser] c.s. De verzekeringsportefeuille van [eiser] c.s. is immers in 2006 op [B] overgegaan en, nu [B] en [eiser] c.s. in juni 2006 op de hoogte waren van de inhoud van de intrekkingsbrieven van 22 december 2003 en 22 maart 2004, lag het op de weg van [B] om ten behoeve van [eiser] zorg te dragen voor het opheffen van de onderverzekering.

1.4

Bij eindvonnis van 8 december 2010 wijst de rechtbank de vordering af. De rechtbank overweegt dat kort na de overdracht van de verzekeringsportefeuille aan [B] begin juni 2006 bij [B] en [eiser] c.s. bekend was dat de verhoging niet geregeld was en dat er sprake was van onderverzekering. In die situatie was het naar het oordeel van de rechtbank aan [B] om alsnog zorg te dragen voor een verhoging van de verzekerde som. Dat dit vervolgens niet geregeld is, valt [verweerder] niet te verwijten. De rechtbank oordeelt dat zelfs als [verweerder] een verwijt valt te maken van het niet tot stand komen van de verhoging van de verzekerde som tot medio 2006, hij niet verantwoordelijk is te stellen voor het feit dat er ten tijde van de inbraak in mei 2007 nog steeds sprake was van onderverzekering (rov. 4.3).

1.5

Tegen dit vonnis zijn [eiser] c.s. in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem.

1.6

Bij arrest van 5 juni 2012 bekrachtigt het hof het eindvonnis. Het hof neemt – veronderstellenderwijs – ten eerste aan dat [verweerder] toerekenbaar tekort is geschoten in de hem als assurantiepersoon jegens [eiser] c.s. betamelijke zorgplicht (rov. 4.4). Maar de schade uit de in mei 2007 nog bestaande onderverzekering kan niet meer aan [verweerder] worden toegerekend als een gevolg van diens tekortschieten (artikel 6:98 BW). [eiser] c.s. hebben, hoewel sedert juni 2006 bekend met de onderdekking onder de oude polis, niettemin gedurende kostbare tijd het risico van onderdekking laten bestaan. Het onterecht gebleken vertrouwen op dekking onder de nieuwe (door [B] geregelde) verzekering komt na de overdracht van de verzekeringsportefeuille in juni 2006 aan [B] niet voor rekening van [verweerder] (rov. 4.9).

1.7

[eiser] c.s. komen van het arrest van het hof in cassatie bij op 5 september 2012 en daarmee tijdig uitgebrachte dagvaarding. [verweerder] concludeert voor antwoord tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten in cassatie schriftelijk nader doen toelichten.

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1

In de cassatiedagvaarding zijn twee cassatiemiddelen opgenomen.

Cassatiemiddel I

2.2

Cassatiemiddel I heeft betrekking op rov. 4.8 van het bestreden arrest. In die rechtsoverweging staat het hof stil bij de vraag of [verweerder] vanwege zijn tekortschieten aansprakelijk is te houden voor de kosten van de beveiligingsmaatregelen, die Nationale-Nederlanden verlangde naar aanleiding van het verzoek van [B] om een nieuwe inboedelverzekering met een verzekerde som van € 800.000,- en die in de brief van 29 augustus van [B] aan [eiser] worden omschreven, voor zover die kosten hoger zijn dan de kosten van de beveiligingsmaatregelen, die Nationale-Nederlanden verlangde naar aanleiding van het verzoek van [verweerder] om de verzekerde som van de ‘oude verzekering’ te verhogen. Die vraag laat het hof uiteindelijk in het midden. Het hof beslist immers aan het slot van rov. 4.8 dat, hoewel dat mogelijk zou zijn geweest, [eiser] c.s. geen vergoeding voor die meerkosten hebben gevorderd.

2.3

Nu deze beslissing [verweerder] niet benadeeld, heeft hij in ieder geval in zoverre geen belang bij bestrijding van rov. 4.8.

