Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1085

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
13/00427 en 13/00428
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1069, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Het oordeel van de Rb dat de inbeslaggenomen geldbedragen kunnen worden aangemerkt als stukken van overtuiging a.b.i. art. 552p lid 2 Sv die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen in de procedure waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, is niet toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00427 B en 13/00428 B

Zitting: 3 september 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Utrecht heeft bij twee beschikkingen van 28 december 2012 met rekestnummers 12/1712 en 12/1754, het verzoek om verlof ex art. 552p lid 2 Sv toegewezen respectievelijk het beklag ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan klager van een geldbedrag van € 16.000,-, ongegrond verklaard.

2. Tegen beide beschikkingen is namens klager cassatieberoep ingesteld. Gelet op HR 12 oktober 2010, LJN BN4301, NJ 2010/563 kan klager ook in zijn cassatieberoep tegen de beschikking op het verzoek om verlof ex art. 552p lid 2 Sv worden ontvangen.

3. Namens klager heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik, in beide zaken een middel van cassatie voorgesteld.

4. Een ex art. 552a Sv ingediend klaagschrift waarin enkel wordt geklaagd over de inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave van voorwerpen die ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp in beslag zijn genomen – zoals hier het geval is – is impliciet gericht tegen de verlening van het in art. 552p Sv bedoelde verlof. Het belang van de strafvordering dat zich niet (langer) tegen teruggave zou verzetten, is in een dergelijk geval namelijk alleen gelegen in het belang dat met de uitvoering van het rechtshulpverzoek is gemoeid. De vraag of verlof moet worden verleend en de vraag of het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet, zijn dus twee kanten van een en dezelfde medaille.1Gelet op deze samenhang, zie ik aanleiding de zaken gezamenlijk te bespreken.

5. De middelen

5.1. Het middel in de zaak met rekestnummer 12/1712 klaagt over de verlofverlening door de Rechtbank wat het inbeslaggenomen geldbedrag betreft en in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat dit geldbedrag een stuk van overtuiging is.

5.2. Het middel in de zaak met rekestnummer 12/1754 klaagt dat het oordeel van de Rechtbank dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave van het geldbedrag verzet omdat het geld een rol kan spelen in de waarheidsvinding in de zaak waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, onjuist althans onbegrijpelijk is.

5.3. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5.4. De beschikking met rekestnummer 12/1712 houdt het volgende in:

“1 De procedure

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 december 2012, waarbij zijn gehoord de officier van justitie en de verdachte en diens raadsvrouw, mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier, waaronder:

 een internationaal rechtshulpverzoek van de onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 21 mei 2012, strekkende onder meer tot het doen van doorzoeking ter inbeslagneming aan het [a-straat 1] te Utrecht;

 een vordering uitvoering rechtshulp ex artikel 552n van het Wetboek van Strafvordering van 6 september 2012, welke vordering door de rechter-commissaris op 6 september 2012 is toegestaan zoals gevorderd;

 het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname van 12 september 2012, waaruit blijkt dat aan het [a-straat 1] te Utrecht goederen, voorwerpen en/of bescheiden in beslag zijn genomen;

 het verzoek ex artikel 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van 1 oktober 2012 van de rechter-commissaris tot het verlenen van verlof.

De rechtbank heeft tevens gelet op:

 het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Straatsburg, 20 april 1959);

 het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Straatsburg, 17 maart 1978);

 het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Straatsburg, 8 november 2001);

 de Uitvoeringsovereenkomst bij het Akkoord van Schengen (Schengen, 19 juni 1990);

 de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (Brussel, 29 mei 2000);

 het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Wenen, 20 december 1988).

2 Het verzoek

De rechter-commissaris heeft verzocht verlof als bedoeld in artikel 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering te verlenen om de in de woning aan het Van Starkenborghhof 36 te Utrecht in beslag genomen stukken ter beschikking te stellen aan de officier van justitie, opdat deze die kan overdragen aan de verzoekende autoriteiten.

