Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1092

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
12/02175
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1071, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO + strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02175

Zitting: 3 september 2013

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 25 oktober 2011 de verdachte ter zake van 1. primair “poging tot moord” en 3. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Daarnaast heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen.

2. Namens de verdachte heeft mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur drie middel van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaarde poging tot moord (feit 1). In het bijzonder klaagt het middel dat het hof de beslissing tot het afzien van het oproepen van de niet ter terechtzitting verschenen getuige [getuige 1] ontoereikend heeft gemotiveerd en dat het hof ten onrechte de verklaring van de getuige [getuige 1] tot het bewijs heeft gebezigd, nu die getuige niet door de verdediging kon worden ondervraagd. Voorts klaagt het middel dat de overige door het hof gebezigde verklaringen telkens te herleiden tot een en dezelfde bron, zodat de bewijsconstructie niet voldoet aan het vereiste bewijsminimum als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 06 december 2009 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet [slachtoffer] met (een) brandversnellend(e) middel(en) (terpentine en/of wasbenzine) heeft overgoten en vervolgens in de brand heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1.

Het proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-15, d.d. 6 december 2009, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

als relaas van de verbalisant [verbalisant 1] (blz: 205 e.v.) :

Op 6 december 2009, omstreeks 04:13, kregen diverse eenheden van de surveillancedienst opdracht te gaan naar de [a-straat] te Dordrecht. Op genoemde locatie zou een vrouw in brand staan. Ter plaatse aangekomen zag ik een man, genaamd [getuige 2] die zei: "loop snel mee". Ik zag toen een nagenoeg ontklede vrouw op de rijbaan van de [a-straat] lopen, ter hoogte van huisnummer 63. Ik zag dat de vrouw aan de linkerzijde van haar lichaam vermoedelijk ernstige brandwonden had. Ik zag dat over de linkerzijde van haar lichaam de huid was losgeraakt en rood verkleurd was. Ik hoorde de vrouw hard schreeuwen: "Ik ben overgoten met terpentine." Ik vroeg de vrouw: "Wie heeft dit gedaan?" Ik hoorde de vrouw roepen: "[verdachte], hij heeft ook mijn fiets mee." De vrouw is vervolgens in de woning van getuige [getuige 2] in het bij zijn van collega [verbalisant 2] onder de douche gezet. Ik vroeg vervolgens aan de vrouw wie dit had gedaan. Ik hoorde de vrouw nogmaals antwoorden: "[verdachte], hij woont op de [b-straat]." Ik stelde mij vervolgens in verbinding met de meldcentrale en deelde mede dat de mogelijke verdachte [verdachte] zou heten en zou wonen op de [b-straat] te Dordrecht. Ik kreeg te horen dat er een [verdachte] zou wonen op de [b-straat] 76 te Dordrecht. Ik stelde mij daarop in verbinding met collega [verbalisant 2] en vroeg hem te rijden naar de [b-straat] 76 om de woning te observeren.

2

Het proces-verbaal van verhoor getuige van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-21, d.d. 6 december 2009, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

als de op 6 december 2009 afgelegde verklaring van [getuige 2] (blz: 361 e.v.)

Vannacht 6 december 2009, omstreeks 4.15 uur hoorden mijn vriendin [getuige 3] en ik geschreeuw aan de achterzijde van onze woning aan de [a-straat] 49 te Dordrecht. Ik ben naar buiten gegaan en zag in een tuin iets branden. Op de Nassauweg zag ik een naakte vrouw die steeds riep: "help, help, hij heeft me aangestoken". Op dat moment kwam de politie erbij en samen zijn we met de vrouw naar mijn woning gelopen. We hebben de vrouw onder de douche gezet. Toen de vrouw op de brancard lag hoorde ik van haar dat de man die haar in brand gestoken had [verdachte] heette en dat hij aan de [b-straat] 76 woonde.

3

Het proces-verbaal van verhoor getuige van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-23, d.d. 6 december 2009, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

als de op 6 december 2009 afgelegde verklaring van [getuige 3] (blz: 366 e.v.):

Vannacht, 6 december 2009 om ongeveer 4.15 uur werd ik wakker van geschreeuw aan de achterzijde van de woning van mijn vriend, [getuige 2] en mij aan de [a-straat] 49 te Dordrecht. Wij hoorden een vrouw om hulp schreeuwen. Mijn vriend en even later ook ik zijn naar buiten gegaan. In de brandgang zag ik mijn vriend, de politie en een naakte vrouw. Ik hoorde dat de vrouw onder de douche moest en we zijn naar onze woning gelopen. Toen de vrouw onder de douche stond hoorde ik haar zeggen dat [verdachte] haar had aangestoken. Zij zei ook dat er een vrouw bij was die [getuige 1] heette. Ze vertelde dat ze haar fiets hadden meegenomen. Ze zei: Hij wilde mijn sleutels en die wilde ik niet geven en toen heeft hij me in de fik gestoken"

4

Het proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-3, d.d. 6 december 2009, inhoudende - zakelijk weergegeven-:

als relaas van de verbalisant [verbalisant 2] (blz: 207 e.v.):