2.4

Uit de op cassatiemiddel I betrekking hebbende §§ 9 en 10 valt af te leiden dat met dat middel beoogd is meer in het bijzonder op te komen tegen de aanname in rov. 4.8: “Aangenomen dat de uiteindelijk gewenste verhoging van de verzekerde som naar € 800.000 in plaats van f 800.000 geen bijzondere invloed uitoefende, (…).” Gesteld wordt dat deze aanname onjuist, uit de lucht gegrepen en geheel niet gemotiveerd is. Dat wordt hiermee toegelicht, dat weliswaar het verzoek om verhoging van de verzekerde som tot € 800.000,- in plaats van tot NLG 800.000,- een abuis aan de kant van [B] was en dat dat abuis grote gevolgen heeft gehad, te weten tot zwaardere eisen van Nationale-Nederlanden ten aanzien de elektronische en bouwkundige beveiliging heeft geleid waaraan [eiser] c.s. niet konden voldoen, maar dat een en ander toch is te beschouwen als een gevolg van het handelen van [verweerder]. Er wordt verwezen naar hetgeen in 19 en 29 van de memorie van grieven is aangevoerd.

2.5

De klacht treft geen doel reeds wegens gemis aan feitelijke grondslag. Er is door [eiser] c.s. niet aangevoerd, ook niet op de genoemde vindplaatsen uit de memorie van grieven, dat de het stellen van zwaardere beveiligingseisen door Nationale-Nederlanden te maken heeft met de verlangde verhoging van de verzekerde som tot € 800.000,- in plaats van tot NLG 800.000,-. De stellingen van [eiser] c.s. in appel komen veeleer hierop neer dat het verlangen van Nationale-Nederlanden van een nieuwe verzekering in poolverband met zwaardere beveiligingseisen van doen heeft met de door [verweerder] veroorzaakte schade aan hun reputatie bij Nationale-Nederlanden; zie in dit verband de memorie van grieven, sub 5, tweede alinea, sub 16, 17, 24 en 29, tweede alinea.

2.6

Bovendien treft de klacht ook geen doel wegens gemis aan belang, indien stand houdt de beslissing van het hof in rov. 4.9, dat de schade uit het nog onderverzekerd zijn op 20 mei 2007 wegens het nog niet voldaan zijn aan de door Nationale-Nederlanden gestelde zwaardere beveiligingseisen niet een op de voet van artikel 6:98 BW aan [verweerder] toe te rekenen gevolg van diens tekortschieten vormt. Bij dat vraagpunt wordt hierna bij de bespreking van cassatiemiddel II stilgestaan. De conclusie zal zijn dat de beslissing van het hof in rov. 4.9 stand houdt.

Cassatiemiddel II

2.7

Met cassatiemiddel II wordt rov. 4.9 bestreden. Daar komt het hof tot de slotsom: “Onder deze gegeven omstandigheden gaat het te ver om [verweerder] verantwoordelijk te houden voor de onderdekking toen de inbraak op 27 mei 2007 plaatsvond, 11 maanden na de ontdekking van de onderdekking. Deze vorm van schade staat niet in zodanig verband met de gestelde tekortkomingen van [verweerder], dat zij hem, mede gezien de aard van aansprakelijkheid (de contractuele zorgplicht van de assurantiepersoon) en van de schade (onderverzekering bij inbraak), als gevolg van deze gebeurtenissen kan worden toegerekend (zie artikel 6:98 BW).” In het cassatiemiddel wordt een primaire, subsidiaire en meer subsidiaire klacht aangevoerd.