Het verzoek heeft betrekking op de volgende goederen en bescheiden:

 A-III-1 simkaarthouder T-Mobile

 A-III-2 Papiertje met telefoonnummers

 A-III-4 40 x 50-eurobiljetten

 A-III-5 handtas met daarin totaal 14.000 euro papiergeld

 A-III-6 simkaart T-Mobile

 A-IV-1 gsm, merk Samsung, kleur wit

 A-IV-2 sleutelbos met een label voorzien van de tekst YGY 280

 A-IV-3 sleutelbos

 A-IV-4 gsm, merk Samsung, kleur zwart

 A-IV-5 gsm, merk Alcatel, kleur zwart

 A-V-1 uitdraai huurwoning België

 A-VI-1 bekeuring België

 C-1 navigatiesysteem, merk TomTom

 C-2 gsm, merk Samsung, kleur zwart

 C-3 diverse losse papiertjes

2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen bankbiljetten, geregistreerd onder de nummers A-III-4 en A-III-5, niet zijn aan te merken als stukken van overtuiging zoals bedoeld in artikel 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hij verzoekt het verzoek om verlof in zoverre af te wijzen.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen is de officier van justitie van mening dat sprake is van stukken van overtuiging en dat er geen belemmeringen zijn verlof te verlenen.

2.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van oordeel dat geen verlof dient te worden verleend voor de in beslag genomen bankbiljetten, geregistreerd onder de nummers A-III-4 en A-III-5. Er is geen relatie tot enig strafbaar feit en het geld kan de betrokkenheid van verdachte niet aantonen. Zij wijst er daartoe op dat het geld aan de echtgenote van verdachte toebehoort.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

2.3 Het oordeel van de rechtbank

Alvorens te beslissen dient de rechtbank na te gaan of aan alle in de van toepassing zijnde verdragen en wetgeving genoemde voorwaarden is voldaan.

De rechtbank stelt vast dat het rechtshulpverzoek is gegrond op het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: het Verdrag) en de daarbij behorende Europese regelingen inzake wederzijdse rechtshulp. Het verzoek is gedaan door een daartoe bevoegde autoriteit. Gelet op het bepaalde in artikel 552k, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt aan een rechtshulpverzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.

De rechtbank stelt voorts vast dat zich geen dwingende weigeringsgrond, bedoeld in artikel 552l van het Wetboek van Strafvordering voordoet die zich verzet tegen inwilliging van het verzoek. Evenmin is sprake van een politiek of fiscaal delict waarvoor machtiging is vereist, bedoeld in artikel 552m van het Wetboek van Strafvordering. Ten slotte doen zich geen verdragsrechtelijke weigeringsgronden voor.

Uit artikel 552o, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat aan een buitenlands verzoek tot inbeslagneming slechts kan worden voldaan als het feit in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, ware het in Nederland begaan, tot inbeslagneming had kunnen leiden en aanleiding had kunnen geven tot uitlevering aan de verzoekende staat. Uit het rechtshulpverzoek blijkt dat van toepassing zijn artikel 1 en 2bis van de Wet betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Op overtreding van deze bepalingen is een gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaren gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de materiële feiten omschreven in het rechtshulpverzoek vallen onder de Nederlandse strafbepalingen van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, waarop op grond van de artikelen 10 en 11 van die wet een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde Belgische en Nederlandse wetsartikelen in de kern hetzelfde rechtsbelang beogen te beschermen. Daarmee is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarstelling. Tevens is voldaan aan het minimale strafmaximum.

De rechtbank stelt vast dat het rechtshulpverzoek is gedaan met het oog op de waarheidsvinding in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Niet is gebleken dat andere motieven aan het verzoek ten grondslag liggen.

Over de vraag of de in beslag genomen goederen stukken van overtuiging betreffen overweegt de rechtbank als volgt. Onder stukken van overtuiging in de zin van het Verdrag dienen te worden verstaan voorwerpen die naar het oordeel van de rechterlijke autoriteiten van het verzoekende land kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen in de procedure waar het rechtshulpverzoek betrekking op heeft. Ook wanneer stukken van overtuiging in de zin van het Verdrag anders dan in overwegende mate kunnen dienen voor het aan de dag brengen van de waarheid, verzet het Verdrag noch de wet zich tegen het verlenen van verlof (Hoge Raad 12 juni 1984, LJN AC2549). Voldoende is dat de in beslag genomen stukken van overtuiging een rol kunnen spelen in de waarheidsvinding.

