Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1083

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-08-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
12/01650
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1066, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Falende bewijsklacht valsheid in geschrift. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft het Hof kunnen afleiden dat in het logboek in strijd met de waarheid minder asbesturen waren geregistreerd dan in werkelijkheid waren gewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01650 E

Mr. Machielse

Zitting 20 augustus 2013

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 24 januari 2012 voor 3: Medeplegen van feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, tot een geldboete van € 1800 en tot een werkstraf van 180 uur.

2. Mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, heeft cassatie ingesteld. Mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, heeft een schriftuur ingezonden houdende zes middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de veroordeling voor het eerste onderdeel van feit 3, het valselijk opmaken van een melding van een calamiteit. De verdediging heeft aangevoerd dat er wel degelijk een calamiteit is geweest, te weten de beschadiging van de daknokken van het pand die ernstiger beschadigd waren dan op grond van het inventarisatierapport kon worden verwacht. Vanwege het risico van verspreiding van asbesthoudend materiaal is deze situatie als een calamiteit beoordeeld. Dit verweer is door het hof verworpen, maar de motivering daarvan is ontoereikend, omdat het hof zich slechts heeft uitgelaten over de dakrand die nog intact was, maar niet over de daknokken.

3.2. Bewezenverklaard is als feit 3 dat

"[A] B.V. in de periode van 28 mei 2008 tot en met 12 augustus 2008 in Nederland, opzettelijk

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Heusden, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, op 6 juni 2008 daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid vermeld dat de sloop naar aanleiding van een calamiteit moest worden uitgevoerd en

- een formulier logboek van 30 juni 2008, betreffende een asbestsloop in Gilze-Rijen zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan in werkelijkheid waren gewerkt en

- een werkplan betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid de namen van de daar aanwezige Poolse arbeiders niet vermeld en

- een formulier logboek van 8 juli 2008 betreffende een asbestsloop te Oosterhout, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt en

- een formulier logboek van 28 mei 2008 betreffende een asbestsloop te Bavel, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt en

- twee formulieren logboek van 26 en 27 juni 2008 betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, op 27 juni 2008 opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt,

met het oogmerk om voormelde formulieren logboek, melding en werkplan als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, hebbende hij verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met een ander feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen".

3.3. In het arrest heeft het hof gevoerde verweren aldus samengevat en vervolgens verworpen:

"F.

Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het haar onder 3. ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat:

1. de melding aan de Arbeidsinspectie niet valselijk is opgemaakt, aangezien sprake was van een calamiteit;

2. het logboekformulier betreffende een asbestsloop in Gilze-Rijen niet valselijk is opgemaakt, aangezien na de vrijgave om 09.30 uur alleen niet-asbesthoudende golfplaten zijn verwijderd, zodat er niet met asbest is gewerkt en er geen verplichting was om de uren te registreren;

3. niet bewezen kan worden dat [A] B.V. de logboekformulieren betreffende asbestslopen te Oosterhout, Bavel en Eersel valselijk heeft opgemaakt;

4. niet bewezen kan worden dat [A] B.V. het werkplan betreffende een asbestsloop in Eersel valselijk heeft opgemaakt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

G.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 1. gestelde:

Het hof leidt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] af dat het gebouw gelegen op het adres [b-straat 1] te Heusden volledig intact was. Bezien in samenhang met het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] van 4 juni 2009 en het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] van 4 juni 2008 trekt het hof hieruit het gevolg dat verdachte opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in de melding heeft vermeld dat de sloop moest worden uitgevoerd naar aanleiding van een calamiteit."

Het bewijs van dit onderdeel heeft het hof doet berusten op de volgende bewijsmiddelen:2

"1. Het proces verbaal relevante tapgesprekken zaak [b-straat 1] Heusden, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Tijdstip: 04-06-2008 14:09:11

[medeverdachte 1] (B) belt naar [verdachte] (A).

[medeverdachte 1] vraagt of [verdachte] dat van Oranjedak, van die nokken wat ze morgen moeten doen toch naar [medeverdachte 1] heeft gemaild. [verdachte] vraagt of dat dat in Eindhoven was of in Heusden. [medeverdachte 1] zegt in Heusden.

[verdachte] zegt dat er iets zal moeten zijn omdat ze anders niet mogen saneren. [medeverdachte 1] zegt dat ze er zo niks van hebben.

B: dat is ook weer de gemeente Asten kutzooi. Geen sloopvergunning of iets van, dat was een calamiteitje. Ja ook dat moetje eigenlijk niet meer doen he

A: Nee dat heb ik tegen dingen ook al gezegd, dat gaat eigenlijk niet meer, dat moet te gewoon niet meer doen, gewoon vort een sloopvergunning aanvragen en aan de gang.

B: ja en wat is de reden van een calamiteit?

