Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1081

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
12/02841
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1966
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Nijmeegse scooterzaak. Medeplegen. Het Hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken “van enige samenwerking of overleg tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan de controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het hotel door de politie betrapt voelden”. De vrijspraak van het medeplegen heeft het Hof vervolgens – nader gemotiveerd doch in de kern genomen – op die vaststelling gebaseerd. In een geval als i.c., waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, is geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien – i.c.: i.h.k.v. het medeplegen van de voorbereiding van de overval – is ontstaan. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de wijze waarop beide verdachten met de scooter zijn gevlucht, niet als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval, dat ook wat betreft die vlucht zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Gelet op de vaststellingen en overwegingen van het Hof, in het bijzonder wat betreft de voorbereiding van de overval en de directe reactie op het waarnemen van een politieauto, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Wat betreft de mogelijke samenwerking bij het tlgd. medeplegen is bovendien in haar algemeenheid onjuist de opvatting van het Hof dat “om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest, is (…) vereist dat de rollen van de bestuurder en de bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn”. V.zv. het middel over deze tekortkomingen klaagt, is het terecht voorgesteld. Verwijzing naar het Hof ’s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/02841

Zitting: 29 oktober 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 29 mei 2012 verdachte wegens “medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweldpleging en/of afpersing, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, waarbij de dader opzettelijk voorwerpen en een vervoermiddel bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad” en “medeplegen van opzetheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde zoals vermeld in het bestreden arrest. Het Hof heeft verdachte, voor zover hier van belang, vrijgesproken van het hem onder 2 primair tenlastegelegde (mede)plegen van doodslag, het onder 2 subsidiair tenlastegelegde (mede)plegen van dood door schuld in het verkeer en het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde (mede)plegen van het veroorzaken van gevaar op de weg. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

2. Tegen deze uitspraak is door de Advocaat-Generaal bij het Hof cassatieberoep ingesteld.1 De Advocaat-Generaal M.E. de Meijer heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3. Het middel

3.1. Het middel klaagt over ’s Hofs vrijspraak van het onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. In het bijzonder klaagt het middel dat ’s Hofs oordeel dat het ten laste gelegde “tezamen en in vereniging” begaan niet bewezen kan worden verklaard getuigt van een onjuiste, althans te beperkte, rechtsopvatting van het begrip medeplegen en het Hof aldus van iets anders heeft vrijgesproken dan is ten laste gelegd, althans dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten dan wel dat hij zijn oordeel op onvoldoende of onbegrijpelijke gronden heeft gebaseerd.

3.2. Aan de verdachte is onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegd dat:

“Feit 2 primair

hij op of omstreeks 15 januari 2010 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader opzettelijk een (gestolen/geheelde) motorfiets heeft/hebben bestuurd en/of op een (gestolen/geheelde) motorfiets hebben gereden, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader bezig was/waren met het uitvoeren, dan wel het voorbereiden van een (gewapende) overval op het Belvoir hotel aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen, en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader niet in het bezit was/waren van een voor het besturen van die motorfiets vereist rijbewijs, en/of met die (gestolen/geheelde) motorfiets over een trottoir aan de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir hotel, heeft/hebben gereden, terwijl daarbij geen verlichting werd gevoerd en/of die motorfiets niet was voorzien van een kenteken(plaat) en/of, toen hij, verdachte en/of zijn mededader een politievoertuig had/hadden waargenomen luid en/of hardop (naar elkaar) heeft/hebben geroepen: 'politie' en/of een (qua aard en/of strekking soortgelijke) waarschuwing (naar elkaar) heeft/hebben geroepen en/of - gelet op de reactie van de in dat politievoertuig aanwezige politieambtena(a)r(en) - had/hadden begrepen, dan wel moeten/kunnen begrijpen, dat hij en/of zijn mededader dat motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand moest/moesten brengen, met hoge snelheid is/zijn weggereden en/of gevlucht in de richting van het Keizer Traianusplein en/of zonder te stoppen voormeld trottoir is/zijn afgereden en/of die Graadt van Roggenstraat is/zijn overgestoken, waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdende personenauto, en/of, gekomen op dat Keizer Traianusplein, dat verkeersplein, tegen het verkeer in rijdend, is/zijn opgereden en/of linksaf gaand de Sint Canisiussingel is/zijn opgereden en/of met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor die motorfiets geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over de St. Canisiussingel heeft/hebben gereden en/of met die motorfiets (met aanzienlijk snelheidsverschil) tussen en/of langs andere aldaar (langzamer) rijdende en/of stilstaande voertuigen is/zijn (door)gereden en/of (daarbij) een bij/op/voor de kruising (met de Canisiussingel/Van der Brugghenstraat) geplaatst, voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft/hebben genegeerd en/of (daarbij) die kruising/splitsing, zonder te stoppen en/of te remmen met dezelfde, althans nagenoeg dezelfde (hoge) snelheid is/zijn opgereden en/of (daarbij) (in het geheel) niet, althans in onvoldoende mate heeft/hebben gelet op het overige verkeer en/of de overige verkeersdeelnemers en/of (daarbij) een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats (zebrapad) over te steken, niet voor heeft/hebben laten gaan en/of (vervolgens) met die motorfiets is/zijn gebotst tegen en/of in aanrijding is/zijn gekomen met voormelde voetganger, zijnde [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Feit 2 subsidiair

