Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1097

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-10-2013
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
12/04232
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:151, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Omvang rechtsstrijd in appel. Petitum appeldagvaarding niet aangepast aan eiswijziging in eerste aanleg. Onbegrijpelijke uitleg gedingstukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/57
JBPR 2014/27 met annotatie van mr. G.C.C. Lewin
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04232

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 18 oktober 2013

CONCLUSIE inzake:

[eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck,

tegen:

1. Milau Beheer B.V.,

niet verschenen,

2. [verweerster 2],

3. [verweerster 3],

verweersters in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

Het gaat in deze zaak om de uitleg van de gedingstukken. Eiser tot cassatie wordt hierna aangeduid als ‘[eiser]’, verweersters in cassatie als respectievelijk ‘Milau’, ‘[verweerster 2]’ en ‘[verweerster 3]’, de laatste twee verweersters gezamenlijk ook (in vrouwelijk enkelvoud) als ‘[verweerster]’.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

a) [eiser] was eigenaar van [A], een voormalige strokartonfabriek. In verband met op het terrein van [A] aangetroffen asbestverontreiniging heeft de gemeente Scheemda opdracht gegeven tot sanering van de opstallen op het terrein, waarbij de kosten op [eiser] zijn dan wel worden verhaald.

b) [eiser], die enig belanghebbend certificaathouder van Milau was, heeft [A] op 3 oktober 2003 verkocht en geleverd aan Milau voor de symbolische prijs van € 1,00. Afgesproken was dat Milau, eventueel na ontwikkeling, [A] zou doorverkopen en dat uit de verkoopopbrengst de door [eiser] aan de gemeente Scheemda betaalde saneringskosten door Milau aan hem zouden worden terugbetaald. Naast enkele minder waardevolle onroerende zaken bestond vrijwel het gehele vermogen van Milau uit [A].

c) Bij notariële ‘Akte van recht van koop’ van 7 november 20052 heeft Milau (als ‘optiegever’) aan [verweerster 2] (als ‘optienemer’) een koopoptie verleend op [A]. In die akte is onder meer bepaald:

Overeenkomst van recht tot koop (koopoptie)

Optiegever verleent aan optienemer, die dit aanneemt, het recht om de hierna te omschrijven registergoederen van optiegever te kopen tegen de hierna omschreven koopprijs (…). Dit recht hierna te noemen: de koopoptie .

De koopoptie kwalificeert als een zogenaamde ‘call-optie’ (…)

Bepalingen en bedingen

(…)

uitoefenen koopoptie

Artikel 2

(…) De koopovereenkomst komt tot stand op de datum gelegen één maand nadat de koopprijs tussen partijen is vastgesteld op de hierna in artikel 3 omschreven wijze (…)

koopprijs

Artikel 3

1.a. De koopprijs (...) is gelijk aan de waarde die het registergoed heeft op de dag waarop middels de uitoefening van de koopoptie de koopovereenkomst tussen partijen ontstaat.

b. De waarde (...) zal worden vastgesteld door twee makelaars (…) van wie er één wordt benoemd door optiegever en de andere door optienemer. (…)

c. De makelaars zijn gehouden het registergoed te taxeren op basis van de marktwaarde, in de staat waarin het registergoed zich alsdan bevindt (…).”

d) In opdracht van Milau heeft Makelaardij [B] op 14 februari 2006 de vrije onderhandse verkoopwaarde van [A] gewaardeerd op € 1.835.000,-. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat de ondergrond niet schoon is en gedeeltelijk zal moeten worden ontdaan van vervuilde grond en van asbestdelen.

e) Vervolgens heeft [C] v.o.f. in opdracht van [verweerster] op 20 februari 2006 [A] getaxeerd op een waarde van € 825.000,-. [D] makelaars heeft in opdracht van Milau op 10 mei 2006 de waarde van [A] getaxeerd op € 785.000,-. Bij deze taxaties is geen rekening gehouden met de vervuiling van de grond en saneringskosten.

f) Bij notariële ‘Akte houdende aanvulling recht tot koop’ van 17 februari 2006 zijn optiegever en optienemer bij ‘aanvullende overeenkomst’ overeengekomen de in de als zodanig gedefinieerde ‘optieovereenkomst’ d.d. 7 november 2005 omschreven waarborgsom te verhogen.3

g) Bij notariële ‘Akte houdende tweede aanvulling recht tot koop’ van 23 mei 20064 is tussen optiegever en optienemer onder meer overeengekomen:

Tweede aanvulling overeenkomst van recht tot koop

Optiegever en optienemer zijn in afwijking van het bepaalde in artikel 3 van de [optie]overeenkomst 5 overeengekomen dat de koopprijs (...) zal worden verkregen door een bedrag van (…) € 800.000,00 (...) te verminderen met de ter plaatse te maken saneringskosten.(…)

(…)

Het (oorspronkelijk) bepaalde in artikel 3 van de optieovereenkomst is thans geheel vervallen en vervangen door het hiervoor onder het kopje ‘Tweede aanvulling overeenkomst recht tot koop’ bepaalde (…)”

h) Blijkens een in opdracht van de provincie Groningen op 27 maart 2007 uitgebracht nader bodemonderzoeksrapport is het terrein van [A] in meer of mindere mate verontreinigd. Naar aanleiding daarvan heeft DHV op verzoek van [verweerster] een kostenraming opgesteld voor de uit te voeren saneringswerkzaamheden. Daarin is onderscheiden in vier kostenramingen, variërend van € 13.537.500,- excl. btw (de zogenoemde ‘multifunctionele variant’) tot € 883.325,21 excl. btw (de zogenoemde ‘minimale variant’).

i. i) Bij notariële Akte van levering d.d. 16 juli 20076 is [A] door Milau aan [verweerster 3] (als nader te noemen meester, toev. A-G7) geleverd. In de als bijlage bij de leveringsakte genoemde Koopakte van 16 juli 2007 (prod. 4 bij memorie van antwoord) is onder meer het volgende bepaald:

“II. KOOPPRIJS

1. De koopprijs van het Verkochte bedraagt één euro (€ 1,00).

2. De koopprijs van het Verkochte is tussen partijen vastgesteld door een bedrag van achthonderdduizend euro (€ 800.000,00) te verminderen met de thans begrote omvang van de ter plaatse daadwerkelijk te maken saneringskosten. (…)

3. Wanneer achteraf, nadat de sanering van het Registergoed is voltooid, blijkt:

- dat de daadwerkelijk gemaakte saneringskosten lager zijn dan gemeld bedrag van achthonderdduizend euro (€ 800.000,00), en/of

- dat Koper, doordat in het verleden door Verkoper en/of zijn rechtsvoorgangers reeds saneringskosten zijn voldaan die nog subsidiabel (blijken te) zijn, daadwerkelijk weer subsidie voor de sanering van het Registergoed heeft ontvangen dan dat Koper anderszins had kunnen ontvangen;

dan is Koper verplicht het verschil en/of dit meerdere per omgaande aan Verkoper uit te keren op een door Verkoper daartoe aan te geven wijze, echter uitdrukkelijk na verrekening met de omvang van de vorderingen die zijn ontstaan doordat door Koper kosten/vorderingen jegens derden heeft voldaan die in feite door Verkoper hadden behoeven te worden gedragen (…). Wanneer achteraf, nadat de sanering van het Registergoed is voltooid, blijkt dat de daadwerkelijk gemaakte saneringskosten hoger zijn dan gemeld bedrag van (..) € 800.000,00 (..) dan is Verkoper op geen enkele wijze jegens Koper verplicht om een betaling aan Koper te doen (…).”

j) Na daartoe verkregen verlof heeft [eiser] op 24 augustus 2007 conservatoir beslag doen leggen op [A].

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 21 september 2007 heeft [eiser] onder punt 1 van het petitum gevorderd:

“1. de koopovereenkomst die is gesloten tussen Milau Beheer B.V. en [verweerster 2] waarbij “[A]” is verkocht en welke koopovereenkomst genoemd wordt in de op 16 juli 2007 ten overstaan van mr. Roderick Helmes Edgard Werner Bergsma, notaris ter standplaats Assen, verleden akte van levering, te vernietigen.”.