A: Ja dat er dingen kapot zijn

B: Dat de dakdekker het doorgestoten heeft

A: Breuk. Ge moet het pas melden als ge aanrijdt ongeveer of als ge daar bent

B: morgenvroeg

A: Of net zoals [betrokkene 3] pas melden als je klaar bent, zo doet [betrokkene 3] het meestal

B: Nee dat moetje niet doen, je moet gewoon om 7 uur starten en om 9 uur vrijgave. Nee is

goed. Kapotgestoten dakrand door dakdekkers

Tijdstip :04-06-2008 19:46:10

Tenaamstelling : [betrokkene 1]

[medeverdachte 1] (B) belt uit naar NN-man [betrokkene 1] (N).

NN-man [betrokkene 1] zegt dat hij er morgen maar eentje nodig heeft voor dat werkske. [medeverdachte 1] zegt daar van oranjedak.

NN-man [betrokkene 1] vraagt bij welke Heusden dat is. [medeverdachte 1] zegt dat het bij Asten is.

B: jaja, het is gewoon een buitensanering abs vrijgegeven

N: het is euh, alleen de nok stukjes?

B: alleen de nokstukken ja

N: oh, ja dat is goed.

B: en morgenvroeg wordt dat gemeld als calamiteit, dus ze zijn beschadigd dus alleen de nokken zijn beschadigd op enkele plakken dus daarom halen we de hele nokken eraf.

N:ja

Tijdstip :05-06-2008 07:09:57

Tenaamstelling : [betrokkene 1]

NN-man belt in op het toestel van [medeverdachte 1] en zegt dat het Heusden bij Den Bosch is.

2.

Het proces verbaal van bevindingen [b-straat 1] Heusden, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik werd op 5 juni 2008 gezonden naar een perceel gelegen op de [b-straat 1] te Heusden bij Den Bosch waar ik omstreeks 15.00 uur een onderzoek instelde. Ik zag dat het gebouw buiten de omheining geheel was te bezichtigen. Ik zag tijdens de bezichtiging rond het gebouw dat dit volledig intact was, inclusief de dakrand.

3.

Het zaak proces verbaal [b-straat 1] Heusden, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Door mij werd informatie ingewonnen bij de Arbeidsinspectie Regio Zuid te Roermond. Uit de verstrekte informatie bleek dat door de afzender [emailadres] op 6 juni 2008 om 08.38 uur middels de mail een melding werd gedaan van een asbestcalamiteit op 6 juni 2008 op het adres [b-straat 1] te Heusden. Een kopie van deze mail met als bijlage het meldingformulier werd door de Arbeidsinspectie ter beschikking gesteld en is bij dit proces-verbaal gevoegd.

4.

Een afschrift van een e-mailbericht met als bijlage een meldingsformulier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Van: [betrokkene 4] [[emailadres]]

Verzonden: 6 juni 2008 8:38

Aan: "Arbeidsinspectie Roermond; Gemeente Heusden bouw&wonen;

[betrokkene 5]

Onderwerp: [A] [b-straat 1] Melding 1 & 2

Plaats waar het asbestverwijderingswerk wordt uitgevoerd

Naam: [b-straat 1]

Adres: Heusden

Ondertekening Asbestverwijderingsbedrijf

hoofdaannemer

[C]

06-06-2008

[A]

Calamiteit of spoedsanering In verband met beschadigde nokken op het dak calamiteit bevonden."

3.4.

De steller van het middel voert aan dat het hof in feite alleen wijst op het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat het gebouw intact was, inclusief de dakrand. Het hof heeft evenwel voor het bewijs ook gebruikt een proces-verbaal, waarin informatie wordt weergegeven van de Arbeidsinspectie Regio Zuid te Roermond, waarin een asbestcalamiteit werd gemeld die zich op 6 juni 2008 op het adres [b-straat 1] te Heusden zou hebben voorgedaan (bewijsmiddel 3). Uit bewijsmiddel 1, een op 4 juni 2008 afgeluisterd telefoongesprek gevoerd tussen van [medeverdachte 1] en [verdachte], heeft het hof kunnen afleiden dat op 5 juni 2008 een karwei in Heusden moet worden gedaan met nokken. Het hof heeft voorts uit het gesprek kunnen afleiden dat er geen sloopvergunning was en dat er daarom een calamiteitje moest worden voorgespiegeld. Uit het gesprek heeft het hof ook kunnen afleiden dat beiden erover spreken wat voor calamiteit er zal worden gemeld en wanneer. Tegen deze achtergrond heeft het hof de waarneming die verbalisant op 5 juni 2008 deed op de [b-straat 1] te Heusden aldus kunnen begrijpen dat verbalisant heeft waargenomen dat het gebouw volledig intact was, inclusief het dak en dat er dus geen schade waarneembaar was die zou zijn veroorzaakt door een dakdekker.

Aldus bevat de bewijsconstructie de gronden waarop het hof het gevoerde verweer heeft verworpen.

Het middel faalt.

4.1.

Het tweede middel keert zich tegen de veroordeling voor hetgeen onder het eerste gedachtenstreepje van feit 3 is bewezenverklaard. De verdediging heeft aangegeven dat niet vaststaat dat na de vrijgave door RPS nog asbest aanwezig was en dat tijdens de niet-geregistreerde uren niet meer met asbest is gewerkt.

