Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1094

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-10-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
13/00447
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:2052, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Uitleg partnerschapsvoorwaarden. Afrekening na ontbinding geregistreerd partnerschap. Heeft leveringsverzekering de strekking van een pensioenregeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/30
JWB 2014/1
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/00447

Mr. P. Vlas

Zitting, 18 oktober 2013

Conclusie inzake:

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

tegen

[de man]

(hierna: de man)

In deze zaak over de uitleg van partnerschapsvoorwaarden gaat het om de vraag of een levensverzekering kan worden gekwalificeerd als een pensioenregeling zodat ingevolge de partnerschapsvoorwaarden verevening daarvan dient plaats te vinden.

1 Feiten en procesverloop

1.1

De relevante feiten zijn in cassatie als volgt.1 Partijen zijn op 5 januari 2000 te Helmond met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. In art. 8 en 14 van de partnerschapsvoorwaarden van partijen is onder meer het volgende opgenomen:

‘LEVENSVERZEKERING

Artikel 8.

1. De verschuldigde en/of betaalde premies en koopsommen van (overlijdens)risicoverzekeringen - die van een ongevallenverzekering daaronder begrepen - alsmede de premies met betrekking tot het risico-deel van een gemengde verzekering en alle overige terzake verschuldigde kosten en renten, zijn en blijven voor rekening van diegene van de partners, die als begunstigde in de polis staat genoemd. Deze begunstigde dient tevens als premieplichtige in de polis te worden vermeld.

2. (…).

PENSIOENVEREVENING

Artikel 14.

(…)

3. Indien op een pensioenregeling voormelde wet [Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, A-G] niet van toepassing is, zullen de partners met betrekking tot deze aanspraken op al of niet ingegaan pensioen onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening treffen op basis van de waarde van die aanspraken, opgebouwd gedurende het bestaan van het geregistreerd partnerschap, tot de dag waarop het geregistreerd partnerschap is geëindigd; de vóór het geregistreerd partnerschap opgebouwde aanspraken worden hierbij niet betrokken.’

1.2

Bij beschikking van 3 augustus 2011 heeft de rechtbank Dordrecht het geregistreerd partnerschap ontbonden. De beschikking is op 14 september 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.3

De man heeft op zijn naam een levensverzekering afgesloten bij AEGON, polisnummer [001] (verder: de levensverzekering). De vrouw stelt zich op het standpunt dat de levensverzekering de strekking heeft van een pensioenvoorziening ter zake waarvan krachtens art. 14 lid 3 van de partnerschapsvoorwaarden onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening dient te worden getroffen. De man is van mening dat de levensverzekering krachtens art. 8 van de partnerschapsvoorwaarden niet in de gemeenschap valt en derhalve ook niet verdeeld behoeft te worden.

1.4

Bij beschikking van 18 januari 2012 heeft de rechtbank Dordrecht, voor zover van belang, verstaan dat over de afwikkeling van de gemeenschapsvoorwaarden, de verdeling van de beperkte gemeenschap en de pensioenverevening niets meer beslist behoeft te worden. De rechtbank heeft het standpunt van de vrouw, dat de levensverzekering te beschouwen is als een pensioen dat verdeeld moet worden, verworpen.

1.5

Bij beschikking van 24 oktober 2012 heeft het hof ’s-Gravenhage, voor zover van belang, geoordeeld dat tussen partijen in confesso is dat de levensverzekering buiten de beperkte gemeenschap valt die zij in hun partnerschapsvoorwaarden zijn overeengekomen, maar dat partijen verdeeld zijn over de vraag of de levensverzekering de strekking heeft van een pensioenvoorziening in de zin van art. 14 lid 3 van de partnerschapsvoorwaarden op grond waarvan partijen met elkaar een redelijke en billijke regeling dienen te treffen (rov. 17) . Het hof heeft geoordeeld dat de levensverzekering een kapitaalverzekering betreft die niet de strekking heeft van een pensioenregeling als bedoeld in art. 14 lid 3 van de partnerschapsvoorwaarden, zodat de vrouw geen aanspraak kan maken op afrekening van het saldo van deze verzekering (rov. 19).

1.6

De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. De man is in cassatie niet verschenen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 is bij brief van 8 februari 2013 door de raadsman van de vrouw ingetrokken en behoeft dus geen behandeling meer.

