Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1090

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
11/05456
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1075, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 304 onder 1 Sr. Levensgezel. Het oordeel dat X als “levensgezel” i.d.z.v. art. 304 Sr kan worden aangemerkt is, in aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende inhouden omtrent de in nota van wijziging bedoelde aard en hechtheid van de betrekking tussen verdachte en de aangeefster, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/05456

Zitting 1 oktober 2013

Mr. Jörg

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 10 november 2011 heeft het Gerechtshof Amsterdam het vonnis van de Rechtbank Haarlem van 17 september 2009 - waarbij de verdachte wegens 1. "mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel" en 2. “mishandeling” is veroordeeld – uitsluitend vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden gelast.

2. Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd onder 1 heeft bewezenverklaard dat de verdachte de mishandeling heeft begaan tegen “zijn levensgezel" als bedoeld in art. 304 Sr.

4. Art. 304 Sr luidt, voor zover hier van belang:

“De in de artikelen 300–303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:

1° ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel, zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin (…).”

5. De toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima) houdt onder meer in:

“Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor - o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens -, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner.

Bij de beoordeling of sprake is van een «levensgezel» zijn de volgende aspecten van belang:
- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding
- de duur van de gemeenschappelijke huishouding
- of er een relatie van affectieve aard is, en met name
- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.

Doorslaggevend is in het begrip «levensgezel» evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen." (Kamerstukken II, 2002-2003, 28484, nr. 5, p. 5).”

6. In het arrest van 2 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013: 104) oordeelde de Hoge Raad:

"4.5. Voor zover het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de aangeefster als "levensgezel" in de zin van art. 304 Sr kan worden aangemerkt, onvoldoende met redenen is omkleed, is het terecht voorgesteld, nu de bestreden uitspraak omtrent de in voormelde toelichting bedoelde aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster blijkens haar op 5 juni 2009 afgelegde verklaring niet meer inhoudt dan dat zij de verdachte sinds 1 juli 2007 kent en hem als haar "vriend" aanduidt."

7. Ligt dat in de onderhavige zaak ook zo? In eerste aanleg stelde de verdediging zich op het standpunt:

“De tenlastegelegde feiten kunnen wettig en overtuigend bewezen worden.(…) De strafzaak van vandaag heeft betrekking op een ruzie met zijn partner die geëscaleerd is door het geven van een paar tikken.(…) Zijn partner heeft aangifte gedaan, maar is hier ter zitting aanwezig. Dat geeft aan dat de relatie is gecontinueerd. Zij is ook van mening dat cliënt niet een zware straf moet krijgen."

8. Bewijsmiddel II van het door het Hof bevestigde vonnis houdt als verklaring van aangeefster onder meer in:

“Ik heb een relatie met [verdachte]. Deze relatie loopt de laatste tijd niet lekker. Omdat het niet goed gaat met onze relatie heb ik met een vriendin van mij, [betrokkene 2], een vakantie geboekt.(…) Vandaag, dinsdag 21 oktober 2008, belde [verdachte] mij op en we kregen het over de vakantie. Ik zei tegen [verdachte] dat als [betrokkene 2] niet wil dat hij mee gaat, dat hij dan niet mee gaat. [verdachte] was het hier niet mee eens."

9. Als reden voor zijn hoger beroep is, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, door de verdachte opgegeven dat hij de straf te zwaar vindt. Verder verklaarde hij:

“De aangeefster is nog steeds mijn vriendin. Vorig jaar is er ook iets voorgevallen en daarbij is het behoorlijk uit de hand gelopen tussen ons. Hierna is er niks meer tussen ons gebeurd. Ik mocht een jaar niet bij haar komen. We wonen nu ook niet samen. Het gaat nu wel goed. Ik heb het verpest bij de kinderen.(…)
Ik hou van haar. Dat is voor het eerst van mijn leven. Emoties kunnen hoog oplopen. Ik ben te ver gegaan. We zijn nog steeds blij met elkaar. De straf is aan u. Ik ben uit mijn slof geschoten sorry."

10. De verdediging heeft aangevoerd dat het een strafsoortappel betreft. Niet is op enigerlei wijze aangevoerd dat in casu aangeefster niet als levensgezel kan worden beschouwd.

11. Onder deze omstandigheden meen ik dat de feitelijke constellatie afwijkt van die waarover het arrest van 2 juli 2013 gaat. In het onderhavige geval is méér vastgesteld dan dat aangeefster “de verdachte kent en hem als haar vriend aanduidt." Er is sprake van een affectieve relatie, die enige tijd niet goed liep zodat de verdachte niet bij haar mocht komen; de verdachte heeft het bij de kinderen verpest; de aangeefster en de verdachte wonen niet samen. Dat de verdachte niet met de aangeefster samen op vakantie mocht gaan was de aanleiding tot de geweldsuitbarsting. Ook dit duidt op een zekere lotsverbondenheid. De verdediging heeft voorts op generlei wijze geopponeerd tegen de kwalificatie “levensgezel". Weliswaar is het een rechtsvraag of hiervan sprake is, maar beslissend is daarvoor of de door de rechter vastgestelde feiten en omstandigheden die kwalificatie wettigen. Mijns inziens kan datgene wat over de verhouding tussen de verdachte en de aangeefster door de rechter is vastgesteld en door de verdachte en de verdediging naar voren is gebracht in onderling verband en samenhang worden gezien als te voldoen aan de eis van het zijn van levensgezel in de zin der wet.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat de strafoplegging onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Met name zou de verwijzing naar wederom een veroordeling voor mishandeling en poging tot zware mishandeling niet uit het uittreksel van de justitiële documentatie volgen; en zou niet vaststaan dat het slachtoffer daarvan opnieuw zijn vriendin was.

13. Wat het eerste betreft zie ik op grond van dat uittreksel het bezwaar niet. Na het vonnis van de politierechter in deze zaak, dd. 17 september 2009 (feit gepleegd op 21 oktober 2008), is door de meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem op 25 februari 2010 vonnis gewezen voor de op 24 november 2009 gepleegde, door het Hof genoemde, misdrijven. Zowel die misdrijven als de veroordeling daarvoor dateren dus wel degelijk van nà dat PR-vonnis.

14. Voorts lees ik in genoemd uittreksel dat die feiten de “maatschappelijke kwalificatie" huiselijk geweld dragen. In combinatie met de in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte

“de aangeefster is nog steeds mijn vriendin. Vorig jaar1 is er ook iets voorgevallen en daarbij is het behoorlijk uit de hand gelopen tussen ons"

heeft het Hof bij zijn strafmotivering mogen overwegen dat die misdrijven tegen de levensgezel van de verdachte hebben plaatsgevonden. Dat de verdachte het heeft over "vorig jaar" behoeft niet strikt als een kalenderjaar te worden uitgelegd, mede gelet op de omstandigheid dat voor de feitenrechter niet is aangevoerd dat de verdachte in het citaat doelt op een andere vrouw.

15. Het middel faalt.

16. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend A-G

1 De appelterechtzitting vond plaats op 27 oktober 2011.