4.2.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het personeel van verdachte ook niet-asbesthoudende golfplaten heeft verwijderd. Ter terechtzitting van 20 december 2011 heeft de advocaat van verdachte het woord gevoerd overeenkomstig een aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Daarin heeft de advocaat betoogd dat de vrijgave op 30 juni 2008 om 9.30 uur is gedaan. Voorts heeft de advocaat erop gewezen dat uit de vrijgave blijkt dat de rest van het dak - ik maak daaruit op: het deel van het dak dat niet met asbesthoudend materiaal was bedekt - voorzien is van een NT-aanduiding wat zou overeenkomen met de verklaring van de getuige [betrokkene 1] bij de politie.

4.3.

Het hof heeft het bewijs van dit onderdeel van feit 3 doen rusten op de volgende bewijsmiddelen:

"5. Een afschrift van een telefoongesprek d.d. 30 juni 2008 te 09.30 uur, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

[medeverdachte 1].(B) wordt gebeld door NN-man [betrokkene 1] (F)

F: [medeverdachte 1], hoeveel meter moet ik dat hier afhalen?

B: Ja, [betrokkene 2] zegt 50.

F: Ja, ik heb er 50 meter afgehaald en dan begintie net te zeiken dat er nog veel meer af moet halen.

B: Hoeveel moettie er dan nog afhalen?

F: Ja, veel... eh ... das meer dan 100 meter [medeverdachte 1].

B: Ja nou, haalt er dat maar af. Als hun zeggen dat het er af moet dan eh ... tellen we het er gewoon bij. Dat maakt mij niks uit. Hij zei tegen mij het is ongeveer 50 meter, maar ja als ze nou willen dat er meer afgaat, doen wij er toch gewoon meer af.

F: Ja. Vanmorgen zeiden ze ooh das de asbestvrije, dus die laat ik liggen en we willen wegrijden en eeh .. ooh .. das ook nog asbest dat moette der afhalen.

B: Ja. Het zal er toch afmoeten anders moetje straks terug komen. Doe dat maar.

F: Eeeh ik heb er hier al een vrijgave opzitten [medeverdachte 1]. Gewoon zo laten zitten dan?

B: Ja eehhhm .. nee.

F: Maar .... Het kan wel hoor. Op de tekening kan het ook ongeveer kloppen. Maar dan komde met de meters, komde niet uit.

F: Met.. Met de vrijgave kunde het wel maken. Het is een eeh .. anderhalfuur .. een uurke werk .. anderhalf is het er denk ik helemaal af.

B: O ja. Doe dat maar.

6.

Een afschrift van een telefoongesprek d.d. 30 juni 2008 te 09.41 uur, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

[medeverdachte 1] wordt gebeld door NN-man [betrokkene 2] met de mededeling dat als het zo doorgaat met [betrokkene 1] dat hij er dan een streep onder zet. [medeverdachte 1] vraagt of het gaat om diegene die in Gilze zit ([betrokkene 1]). NN-[betrokkene 2] zegt dat [betrokkene 1] niet meer dan 50 meter wil verwijderen en dat als hij dat niet wil doen, maar op moet zouten. NN-[betrokkene 2] zegt dat zijn medewerkers niet hebben gezegd dat het asbestvrij is.

[medeverdachte 1] zegt dat [betrokkene 1] al een vrijgave heeft. NN-[betrokkene 2] zegt dat alles wat asbestvrij was, eerder al verwijderd was. [medeverdachte 1] zegt dat [betrokkene 1] er alles af gaat halen.

7.

Een analyse rapport van RPS Analyse B.V., voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Opdrachtgever [A]

Locatie/Bouwdeel [a-straat 1] Gilze

Datum monstername 30-06-2008

Start monstername 9.00

Uren op locatie 0,5

Doelstelling visuele inspectie

Aard verwijderd materiaal golfplaten

Conclusie luchtmeting + visuele inspectie akkoord

naam [betrokkene 1] [handtekening]

Handtekening DTA aanwezig bedrijf

8.

Het formulier logboek van [A], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Datum: 30-6

Naam DTA [betrokkene 1]

Werkadres: gemeente Gilze en Rijen

[a-straat 1] Gilze en Rijen

Uitgevoerde werkzaamheden: Golfplaten verwijderen

Dagelijkse asbest-uren registratie

naam in uit paraaf

[betrokkene 1] 800 900 [paraaf]

[…] 800 900 [paraaf]

[…] 800 900 [paraaf]

[…] 800 900 [paraaf]

[…] 800 900 [paraaf]

9.

De verklaring van [betrokkene 2], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

[a-straat 1] Gilze:

Hier moesten asbesthoudende golfplaten worden verwijderd. Overigens was een deel van het dak asbestvrij. Voor dat [A] met de asbestsanering begon hebben wij de asbestvrije golfplaten al verwijderd.