Met betrekking tot het verweer dat het geld de echtgenote toebehoort overweegt de rechtbank dat niet op voorhand aannemelijk is geworden dat het in beslag genomen geld geheel aan de echtgenote van verdachte toebehoort. Onder deze omstandigheid en in het licht van de hiervoor genoemde jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat dit geld een rol kan spelen in de waarheidsvinding in de zaak waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van stukken van overtuiging zoals bedoeld in artikel 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het verweer over de relatie tussen het in beslag genomen geld en het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft dient niet in deze procedure, maar in de Belgische strafprocedure te worden ingebracht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek voor inwilliging vatbaar is. Alle in beslag genomen stukken waarop het verzoek betrekking heeft kunnen aan de verzoekende autoriteiten worden overgedragen.

Nu de rechthebbenden op de in beslag genomen stukken van overtuiging in Nederland verblijf houden, zal het verlof op grond van artikel 552p, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden verleend onder het voorbehoud, dat bij afgifte van voormelde stukken aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.”

5.5. De bestreden beschikking met rekestnummer 12/1754 houdt het volgende in:

“Het klaagschrift is gericht tegen (het voortduren van) de inbeslagneming en (daarmee kennelijk tevens) over het uitblijven van een last tot teruggave van het inbeslaggenomene aan klager. Ter zitting heeft de raadsvrouw aangegeven dat het klaagschrift zich beperkt tot de inbeslagname van het geld ad € 16.000,-.

(…)

Overweging

Bij beschikking van heden, in de zaak met rekestnummer 12/1712, heeft de rechtbank de rechter-commissaris verlof verleend om de onder klager in beslag genomen stukken van overtuiging ter beschikking te stellen van de officier van justitie, opdat deze die kan overdragen aan de verzoekende buitenlandse autoriteiten. Uit deze beschikking volgt dat de in beslag genomen goederen een rol kunnen spelen in de waarheidsvinding in de zaak waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. Onder die omstandigheid verzet het belang van strafvordering zich tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen. De rechtbank zal het klaagschrift ongegrond verklaren.”

5.6. De rechtbank heeft vastgesteld dat het rechtshulpverzoek is gegrond op het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en de daarbij behorende Europese regelingen inzake wederzijdse rechtshulp. Bij de beoordeling van de vraag of het gevorderde verlof kan worden verleend – en derhalve van de vraag of het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet – dient de rechter het volgende toetsingskader aan te leggen. Indien het rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag – zoals hier het geval is – dient op grond van art. 552k lid 1 Sv aan dat verzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.2

5.7. Het uitgangspunt dat aan het rechtshulpverzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg wordt gegeven, neemt echter niet weg dat het aan de rechter is te toetsen of aan de wettelijke voorschriften is voldaan. Art. 552o lid 3 Sv bepaalt dat vatbaar voor inbeslagneming, overeenkomstig lid 1 van dit artikel, zijn stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn, indien het feit in verband waarmede de rechtshulp is gevraagd, in Nederland was begaan en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende staat. Stukken van overtuiging zijn derhalve, gelet op het bepaalde in art. 94 lid 1 Sv, stukken die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen met betrekking tot het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft.3 Opgemerkt zij dat niet is vereist dat de stukken alleen maar kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen,4 maar dat betekent niet dat de rechter niet moet toetsen óf de stukken daartoe kunnen dienen.5

5.8. Het rechtshulpverzoek houdt in dat in een pand in Antwerpen een hennepplantage is aangetroffen, waarvan vermoed wordt dat die beheerd wordt door twee Nederlanders, onder wie klager. Het verzoek tot het uitvoeren van een doorzoeking van de verblijfplaats van klager wordt daarbij gedaan “teneinde de betrokkenheid van [klager] te kunnen bepalen/aantonen”.