Aan deze vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat hij door de verkoop tegen een koopprijs ver beneden de waarde in het vrije verkeer is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden als schuldeiser van Milau, zodat deze verkoop vernietigbaar is op grond van art. 3:45 BW (actio pauliana).8

1.3

Naar aanleiding van hetgeen hem na het uitbrengen van de dagvaarding bekend is geworden omtrent de aan de koop voorafgaande koopoptie en haar aanvullingen, heeft [eiser] bij conclusie van repliek9 te kennen gegeven zijn eis te willen vermeerderen “in die zin dat niet slechts vernietiging van de koopovereenkomst wordt gevorderd, doch ook vernietiging van de koopoptie, de eerste én de tweede aanvulling op de overeenkomst van recht tot koop en de vaststelling van de koopprijs.” Hij heeft vervolgens het onder punt 1 van het petitum in de dagvaarding gevorderde aldus gewijzigd dat gevorderd wordt:

“1. De rechtshandelingen bestaande in het recht van koop, de eerste aanvulling recht tot koop, de tweede aanvulling recht tot koop en de koopovereenkomst (…), waarbij ten aanzien van “[A]” een recht tot koop is verleend aan [verweerster 2] en waarbij [A] is verkocht aan [verweerster 2] en welke koopovereenkomst genoemd wordt in de op 16 juli 2007 (…) verleden akte van levering, te vernietigen.”

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de koopovereenkomst (en de daarmee samenhangende rechtshandelingen) tussen Milau en [verweerster] met betrekking tot '[A]' vernietigbaar zijn op grond van artikel 3:45 BW. Hij stelt door dit samenstel van rechtshandelingen te zijn benadeeld in de mogelijkheid tot verhaal van zijn contractuele vordering op Milau ter zake van de door hem betaalde saneringskosten.10

1.4

Bij vonnis van 22 april 2009, hersteld bij vonnis van 24 juni 2009, heeft de rechtbank Groningen geoordeeld dat [A], gelet op de redelijke getaxeerde waarde ad € 800.000 enerzijds en de noodzakelijke saneringskosten ad (ten minste) € 883.325 excl. btw anderzijds, op het moment van overdracht door Milau aan [verweerster] een negatieve waarde had, zodat er geen sprake kan zijn van benadeling van [eiser] in zijn verhaalsmogelijkheden (rov. 4.11, 4.14).

Reeds op die grond heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

1.5

[eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Leeuwarden. De grieven zijn alle gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van benadeling.

Zowel de appeldagvaarding als de memorie van grieven bevat de eis/conclusie het vonnis waarvan appel te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

“I. de koopovereenkomst die is gesloten tussen Milau Beheer B.V. en [verweerster 2] waarbij “[A]” is verkocht en welke koopovereenkomst genoemd wordt in de op 16 juli 2007 ten overstaan van mr. Roderick Helmes Edgard Werner Bergsma, notaris ter standplaats Assen, verleden akte van levering, te vernietigen.”

[verweerster] heeft verweer gevoerd.

1.6.1

In zijn arrest van 1 mei 2012 stelt het hof bij de beoordeling van het hoger beroep het volgende voorop:

“4. (…) Bij de inleidende dagvaarding vorderde [eiser] (onder meer) de vernietiging van de koopovereenkomst waarbij [A] door Milau aan [verweerster] is verkocht (…). Die oorspronkelijk eis heeft hij bij conclusie van repliek (…) aangevuld met een vordering tot vernietiging van het recht van koop, de eerste aanvulling recht tot koop en de tweede aanvulling recht tot koop. Blijkens de in de memorie van grieven vermelde eis in hoger beroep is de vordering tot vernietiging beperkt tot een vordering die strekt tot vernietiging van alleen de koopovereenkomst, derhalve niet tevens van het recht van koop, de eerste aanvulling recht tot koop en de tweede aanvulling recht tot koop zoals in eerste aanleg gevorderd in de bij repliek gewijzigde eis. Uit de memorie van antwoord (zie bijvoorbeeld sub 29, 103-106 en 122) blijkt dat [verweerster] de eis in hoger beroep ook zo heeft begrepen, en vastgesteld moet worden dat [eiser] nadien zijn eis niet heeft gewijzigd met (ook) een vordering tot vernietiging van het recht van koop, van de eerste aanvulling recht tot koop en van de tweede aanvulling recht tot koop, althans niet heeft betoogd dat zijn eis in hoger beroep aldus moet worden gelezen. Het hof verbindt daaraan de gevolgtrekking dat in hoger beroep uitsluitend de vernietiging van de (…) koopovereenkomst centraal staat.”

