Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1088

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
12/00075
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1073, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00075

Mr. Wortel

Zitting 3 september 2013

conclusie inzake

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 28 november 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarbij de verdachte wegens ‘poging tot doodslag’ is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bijkomende beslissingen als in het arrest vermeld.

1.2 Namens de verdachte heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.1 Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen op het (voorwaardelijk) verzoek te onderzoeken of het letsel van de verdachte veroorzaakt kan zijn door een enkele klap of kopstoot.

2.2 De bestreden uitspraak houdt in:

“De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof ten slotte voorwaardelijk – indien het hof niet tot een vrijspraak mocht komen – om nader onderzoek verzocht onderzoek te doen naar de vragen:

- Of een glassplinter in het hoofd van de aangever van een bierglas danwel van een longdrinkglas afkomstig is;

- Of het letsel van [slachtoffer] mogelijk veroorzaakt kan zijn door getuige [getuige 1] of [getuige 2] door middel van nadere vragen aan de letseldeskundigen;

- Of het letsel van verdachte veroorzaakt kan zijn door een enkele klap of kopstoot.

Het hof acht gelet op de inhoud van het strafdossier geen noodzaak aanwezig tot het onderzoeken van een door de huisarts uit het hoofd van de aangever verwijderde glassplinter. Het hof constateert dat die glassplinter in een later stadium door de huisarts bij [slachtoffer] uit het hoofde is verwijderd en aan [slachtoffer] is meegegeven. Het is niet (meer) vast te stellen of die splinter afkomstig is uit het glas waarmee [slachtoffer] zijn verwondingen als gevolg van het slaan heeft opgelopen, noch of die splinter anderszins rechtstreeks in verband staat met het onderhavige incident. Om die reden is nader onderzoek naar de herkomst van die splinter (bier- of ander glas) niet noodzakelijk.

Evenmin acht het hof het noodzakelijk dat opnieuw (nader) letselonderzoek wordt verricht naar het letsel van [slachtoffer]. Het hof constateert dat onder leiding van de rechter-commissaris een letselrapportage in de zin van een deskundigenrapport tot stand is gebracht, waarbij de raadsman door de rechter-commissaris is uitgenodigd om nadere vragen te formuleren. Van die uitnodiging is geen gebruik gemaakt. Het hof is daarbij van oordeel dat de huidige deskundigenrapportage volledig is en acht nader deskundigenonderzoek niet noodzakelijk.

Het hof wijst het verzoek tot onderzoek van letsel aan het hoofd van aangever als niet noodzakelijk voor de beoordeling van de tenlastelegging af.”

2.3 In deze overwegingen heeft het Hof drie maal een verzoek afgewezen op de grond dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken. De eerste twee alinea’s betreffen de verzoeken die bij de eerste twee gedachtestreepjes zijn samengevat, en in de laatste zin is – naar de letter genomen – het tweede verzoek voor de tweede maal afgewezen. Daarom kan worden aangenomen dat de laatste zin een misslag bevat, en verbeterd aldus moet worden gelezen dat het verzoek tot onderzoek “van letsel aan het hoofd van verdachte” is afgewezen omdat zulk onderzoek voor de beoordeling van het tenlastegelegde niet noodzakelijk is.

Door deze verbeterde lezing komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen.

3.1 Het tweede middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat deze in strijd met de opdracht van de Officier van Justitie niet auditief zijn geregistreerd.

3.2 Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar aangevoerd hetgeen in de toelichting op het middel staat vermeld. Voor zover wordt geklaagd dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, stuit het af op de omstandigheid

dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv (vgl. HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2052, NJ 2012, 253). Voor het overige geldt dat het Hof op de pagina’s 2 tot en met 5 van de bestreden uitspraak op niet onbegrijpelijke wijze uiteen heeft gezet waarom de processen-verbaal van verhoor, waaronder de niet-auditief geregistreerde verhoren, wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het middel faalt.

4.1 Het derde middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel dat een door de verdachte geschetste alternatieve opeenvolging van gebeurtenissen geen steun vindt in de overige verklaringen in het dossier, en geen van de ondervraagden de door de verdachte beschreven gang van zaken heeft waargenomen.

4.2 Het is me duidelijk dat de steller van het middel de in het dossier opgenomen verklaringen onder het vergrootglas heeft gelegd, en bij nauwkeurige lezing daarvan allerlei aanknopingspunten heeft gevonden om van de verdachte aan te nemen dat hij al naar de voorkant van het café was gedirigeerd toen de aangever [slachtoffer] gewond raakte. Er is evenwel een verschil tussen (diverse) getuigen die de verdachte op een zeker moment niet op een bepaalde plek hebben gezien, en getuigen die er zeker van zijn dat de verdachte daar niet was (voor zover al denkbaar is dat de bezoeker van een – kennelijk – stampvol café met zekerheid heeft waargenomen dat een bepaalde persoon bij een eerste woordenwisseling wèl, maar bij de tweede confrontatie niet meer aanwezig was). Kennelijk heeft het Hof met de door dit middel bestreden overweging tot uitdrukking willen brengen dat geen verklaringen voorhanden zijn waaruit met enige zekerheid kan worden afgeleid dat de verdachte niet in de buurt van de aangever was op het moment waarop die het in de bewezenverklaring bedoelde letsel opliep.

Overigens is de bewezenverklaring naar behoren gemotiveerd.

Het middel faalt.

5.1 De middelen lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.

5.2 Voortvarende (verdere) behandeling van dit cassatieberoep zal kunnen voorkomen dat de als redelijk te beschouwen termijn voor behandeling van dit beroep wordt overschreden.

Met die kanttekening strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G