2.8

In rov. 4.9 doet het hof de vordering van [eiser] c.s. stranden op het ontbreken van causaal verband tussen de door hen gelden schade uit onderverzekering en de – veronderstellenderwijs – aangenomen tekortkomingen van [verweerder] jegens hen. Aan het causaal verband zijn een feitelijk-logische en normatieve kant te onderkennen. De feitelijk-logische kant heeft te maken met de eis dat de gebeurtenis, waaraan de aansprakelijkheid verbonden wordt, in een conditio-sine-qua-non verband staat met de schade, waarvoor vergoeding wordt gevorderd. Dat verband is aan te nemen, zolang vanuit een feitelijk/logisch oogpunt kan worden gezegd dat de bedoelde gebeurtenis, eventueel na andere gebeurtenissen te hebben weggedacht, een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van de schade is. Bij die benadering kan er sprake zijn van een lange(re) keten van feiten en omstandigheden tussen de gebeurtenis en de schade. Daardoor kunnen binnen het verband van de vraag van het causaal verband ook onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden bijdragen aan het aanvaarden van aansprakelijkheid voor de schade. Dat is niet steeds aanvaardbaar geoordeeld. Hierin is aanleiding gevonden om de oorzakelijke band tussen gebeurtenis en schade ook nog langs normatieve weg nader te bepalen. De thans hiertoe te hanteren maatstaf is neergelegd in artikel 6:98 BW. Volgens de daarin opgenomen bepaling komt voor vergoeding slechts in aanmerking: “schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.” Het oordeel over deze toerekening van de schade aan de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, vormt een rechtsoordeel en komt in cassatie voor toetsing op juistheid in aanmerking. Aspecten die bij de beantwoording van de toerekeningsvraag een rol kunnen spelen zijn niet alleen de in de bepaling genoemde aard van de aansprakelijkheid (bijvoorbeeld schuld- of risico-aansprakelijkheid) en van de schade (bijvoorbeeld zuivere vermogensschade of letselschade), maar ook de lengte van het feitelijke verband tussen oorzakelijk feit en schade en de – mede hiermee in verband staande – voorzienbaarheid en waarschijnlijkheid van de schade. In verband met dit laatste kan meespelen in hoeverre verwacht mag worden dat maatregelen tegen het intreden of verder intreden van schade worden getroffen. In beginsel zijn bij de beoordeling van de toerekening alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Daardoor kan het betreffende oordeel sterk toegespitst raken op het betrokken geval en daarmee ook een sterk feitelijk karakter krijgen. Dan bestaat er aanleiding om bij de toetsing in cassatie meer terughoudendheid te betrachten.(2)

2.9

De omstandigheden die het hof doen concluderen om de schade bij [eiser] c.s. wegens onderverzekering niet toe te rekenen aan de tekortkomingen van [verweerder], somt het in rov. 4.9 voorafgaande aan die conclusie op. Die omstandigheden laten zich als volgt samenvatten:

- [eiser] c.s. zijn sedert juni 2006 bekend met de onderdekking onder de oude polis.

- Aan de door [B] in zijn brief van 29 augustus 2006 aan [eiser] kenbaar gemaakte beveiligingseisen, die Nationale-Nederlanden in verband met de nieuwe inboedelverzekering had gesteld en ten aanzien waarvan [B] in die brief de verwachting had uitgesproken dat een en ander binnen twee maanden aantoonbaar gereed zou zijn, is binnen die termijn geen uitvoering gegeven.

- Dat [eiser] c.s. aan die eisen ook ten tijde van de inbraak nog niet hebben kunnen voldoen uit oogpunt van tijd en (zeer veel) kosten, heeft [verweerder] gemotiveerd bestreden. Zij hebben, anders dan van hen vanwege de brief van 29 augustus 2006 van [B] aan hen had mogen worden verwacht, nagelaten om destijds aan [verweerder] en ook in de onderhavige procedure concreet opgave te doen van de inspanningen en de tijd nodig om aan de door Nationale-Nederlanden gestelde eisen te voldoen en van de omvang van de daaraan verbonden kosten. In dit verband vormt niet een deugdelijk onderbouwde stelling dat zelfs experts moeite hebben te begrijpen wat er volgens alle beveiligingseisen moest gebeuren, met name voor wat betreft de niet aangegeven manier van verankering van de schilderijen.