1.6.2

Het hof stelt vast dat de grieven de vraag aan de orde stellen of de verkoop van [A] voor een koopprijs van € 1,00 paulianeus is geschied in de zin van art. 3:45 BW en mitsdien vernietigbaar is (rov. 9).

Voorop wordt gesteld dat voor het slagen van een beroep op de actio Pauliana op grond van art. 3:45 BW vereist is dat sprake is van een rechtshandeling die door de schuldenaar (i.c. Milau) onverplicht is verricht, waardoor haar schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld, terwijl de schuldenaar (ten tijde van het aangaan van de rechtshandeling) wist of behoorde te weten dat de betreffende rechtshandeling tot benadeling van schuldeisers zou leiden (rov. 10).

Gelet op de bij ‘Akte recht van koop’ d.d. 7 november 2005 verleende en als call-optie te kwalificeren koopoptie, waarvan [verweerster]11 gebruik heeft gemaakt, komt het hof tot het oordeel dat de gewraakte koopovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een onverplichte rechtshandeling (rov. 11).

1.6.3

Vervolgens overweegt het hof:

“12. De vraag of de koopoptie in aanmerking komt voor vernietiging op grond van artikel 3:45 BW behoeft geen bespreking omdat, zoals hiervoor onder 4. is vastgesteld, van die koopoptie niet langer de vernietiging is gevorderd. Het hof is overigens van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat [eiser] met het verlenen van die koopoptie is benadeeld. Dat dit het geval is heeft [eiser] immers, gelet op het gemotiveerde verweer van [verweerster] (memorie van antwoord sub 122), niet concreet onderbouwd gesteld. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ligt benadeling ook niet in de rede omdat (…) tussen [eiser] en Milau was afgesproken dat Milau [A], eventueel na ontwikkeling, zou verkopen en dat laatste was nu precies wat Milau beoogde met het af(..)geven van de koopoptie aan [verweerster].”

1.6.4

Het hof verwerpt de grieven en bekrachtigt het bestreden vonnis.

1.7

[eiser] heeft – tijdig12 – beroep in cassatie ingesteld. Milau is niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna [eiser] heeft gerepliceerd.

2 Beoordeling van het cassatieberoep

2.1

Het cassatiemiddel komt in drie onderdelen (‘klachten’) op tegen het oordeel van het hof dat in hoger beroep vernietiging van uitsluitend de koopovereenkomst is gevorderd. Kort samengevat strekken de klachten tot betoog dat het hof de vordering van [eiser] in rov. 4, 9 en 12 te beperkt heeft opgevat. De gedingstukken zouden geen andere uitleg toelaten dan dat hij in hoger beroep de vernietiging van “het samenstel van rechtshandelingen”, althans van, naast de koopovereenkomst, ook de koopoptie en de eerste en tweede aanvulling op de koopoptie heeft gevorderd.

2.2

[verweerster] heeft als verweer aangevoerd dat het cassatiemiddel in zijn geheel faalt wegens gebrek aan belang. Daartoe wordt erop gewezen dat het hof in rov. 12 (ten overvloede) heeft geoordeeld dat “niet kan worden aangenomen dat [eiser] met het verlenen van die koopoptie is benadeeld.” [verweerster] betoogt dat het hof met ‘die koopoptie’ doelt op de (door de eerste en de tweede aanvulling recht tot koop) aangevulde koopoptie, die heeft geresulteerd in de koopovereenkomst. Met zijn oordeel dat die koopoptie niet tot benadeling heeft geleid, onderschrijft het hof (klaarblijkelijk) het oordeel van de rechtbank dat de gehele transactie niet tot benadeling heeft geleid.13 Het oordeel (in rov. 12) dat geen sprake is van benadeling (in de zin van art. 3:45 BW) is in cassatie niet bestreden. Nu dat oordeel de beslissing van het hof dat het vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd, zelfstandig kan dragen, falen de klachten wegens gebrek aan belang, aldus [verweerster].