Op 6 december 2009 was ik belast met surveillance in de politieregio Zuid-Holland-Zuid. Omstreeks 04:13 uur werden diverse politie-eenheden aangestuurd om te gaan naar de [a-straat] te Dordrecht. Daar zou iemand zijn overgoten met terpentine en in brand zijn gestoken. Ter plaatse troffen wij een vrouw aan die voor ons zichtbaar het slachtoffer moest zijn. Ik zag dat de vrouw naakt was en dat de huid van de vrouw rood verkleurd was. Ik zag lossen vellen huid aan haar lichaam hangen. Samen met collega [verbalisant 1] heb ik de vrouw in de woning op nr. 49 onder de douche gezet. Ik vroeg het slachtoffer diverse malen wie haar in brand had gestoken. Ik hoorde het slachtoffer roepen: "[verdachte], [verdachte], en [getuige 1] was erbij. "Ik vroeg het slachtoffer vervolgens waar [verdachte] en die [getuige 1] waren. Ik hoorde het slachtoffer meerder malen roepen: "[b-straat] 76, [b-straat] 76." Ik ben vervolgens naar de [b-straat] 76 te Dordrecht gereden om daar de woning te observeren. Ik heb door omstreeks 04:45 uur positie ingenomen. Omstreeks 05:24 uur zag ik twee personen de [b-straat] op komen lopen. Ik zag dat het een vrouw en een man betrof. Ik zag vervolgens dat de man en de vrouw de woning op nr. 76 binnengingen. Ik hoorde vervolgens via de portofoon dat collega's aan de achterzijde van de woning een man hadden gezien op het dakterras, dat zij de man hadden aangesproken, dat zij hem hadden geboden naar beneden te komen en dat de man zich bij de voordeur zou melden. Ik stond bij de voordeur en na enige tijd werd de voordeur geopend. Ik zag in de deur een man en een vrouw staan, die ik herkende als de man en de vrouw die kort daarvoor de woning waren binnengegaan. Hierop heb ik samen met de collega's [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de aanhouding verricht van de man. Ik vroeg aan de vrouw hoe zij heette. Ik hoorde dat zij als naam [getuige 1] opgaf. Hierop is ook deze vrouw aangehouden.

5

Het proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-19, d.d. 6 december 2009, inhoudende - zakelijk weergegeven-:

als relaas van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] (blz: 215 e.v.):

Op 6 december 2009, omstreeks 05:25 uur, hebben wij de aanhouding verricht van:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats].

6

Het proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-12, d.d. 6 december 2009, inhoudende - zakelijk weergegeven-:

als relaas van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (blz: 211 e.v.):

Op 6 december 2009, omstreeks 04:15 uur, kregen wij opdracht te gaan naar de [a-straat] Dordrecht. Ter plaatse zagen wij een vrouw die geheel naakt was. Wij zagen dat de vrouw ernstige verwondingen over haar lichaam had en dat er rook van het lichaam van de vrouw kwam. Toen wij de vrouw genaderd waren roken wij een zeer sterke geur van verbranding. Wij zagen dat nabij de vrouw een man liep. Die man bleek later te zijn: [getuige 2], wonende op het adres [a-straat] nr. 49. Wij zijn vervolgens naar de achterzijde gegaan van de woning [a-straat] nr. 63. Wij zagen dat er in de tuin van die woning een brand gaande was. Wij zagen dat in de tuin een op een kledingstuk gelijkend materiaal brandde en dat er nabij het kledingstuk een witte plastic fles lag. Wij herkenden deze fles als een terpentinefles. Wij zagen voorts dat er in de schuur/berging van de tuin een brand gaande was en dat er een hevige rookontwikkeling was.

7

Het proces-verbaal van aangifte van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-1, d.d. 20 december 2009, inhoudende - zakelijk weergegeven:

als de op 18 december 2009 afgelegde verklaring van [slachtoffer] (blz: 83 e.v.)

Ik doe hierbij aangifte van poging tot moord, dan wel poging tot doodslag, dan wel zware mishandeling, gepleegd op 6 december 2009 te 04:13 uur op de [a-straat] 63 te Dordrecht.

8

Het proces-verbaal van verhoor aangeefster van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-109, d.d. 11 februari 2010, inhoudende - zakelijk weergegeven:

als relaas van de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8], inhoudende - zakelijk weergegeven (blz: 137 e.v.):

Op 14 januari 2010 waren wij in het Maasstad Ziekenhuis te Rotterdam aanwezig bij het verhoor van [slachtoffer].

9

Een geschrift, zijnde een woordelijke verslag van het op 14 januari 2010 afgenomen verhoor van [slachtoffer], als bijlage gevoegd bij het hiervoor genoemde proces-verbaal en inhoudende - zakelijk weergegeven:

als de op vragen van de verbalisant [verbalisant 9] afgelegde verklaring van [slachtoffer] (blz: 140 e.v.):

L: Slachtoffer [slachtoffer]

V: Verhoorder

V: Hoe komt het eigenlijk dat jij verbrand bent [slachtoffer]

L: Omdat ik in brand ben gestoken

V: Hoe is dat gegaan

L: Terpentine over mij heen gekregen en daarna aangestoken.