Ik ben 1 keer op het werk geweest. Volgens mij was het rond 11.00 uur dat ik daar was. Ik heb toen ik daar was gebeld met [medeverdachte 1]. Op het moment dat ik daar was waren ze van [A] nog aan het saneren. De werkzaamheden waren nog niet klaar.

Ik kan u zeggen dat ik op de locatie [a-straat 1] maar 1 keer ben geweest. In totaal lag er ongeveer zo'n 100 vierkante meter aan asbesthoudende golfplaten. Zoals ik als eerder heb gezegd, werd er nog volop gesaneerd toen ik daar was. [A] moest van mij alle asbesthoudende golfplaten verwijderen. Het asbest is voor zover ik weet in zijn totaliteit verwijderd.

Ik heb van dit project maar 1 vrijgave. Dat is de vrijgave RPS die u mij eerder heeft getoond. Ik zie aan de vrijgave dat de laborant vermeldt dat hij om 09.00 uur in de ochtend aanvangt met de visuele inspectie. Ik was daar rond 11.00 uur. Er werd toen nog gesaneerd. Hieruit concludeer ik dat de vrijgave niet goed gedaan is door het laboratorium en dat er nog asbest werd gesaneerd nadat de vrijgave als was afgegeven.

10.

De verklaring van [betrokkene 1], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

[a-straat 1] te Gilze:

Ik heb op deze locatie asbesthoudende golfplaten gesaneerd.

Ik heb alle asbesthoudende golfplaten er in één keer afgehaald, tot aan de asbestvrije golfplaten. De mensen van [betrokkene 2] hebben de asbestvrije golfplaten er zelf afgehaald.

Ik kan u zeggen dat één van de bazen van [betrokkene 2] op de locatie aankwam. Op dat moment droeg ik mijn masker niet. Op dat moment waren we nog bezig met het verwijderen van de asbesthoudende golfplaten.

U zegt me dat van 09.00 tot 09.30 uur de vrijgave plaats had gevonden en dat [betrokkene 2] om 10.54 uur naar [medeverdachte 1] belde om te zeggen dat er mensen zonder maskers aan het werk waren. Ik kan u zeggen dat de laborant van RPS om 10.00 uur weg is gegaan. Ik had toen al een vrijgave. Ik kan u zeggen dat ik diegene was die zonder masker aan het werk was.

U vraagt me hoe laat we ongeveer klaar waren met het verwijderen van de asbesthoudende golfplaten. Ik kan u zeggen dat we rond 10 uur à half 11 klaar waren.

11.

De verklaring van [betrokkene 1], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb bij [A] B.V. gewerkt.

Ik was als DTA niet de enige die in het logboek schreef. De anderen moesten ook een handtekening zetten dat ze zich aan de regels houden. Ik deed de urenadministratie. De anderen tekenden ervoor dat ze ermee akkoord waren. Ik vulde de asbesturen in. Dat zijn de uren dat je met asbest werkt."

Voorts heeft het hof in zijn arrest nog het volgende overwogen:

"G.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 2. gestelde:

H.1

Uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] leidt het hof af dat door (medewerkers van) [A] B.V. enkel asbesthoudende golfplaten zijn verwijderd. Het logboek van 30 juni 2008 houdt in dat tussen 8.00 en 9.00 uur asbesturen zijn gemaakt. Gelet op de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] zijn evenwel ook na 9.00 uur nog asbestwerkzaamheden verricht, zodat door [betrokkene 1] opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen zijn geregistreerd dan in werkelijkheid waren gemaakt.

H. 2

Het invullen van het logboek vond plaats door iemand die werkzaam was ten behoeve van [A] B.V.. Bovendien maakte het invullen van het logboek deel uit van de normale bedrijfsvoering van [A] B.V.. Gelet op de verklaringen van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] is het hof voorts van oordeel dat het registreren van minder asbesturen dan in werkelijkheid waren gewerkt door [A] B.V. werd aanvaard, terwijl zij erover vermocht te beschikken of deze gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Aldus heeft het valselijk opmaken van het logboek plaatsgevonden in de sfeer van [A] B.V., zodat het hof dit toerekent aan [A] B.V.."