hij op of omstreeks 15 januari 2010, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als verkeersdeelnemer(s), namelijk als berijder en/of medeberijder van een (gestolen/geheeld) motorrijtuig (motorfiets) daarmede roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader bezig was/waren met het uitvoeren dan wel voorbereiden van een (gewapende) overval op het Belvoir hotel aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen, en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader niet in het bezit was/waren van een voor het besturen van dat motorrijtuig (motorfiets) vereist rijbewijs, met dat (gestolen/geheelde) motorrijtuig (motorfiets) als berijder en/of als medeberijder over een trottoir aan de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir hotel, heeft/hebben gereden, zonder daarbij verlichting te voeren en/of terwijl dat motorrijtuig (motorfiets) niet was voorzien van een kenteken(plaat) en/of, toen hij, verdachte en/of zijn mededader een politievoertuig had(den) waargenomen luid en/of hardop (naar elkaar) heeft/hebben geroepen 'politie' en/of een qua aard en/of strekking soortgelijke waarschuwing (naar elkaar) heeft/hebben geroepen en/of - gelet op de reactie van de in dat politievoertuig aanwezige politieambtenaar/naren - had(den) begrepen, dan wel moeten/kunnen begrijpen) dat hij en/of zijn mededader dat motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand moest(en) brengen, met hoge snelheid is/zijn weggereden en/of gevlucht in de richting van het Keizer Traianusplein en/of zonder te stoppen voormeld trottoir is/zijn afgereden en/of die Graadt van Roggenstraat is/zijn overgestoken, waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdend ander motorrijtuig (personenauto) en/of (daarbij) een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft/hebben uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig (motorfiets) op die weg is/zijn weggereden en/of (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens de bestuurder van een over die Graadt van Roggenstraat rijdende ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en/of, gekomen op dat Keizer Traianusplein, dat verkeersplein/die rotonde, tegen het verkeer in rijdend, is/zijn opgereden en/of linksaf gaand de weg, de St. Canisiussingel, is/zijn opgereden en/of (daarbij) geen gevolg heeft/hebben gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod inhoudt, namelijk in strijd met bord D1 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op een rotonde niet de verplichte rijrichting heeft/hebben gevolgd en/of met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over die weg, de St. Canisiussingel, heeft/hebben gereden en/of (daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn/hun snelheid niet zodanig heeft/hebben geregeld dat hij, verdachte en/of zijn mededader in staat was/waren voormeld motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, die weg, de Canisiussingel, kon overzien en waarover deze vrij was en/of, gekomen ter hoogte van de kruising en/of splitsing van deze weg en de weg, de Van der Brugghenstraat, met voormeld motorrijtuig (motorfiets) met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of met aanzienlijk snelheidsverschil tussen en/of langs de op de rijstroken van die Canisiussingel stilstaande of langzamer rijdende andere motorrijtuigen is/zijn (door)gereden en/of (daarbij) een bij/op/voor die kruising en/of splitsing (Canisiussingel/Van der Brugghenstraat) geplaatst, voor verdachte en/of zijn mededader geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn/hun rijrichting bestemd driekleuring verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (daarbij) die kruising/splitsing, zonder te stoppen en/of te remmen met dezelfde, althans nagenoeg dezelfde (hoge) snelheid is/zijn opgereden en/of (daarbij) (in het geheel) niet, althans in onvoldoende mate heeft/hebben gelet op het overige verkeer en/of de overige verkeersdeelnemers en/of in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, komende vanaf die Van der Brugghenstraat, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats, die Canisiussingel over te steken, niet voor heeft/hebben laten gaan en/of (vervolgens) met voormeld motorrijtuig (motorfiets) is/zijn gebotst tegen en/of in aanrijding is/zijn gekomen met voormelde voetganger, zijnde voormelde [slachtoffer], en aldus zich zodanig heeft/hebben gedragen dat een aan verdachtes en/of verdachtes mededaders schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood, welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte dan wel en/of verdachtes mededader een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid, te weten de aldaar geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, in ernstige mate heeft/hebben overschreden, immers reed/reden hij verdachte en/of verdachtes mededader aldaar met een snelheid van 90 kilometer per uur;

Feit 2 meer subsidiair

hij op of omstreeks 15 januari 2010, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als berijder, dan wel medeberijder van een motorrijtuig (motorfiets) daarmede over een trottoir van de weg, de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir hotel, heeft gereden, waarbij geen verlichting werd gevoerd en/of terwijl dat motorrijtuig (motorfiets) niet was voorzien van een kenteken(plaat), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader zonder te stoppen voormeld trottoir is/zijn afgereden en/of die Graadt van Roggenstraat is/zijn overgestoken, waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdend ander motorrijtuig (personenauto) en/of (daarbij) een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft/hebben uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig (motorfiets) op die weg is/zijn weggereden en/of (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens de bestuurder van een over die Graadt van Roggenstraat rijdend ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft/hebben laten gaan en/of gekomen op dat Keizer Traianusplein, die rotonde, tegen het verkeer in rijdend, is opgereden en/of linksaf gaand de weg, de Sint Canisiussingel is/zijn opgereden en/of (daarbij) geen gevolg heeft/hebben gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod inhoudt, namelijk in strijd met bord D1 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op een rotonde niet de verplichte rijrichting heeft/hebben gevolgd en/of met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over die weg, de Sint Canisiussingel heeft/hebben gereden en/of, gekomen ter hoogte van de kruising of splitsing van deze weg en de weg, de Van der Brugghenstraat, met voormeld motorrijtuig (motorfiets) tussen en/of langs de op de rijstroken van de door hem, verdachte bereden rijbaan van die Sint Canisiussingel stilstaande of langzamer rijdende andere motorrijtuigen is/zijn (door)gereden en/of terwijl een/de voor die kruising/splitsing (Sint Canisiussingel/Van der Brugghenstraat) in zijn, verdachtes rijrichting zich bevindende verkeerslicht(en), rood licht uitstraalde(n), die kruising/splitsing, zonder te stoppen en/of te remmen is/zijn met dezelfde, althans nagenoeg dezelfde (hoge) snelheid is/zijn opgereden en/of (daarbij) (in het geheel) niet, althans in onvoldoende mate heeft/hebben gelet op het overige verkeer en/of de overige verkeersdeelnemers en/of in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, komende vanaf die Van der Brugghenstraat, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats, die Sint Canisiussingel over te steken, niet voor heeft/hebben laten gaan en/of (vervolgens) met voormeld motorrijtuig (motorfiets) is/zijn gebotst tegen en/of in aanrijding is/zijn gekomen met voormelde voetganger, zijnde voormelde [slachtoffer], door welke gedraging(en) van verdachte en/of verdachtes mededader gevaar op die weg/en werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd”