Ik woonde bij [verdachte]. Hij zat te wachten op geld want ik zat daar vanaf maandag. Ik was op een dag gekomen want hij hoorde dat ik een kamer zocht omdat ik buiten sliep. Toen heb ik ja gezegd tegen die kamer. Ik had gezegd dat ik nog geen geld had. Op vrijdag de vierde hoorde ik mijn geld te krijgen, maar ik kreeg het niet. Toen hoorde ik van iemand: "Er is nog een schuurtje over". Ik ben daar toen één nacht gaan slapen. De volgende dag zat hij bij het Diaconaal Aandachtcentrum te wachten. Hij vroeg waar ik had geslapen en toen zei ik "nou, ik heb een of ander schuurtje gevonden". Hij stond erop dat ik terugkwam. Ik dacht, ik ga niet terug. En toen was het zoiets van vijf voor half vijf, dat hij dus in ene keer bij mij was in het schuurtje. Want ze hadden mij gevonden via mijn fiets. Die hadden ze gezien. En toen had ie mij gevonden. Toen zat ie te zeuren over dat ik wel geld had en alles. Ik zeg "ik heb helemaal niks". Dus ik zeg op een gegeven moment "kijk dan in mijn spullen". Ik kreeg een rotduw. Ik viel achterover en toen zat ik op de grond. Plus er was nog een meisje bij, [getuige 1]. Die [getuige 1] was al eerder naar mij toe gekomen. En daarna is hij gevolgd. Die twee waren die dag ook bij elkaar. [getuige 1] heeft later die terpentine aan hem doorgegeven. Toen hij geen geld had gevonden wou hij mijn fietssleutels. Ik ging die sleutels niet geven. Toen heb ie dus, terwijl ik op de grond zat, met die terpentine over de spullen gegaan en in brand gestoken. En toen zei ie "we nemen de fiets mee". En toen hebben ze met z'n tweeën die fiets opgetild en iets verderop gezet. En toen zijn ze teruggekomen, hebben mij in brand gestoken. En toen zijn ze weggelopen. Toen ben ik op de grond gaan rollen om dat vuur uit te krijgen en keihard gaan gillen. Toen zei een vreemde jongen "lig stil, lig stil". Toen heb ik mijn broek en alles uitgetrokken. En één keer komt die jongen aanlopen en die heeft gelukkig gebeld naar 112. Toen moest ik onder de steenkoude kraan. Ondertussen is de ambulance gekomen. Toen werd er nog gevraagd of ik wist wie die figuren waren die dat gedaan hadden. Nou en toen heb ik die namen opgezegd. En van haar ook. Zij heet [getuige 1]. Toen moest ik op de brancard gaan liggen. Vanaf dat moment ben ik alles kwijt.

V: Ik heb wat foto's bij me en die zal ik je laten zien.

Opmerking: Er wordt aan [slachtoffer] een foto getoond

L: Ach .... [getuige 1]

V: Dat is [getuige 1]?

L: Ja

V: Je hebt net met mij gesproken over eh..een [getuige 1], die bij de brand was.

L: Ja, zij.

V: Ja, dat is zij? (wijst naar de foto)

L: Ja.

Opmerking:

Verhoorder pakt een foto en toont deze aan [slachtoffer]

L: Ja, dat is hij. Dat is die [verdachte]

V: En waar ken jij...

L: Nou die is dus naar mij toegekomen voor die kamer waar ik met mijn stomme kop 'ja' tegen heb gezegd. En dat is zijn geld wou en die ik niet had en dat hij daarna mij in brand had gestoken.

V: Wie wisten er eigenlijk allemaal dat jij in dat schuurtje ging slapen

L: Niemand

V: Met wie verbleef je daar

L: Ik was altijd alleen, totdat die [getuige 1] mij had gevonden.

V: Toen heb ik gezegd "kom maar binnen" en nog geen vijf minuten later of zo stapte die [verdachte] er in een keer ook naar binnen.

V: Over welke dag praten we dan

L: 5 december

V: Okay

L: Er was zo'n milieubox, die stond daar. Daar zat dus terpentine in. [getuige 1] heeft die terpentine gezien en aan hem gegeven.

V: Hoe ging dat toen verder

L: Op een gegeven moment gaf ie een duw en ben ik dus gevallen. En toen is ie dus die terpentine zo, over de spullen en een vuurtje erbij. Toen is met [getuige 1] naar buiten gelopen en toen hebben ze samen die fiets opgepakt.

V: Wat zei hij in het schuurtje tegen jou.

L: Hij was het zat dat ik dus geen geld had. Alleen het enige wat ie zei was "ik neem je fiets mee". Ja en [getuige 1] heeft toen die terpentine aan hem gegeven. Daar is ie mee teruggekomen om daarna nog mij in brand te steken in plaats van alleen mijn spullen.

V: Je vertelt tegen mij van [verdachte]. Waar laat hij die fles als hij jouw spulletjes in de fik...

L: Die had ie in de hand.

V: En wat deed ie daar toen mee

L: Die hield ie in zijn hand.

V: Ook toen ze weggingen naar jouw fiets

L: Ja

V: Waar was jij toen

L: Ik stond eerst in dat schuurtje. Toen ben ik uit het schuurtje gegaan en gezegd "Mijn fiets" maar ik kon niets doen. Toen zijn ze weggegaan met mijn fiets. Vlak daarna kwam ie weer terug en toen schoot ie dus op mij af en toen heeft ie "Oh shit, over mij heen gegoten" en gelijk mij in de brand gestoken.

V: wat kon jij van [getuige 1] zien op dat moment.

L: Ik zag alleen wat hij deed. Ik stond in een klap in brand.

V: Je vertelde ook dat de aansteker waarmee hij jouw spullen in de fik stak, dat was jouw aansteker

L: Mijn aansteker ja

V: En de aansteker waarmee hij jou in de fik heeft gestoken

L: Gewoon mijn aansteker, want hij had geen aansteker.

10

Het proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-90, d.d. 15 januari 2010, inhoudende - zakelijk weergegeven-:

als relaas van de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 7] (blz: 134 e.v.):

Op 14 januari 2010 vond een audiovisueel verhoor plaats van aangeefster [slachtoffer]. Tijdens het verhoor werden foto's getoond:

Politiefoto [getuige 1],

Politiefoto [verdachte].