5.9. De rechtbank heeft vastgesteld dat het rechtshulpverzoek is gedaan met het oog op de waarheidsvinding in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en dat niet is gebleken dat andere motieven aan het verzoek ten grondslag liggen.

5.10. De vraag is of geld kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Als het doel is verbeurdverklaring, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of het aantonen daarvan dan dient de weg van art. 13 e.v. WOTS of van de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafvorderlijke bevelen (art. 552jj e.v. Sv) te worden gevolgd. Anders zouden deze regelingen via de art. 552p Sv procedure eenvoudig kunnen worden omzeild.6 Dat betekent echter niet dat geld nooit een stuk van overtuiging kan zijn waarvoor ex art. 552p Sv verlof kan worden verleend. Zo kan onderzoek aan het geld op vingerafdrukken of andere sporen nodig zijn. Voor het overige volstaat voor de waarheidsvinding een proces-verbaal van bevindingen, waarin van het aantreffen van het geld gewag wordt gemaakt. Verlof tot afgifte en overdracht van het geld zelf is dan niet nodig.

5.11. Namens de klager is aangevoerd dat het inbeslaggenomen geldbedrag geen relatie heeft tot enig strafbaar feit en dat het geld de betrokkenheid van klager niet kan aantonen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het geld een rol kan spelen in de waarheidsvinding in de zaak waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, gelet op de omstandigheid dat het niet op voorhand aannemelijk is geworden dat het inbeslaggenomen geld geheel aan de echtgenote van verdachte (klager) toebehoort.

5.12. In aanmerking genomen dat, naar onder 5.10 is uiteengezet, inbeslaggenomen geld alleen in betrekkelijk uitzonderlijke gevallen als een stuk van overtuiging kan worden aangemerkt, is niet zonder meer begrijpelijk op grond waarvan de Rechtbank heeft geoordeeld dat het geld in dit geval een rol kan spelen in de waarheidsvinding. Omstandigheden die aannemelijk maken dat onderzoek van het geld zelf kan bijdragen aan de beantwoording van de vraag of klager al dan niet als exploitant betrokken is bij de in Antwerpen aangetroffen hennepkwekerij, zijn door de Rechtbank niet vastgesteld. Ik merk daarbij op dat de omstandigheid die de Rechtbank kennelijk zelf van belang heeft geacht, namelijk dat niet aannemelijk is dat het geld geheel toebehoort aan klagers echtgenote, mij van weinig betekenis toeschijnt. Als op het geld sporen van klagers betrokkenheid bij de hennepkwekerij kunnen worden aangetroffen, vormt dat geld hoe dan ook een stuk van overtuiging, dus ook als dat geld aan klagers echtgenote toebehoort. Een nadere motivering, die inzicht verschaft in de gedachtegang van de Rechtbank, was daarom geboden.

5.13. De middelen slagen.

6. In beide zaken slaagt het voorgedragen middel.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikkingen ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikkingen voor zover die betrekking hebben op het inbeslaggenomen geldbedrag, in zoverre tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. mijn conclusie voor HR 12 oktober 2010, LJN BN4301, NJ 2010/563 met verwijzing naar J.M. Sjöcrona, De kleine rechtshulp. Nederlands procesrecht ten behoeve van buitenlandse justitie en politie. Een onderzoek naar de betekenis van de artikelen 552h-552q van het Wetboek van Strafvordering (diss. Leiden), Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 291.

2 HR 19 maart 2002, LJN ZD2927, NJ 2002/580; HR 8 maart 2011, LJN BP1153.

3 R. Lamp en H.G. van der Wilt in Melai/Groenhuijsen e.a., Internationale en interregionale samenwerking in strafzaken, Deel III. Rechtshulp, hoofdstuk 5, par. 7, aant. 3.2 (bijgewerkt tot oktober 2004); zie ook Kamerstukken II 2004/05, 29 845, nr. 3, p. 8.

4 Vgl. HR 12 juni 1984, LJN AC2549, NJ 1985/173.

5 Zie HR 12 oktober 2010, LJN BN4301, NJ 2010/563 en mijn conclusie voor dit arrest.

6 Zie ook De Groot in T&C Sv, aant. 3d bij art. 552n.