4.4. Ik moet bekennen dat de bewijsconstructie van het hof mij niet helemaal duidelijk is. Uitgangspunt is dat de feitenrechter bewijsmateriaal voor het bewijs bezigt dat hem betrouwbaar voorkomt. Bewijsmiddel 7 is een analyserapport van RPS Analyse B.V., waarin is vermeld dat op 30 juni 2008 om 9:00 is begonnen met de monstername en dat de verantwoordelijke voor de monstername een halfuur daar op de locatie is gebleven. De conclusie van het onderzoek, bestaande uit luchtmeting en visuele inspectie, houdt een akkoord in. Ik neem aan dat dit akkoord betekent dat het werk wordt vrijgegeven omdat daar geen asbest in onaanvaardbare concentratie meer aanwezig is. Bewijsmiddel 7 is daarom niet redengevend voor het bewezenverklaarde. Het komt mij voor dat het hof zich had moeten uitspreken over de waarde van bewijsmiddel 7. Als het hof van oordeel was dat het analyserapport van RPS niet de ware toedracht weergeeft en dat daarom geloof moet worden gehecht aan bijvoorbeeld de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1], had het voor de hand gelegen als het hof zich nader op de hoogte had gesteld van die toedracht. Een vrijgave is immers niet geoorloofd wanneer er nog asbesthoudend materiaal aanwezig is. Gelet op hetgeen de advocaat in hoger beroep heeft aangevoerd, te weten dat een deel van het dak bedekt was met NT-materiaal, houd ik het voor mogelijk dat het hof inderdaad aan dit bewijsmiddel een andere betekenis heeft toegekend dan de rapporteur daarmee heeft bedoeld. In ieder geval is het bewijsmiddel niet redengevend voor het bewijs van het feit dat er na de vrijgave nog wel degelijk asbesthoudend materiaal aanwezig was.

Het middel komt mij gegrond voor.

5.1. Het derde middel klaagt over het bewijs van onderdelen van feit 3. Deze onderdelen zijn bewezenverklaard op basis van slechts één verklaring van een getuige. Het betreft de formulieren inzake asbestsloop te Oosterhout, te Bavel en te Eersel.

5.2. Het hof heeft bewijs van deze onderdelen van feit 3 geput uit de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

"17. Het formulier logboek van [A], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Datum: 8/7 2008

Naam DTA [betrokkene 7]

Werkadres: [c-straat 1] Oosterhout

Dagelijkse asbest-uren registratie

naam in uit in uit in uit paraaf

[betrokkene 7] 8.00 10.00 11.00 13.00 14.00 16.00 [paraaf]

[betrokkene 8] 8.00 10.00 11.00 13.00 14.00 16.00 [paraaf]

18.

Het formulier logboek van [A], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Datum: 28/5 2008

Naam DTA [betrokkene 7]

Werkadres: [d-straat 1-2] Bavel

Dagelijkse asbest-uren registratie

naam in uit in uit in uit paraaf

[betrokkene 7] 6.30 8.30 9.30 11.30 12.30 14.30 [paraaf]

19.

Het formulier logboek van [A], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Datum: 26/6 2008

Naam DTA [betrokkene 7]

Werkadres: [e-straat 1] Eersel

Dagelijkse asbest-uren registratie

naam in uit in uit in uit paraaf

[betrokkene 7] 8.30 10.30 11.30 13.30 14.30 16.30 [paraaf]

[betrokkene 9] 8.30 10.30 11.30 13.30 14.30 16.30 [paraaf]

20.

Het formulier logboek van [A], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Datum: 27/6 2008

Naam DTA [betrokkene 7]

Werkadres: [e-straat 1] Eersel

Dagelijkse asbest-uren registratie

naam in uit in uit in uit paraaf

[betrokkene 7] 5.00 7.00 10.00 12.00 14.00 16.00 [paraaf]

[betrokkene 9] 5.00 7.00 10.00 12.00 14.00 16.00 [paraaf]

(...)

22.

De verklaring van [betrokkene 7], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik werk bij [A]. Bij [A] heb ik twee bazen, te weten [verdachte] en [medeverdachte 1]. U vraagt mij of ik op de locatie Dordsteweg (het hof begrijpt: Dorstseweg) in Bavel ben geweest. Aan de hand van de foto's en de situatieschets herken ik deze locatie. Wij praten dan over 28 mei 2008. Ik ben deze dag om 06.30 uur op deze locatie begonnen in beschermende kleding. Ik heb drie shifts van twee uur gewerkt in beschermende kleding die erden onderbroken door een uur pauze. Na de laatste twee uur heb ik de vrijgave verzorgd en heb ik met [betrokkene 11] gepoetst. Na dit uur heb ik mijn beschermende kleding weer aangetrokken en heb nog een uur platen verwijderd van die andere stal. Om 16.30 uur ben ik gestopt met [betrokkene 12]. Op het einde van de dag heb ik dus zeven uur in pak gewerkt. Ik, als DTA-er, moet hiervan een registratie bij houden. Ik heb bewust het laatste uur niet in deze registratie vermeld. De overtreding die ik in mijn beleving op deze locatie heb gepleegd is dat ik lang in beschermende kleding heb gewerkt en hiervan onjuiste registratie heb gevoerd. Ik heb dat gedaan omdat het werk af moest van [medeverdachte 1].

(...)

23.

De verklaring van [betrokkene 7], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

[e-straat 1], Eersel

Op 26 juni 2008 zijn we op deze locatie gestart en we hebben er twee dagen gewerkt. Het formulier met betrekking tot de dagelijkse controle van 26 juni 2008 heb ik verkeerd ingevuld. Ik heb de formulieren van 26 en 27 juni 2008 pas na afloop van het werk op 27 juni 2008 ingevuld. Omdat het werk tegen zat, hebben we ook weer meer uren in het pak gemaakt. Hierdoor heb ik bewust dit formulier verkeerd ingevuld, zodat dit bij controle achteraf niet zou blijken.