11

Het proces-verbaal van verhoor getuige van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-55, d.d. 8 december 2009, inhoudende - zakelijk weergegeven-:

als de op 8 december 2009 afgelegde verklaring van [getuige 4] (blz: 880 e.v.)

Ik ben als arrestantenverzorger voor de politie werkzaam. In de observatiecel was de mij ambtshalve bekende [getuige 1] geplaatst. Ze vertelde mij dat zij samen met [verdachte] de hond aan het uitlaten was en dat [verdachte] iemand in brand gestoken had.

12

Het proces-verbaal van verhoor getuige van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. PL 18102009023601-123, d.d. 15 maart 2010, inhoudende - zakelijk weergegeven-:

als de op 15 maart 2010 afgelegde verklaring van [getuige 5]:

Ik ben vandaag uit eigen wil naar de politie gegaan om een verklaring af te leggen in de zaak waarin de mij bekende [slachtoffer] in brand is gestoken. Op 13 maart 2010 lag ik in het ziekenhuis in Dordrecht toen de mij bekende [getuige 1] bij mij op bezoek kwam. Ze vertelde mij dat ze wist wat er met [slachtoffer] gebeurd was, dat ze daarbij was en dat [verdachte] [slachtoffer] in brand had gestoken. Het had te maken met een ruzie tussen [slachtoffer] en [verdachte]. Ik weet van [getuige 1] dat zij en [verdachte] de schuur binnen zijn gegaan. In de schuur heeft [verdachte] toen een fles terpentine gepakt en hij heeft hierna [slachtoffer] met deze terpentine besprenkeld en daarna in brand gestoken. Volgens [getuige 1] deed hij dit met een aansteker, ging het heel snel en waren het hele grote vlammen. Ze vertelde ook dat ze hoorde dat [slachtoffer] gilde van de pijn. Omdat ze zo geschrokken was, is ze weggevlucht. Ze vertelde ook dat ze daar politieauto's, ambulances en blusauto's voorbij zag rijden. Ook vertelde ze dat ze na een tijdje [verdachte] weer tegenkwam en dat ze toen samen met de hond van [verdachte] naar zijn huis in de stad zijn gelopen en dat ze samen zijn aangehouden door de politie.

13

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. PL1818 2009023601-127, d.d. 2 april 2010, inhoudende - zakelijk weergegeven-:

als relaas van de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8], inhoudende - zakelijk weergegeven-:

Op 2 april 2010 hoorde wij als verdachte [getuige 1]. Het verhoor werd audiovisueel geregistreerd. Als bijlage bij dit proces-verbaal is gevoegd de woordelijke uitwerking van het verhoor.

14

Een geschrift, zijnde een woordelijke verslag van het op 2 april 2010 afgenomen verhoor van [getuige 1],

als bijlage gevoegd bij het hiervoor genoemde proces-verbaal en inhoudende - zakelijk weergegeven-:

als de op vragen van de verbalisant [verbalisant 8] en [verbalisant 7] afgelegde verklaring van [getuige 1]:

V: Verhoorders

H: [getuige 1]

H: Ik ben er niet bij geweest met, toen [slachtoffer] in brand werd gestoken.

V: Maar je bent in het schuurtje geweest?

H: Ja.

V: Op die avond?

H: Ochtend

V: Wat is er in het schuurtje gebeurd?

H: In het schuurtje hebben [verdachte] en [slachtoffer] ruzie gekregen over ehm ...geld of zo. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] een klap gaf.

V: Hoe zijn jullie bij het schuurtje gekomen

H: Ik was bij [verdachte] op de [b-straat]. We zijn in het park een blowtje en een biertje gaan drinken. Uiteindelijk zegt ie "Ze sliep toch in een schuur". Ik wist toen nog niks van die ruzie van de huur of zo. We zijn toen het park uitgelopen. Toen liepen we richting [slachtoffer]. Toen zegt ie: "Hier is het" omdat ie de fiets zag staan. Nou ja, toe sloeg ie om als een blad aan boom, zeg maar gewoon van "Waar is mijn geld".

V: Dat was in het schuurtje?

H: Ja, ja en toen gingen ze een beetje woorden. Toen heb ie [slachtoffer] weer gevraagd om geld. Zegt [slachtoffer] "Ik heb geen geld". Toen gaf ie [slachtoffer] een klap. Ik heb hem toen met moeite meegekregen.

V: Toen is hij gewoon weggegaan?

H: Toen vroeg ie die fietssleutel

V: Dat heb je gehoord

H: Ja.

V: En waar was [slachtoffer] toen?

H: In de schuur.

V: In de schuur?

H: Ja, en toen zei [slachtoffer] "Die krijg je niet". Toen zei ie "Dan neem ik de fiets zo mee". Dus hij heeft de fiets opgetild en [slachtoffer] probeerde hem nog tegen te houden maar hij duwde [slachtoffer] weg.

V: Het probleem voor ons is, hier heb je nog niet alles over verteld.

H: Ik heb er ook over nagedacht, weet je. Maar in mijn ogen is [verdachte] teruggegaan. En toen is dat met [slachtoffer] gebeurd, snap je?

(…)

H: [verdachte] heb daar een eh.. plastic zakje aangemaakt.

V: Hoe?

H: Ik denk met z'n aansteker.

H: Daar hebben [slachtoffer] en ik nog geprobeerd uit te maken. Ik zag wel dat hij een plastic zak aanstak.

V: Jij stond niet in het schuurtje zelf?