- [eiser] c.s. hebben zo, hoewel bekend sedert juni 2006 met de onderdekking onder de oude polis, niettemin gedurende kostbare tijd het risico van onderdekking laten voortbestaan.

- Hun onterecht gebleken vertrouwen op dekking onder de nieuwe polis komt sedert eind juni 2006 – [tijdstip van overdracht van verzekeringsportefeuille aan [B]] – niet langer voor rekening van [verweerder].

Een en ander komt hierop neer dat volgens het hof [eiser] c.s., hoewel bekend met het gegeven van onderdekking per juni 2006, niet tijdig vóór de inbraak in mei 2007 stappen hebben ondernomen om tot opheffing van die onderdekking te komen door aan de door Nationale-Nederlanden gestelde beveiligingseisen te voldoen, terwijl zij tegenover de betwisting van [verweerder] niet voldoende onderbouwd hebben aangetoond dat dit laatste uit oogpunt van tijd en kosten niet haalbaar zou zijn geweest.

2.10

De §§ 14 t/m 19 zijn gewijd aan de primaire klacht. De klacht wordt in algemene bewoordingen in § 14 omschreven: het hof heeft een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet of niet voldoende gemotiveerd verworpen. Uit wat daarop in de volgende paragrafen volgt lijkt af te leiden dat gedoeld wordt op het standpunt van [eiser] c.s. dat er sprake is van een causaal verband tussen de tekortkomingen van [verweerder] en de schade uit onderverzekering. Maar met causaal verband wordt hier gedoeld op het conditio-sine-qua-non-verband. Zie de eerste volzin van § 17 jo. slotzin van § 18 en § 19. Daarmee wordt echter miskend dat het hof tot afwezigheid van causaal verband niet heeft geconcludeerd wegens het ontbreken van het conditio-sine-qua-non-verband. Daardoor mist de primaire klacht doel wegens gemis aan feitelijke grondslag.

2.11

De beschouwingen in verband met de subsidiaire klacht treft men aan in de §§ 20 t/m 22. In § 20 wordt gerefereerd aan artikel 6:98 BW. Mede gelet hierop lijkt de subsidiaire klacht betrekking te hebben op het causaal verband, voor zover het daarbij gaat om de redelijke toerekening van de schade aan de laedens. Hetgeen vervolgens in de §§ 21 en 22 te berde wordt gebracht, levert echter geen adequate bestrijding op van de gronden die het hof in rov. 4.9 aanvoert voor zijn oordeel dat uit oogpunt van toerekening van de schade aan [verweerder] causaal verband tussen diens tekortkomingen en de schade uit onderverzekering ontbreekt. Er wordt niet of in ieder geval niet duidelijk aangegeven waarom die gronden onjuist zijn of waarom het onbegrijpelijk dat het of tot aanvaarding van die gronden is gekomen. Dat doet de subsidiaire klacht falen.

2.12

Resteert de meer subsidiaire klacht in de §§ 23 t/m 25. Die klacht wordt aangevoerd voor het geval de overwegingen van het hof moeten worden gezien als een ambtshalve toepassing van artikel 6:101 BW. Daartoe geven de overwegingen van het hof echter geen aanleiding. Uit rov. 4.9, meer in het bijzonder uit de verwijzing aan het slot naar artikel 6:98 BW, volgt duidelijk dat het hof tot afwijzing van de schadevordering tegen [verweerder] komt, omdat het van oordeel is dat de door [eiser] c.s. geleden schade uit onderverzekering niet op de voet van genoemd artikel aan [verweerder] is toe te rekenen. De meer subsidiaire klacht is derhalve evenzeer gedoemd te falen wegens gemis aan feitelijke grondslag.

2.13

De slotsom is blijkens het voorgaande dat de in cassatie voorgedragen klachten geen doel treffen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1-3.17 van het in cassatie bestreden arrest.

2 . Zie over een en ander nader Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II*, 2009, nrs. 47 e.v., in het bijzonder de nrs. 50-53, 63-73, 83.