De urenverantwoording, die ik ingevuld heb voor 26 juni 2008 klopt niet. Aan de hand van de dagstatus van het project stellen we vast dat Bill Kaethoven en ik deze dag gewerkt hebben van 07.00 tot 22.00 uur. Wij hebben deze dag 10 uren in het pak gewerkt. Op 27 juni 2008 hebben we tussen 07.00 - 09.00, 10.00 - 12.00, 13.00 - 15.00 en 15.30 tot 16.30 uur in het pak gewerkt. Toen waren we klaar met de schuur.

Ik heb in mijn logboek gezet dat we maar zes uur in pak gewerkt hebben. [medeverdachte 1] heeft tegen mij gezegd dat ik dat zo moest doen. Ook dit werk moest weer klaar zijn.

Oosterhout, [c-straat 1]

Op 7 juli 2008 ben ik met [betrokkene 8] op dit werk begonnen. Ik heb overlegd met [medeverdachte 1] en wij zijn daar die eerste dag gestopt. [medeverdachte 1] heeft overlegd met de opdrachtgever en beiden kwamen tot de eindconclusie om met behulp van een kraan het dakleer los te halen. De kraanmachinist heeft (het hof begrijpt: vervolgens op 8 juli 2008) eerst aan de zijkant de damwand profielen verwijderd. Deze waren asbestvrij. Daarna had hij zicht op de damwand profielen van het dak. De machinist heeft met de kraan de damwand profielen van het dak verwijderd, waarop het isolatiemateriaal en het dakleer zat bevestigd. Alles kwam zo in grote stukken naar beneden. Op de grond hebben [betrokkene 8] en ik handmatig het dakleer en isolatie verwijderd van de profielen. Het dakleer en de isolatie is als asbesthoudend afval verwijderd.

Ik heb in het logboek ingevuld dat [betrokkene 8] en ik tot 16.00 uur gewerkt hebben, althans, tot die tijd in pak gewerkt hebben. We zijn wel om 08.00 uur begonnen, maar we hebben in pak doorgewerkt tot 17.00 uur. We hebben om 16.00 uur geen pauze genomen en in pak doorgewerkt tot 17.00 uur.

Ik moet dit logboek naar waarheid invullen en ik moet ervoor tekenen. Ik heb verschillende keren mijn logboek opzettelijk verkeerd ingevuld, omdat dat moest van mijn werkgever. Dit gebeurde nagenoeg iedere keer onder tijdsdruk. De tijdsdruk was er omdat het werk / project af moest zijn, omdat de volgende ondernemer werkzaamheden moest verrichten. Ik zelf zou graag conform wet- en regelgeving werken, maar mijn werkgever en dan met name [medeverdachte 1], stond dit niet toe en gaf me de opdracht om door te werken.

24.

De verklaring van [betrokkene 7], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Het aantal werkuren schreef ik op in het logboek. Dat was mijn verantwoordelijkheid.

25.

De verklaring van [betrokkene 6], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

U zegt mij dat er nogal wat verschil zit tussen de 'pak-uren' in het werkplan en de uren zoals deze in de uurstaten staan vermeld. Ik zeg u dat we normaal 2 uur in het pak werken en er dan weer een uur uit moeten. Vervolgens gaan we weer 2 uur in pak enzovoort. In totaal werken we 6 'pak-uren' per dag.

Ik zal niet ontkennen dat er ooit wel eens een uurtje extra in pak wordt gewerkt bovenop de 6 'pak-uren'. Om geen problemen te krijgen met de arbeidsinspectie wordt dit dan niet vermeld in het werkplan.

26.

De verklaring van [betrokkene 6], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb erover verklaard dat ik uren foutief heb ingevuld op de verantwoordingslijst met betrekking tot de pakuren. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben al jaren geleden aan mij uitgelegd dat ik maximaal drie shifts op de urenverantwoording mag schrijven. Dit is om te voorkomen dat ze commentaar krijgen tijdens een audit van de certificerende instelling of bij een controle van de Arbeidsinspectie."

Voorts heeft het hof in antwoord op een verweer inzake het bewijs van deze onderdelen van feit 3 in zijn arrest het volgende overwogen:

"I.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 3. gestelde:

I. 1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat:

- de bij de politie door [betrokkene 7] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn, zodat zij niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden;

- er geen steunbewijs is voor de verklaringen van [betrokkene 7];

- het onjuist invullen van de logboeken niet in de sfeer van [A] B.V. is verricht, zodat het niet aan [A] B.V. kan worden toegerekend.

I.2

Het hof volgt de verdediging niet in haar standpunt met betrekking tot de bij de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 7]. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van die verklaringen, voor zover gebezigd tot het bewijs, zou moeten worden getwijfeld. Voorts kan worden opgemerkt dat [betrokkene 7] in deze verklaringen tevens zichzelf belast en dat deze verklaringen in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen.