H: Toen hij het aanstak stond ik buiten. Toen ben ik naar binnen gestapt. Pakte ie ineens ergens... uit z'n jas of ik weet het niet, het leek op een flesje drinken. Hij giet een beetje over die tas. Toen kwam er ineens wel een vlam en daar schrok ik van.

V: ..toen ben jij er uitgegaan.

H: We hebben eerst nog geprobeerd uit te stampen. [slachtoffer] en ik.

V: En toen?

H: Toen ben ik er uitgegaan en toen is [verdachte] er uitgegaan. Toen heb ie die fiets meegenomen.

V: Waar was [slachtoffer] toen?

H: In die schuur en die zag ik ook uit die schuur stappen.

15

Het proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, nr. 2009023601-30, d.d. 10 december 2009, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

als relaas van de verbalisant [verbalisant 10] (blz: 258 e.v.):

Op 6 december 2009 vond er een brand plaats in een schuur bij de woning perceel [a-straat] 65 te Dordrecht. Bij deze brand liep een vrouw ernstige brandwonden op. Door mij werd op deze datum een forensisch sporenonderzoek verricht. Tijdens dit onderzoek werd onder ander veiliggesteld een bemonstering brandresten vloer schuur en voor nader onderzoek naar brandversnellende middelen overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut. Op 8 december 2009 werd door de brandhond ter hoogte van het deurkozijn van de toegangsdeur van de schuur op de scheiding van de betonnen vloer en de buitenaarde een verhoogde concentratie brandversnellend middel aangetroffen. Hiervan werd een monster genomen. Tevens werd door de brandhond in het midden van de schuur op/aan de betonvloer een verhoogde concentratie brandversnellend middel aangetroffen. Hier werd eveneens een monster van genomen. Beide monsters zijn voor nader onderzoek met betrekking tot de aanwezigheid van brandversnellende middelen overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut. Tijdens het onderzoek op 6 december 2009 werd door mij in de tuin voor genoemde schuur een witte plastic fles zonder dop met het opschrift 'wasbenzine' aangetroffen. In deze fles bleek nog een klein laagje vloeistof aanwezig te zijn. Deze vloeistof werd door mij veiliggesteld en voor onderzoek met betrekking tot welke soort vloeistof het betreft overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut.

16

Een geschrift, zijnde een aanvraag standaardonderzoek NFI, met registratienummer 2009023601-30, datum aanvraag 7 december 2009, inhoudende -zakelijk weergegeven- (blz 262 e.v.):

19

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 16 december 2009, opgemaakt door de deskundige ing. L.J.C. Peschier inhoudende - zakelijk weergegeven- (blz: 270 e.v.):

Onderzoek naar brandversnellende middelen naar aanleiding van een brand in Dordrecht op 6 december 2009.

6. Voorts heeft het hof onder het hoofd “Feiten en omstandigheden” het volgende overwogen:

“De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig haar overgelegde pleitnota - betoogd verkort en zakelijk weergegeven dat de verdachte van het onder 1 impliciet primair en impliciet subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Zowel aangeefster als de getuige [getuige 1] verkeerden in het verslaafden- en daklozencircuit en beiden kampten met psychische problemen. De door hen afgelegde verklaringen zijn onbetrouwbaar zijn en kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. Voor wat betreft de verklaringen van [getuige 1] komt daar bij dat de verdediging die niet heeft kunnen toetsen nu zij niet als getuige gehoord is kunnen worden. Deze zijn afgelegd om zichzelf te ontlasten. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte voor het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde – de poging moord - dient te worden vrijgesproken nu het bewijs voor voorbedachte raad ontbreekt.

Het hof verwerpt genoemde verweren en overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de navolgende feiten en omstandigheden die in de gebezigde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Op 6 december 2009 is de verdachte met [getuige 1] naar het schuurtje in Dordrecht gegaan waar aangeefster de nacht doorbracht. In het schuurtje is vervolgens onenigheid ontstaan tussen de verdachte en aangeefster over betaling van de huur door aangeefster voor de kamer die zij eerder van verdachte huurde. Naar aanleiding daarvan heeft de verdachte uit een fles brandversnellend middel over goederen van de aangeefster gegoten en deze vervolgens aangestoken. De verdachte en [getuige 1] hebben hierna het schuurtje verlaten. De verdachte is vervolgens teruggekomen, heeft een brandversnellend middel over aangeefster heen gegooid en heeft haar vervolgens in brand gestoken.

De bovenomschreven gang van zaken leidt het hof tot de conclusie dat het opzet van de verdachte doelbewust gericht is geweest op de uitvoering van zijn voornemen om aangeefster van het leven te beroven. Zijn handelen ten opzichte van aangeefster zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op haar dood dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte ook op die dood was gericht.

De verdachte heeft naar het oordeel van het hof uitgevoerd waartoe hij bereid was en waarop hij zich had voorbereid. Op grond van die eerder genoemde gang van zaken is het hof van oordeel dat de verdachte met voorbedachten rade en na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld. Hij heeft de tijd gehad zich te beraden op het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het hof is van oordeel dat de voor het bewijs gebezigde verklaringen van aangeefster [slachtoffer] en [getuige 1] in onderling verband en samenhang bezien op de voor het bewijs dragende onderdelen voldoende consistent zijn en dat zij bovendien voldoende steun vinden in andere getuigenverklaringen afgelegd ten overstaan van de politie.