3.3. Het aldus onder 2 tenlastegelegde feit hing samen met de tenlastegelegde feiten 1 en 3, die door het Hof zijn bewezenverklaard. De bewezenverklaringen van deze feiten luiden als volgt:

“Feit 1

hij op 15 januari 2010 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het misdrijf als bedoeld in artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld in vereniging en/of afpersing in vereniging), opzettelijk een mes en een motorfiets zonder kentekenplaat en gezichtsbedekkende kledingstukken (capuchontruien) om onherkenbaar te zijn, alle bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad

Feit 3

hij in de maand januari 2010, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad een rode motorfiets van het merk en type Piaggio SKR (Skipper) 150 met (chassis- en/of VIN)nummer [001], terwijl verdachte en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van voormeld goed wisten dat dit door diefstal was verkregen”

3.4. Het Hof heeft de verdachte van feit 2 vrijgesproken. In zijn daartoe strekkende overwegingen heeft het Hof allereerst de feitelijke situatie geschetst, en wel als volgt.

Feitelijke situatie 

Op 15 januari 2010, omstreeks 23.05 uur, rijden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op een motorscooter ter hoogte van het Belvoir hotel te Nijmegen. Zij zijn bezig met het voorbereiden van een gewapende overval op dit hotel dat is gelegen aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen. Bij het zien van een onopvallende politieauto geeft de bestuurder van de motorscooter gas en maakt snelheid waarna de motorscooter zich met hoge snelheid verwijdert van de locatie waar de politieauto zich bevindt, daarbij rijdend over het trottoir van de Graadt van Roggenstraat. Zonder te stoppen rijdt de motorscooter vervolgens van het trottoir af en steekt de Graadt van Roggenstraat over waarbij bijna een aanrijding ontstaat met een aldaar rijdende personenauto. Gekomen op het Keizer Traianusplein, een verkeersplein, rijdt de motorscooter tegen het verkeer in om linksaf de St. Canisiussingel op te rijden. Met aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor die motorscooter geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur rijdt de motorscooter over de St. Canisiussingel waarbij tussen rijdende en/of stilstaande voertuigen wordt gereden. Op de kruising van de St. Canisiussingel met de Van der Brugghenstraat negeert de motorscooter een rood verkeerslicht en rijdt, zonder snelheid te minderen en tussen wachtende auto's door, de kruising op. Op die kruising rijdt de motorscooter, met daarop nog steeds verdachte en zijn medeverdachte, een overstekende voetganger aan. Het voetgangerslicht voor deze overstekende voetganger straalt op dat moment groen licht uit. De voetganger, [slachtoffer], is tengevolge van deze aanrijding overleden.” 

3.5. De moeilijkheid waarvoor het Hof zich zag geplaatst, was dat niet duidelijk was wie van de twee verdachten de scooter had bestuurd. Beide verdachten waren bij de aanrijding met de scooter ten val gekomen. De medeverdachte bleef gewond op straat liggen, de verdachte krabbelde overeind en liep, toen de politie arriveerde, “een beetje te zwalken”.2 Beide verdachten verklaarden tegenover de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg dat de ander had gereden. De Rechtbank achtte bewezen dat de medeverdachte had gereden en veroordeelde hem wegens doodslag (feit 2 primair). De verdachte werd van feit 2 vrijgesproken. Het Hof oordeelde anders en overwoog, na te hebben gesteld dat de vraag wie ten tijde van het feit de bestuurder was van de motorscooter van belang was zowel voor de vraag of sprake is van medeplegen als voor de vraag of sprake is van plegen:

“Naar het oordeel van het hof ontbreekt zowel technisch bewijs als betrouwbaar getuigenbewijs om te kunnen vaststellen wie van beide verdachten de bestuurder was”.

Dit oordeel werd door het Hof toegelicht door middel van een uitvoerige bespreking van het bewijsmateriaal.3 Na te hebben geconcludeerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden wie de bestuurder was, overwoog het Hof:

Medeplegen 

Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, dient sprake te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. Van enige samenwerking of overleg tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het Belvoir Hotel door de politie betrapt voelden, is uit het dossier niets gebleken. Verdachten hadden tevoren enkel met elkaar afgesproken een overval te plegen op het Belvoir Hotel. Door het plotseling opduiken van de politie is het voornemen tot een overval niet tot uitvoering gekomen. Uit het dossier laat zich vaststellen dat de bestuurder van de motorscooter zich vanaf het moment van gewaarwording van de politie met hoge snelheid uit de voeten gemaakt heeft. De bijrijder zat achterop en hield zich vast. Van enig overleg of van bewuste samenwerking tussen bestuurder en bijrijder bij de vlucht voor de politie blijkt niets uit het dossier. Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest, is voorts vereist dat de rollen van de bestuurder en de bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn. Tijdens de rit die uitmondde in de dodelijke aanrijding heeft de bijrijder naar het oordeel van het hof de scooter niet bestuurd en kan evenmin worden vastgesteld dat hij invloed heeft gehad op de wijze van rijden van de bestuurder. Van volstrekte inwisselbaarheid van de rollen van bestuurder en bijrijder is dan ook naar het oordeel van het hof geen sprake. Ook op grond van het door de politie uitgevoerde technische onderzoek kan dit niet worden geconcludeerd. De conclusie in het proces-verbaal Rijproeven motorscooter, gedateerd 24 januari 2010, inhoudende dat: 