2.3

Naar mijn mening treft dit verweer geen doel. Het hof heeft in rov. 12 kennelijk, anders dan [verweerster] veronderstelt, uitsluitend het oog op de verlening van de eigenlijke koopoptie – het loutere recht om te kopen – als zodanig, los van de overeengekomen methode ter bepaling van de koopprijs, laat staan de bij tweede aanvulling in die methode aangebrachte (en door [eiser] in appel aangevallen) wijziging. Ik leid dit in de eerste plaats af uit de verwijzing in rov. 11 (waarop rov. 12 voortborduurt) naar de in rov. 1.814 aangehaalde ‘Akte van recht van koop’ d.d. 7 november 2005, en voorts uit de bewoordingen van rov. 12, waar het hof spreekt van het ‘verlenen’ resp. het ‘afgeven’ van de koopoptie. Voorts blijkt dit uit de verwijzing naar het verweer van [verweerster] in haar memorie van antwoord onder 122; aldaar treft men een afzonderlijke bespreking aan van de koopoptie d.d. 7 november 2005 (gevolgd door de afzonderlijke besprekingen van achtereenvolgens de eerste aanvulling (MvA onder 126 e.v.) de tweede aanvulling (MvA onder 130 e.v.) en het geheel aan rechtshandelingen (MvA onder 137)). Van het meeste gewicht is echter dat het hof ter motivering van zijn oordeel – dat niet kan worden aangenomen dat het verlenen van de optie tot benadeling heeft geleid – aanvoert dat tussen [eiser] en Milau was afgesproken dat Milau [A] zou verkopen en dat dat nu juist precies was hetgeen Milau met het afgeven van de koopoptie beoogde. Het hof heeft zich in rov. 12 kennelijk niet uitgelaten over benadeling als gevolg van het samenstel van rechtshandelingen althans – waar voor [eiser] de kern van het probleem zit – de (prijsbepaling in de) tweede aanvulling op het recht tot koop. Het hof gaat op geen enkele wijze in op hetgeen het thema van de grieven uitmaakt, te weten het uitvoerig met rapporten geadstrueerde betoog dat zowel de gewijzigde methode van prijsbepaling als haar feitelijke invulling (op de punten van waarde en saneringskosten) niet deugt.

[eiser] heeft derhalve wel belang bij zijn klachten.

2.4

Bij de bespreking van de klachten staat voorop dat de uitleg van de gedingstukken van feitelijke aard is, zodat het oordeel van het hof terzake niet op juistheid, maar slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Dit leidt tot het volgende.

2.5

In de inleidende dagvaarding heeft [eiser] slechts vernietiging van “de koopovereenkomst” gevorderd. Nadat hem was gebleken dat er voorafgaand aan de koopovereenkomst ook een koopoptie en twee aanvullingen op deze koopoptie waren overeengekomen, heeft hij bij conclusie van repliek zijn eis gewijzigd en in het petitum vernietiging gevorderd van “de rechtshandelingen bestaande in het recht van koop, de eerste aanvulling recht tot koop, de tweede aanvulling recht tot koop en de koopovereenkomst.” Dit petitum, dat aldus geformuleerd lijkt te strekken tot vernietiging van vier afzonderlijke rechtshandelingen, sluit naadloos aan bij het geuite voornemen de eis te vermeerderen “in die zin dat niet slechts vernietiging van de koopovereenkomst wordt gevorderd, doch ook vernietiging van de koopoptie, de eerste en de tweede aanvulling op de overeenkomst van recht tot koop”.15 Het petitum sluit echter niet zonder meer aan bij de (primaire) stellingname, tezelfdertijd, dat het samenstel/complex van de vier overeenkomsten is aan te merken als één onverplichte rechtshandeling.16 Ofschoon bij de toepassing van art. 3:45 BW inderdaad verschillende rechtshandelingen als één complex kunnen worden beschouwd17, blijkt uit de stellingen niet zonneklaar dat vernietiging op die grondslag daadwerkelijk wordt verlangd: in de conclusie van repliek wordt niet systematisch uitgewerkt welk onderdeel van het complex (welke van de vier rechtshandelingen) welk vereiste ex art. 3:45 BW vervuld doet raken.18 Evenmin wordt echter uitgewerkt – voor het geval vernietiging van vier afzonderlijke rechtshandelingen wordt verlangd – dat elk van de vier rechtshandelingen voldoet aan alle vereisten van art. 3:45 BW. [verweerster] heeft de vordering in eerste aanleg aldus opgevat dat zij strekt tot vernietiging van alle rechtshandelingen afzonderlijk en heeft daarom per rechtshandeling aan alle vereisten van art. 3:45 BW getoetst.19