[getuige 2] en [getuige 3] hebben ieder voor zich op 6 december 2009 zakelijk weergegeven tegen een verbalisant verklaard, dat toen zij met aangeefster in contact kwamen en haar hulp hebben geboden op 6 december 2009 omstreeks 4.15 uur kort nadat aangeefster in brand was geraakt, zij heeft gezegd dat [verdachte] haar had aangestoken.

[getuige 4] heeft op 8 december 2009 tegen verbalisanten - zakelijk weergegeven - verklaard dat [getuige 1] hem in zijn hoedanigheid als arrestantenverzorger op die dag heeft gezegd dat zij samen met [verdachte] een hond aan het uitlaten waren en dat [verdachte] iemand in brand had gestoken.

De verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] zijn gelet op het vorenoverwogene naar het oordeel van het hof in voldoende mate betrouwbaar om voor het bewijs van het de verdachte tenlastegelegde te worden gebezigd.

Naar het oordeel van het hof kunnen de enkele omstandigheden dat zowel aangeefster als de getuige in de door de verdediging geschetste circuits verbleven en bij beiden sprake was van psychische problematiek de conclusie niet rechtvaardigen dat alleen daarom al hun verklaringen buiten beschouwing dienen te blijven.”

7. Blijkens de toelichting bevat het middel in de eerste plaats de klacht dat het hof de beslissing om af te zien van de oproeping van de niet verschenen getuige ontoereikend heeft gemotiveerd, nu hieruit niet kan worden afgeleid op grond van welke feiten en omstandigheden het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht. Ook blijkt niet dat het hof heeft onderzocht of het mogelijk was de getuige op een minder belastende wijze (dan door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting) te horen.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 maart 2011 houdt, voor zover van belang, in:

“De voorzitter deelt mede dat deze zitting een regiezitting betreft en dat de zaak tijdens de inhoudelijke behandeling, in aanwezigheid van de verdachte, zal worden voorgedragen.

De raadsvrouw wordt door de voorzitter in de gelegenheid gesteld de onderzoekswensen van de verdediging, zoals opgenomen in de appelschriftuur d.d. 15 juli 2010, nader toe te lichten. Zij deelt mede:

(…)

De verzoeken tot het horen als getuige van [getuige 1] en de deskundigen Van Toorn en Beverloo wordt wel gehandhaafd, evenals het verzoek om contra-expertise dan wel aanvullend onderzoek door een deskundige forensische geneeskunde.

(…)

De getuige [getuige 1] heeft voor mijn cliënt belastende verklaringen afgelegd en bovendien zeer wisselend verklaard. Ik wens haar betrouwbaarheid te kunnen onderzoeken. Een verhoor van deze getuige zou wat mij betreft door een rechter- dan wel raadsheer-commissaris kunnen plaatsvinden.

(…)

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter de navolgende beslissingen van het hof mede:

Het hof houdt aan de beslissing op het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen. Het hof onderkent het verdedigingsbelang bij het horen van deze getuige, maar alvorens hierop te beslissen wenst het hof eerst de vraag beantwoord te zien of er een gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheid of het wel zijn van de getuige door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht, nu uit het dossier blijkt dat de getuige gedurende het opsporingsonderzoek meerdere suïcidepogingen heeft ondernomen.

Het hof verzoekt de advocaat-generaal - die ter terechtzitting heeft meegedeeld deze vraag reeds te hebben uitgezet - daarover op de na te noemen pro forma terechtzitting uitsluitsel te geven, waarna het hof dan een beslissing op dit verzoek zal nemen;

De raadsvrouw en de advocaat-generaal geven desgevraagd aan er geen bezwaar tegen te hebben indien - bij een positieve beslissing - het verhoor zal worden afgenomen door één van de leden van het hof als raadsheer-commissaris.

Desgevraagd door de voorzitter hebben de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte in voornoemd geval ingestemd met de aanwijzing van de raadsheer mr. A.M.P. Gaakeer als raadsheercommissaris belast met de behandeling van strafzaken, welke raadsheer aan het verdere onderzoek ter terechtzitting kan deelnemen.”

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2011 houdt, voor zover van belang, in:

“De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting

Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.

De op verzoek van de verdediging opgeroepen deskundige L. Beverloo, psychiater, is ter terechtzitting verschenen. De eveneens op verzoek van de verdediging opgeroepen deskundige B.Y. Van Toorn, GZ-psycholoog, en de getuige [getuige 1] zijn niet ter terechtzitting verschenen.

(…)

De voorzitter maakt melding van de volgende ingekomen stukken:

- (…)

- (…)

- een brief d.d. 29 juni 2011 met bijlagen van de advocaat van de getuige [getuige 1], mr. A. Apistola, inhoudende dat de geestelijke gesteldheid van de getuige het niet toelaat een verklaring af te leggen;

- (…)

De raadsvrouw deelt mede geen afschrift te hebben ontvangen van de brieven van de deskundige Van Toorn en mr. Apistola. Van de overige stukken heeft zij wel een afschrift ontvangen. Voorts deelt de raadsvrouw mede dat zij persisteert bij de verzoeken tot het horen van Van Toorn en [getuige 1].

(…)

De raadsvrouw deelt desgevraagd door de voorzitter mede:

Ik heb begrip voor de situatie van de getuige [getuige 1], maar ik wens formeel geen afstand van deze getuige te doen.

(…)

De advocaat-generaal wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld haar standpunt omtrent de verzoeken van de verdediging kenbaar te maken. Daartoe deelt zij het volgende mede:

Ik verzet mij tegen het horen van de getuige [getuige 1], zowel ter terechtzitting als door een raadsheercommissaris, nu haar gezondheid daardoor in gevaar wordt gebracht.