- de motorscooter reageert op bewegingen van de duopassagier; 

- door druk uit te oefenen op de voetstep van de duopassagier de rijrichting van de motorscooter kan worden beïnvloed; 

- het voor de duopassagier mogelijk is om de beide remhendels van de motorscooter te bedienen en de reminrichtingen in werking kunnen worden gesteld; 

is daarvoor onvoldoende, nu dit onderzoek in verband met de veiligheid is uitgevoerd met een snelheid van slechts 20 kilometer per uur en de motorscooter in de onderhavige zaak aanzienlijk harder, 80 à 90 kilometer per uur, heeft gereden. Bovendien gaat het om drie theoretische mogelijkheden, waarvan op grond van de voorhanden zijnde gegevens niet vastgesteld kan worden dat zij zich hebben voorgedaan. 

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof in de passiviteit van de bijrijder geen actieve bijdrage aan de uitvoering van de vlucht voor de politie dan wel instemming van de bijrijder met het gevaarlijke rijgedrag van de bestuurder op grond waarvan sprake zou zijn van medeplegen. 

Op grond van het voorgaande kan medeplegen niet worden bewezenverklaard. 

Plegen 

Nu het hof niet kan vaststellen dat het verdachte is die heeft gereden, kan ook het tenlastegelegde plegen niet bewezen worden verklaard. 

Vrijspraak 

Dit alles leidt tot de conclusie dat verdachte bij gebrek aan het voor een bewezenverklaring vereiste wettige en overtuigende bewijs moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Het hof komt eveneens tot vrijspraak van medeverdachte [medeverdachte] op deze punten. Het hof realiseert zich dat deze vrijspraken in de samenleving in het algemeen en bij de nabestaanden van slachtoffer [slachtoffer] in het bijzonder onbegrip en verontwaardiging kunnen oproepen. De vraag wie verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] wordt immers niet beantwoord en die verantwoordelijke wordt niet bestraft. Ook het hof vindt dit een onbevredigende uitkomst. Een aanrijding waarbij een dode te betreuren valt, is een ernstig feit waarbij de precieze toedracht zo enigszins mogelijk dient te worden vastgesteld. In deze zaak, waar het dan ook nog eens gaat om verdachten die op de vlucht zijn voor de politie, blijft een deel van die toedracht, namelijk wie er heeft gereden, onduidelijk. Dit is een slecht te verteren uitkomst, temeer omdat vaststaat dan één van de twee verdachten de bestuurder is geweest en de beide verdachten weten wie van hen beiden dit is geweest en één van de twee daarover dus liegt. Hierbij dient ook nog het volgende te worden bedacht. Ingevolge artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht worden als daders gestraft zij die het feit medeplegen. Medeplegen vereist een bewuste en nauwe samenwerking tussen de medeplegers. Indien op grond van de drie hiervoor genoemde mogelijkheden uit het proces-verbaal Rijproeven motorscooter zonder meer aangenomen zou moeten worden dat degene die achterop een tweewielig motorrijtuig zit medepleger is van de wijze van rijden door de bestuurder en de gevolgen daarvan, wordt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van die passagier onaanvaardbaar opgerekt. Een bewezenverklaring van medeplegen zou dan immers betekenen dat die passagier louter op grond van die mogelijkheden in gelijke mate strafrechtelijk aansprakelijk is voor de wijze van rijden en de gevolgen daarvan als de bestuurder. Dat gaat naar het oordeel van het hof te ver. De omschrijving van gedragingen in het Wetboek van Strafrecht strekt er niet alleen toe om nauwkeurig aan te geven wanneer strafrechtelijke aansprakelijkheid gevestigd wordt, maar ook om duidelijk te maken wanneer gedragingen niet tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden en overheidsbemoeienis in de vorm van opsporing en vervolging dus niet gerechtvaardigd is. 

Dat de verdachten op pad waren met de bedoeling om een overval op het Belvoir Hotel te plegen en er vervolgens voor de politie vandoor gingen, en dus in de ogen van sommigen toch al "criminelen" zijn, maakt dit niet anders.”

3.6. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het oordeel van het Hof dat in een situatie als de onderhavige, waarin van enig overleg of van bewuste samenwerking tussen bestuurder en bijrijder bij de vlucht voor de politie niets uit het dossier blijkt, vereist is dat de rollen van de bestuurder en de bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Dit omdat inwisselbaarheid van rollen geen vereiste voor medeplegen is, maar hooguit een aanwijzing kan opleveren dat van de wel vereiste bewuste en nauwe samenwerking sprake is. Voor de vaststelling van die samenwerking is bovendien niet vereist – zo meen ik het middel te mogen verstaan – dat blijkt van voorafgaand overleg of samenwerking. Ten slotte wordt aangevoerd dat het oordeel van het Hof in het licht van de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden (zoals die blijken uit de weergegeven overwegingen en uit de bewijsvoering met betrekking tot de feiten 1 en 3) onbegrijpelijk is. In de eerste plaats omdat het min of meer toevallig was wie van de twee verdachten achter het stuur zat toen de politie hen in het vizier kreeg, zodat de rollen wel inwisselbaar waren. In de tweede plaats omdat alles erop wijst (gestolen scooter, geen kentekenplaten, gezicht bedekkende kleding enz.) dat “beide verdachten niet ‘gepakt’ wilden worden, en dat onderdeel van het – al dan niet stilzwijgende – plan moet zijn geweest om met behulp van een gestolen scooter uit handen van de politie te blijven”. Van voorafgaand overleg en samenwerking lijkt dus wel degelijk sprake te zijn geweest.