Het hof houdt [betrokkene 7] aan de door hem tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen, voor zover gebezigd tot het bewijs, nu bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten of omstandigheden zijn gesteld dan wel (overigens) aannemelijk geworden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat daaraan minder geloof zou moeten worden gehecht dan aan de door hem bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde andersluidende verklaringen. Het hof bezigt voormelde verklaringen dan ook tot het bewijs.

I.3

Volgens artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.

Deze bepaling verbiedt daarom de rechter tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarin is in deze zaak evenwel geen sprake, nu de verklaringen van [betrokkene 7] niet op zichzelf staan en voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en in onderling tijdsverband bezien.

I.4

Het invullen van de logboeken vond plaats door [betrokkene 7] terwijl hij werkzaam was ten behoeve van [A] B.V. Bovendien maakte het invullen van het logboek deel uit van de normale bedrijfsvoering van [A] B.V. Gelet op de verklaringen van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] is het hof voorts van oordeel dat het registreren van minder asbesturen dan in werkelijkheid waren gewerkt door [A] B.V. werd aanvaard, terwijl zij erover vermocht te beschikken of deze gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Aldus heeft het valselijk opmaken van het logboeken plaatsgevonden in de sfeer van [A] B.V., zodat het hof dit toerekent aan [A] B.V."

5.3. Volgens de steller van het middel berust het bewijs enkel op de verklaringen van [betrokkene 7]. Welke overige bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en in onderling tijd verband bezien, deze verklaringen van [betrokkene 7] voldoende ondersteunen, heeft het hof niet duidelijk gemaakt. En algemene beweringen zoals bewijsmiddel 31 die inhoudt, zijn onvoldoende. De enkele invulling van logboeken zoals weergegeven in de bewijsconstructie is eveneens onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat deze logboeken onjuist zijn ingevuld.

5.4. Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.3

5.5. Anders dan de steller van het middel, ben ik van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 2] (bewijsmiddelen 31 en 32) wel voldoende ondersteuning bieden aan de verklaringen van [betrokkene 7]. [betrokkene 2] heeft immers duidelijk gemaakt dat er een gevestigde praktijk binnen de bedrijfsvoering van [A] B.V. bestond met betrekking tot de verantwoording van het aantal pakuren, welke gebaseerd is op aanwijzingen van de directeuren van [A] B.V. Dat heeft het hof summier, maar toereikend, tot uitdrukking gebracht in de hiervoor aangehaalde overwegingen.4

Het middel faalt.

6.1. De middelen 4, 5 en 6 hebben ook betrekking op de feiten rond de formulieren van het logboek. De middelen komen erop neer dat het hof ten onrechte de verklaringen van [betrokkene 7] voor het bewijs heeft gebezigd in weerwil van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Hetgeen het hof daartegenover heeft gesteld is ontoereikend althans onbegrijpelijk. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Ieder van de toelichtingen op deze middelen opent met een verwijzing naar hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Zo heeft de verdediging opgeworpen dat de verklaring van [betrokkene 7], zoals afgelegd bij de politie, onbetrouwbaar is omdat [betrokkene 7] bij de rechter-commissaris op deze verklaringen is teruggekomen. Voorts is betoogd dat [betrokkene 7] onmogelijk precies kan verklaren over de afzonderlijke projecten omdat hij bij zoveel projecten werkzaam is geweest. Voorts heeft de verdediging de onbetrouwbaarheid van de getuige gestaafd door te verwijzen naar de inhoud van de verklaring van de getuige/deskundige Huipen, die de stelling van [betrokkene 7] dat er maar zes uur in het pak mag worden gewerkt, tegenspreekt. Zo een verbod bestaat niet. De toelichting op de middelen wijst vervolgens respectievelijk op objectief bestaand materiaal dat op gespannen voet staat met de bewezenverklaring.

6.2. Voor een goed begrip citeer ik de relevante passages uit de pleitnota van hoger beroep:

"3d Zaak WM.31.00 (Oosterhout), 3e Zaak SR.02.BA (Bavel) en 3f Zaak SR.04.EE (Eersel)

Ten aanzien van de delen van de tenlastelegging die zien op deze drie projecten, kan het volgende worden opgemerkt.

(...)

Er kan ten aanzien van de afzonderlijke projecten in dit verband nog op worden gewezen op de recent aan het hof toegezonden stukken. Het zijn overigens voor een groot deel documenten die eerder al in beslag waren genomen, die van belang zijn voor een juiste beoordeling van de zaak en die niet in het 'gewone' dossier zijn opgenomen.

Ten aanzien van het project Oosterhout (WM.31.00) blijkt uit die stukken dat er telefoongesprekken zijn waaruit blijkt dat er geen druk wordt uitgeoefend om het werk af te maken Sterker nog nadat duidelijk is dat het werk op die dag niet kan worden afgerond en vrijgegeven, wordt door de directie aangegeven dat het dan maar later moet. We zien dan dat ook dat de dag erna nog pakuren zijn gemaakt en dat het werk nog een dag later (in de ochtend) is vrijgegeven.