(…)

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede dat het verzoek om [getuige 1] opnieuw als getuige te horen wordt afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat gelet op de informatie van de psycholoog P.J. Adrichem gegeven bij brief van 17 juni 2011, die bij de brief van mr. Apistola d.d. 29 juni 2011 is gevoegd, het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het wel zijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen.”

10. De in voormeld proces-verbaal genoemde brief van de psycholoog P.J. Adrichem – die zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt – houdt in:

“Geachte heer Apistola,

De week heeft bovenstaande cliënte mij geïnformeerd over het feit dat zij opnieuw een oproep heeft binnengekregen om volgende maand te getuigen in het strafrechtelijk onderzoek naar [verdachte] (rolnummer: 22-003612-10).

Op 7 april jl. heb ik u een brief gestuurd om mijn zorgen met betrekking tot een eerdere getuigenoproep uit te spreken. Graag zou ik, nu cliënte opnieuw is opgeroepen, wederom de mogelijke gevolgen hiervan aan u voorleggen.

Als behandelend psycholoog van cliënte heb ik gedurende de periode 2009 – begin 2010 de grote impact van eerdergenoemde zaak op haar meegemaakt. Die periode kenmerkte zich door angstgevoelens, diverse suïcidepogingen en forse ontwrichting van het behandelcontact. Cliënte gaf destijds aan niet met de hoge draaglast en lijdensdruk te kunnen omgaan.

Nadruk binnen de begeleiding en behandeling ligt op stabilisatie van de huidige problematiek van cliënte. Mijn verwachting is wederom dat een getuigenis grote instabiliteit van haar geestelijke gesteldheid met zich zal meebrengen. Enkel de oproep leidt al tot forse angstgevoelens, paniek en verdere instabiliteit bij cliënte.

Mijns inziens laat de huidige geestelijke gesteldheid van cliënte niet toe te getuigen in eerdergenoemde zaak.

Hopende u middels deze informatie voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

P.J. Adrichem

Psycholoog”

11. Art. 288, eerste lid, Sv, dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, luidt - voor zover hier van belang – als volgt:

“1. De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in art. 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:

a. (…)

b. het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige ter terechtzitting te kunnen ondervragen;

c. (…)”

12. Blijkens de onder 8 weergegeven passage van het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2011 heeft het hof het verzoek van de raadsvrouw tot het opnieuw oproepen van de niet verschenen getuige [getuige 1] afgewezen met de overweging dat “het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het wel zijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen”. Het hof baseert dit oordeel op een door de raadsman van de getuige aan het hof gestuurde brief van de psycholoog van de getuige, P.J. Adrichem. De inhoud van deze brief is volstrekt helder. De huidige geestelijke gesteldheid van de getuige laat het niet toe te getuigen in de onderhavige zaak. De getuige, die in de periode na het delict meerdere suïcidepogingen heeft ondernomen, geeft aan niet met de hoge draaglast en lijdensdruk te kunnen omgaan. De verwachting is dat een getuigenis grote instabiliteit van haar geestelijke gesteldheid met zich zal meebrengen. Gelet hierop en bezien tegen de achtergrond van hetgeen ter terechtzitting van 8 maart 2011 met de procespartijen is besproken, is het bestreden oordeel van het hof – waarin tevens ligt besloten dat het gevaar voor de gezondheid van de getuige ook bestaat in geval van een verhoor door een raadsheer-commissaris of de politie – niet onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering.

13. Het middel bevat voorts de klacht dat het hof in strijd met art. 6 EVRM, althans op ontoereikende gronden, de veroordeling ter zake van feit 1 onder meer heeft gebaseerd op de verklaring van de getuige [getuige 1] die door de verdediging niet kon worden ondervraagd.

14. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is geen sprake indien de verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist (vgl. HR 29 januari 2013, LJN BX55391).

15. Het hof heeft de op 2 april 2010 bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 1] als bewijsmiddel 12 voor het bewijs gebezigd. Die verklaring houdt – kort gezegd – in dat de getuige met de verdachte naar het schuurtje is gegaan en dat aldaar ruzie is ontstaan tussen de verdachte en het uiteindelijke slachtoffer [slachtoffer], alsmede dat de verdachte [slachtoffer] een klap heeft gegeven en goederen van haar in de brand heeft gestoken, waarna de getuige en de verdachte met de fiets van [slachtoffer] het schuurtje hebben verlaten. De voor het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 1] ziet derhalve hoofdzakelijk op de fase voorafgaand aan het in brand steken van [slachtoffer] door de verdachte. Die verklaring – die door de verdediging niet is betwist – heeft als zodanig dan ook geen betrekking op het tenlastegelegde feit, anders dan dat de getuige verklaart dat de verdachte in haar ogen (later) is teruggegaan naar het schuurtje “En toen is dat met [slachtoffer] gebeurd, snap je?”. Ik vermag dan ook niet in te zien dat de verklaring van [getuige 1], zoals de steller van het middel kennelijk meent, een verklaring is die bepalend is voor de uitkomst van de zaak, in de zin van dat zij onmisbaar is voor de bewezenverklaring. Los daarvan is het zo dat de verklaring van [getuige 1] in voldoende mate steun vindt in de verklaring van [slachtoffer] (bewijsmiddel 9), zodat het hof mijn inziens zonder inbreuk te maken op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d EVRM voor het bewijs gebruik kon maken van de bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 1].