3.7. In HR 3 november 1964, ECLI:NL:HR:1964:AB3650, NJ 1965/279, dat betrekking heeft op het toenmalige art. 37 WVW (joyriding), werden aan het bewijs van medeplegen hoge eisen gesteld. Daarbij lijkt een rol te hebben gespeeld dat sprake was van een (impliciet) kwaliteitsdelict. Strafbaar was het “als bestuurder” gebruiken van de auto. Dat behoefde weliswaar, aldus de Hoge Raad, “niet uit te sluiten dat een inzittende van een motorrijtuig, terwijl een ander dat motorrijtuig bestuurt, blijkens zijn gedragingen bij dit besturen zo nauw betrokken is, dat hij gezegd kan worden het misdrijf mede te plegen in de zin van art. 47 Sr”, maar desondanks gold dat de Politierechter in dit geval dergelijk medeplegen niet uit de bewijsmiddelen had kunnen afleiden. De Hoge Raad overwoog:

“Dat toch uit de enkele omstandigheid dat verdachte zich als inzittende in de door H. bestuurde auto’s bevond, terwijl hij met laatstgenoemde het plan had gemaakt om auto’s weg te nemen teneinde daarmede samen ritjes te maken, aan de Politierechter niet kon blijken van gedragingen van de verdachte, welke opleveren medeplegen van het in art. 37 WVW omschreven misdrijf.”

Het lijkt er sterk op dat de Hoge Raad alleen van medeplegen wenste te spreken als de bijzitter daadwerkelijk bij het besturen van de auto betrokken was. De bijrijder moet als het ware meegestuurd hebben.

3.8. De vraag is echter of dit arrest uit 1964 maatgevend is. Het ging daarin als gezegd om een kwaliteitsdelict. De in de onderhavige zaak tenlastegelegde feiten zijn evenwel geen kwaliteitsdelicten. Niet vereist is in elk geval dat de pleger bestuurder is. Dat geldt uiteraard voor de primair tenlastegelegde doodslag, maar ook voor de subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde verkeersdelicten (art. 6 resp. art. 5 WVW 1994).4 Een reden om bijzondere eisen aan het medeplegen te stellen, lijkt daarin niet gevonden te kunnen worden. Maar belangrijker is, dat het arrest zelf lijkt te zijn achterhaald door de rechtsontwikkeling. Het arrest zou, zo stelt De Hullu, “tegenwoordig niet meer zo worden gewezen”.5

3.9. Er is goede reden om terughoudend te zijn met het aansprakelijk stellen van een passagier voor de fouten van de bestuurder. Het is de bestuurder die primair verantwoordelijk is voor het behoorlijk besturen van de auto en meer in het bijzonder voor het daarbij naleven van de verkeersregels.6 Dat verschil in verantwoordelijkheid maakt dat de rollen van bestuurder en bijzitter in de regel niet gelijkwaardig zijn en dat daarom, ook als de bijrijder instemt met het rijgedrag van de bestuurder, van medeplegen niet kan worden gesproken. Er moet zo gezien heel wat bijkomen, wil een bijrijder als medepleger aansprakelijk zijn voor de wijze waarop de bestuurder het voertuig bestuurt.

3.10. Daadwerkelijk meesturen kan zo’n bijkomende omstandigheid opleveren.7 Een voorbeeld is te vinden in HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3242. Een door de vrouw van de verdachte bestuurde Opel achtervolgde een Honda teneinde de bestuurder daarvan tot stoppen (en tot betalen) te dwingen. De wilde achtervolging (die eindigde met het van de weg raken en tegen een boom rijden van de Honda) geschiedde op aansporing van de naast zijn vrouw gezeten verdachte, die drie keer aan het stuur trok of duwde om de koers van de auto bij te stellen. De verdachte werd onder meer veroordeeld wegens het medeplegen van poging tot doodslag. Het daartegen gerichte cassatieberoep werd met toepassing van art. 81 RO verworpen. Nu is de vraag of het feit dat de verdachte daadwerkelijk meestuurde, hier doorslaggevend is geweest. In HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2855 (niet gepubliceerd) was sprake van een vergelijkbaar geval, zij het dat het dit keer een Honda was die een Opel achtervolgde... Het bijzondere was hier dat achteraf niet kon worden vastgesteld of de verdachte de bestuurder of de bijrijder van de achtervolgende Honda was geweest. Mijn ambtgenoot Machielse oordeelde in zijn aan het arrest voorafgaande conclusie dat het Hof terecht had overwogen dat het voor het bewijs van medeplegen niet nodig is om te weten wie er heeft gereden. Die wetenschap is niet noodzakelijk, “mits de nauwe en bewuste samenwerking tussen bestuurder en bijrijder door andere factoren wordt ingevuld”. Tot de “andere factoren” rekende mijn ambtgenoot dat het latere slachtoffer voorafgaande aan de achtervolging door de verdachte en zijn kompanen was bedreigd en geïntimideerd, dat de achtervolging werd ingezet toen het slachtoffer er in zijn auto vandoor ging, dat bij die achtervolging gebruik werd gemaakt van verdachtes auto en dat de bijrijder zich niet aan het gebeuren heeft onttrokken hoewel dat mogelijk was geweest.8 Tot de andere factoren behoorde dus niet dat de bijrijder aanwijzingen had gegeven aan de bestuurder of aan het stuur had gezeten. Toch deed de Hoge Raad ook dit keer het cassatieberoep af met toepassing van art. 81 RO.