2.2

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 19 van de bestreden beschikking en voert aan dat de beslissing rechtens onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Volgens het onderdeel heeft de vrouw in het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de man in eerste aanleg een bladzijde overgelegd van een brief van Aegon aan de man van 15 februari 2008 waaruit bleek dat de man op zijn naam een levensverzekering heeft en dat het op 1 september 2028 bij leven van de man uit te keren kapitaal € 45.066,- bedraagt, op welke datum de man de leeftijd van 61 jaar zal bereiken.2 Het onderdeel betoogt dat de vrouw dit heeft opgevat als een pensioenvoorziening. Voor zover het hof heeft gemeend dat de term pensioenregeling in art. 14 lid 3 van de partnerschapsvoorwaarden restrictief moet worden uitgelegd, heeft het hof miskend dat de bepaling onderdeel uitmaakt van wat partijen hebben willen afspreken over pensioenverevening en dat het hof bij de uitleg van de partnerschapsvoorwaarden geen acht heeft geslagen op de zin die partijen onder de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars gedragingen en verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, aldus het onderdeel. Voor zover het hof daarop wel acht heeft geslagen, voert het onderdeel aan dat het oordeel van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat het geen inzicht geeft in de gedachtegang.

2.3

Rov. 19 van de bestreden beschikking luidt als volgt:

‘Op grond van het bepaalde in artikel 1 lid 4 Wet verevening pensioenrechten bij scheiding – waarin een desbetreffende aanwijzing ontbreekt wordt een verevening van de uit genoemde polis voortvloeiende rechten niet geregeerd door de bepalingen van die wet. Het hof zal daarom moeten onderzoeken of die rechten toch beschouwd dienen te worden als een pensioenregeling in de zin van artikel 14 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden [lees: partnerschapsvoorwaarden, A-G]. Bij haar beroepschrift heeft de vrouw onder “G” een brief van de man van 20 oktober 2011 overgelegd, met als productie 23 de stukken met betrekking tot de in geschil zijnde verzekering. Gelet op de inhoud van die stukken is het hof van oordeel dat de levensverzekering een kapitaalverzekering betreft die niet de strekking heeft van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 14 lid 3 van de partnerschapsvoorwaarden. Gelet hierop kan de vrouw op grond van het bepaalde in dat artikel geen aanspraak maken op afrekening van het saldo van die verzekering per peildatum’.

2.4

Uit de in de procedure in feitelijke instanties overgelegde producties blijkt dat de door de man afgesloten levensverzekering een beleggingsverzekering is in de vorm van een kapitaalverzekering, die bij leven van de man op 1 september 2028 tot uitkering komt. De in rov. 19 genoemde stukken die door de vrouw bij haar beroepschrift onder G, produktie 23, zijn overgelegd, betreffen een brief (en bijlage) met als datum februari 2010 afkomstig van Aegon Levensverzekering N.V. gericht aan de man, waarin een overzicht wordt gegeven van de waardeontwikkeling van de afgesloten beleggingsverzekering. In de bijgevoegde beleggingsinformatie wordt gesproken van ‘AEGON FundPensioen’. Volgens het hof is deze levensverzekering een kapitaalverzekering die niet de strekking heeft van een pensioenregeling in de zin van art. 14 lid 3 van de partnerschapsvoorwaarden. Dit oordeel komt mij niet onjuist of onbegrijpelijk voor. De strekking van art. 14 van de partnerschapsvoorwaarden is immers overduidelijk de door de partners opgebouwde pensioenaanspraken te verevenen, hetzij conform het bepaalde in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, hetzij conform een onderling te treffen redelijke en billijke regeling of afrekening voor pensioenregelingen waarop de genoemde wet niet van toepassing is. De levensverzekering is, zoals het hof heeft overwogen, een kapitaalverzekering in de vorm van een op 1 september 2028 bij leven van de man uit te keren bedrag ineens, waarover de begunstigde vrijelijk kan beschikken. Dat de bijlage bij de genoemde brief spreekt van het ‘AEGON FundPensioen’ behoefde naar mijn mening geen reden te zijn de kapitaalverzekering als pensioenregeling in de zin van art. 14 lid 3 van de partnerschapsvoorwaarden aan te merken. Het onderdeel faalt derhalve.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2 van de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 3 augustus 2011.

2 Zie productie 9 bij het desbetreffende verweerschrift, tevens overgelegd bij het beroepschrift, onder C, productie 9.