16. Voor zover het middel ten slotte klaagt dat bij het wegvallen van de verklaring van [getuige 1] de bewijsconstructie niet voldoet aan het vereiste bewijsminimum als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv stuit het af op hetgeen hiervoor is overwogen.

17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

18. Het tweede middel klaagt dat het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging mede heeft opgelegd voor een feit (feit 3) waarvoor dit niet mogelijk is.

19. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, in:

“Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en onder 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.”

20. Het hof heeft onder het hoofd “motivering van de op te leggen straf en maatregel” het volgende overwogen:

“Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 27 oktober 2005 heeft de verdachte met voorbedachte raad [slachtoffer] gepoogd van het leven te beroven. Het feit dat het slachtoffer niet aan haar verwondingen is overleden is geenszins aan de verdachte te danken. Door het handelen van de verdachte heeft hij aan het slachtoffer zeer ernstig, verminkend letsel en daardoor ook psychische schade toegebracht. Blijkens de medische informatie die het hof ter beschikking staat was het huidoppervlak van het slachtoffer door toedoen van de verdachte voor 35% verbrand met tweede- en derdegraads brandwonden. De huid was op verschillende plaatsen, waaronder het gezicht, de hals, de borst, de rug en handen, blijvend ontsierd door littekens als gevolg van zowel de brand als de daarop gevolgde noodzakelijke huidtransplantaties.

Dergelijke feiten zijn zeer ernstig en hebben niet alleen grote gevolgen voor het slachtoffer en later voor de nabestaanden, maar veroorzaken ook in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een auto. Aldus handelend heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendom en daarmee overlast en financiële schade veroorzaakt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte zijn door de GZ-psycholoog B.Y. van Toorn en door de psychiater L. Beverloo op respectievelijk 22 en 25 maart 2010 rapporten opgemaakt.

Van Toorn concludeert - verkort en zakelijk weergegeven - dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornis met psychopathische trekken.

Beverloo concludeert - verkort en zakelijk weergegeven - dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en antisociale trekken.

Beiden hebben aangegeven dat er ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit sprake was van de door hen geconstateerde stoornis en beiden hebben in hun rapporten vermeld - verkort en zakelijk weergegeven - dat de stoornis verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

Beiden komen tot de conclusie dat de verdachte licht tot verminderd toerekeningsvatbaar is te achten.

Van Toorn schat de kans op geweldsescalatie in de toekomst zeer hoog en Beverloo noemt de kans op herhaling zeer groot aangezien de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte maakt dat naar verwacht mag worden ook in de toekomst de betrokkene op krenkingen zal reageren met impulsieve agressie en gewetenloos handelen.

Beide deskundigen adviseren het hof de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen aan de verdachte.

L. Beverloo is op 15 juli 2011 ter terechtzitting in hoger beroep als getuige-deskundige gehoord. Zij heeft in dat kader verklaard - verkort en zakelijk weergegeven - dat, ook indien een verdachte niet open staat voor behandeling, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt ingezet als de problematiek van de betrokkene behandelbaar is. Ook wanneer de verdachte niet wil meewerken, is een behandeling mogelijk.

Voorts is B.Y. van Toorn ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2011 als deskundige gehoord.

In tegenstelling tot hetgeen zij in haar rapport van 22 maart 2010 heeft gerapporteerd, stelt zij zich thans op het standpunt dat behandeling van een persoonlijkheidsstoornis als die bij de verdachte is geconstateerd, een grotere kans van slagen heeft.

Inmiddels heeft zij kennis genomen van resultaten uit nieuw onderzoek en op grond daarvan kan geconcludeerd worden dat een behandeling van problematiek van de verdachte zinvol kan zijn. Gelet op de problematiek van de verdachte dient een eventuele behandeling wel een gedwongen kader te hebben. Onderdeel van die behandeling kan - indien nodig - zijn het motiveren van mensen om mee te werken.

Het hof neemt de conclusies van beide deskundigen over en maakt die tot de zijne.

Nu ten tijde van het begaan van het onder 1 bewezenverklaarde sprake was van een persoonlijkheidsstoornis, dat feit een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a eerste lid, aanhef onder 1 van het Wetboek van Strafrecht en het gevaar dat de verdachte opnieuw soortgelijke strafbare feiten zal plegen – naar het oordeel van het hof - groot is, eisen het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en dat hij van overheidswege dient te worden verpleegd.

Anders dan de verdediging kennelijk meent, betekent het feit dat de verdachte thans niet wenst mee te werken aan enige behandeling niet zonder meer dat er daarom ook in de toekomst geen behandeling zal plaatsvinden. In dit verband is van belang hetgeen Beverloo voornoemd ter terechtzitting in hoger beroep daarover heeft verklaard.”

In dit verband hecht het hof bovendien belang aan het feit dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 september 2011 betreffende de verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op het vorenoverwogene zal het hof, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te vermelde duur, de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten, met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voornoemde straf en maatregel vormen een passende en geboden reactie.

21. Ofschoon het hof in het dictum niet nader heeft gespecificeerd voor welk(e) feit(en) het de terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan de verdachte heeft opgelegd, volgt uit de hierboven weergegeven strafmotivering genoegzaam dat zulks is gedaan ter zake van het onder 1. primair bewezenverklaarde “poging tot moord”. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag.

22. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

23. Het derde middel klaagt over de schending van de in art. 6 EVRM bedoelde redelijke termijn in de cassatiefase.

24. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit pleegt te leiden tot strafvermindering.

25. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 NJ 2013/145, m.nt. Schalken.