3.11. In beide zaken lag het accent bepaald niet op de niet-naleving van de wegenverkeerswetgeving. Een reden om de bestuurder van de auto een grotere verantwoordelijkheid toe te dichten, was er daarom niet. Kenmerkend lijkt veeleer te zijn dat de achtervolging plaatsvond in het kader van de verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. De bestuurder en de bijrijder hadden het op het slachtoffer gemunt. Zij wilden hem tot stoppen dwingen. Dat levert op zich al het strafbare feit van art. 284 Sr op, terwijl wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Sr) in het verlengde daarvan ligt. Het verder gelegen doel lijkt afpersing, beroving, bedreiging en/of mishandeling te zijn geweest. De nauwe samenwerking was daarop gericht. Het is dan betrekkelijk onverschillig wie achter het stuur zit. 9

3.12. De onderhavige zaak verschilt van de zaken die ten grondslag lagen aan de zojuist besproken arresten in ieder geval in zoverre, dat de verdachten het niet op het slachtoffer hadden gemunt. Het (naar ik aanneem: gezamenlijke) doel was om aan de politie te ontkomen – hetgeen op zich niet strafbaar is . Bij de verwezenlijking van dat doel werden onverantwoorde risico’s genomen, die resulteerden in de dood van het slachtoffer. Het strafrechtelijke verwijt ligt daardoor in sterkere mate dan in de hiervoor besproken arresten op het niet-naleven van de wegenverkeerswetgeving, hetgeen door het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde wordt onderstreept. De vraag is of het daarom in dit geval wel van groot belang is wie het voertuig bestuurde. Het antwoord op die vraag lijkt af te hangen van een andere vraag, namelijk of het levensgevaarlijke rijgedrag van de bestuurder van de scooter, hoewel niet gericht tegen het slachtoffer, desondanks plaatsvond in het kader van de verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Als dat rijgedrag was ingecalculeerd in het oorspronkelijke plan om het hotel te beroven, kan mogelijk wel gesproken worden van handelen in bewuste en nauwe samenwerking.

3.13. In dit verband kan worden gewezen op HR 9 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC0935, NJ 1992/773 m.nt. Kn. Na een geslaagde ramkraak op het postkantoor in Oirschot werden de in een auto vluchtende daders door de politie achtervolgd. De politieagenten staakten de achtervolging toen de overvallers, nadat zij een zijweg waren ingeslagen, hen aldaar opwachtten en het vuur op hen openden. Of de verdachte, die bijrijder van de vluchtauto was, een feitelijk aandeel in de overval en de pogingen tot moord op de agenten heeft gehad, kon niet worden vastgesteld. Toch werd hij als medepleger veroordeeld. Het Hof had overwogen dat de verdachte en zijn mededaders met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten “een zodanig hechte, intensief en planmatig nauw samenwerkende dadergroep vormden, dat niet van belang is wie van die personen welke rol bij of rond het plegen van die feiten heeft vervuld”. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat de verdachte toen zich daartoe een “duidelijke mogelijkheid” voordeed (namelijk toen de vluchtauto was gestopt om de agenten op te wachten), zich niet van het gebeuren had gedistantieerd, maar integendeel de vlucht met de anderen “in groepsverband” had voortgezet. Volgens de Hoge Raad getuigde het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. Men kan zich afvragen of de Hoge Raad anders had geoordeeld als de bestuurder van de vluchtauto was ingereden op een agent die de weg trachtte te versperren of niet was gestopt voor een zebrapad waar een bejaarde voetganger aan het oversteken was. Als er vanuit moet worden gegaan dat, zoals het Hof overwoog, de inzittenden van de vluchtauto “het besluit hadden genomen om koste wat kost zich aan aanhouding door de politie te onttrekken”, lijkt er weinig reden om het bedoelde rijgedrag niet als uitvoering van het gezamenlijke besluit aan te merken.

3.14. Het Hof spreekt in het genoemde arrest van een “planmatig” samenwerkende dadergroep. Wellicht ligt in de aanwezigheid van een gezamenlijk plan waarop het handelen van de bendeleden kon worden teruggevoerd, de sleutel naar een goed begrip van het oordeel van de Hoge Raad. Om dat duidelijk te maken, wijs ik op HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9380. Het ging daarin om een goed voorbereide ripdeal die uitliep op een vuurgevecht. De verdachte wist van tevoren dat zijn medeverdachten vuurwapens bij zich hadden gestoken. Hij werd niet alleen veroordeeld voor kort gezegd diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende, maar ook voor het medeplegen van het voorhanden hebben van de vuurwapens. Over dat laatste werd in cassatie geklaagd. Aan dat voorhanden hebben zou de verdachte geen substantiële bijdrage hebben geleverd. De Hoge Raad zag dat anders. Hij overwoog:

“In aanmerking genomen dat de in de bewezenverklaring genoemde vuurwapens kennelijk een belangrijk onderdeel vormden van het door de verdachte en zijn mededaders opgevatte plan, hebben het Gerecht in Eerste Aanleg en het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, kunnen oordelen dat de verdachte ook wat betreft het voorhanden hebben van die wapens zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van die vuurwapens. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.”

3.15. Hoewel de samenwerking primair gericht was op het plegen van een roofoverval, strekte de samenwerking zich ook uit tot strafbare feiten die van het gemaakte plan een belangrijk onderdeel vormden. Die strafbare feiten komen daarmee voor rekening van de medepleger, ook als hij aan het plegen van die feiten niet daadwerkelijk heeft bijgedragen. Iets dergelijks speelt mogelijk ook in het arrest inzake de overval in Oirschot. Het primaire doel van de dadergroep was weliswaar niet het doden of verwonden van politieagenten, maar het gebruik van grof geweld als de nood aan de man kwam, zat wel in het plan ingebakken. Gezegd kan daarom worden dat het geweld aangewend werd in het kader van de uitvoering van het gezamenlijke plan en dat dit geweld daarom kon gelden als te zijn begaan in nauwe samenwerking met de andere bendeleden.