Al deze feitelijk gegevens passen niet bij de oorspronkelijke verklaring van [betrokkene 7] dat hij onder druk werd gezet om het werk af te maken en dan maar pakuren niet te registreren.

Ook de nadere stukken inzake het project Bavel (SR.02.BA) geeft aanleiding om aan de verklaring van [betrokkene 7] te twijfelen. We zien daar dat er sprake is van telefoongesprekken tussen [A] en het bedrijf RPS voor het doen van een vrijgave, waarbij een tijdstip wordt besproken voor de vrijgave. Die vrijgave komt er ook en uit het rapport blijkt dat dit om 14.30 uur is afgerond. De sanering was toen dus klaar en er hoefde toen ook niet meer in pak gewerkt te worden en dat is ook niet gebeurd. En dan is het volkomen logisch en juist dat het logboek aangeeft dat er na dat tijdstip ook geen pakuren meer zijn gemaakt. Ook dat past niet bij de verklaring van [betrokkene 7] die voor het bewijs is gebruikt.

Ook de stukken ten behoeve van het project Eersel (SR.04.EE) die aan uw hof zijn gestuurd de telefoongesprekken, laten iets anders zien dan door [betrokkene 7] wordt beweerd in zijn politieverhoor. Nergens in deze gesprekken is op te maken dat [betrokkene 7] door [A] onder druk wordt gezet of gepusht om het werk af te maken en desnoods meer pakuren te maken en deze niet te registreren. Sterker nog, in die gesprekken door [medeverdachte 1] wordt zelfs aangegeven dat de ene stal dan maar volgende week moet worden gesaneerd.

De verdediging stelt zich gezien het bovenstaande op het standpunt dat er dermate veel aanwijzing zijn dat de verklaringen van [betrokkene 7] zoals bij de politie afgelegd onjuistheden bevatten dat deze vanwege hun onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd."

6.3. Vooropgesteld moet worden dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de rechter die over de feiten oordeelt terecht is gekomen tot het oordeel of de feiten al dan niet bewezen zijn. Het is aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het ten laste gelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat.5

6.3. Met betrekking tot de saneringen te Oosterhout, Bavel en Eersel is het enkele feit dat uit afgeluisterde telefoongesprekken niet blijkt dat er toen druk op [betrokkene 7] is uitgeoefend om nog langer in pak door te werken, onvoldoende om te weerleggen dat op [betrokkene 7] van de zijde van [medeverdachte 1] op een ander tijdstip wel zodanige druk is uitgeoefend. Als dan in de zaken Oosterhout en Eersel blijkt dat het karwei niet in een dag kan worden geklaard en besloten moet worden om een andere dag verder te gaan, noopt dat niet tot de conclusie dat er met betrekking tot die projecten niet eerder sprake kan zijn geweest van niet-geregistreerde pakuren en van een druk als waarvan [betrokkene 7] heeft gesproken. Dat om 14:30 uur het object te Bavel is vrijgegeven is evenmin in strijd met de verklaring van [betrokkene 7]. [betrokkene 7] heeft in bewijsmiddel 28 gezegd dat hij zelf de vrijgave heeft verzorgd, maar daarna nog een uur in pak heeft gewerkt aan een andere stal, die dus buiten deze vrijgave viel.

Gelet op hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, acht ik het oordeel van het hof dat deze onderdelen van feit 3 kunnen worden bewezenverklaard weliswaar summier maar desalniettemin toereikend gemotiveerd. Het hof had inderdaad het bewijsmateriaal, met name de verklaringen van [betrokkene 7], anders kunnen waarderen. Maar het is niet zo dat de gegevens die de verdediging heeft aangedragen over bijvoorbeeld de inhoud van de telefoongesprekken, het voortzetten van de sanering op andere dagen en de vrijgave van één object in redelijkheid bezien het hof geen andere keuze zouden hebben gelaten dan tot vrijspraak over te gaan.

Deze middelen falen.

7.

Het tweede middel is naar mijn oordeel terecht voorgesteld. De overige middelen falen en kunnen naar mijn mening met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de veroordeling betreft voor het onderdeel van feit 3 dat volgt op het eerste gedachtestreepje en ten aanzien van de strafoplegging, tot verwerping van het beroep voor het overige en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch ten einde op genoemd onderdeel opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 12/01649/E ([medeverdachte 3]) en nr. 12/05128/E ([medeverdachte 1]) waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Omwille van de leesbaarheid zijn de voetnootmarkeringen en voetnoten niet opgenomen.

3 Bijv. HR 6 maart 2012, NJ 2012, 251 m.nt. Schalken.

4 Vgl. HR 29 juni 2010, NJ 2010, 514 m.nt. Borgers; HR 5 oktober 2010, NJ 2010, 612 m.nt. Borgers; HR 29 maart 2011, LJN BP3747.

5 HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:54.