2.6

Hoewel [eiser] zich in de memorie van grieven op het standpunt stelt dat het samenstel van rechtshandelingen dat uiteindelijk tot levering heeft geleid als één geheel moet worden gezien (inleiding, onder 6) en hij alle stellingen in prima handhaaft (inleiding, onder 10 en slot, onder 50), vordert hij in de appeldagvaarding en memorie van grieven slechts vernietiging van de koopovereenkomst. Inhoudelijk concentreert de memorie van grieven zich geheel op het met de grieven aan de orde gestelde vraagstuk van de benadeling, bezien in het licht van enerzijds de waarde van het fabriekscomplex en anderzijds de saneringskosten, zulks los van de vraag aan welke rechtshandeling(en) deze benadeling precies gekoppeld zou moeten zijn.

2.7

In de memorie van antwoord stelt [verweerster] vast dat het petitum van de memorie van grieven strekt tot vernietiging van de koopovereenkomst (onder 29), waarna zij expliciet aan de orde stelt dat niet duidelijk is welke rechtshandeling(en) [eiser] wenst te vernietigen: volgens het lichaam van de memorie van grieven gaat het om het samenstel van tot de overdracht leidende rechtshandelingen, volgens het petitum slechts om de koopovereenkomst (onder 103). Daarom gaat [verweerster] eerst in op de vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst (onder 104 e.v.). Slechts voor het geval het hof zou oordelen dat [eiser] niet slechts vordert de koopovereenkomst te vernietigen, toetst [verweerster] achtereenvolgens ook (i) de koopoptie d.d. 7 november 2005 (ii) aanvulling 1, (iii) aanvulling 2, alsook (iv) het samenstel van de rechtshandelingen aan de vereisten van art. 3:45 BW (onder 121 e.v.).

2.8

Gelet op de hiervoor geschetste onduidelijkheid in de stellingen van [eiser] en de expliciet door [verweerster] opgeworpen vraag had het naar mijn mening vervolgens op de weg van [eiser] gelegen om helderheid te scheppen over zijn vordering in hoger beroep.20 Bij schriftelijk pleidooi volstaat [eiser] echter met de stelling dat sprake is van een ‘constructie’ en dat het geheel van rechtshandelingen als één geheel moet worden gezien, zonder dat hij daarbij ingaat op c.q. duidelijkheid schept omtrent de vraag wat hij in hoger beroep precies vordert: vernietiging van a) uitsluitend de koopovereenkomst, b) alle vier rechtshandelingen afzonderlijk en/of c) het samenstel van de vier rechtshandelingen (onder 7, 50 en 51). Hoewel [eiser] er belang bij heeft in ieder geval vernietiging van de tweede aanvulling op de koopoptie te vragen, laat hij dat na.

2.9

In het licht van het voorgaande is het oordeel van het hof dat [eiser] in hoger beroep slechts vernietiging van de koopovereenkomst vordert niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarop stranden alle klachten van de drie onderdelen.

2.10

Voor zover nodig zal nog nader op enkele subonderdelen worden ingegaan.

2.11

Subonderdeel 1.1 keert zich tegen de vaststelling (in rov. 4) dat [eiser] na de memorie van antwoord niet zijn eis heeft gewijzigd. Geklaagd wordt dat het hof daarmee heeft miskend dat het [eiser] op grond van de ‘in beginsel strakke regel’ niet vrijstond zijn eis alsnog te wijzigen en dat bedoelde vaststelling derhalve niet kan dienen ter onderbouwing van het oordeel van het hof dat [eiser] in hoger beroep slechts vernietiging van de koopovereenkomst heeft gevorderd.

Deze klacht faalt. In de eerste plaats is het de vraag of het hof doelt op een eiswijziging in juridische zin. Het vervolg van de overweging – “althans niet heeft betoogd dat zijn eis aldus moet worden gelezen” – lijkt er veeleer op te duiden dat het hof het oog heeft op een feitelijk herschrijven c.q. herstel van het petitum. Maar ook indien moet worden uitgegaan van een (juridische) wijziging van eis, volgt uit het vervolg van de overweging – “althans niet heeft betoogd dat zijn eis aldus moet worden gelezen” – dat de bestreden vaststelling niet dragend is voor de beslissing van het hof omtrent de uitleg van het gevorderde.