3.16. Het gezamenlijke plan lijkt in de jurisprudentie van de Hoge Raad een dubbelfunctie te vervullen. Het plan biedt zoals wij zojuist zagen houvast bij de beantwoording van de vraag of een door de mededader van de verdachte begaan strafbaar feit onder het samenwerkingsverband kan worden gebracht. Daarnaast kan het plan een belangrijke aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het opzet van de medepleger ook op dat begane strafbare feit was gericht. Een voorbeeld levert het bekende arrest inzake de schietpartij in een schoolgebouw in Veghel (HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6118). Het plan was om de ex-vriend van de dochter van verdachte te doden. De zoon van verdachte raakt echter vier andere scholieren, die zich in de buurt van de ex-vriend bevonden. Het Hof overwoog dat het opzet van de zoon de verdachte kon worden “aangerekend”. Daarover klaagde het middel op zich terecht, want voor aanrekenen van opzet is in ons strafrecht geen plaats. De Hoge Raad oordeelde evenwel dat de overwegingen van het Hof als volgt verstaan moesten worden:

“Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte zijn zoon naar school heeft gebracht, hem een geladen pistool heeft verschaft en hem met dat pistool de school heeft laten binnengaan om daar [slachtoffer 1] neer te schieten, terwijl hij (verdachte) wist dat zich op dat tijdstip vele personen in de school bevonden en dat zijn zoon een ongeoefend schutter was. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn zoon - wiens tot het bewijs gebezigde verklaringen er op neer komen dat hij het louter op [slachtoffer 1] had gemunt - ook andere personen die zich in de buurt van [slachtoffer 1] zouden bevinden, dodelijk zou treffen. Volgens het Hof is daarom bij de verdachte sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de in de bewezenverklaring onder 2A genoemde personen.”

Door deze herformulering ontviel aan het middel de feitelijke grondslag. Aangenomen mag worden dat de Hoge Raad zich in de verbeterd gelezen overweging van het Hof kon vinden. In die overweging ligt enerzijds besloten dat de kogels waardoor de andere scholieren waren getroffen, afgevuurd waren ter uitvoering van het gezamenlijke plan (de verdachte had het steeds op de ex-vriend gemunt) en anderzijds dat verdachte, juist omdat de kans dat anderen zouden worden getroffen in het plan besloten lag, voorwaardelijk opzet had op de verwerkelijking van die kans.

3.17. De Hoge Raad lijkt in dit type gevallen aan het bewijs van het voorwaardelijk opzet geen hoge eisen te stellen.10 Daar komt bij dat een betrekkelijk globaal opzet toereikend is. Zo was voldoende dat de verdachte in de zaak van de Veghelse schietpartij voorwaardelijk opzet had op het feit dat “andere personen” werden getroffen. Op het precieze aantal personen hoefde hij geen opzet te hebben, laat staan op de identiteit van die personen. Zo ook lijkt in de zaak van de overval in Oirschot niet vereist te zijn dat de verdachte opzet had op precieze wijze waarop het in het plan ingebakken grove geweld zich manifesteerde. Het besef dat de medeverdachten bereid waren om zich met vuurwapens tegen een eventuele aanhouding te verzetten, lijkt te volstaan. Dat is in elk geval een realistische benadering. Niet alle criminele plannen zijn even goed doordacht, terwijl ook of juist in goed doordachte plannen rekening wordt gehouden met onvoorziene omstandigheden. Het plan kan de medeplegers dus ruimte laten om naar bevind van zaken te handelen zonder dat dit het vereiste opzet aantast. Illustratief is HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5713, waarin de verdachte wist van de vrijheidsberoving, maar mogelijk niet wist dat zijn mededaders het slachtoffers hadden gekneveld. De Hoge Raad overwoog dat “niet is vereist dat de verdachte op de hoogte is geweest van de precieze gedragingen van zijn mededader(s)”.

3.18. Ook een aanpassing of bijstelling van het plan waartoe onvoorziene omstandigheden op het laatste moment nopen, maken niet snel dat van bewuste en nauwe samenwerking geen sprake meer is. Men zou kunnen zeggen dat, juist omdat het de omstandigheden waren die tot aanpassing dwongen, het handelen van de daders nog steeds voortvloeide uit, en gedragen werd door, het oorspronkelijke plan. Als voorbeeld kan hier HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1396, waarin de verdachte en zijn drie mededaders de Chinese man die zij wilden doden, bij de uitgang van een snookercentrum opwachtten. De man kwam echter niet alleen naar buiten, maar samen met een andere Chinees. Ook die Chinees werd gedood. De rol van de met een mes bewapende verdachte bleef daarbij beperkt tot het zodanig positie kiezen dat de beide – op een fiets gezeten – Chinezen niet konden ontsnappen. Naar het oordeel van de Hoge Raad kon de verdachte ook ten aanzien van de tweede moord als medepleger worden aangemerkt, nu, gelijk het Hof klaarblijkelijk had geoordeeld, diens opzet daarop “in elk geval in voorwaardelijke zin” was gericht geweest. De Hoge Raad nam daarbij in aanmerking dat de verdachten hun slachtoffer bij een voor het publiek toegankelijk snookercentrum hadden opgewacht – zodat de aanwezigheid van ongewenst publiek als risico in het plan besloten lag – en dat de verdachten toen de beide Chinezen naar buiten kwamen “zijn rol is blijven vervullen”.