2.12

Volgens subonderdeel 1.3 is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, waarom en in hoeverre het hof aan het enkele feit dat [verweerster] de vordering (primair) in een bepaalde zin heeft opgevat, (kennelijk) betekenis toekent voor de uitleg van de vordering van [eiser] in hoger beroep op dit punt, zulks te meer nu [verweerster] bij een andere uitleg niet in haar belangen wordt geschaad. In de toelichting (onder 3.2.13) wordt in dit verband opgemerkt dat [verweerster] zich in twee instanties heeft verweerd tegen de vordering tot vernietiging van alle rechtshandelingen. Subonderdeel 1.4 komt op tegen de betekenis die het hof toekent aan de omstandigheid dat [eiser] na de memorie van antwoord niet heeft betoogd dat zijn eis in ruime zin moet worden gelezen. Aangevoerd wordt dat er voor [eiser] geen aanleiding was om ter gelegenheid van het schriftelijk pleidooi zijn vordering te verduidelijken, aangezien [verweerster] reeds (subsidiair) verweer had gevoerd.

2.13

Ook deze klachten treffen geen doel. Bij de uitleg van gedingstukken mag het hof acht slaan op de wijze waarop de wederpartij die gedingstukken heeft opgevat.21 Niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof bij zijn beslissing heeft meegewogen dat [verweerster] er in de memorie van antwoord (primair) vanuit is gegaan dat [eiser] slechts de vernietiging van de koopovereenkomst vorderde. Het lag, gelet op de door [eiser] gecreëerde en door [verweerster] met zoveel woorden aan de orde gestelde onduidelijkheid, op de weg van [eiser] om zijn vordering te verduidelijken. Dat [verweerster] – zekerheidshalve, voor het geval het hof van een andere lezing mocht uitgaan – tevens verweer heeft gevoerd tegen een mogelijke vordering tot vernietiging van alle rechtshandelingen, mag haar mijns inziens niet worden tegengeworpen, evenmin als het feit dat zij bij een andere uitleg niet in haar belangen zou zijn geschaad.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 1 t/m 1.18 en 6 van het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 1 mei 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4748, JOR 2013/116, i.v.m. rov. 2.1 t/m 2.20 van het vonnis van de rechtbank Groningen van 22 april 2009, tenzij anders vermeld.

2 CvA, prod. 3 (toev. A-G).

3 Ontleend aan de akte, overgelegd als prod. 21 bij CvD, i.v.m. CvR onder 43, CvD onder 34-38 en MvA onder 18.

4 Prod. 4 bij CvA (toev. A-G).

5 De akte vermeldt kennelijk abusievelijk: de koopovereenkomst.

6 Prod. 2 bij inleidende dagvaarding (toev. A-G).

7 Zie ook rov. 5 van het bestreden arrest.

8 Inleidende dagvaarding onder 10 en 13.

9 Conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie (hierna: conclusie van repliek), onder 24, 25 en 66.

10 Volgens weergave van het hof in rov. 2 en 7 van het bestreden arrest.

11 Het hof vermeldt kennelijk abusievelijk: Milau.

12 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 31 juli 2012.

13 [verweerster] wijst in dit verband op de systematiek van art. 2 van de koopoptie, die meebrengt dat een maand na de tweede aanvulling automatisch de koopovereenkomst tot stand is gekomen.

14 Het hof vermeldt kennelijk abusievelijk: rov. 1.9.

15 Conclusie van repliek, onder 25.

16 Conclusie van repliek, onder 24, 30.

17 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 592.

18 In de pleitnota zijdens [eiser] d.d. 12 februari 2009 wordt nog weer een andere, meer ‘causale’ onderbouwing gegeven aan de stelling dat het samenstel van rechtshandelingen onverplicht is verricht: door vernietiging van de onbetwist onverplichte koopoptie wordt de koop onverplicht en als ook die wegvalt, wordt tevens de levering onverplicht.

19 Conclusie van dupliek, onder 20, 23 e.v.

20 Vgl. bijvoorbeeld HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7928, NJ 2007/154 m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.5.2, waarin een partij een omissie in het petitum bij schriftelijk pleidooi in hoger beroep mocht herstellen.

21 W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2011, p. 54-55.