3.19. De vraag is wat de waarde van dat laatste argument is. Het lijkt een variant op het veelvuldig van stal gehaalde argument dat de verdachte zich, hoewel daar gelegenheid voor was, niet van het gebeuren heeft gedistantieerd. Het komt mij voor dat de grondslag voor de aansprakelijkheid daarin niet, althans niet primair, kan zijn gelegen. Dit omdat dikwijls kwestieus is of de verdachte werkelijk in een positie verkeerde dat hij zich nog van de strafbare onderneming kon distantiëren. De grondslag zou veeleer gezocht moeten worden in het feit dat hij zich aan de criminele onderneming heeft gecommitteerd. Dat commitment maakt het weinig waarschijnlijk dat de verdachte zich op het allerlaatste moment van de onderneming zou hebben willen distantiëren. Het feit dat hij zijn rol blijft vervullen, bevestigt zo gezien slechts wat uit het commitment voortvloeit. Dat gegeven vormt in bewijsrechtelijke zin een aanwijzing dat de desbetreffende strafbare feiten werden gepleegd in het kader van de uitvoering van het plan waaraan de verdachte zich tevoren had verbonden, zodat mag worden aangenomen dat diens opzet daarop in voorwaardelijke zin was gericht. Dat het praktisch onmogelijk is geweest om zich nog te distantiëren, neemt in deze benadering de aansprakelijkheid niet weg, tenminste niet als (op andere gronden) kan worden aangenomen dat het om de uitvoering van het plan ging waaraan de verdachte zich had gecommitteerd. Het gaat dan namelijk om een positie waarin de verdachte zich, door zich aan het plan te committeren, zelf heeft gebracht. Bij wijze van voorbeeld nogmaals de zaak van de ramkraak in Oirschot. Voor elk bendelid – dus niet alleen voor de verdachte, maar ook voor de chauffeur die de vluchtauto een zijweg inreed om de politie aldaar op te wachten en voor de schutters die het vuur openden – gold vermoedelijk dat hij niet in de positie verkeerde om er op dat moment de brui aan te geven. Een dergelijk ‘verraad’ – dat tot de arrestatie van de hele bende zou kunnen leiden – zou mogelijk niet zijn gepikt. Die dwangpositie disculpeert echter niet. Medeplegen onder dwang blijft medeplegen. In het verlengde daarvan ligt dat louter innerlijke distantie – die zich op geen enkele wijze manifesteert – niet voldoende is om aan aansprakelijkheid te ontkomen.11

3.20. Terug naar de onderhavige zaak. De vraag die hier beantwoord moet worden is niet of de verdachte als medepleger van het onder 2 tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. De vraag is enkel of de door het Hof gegeven motivering de vrijspraak van dat feit kan dragen. Daarbij geldt dat die motivering voor alle drie varianten van het tenlastegelegde feit toereikend moet zijn. Dat is van belang omdat de eisen die aan het medeplegen worden gesteld, per variant verschillen. Zo is voor de primair tenlastegelegde doodslag nodig dat de medepleger (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. Een dergelijk opzet is niet vereist bij het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. De regels van de cassatierechtspraak brengen daarbij mee dat, als de motivering de vrijspraak van het meer subsidiair tenlastegelegde feit niet kan dragen, de gegeven vrijspraak in haar geheel (dus ook voor zover die betrekking heeft op de primair en subsidiair tenlastegelegde variant) moet worden vernietigd. De vraag waarop het in cassatie uiteindelijk aankomt is dus of de vrijspraak van het meer subsidiair tenlastegelegde feit (het tezamen en in vereniging gevaar veroorzaken voor de veiligheid op de weg) toereikend is gemotiveerd.

3.21. Het antwoord op die vraag kan na de voorafgaande beschouwingen betrekkelijk kort zijn. Voor zover in de overwegingen van het Hof als zijn oordeel besloten ligt dat voor het bewijs van medeplegen vereist is dat uit het dossier blijkt dat de beide verdachten hetzij vooraf, hetzij na het moment waarop zij zich betrapt voelden, expliciete afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop zij zich aan een (eventuele) aanhouding zouden onttrekken, getuigen die overwegingen van een onjuiste rechtsopvatting. De vraag die het Hof had moeten beantwoorden is veeleer of een overhaaste, en vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid onverantwoorde, vlucht op de scooter bij een onverhoopte betrapping door de politie als een reële mogelijkheid in het plan om het hotel te beroven besloten lag. Als dat geval zou zijn, kan de bijrijder namelijk geacht worden tenminste voorwaardelijk opzet te hebben gehad op het rijgedrag van de bestuurder. Voor zover het Hof in bedoelde overwegingen ‘slechts’ als zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat in casu geen sprake was van enige voorafgaande samenwerking waarmee de vlucht op de scooter in verband stond, is dat oordeel in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten niet zonder meer begrijpelijk. Zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, wijst alles er juist op dat de verdachten zich hadden ingesteld op een snelle aftocht om te voorkomen dat zij ‘gepakt’ zouden worden. Ik voeg daaraan toe dat het er sterk op lijkt dat het naleven van de wegenverkeerswetgeving al voordat de verdachten er vandoor gingen niet hun eerste prioriteit lijkt te zijn geweest.12

3.22. Ik begrijp de overwegingen van het Hof aldus, dat zijn opvatting dat de rollen volstrekt inwisselbaar moeten zijn, een uitvloeisel is van zijn oordeel dat de vlucht voor de politie geheel los stond van het plan om het hotel te overvallen. Nu dat laatste oordeel ontoereikend is gemotiveerd, volgt reeds daaruit dat het Hof een verkeerde maatstaf heeft aangelegd.

4.

Het middel slaagt.

5.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (12/02825), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

2 Een en ander kan worden afgeleid uit de hier niet opgenomen overwegingen van het Hof.

3 Aangezien dat oordeel in cassatie niet ter discussie staat, heb ik de desbetreffende overwegingen hier niet opgenomen.

4 Zie Hoofdwegen door het verkeersrecht (bewerkt door A.E. Harteveld en R. Robroek), zesde druk (2012), p. 44 (met betrekking tot art. 5) en p. 64 (met betrekking tot art. 6). Voor art. 6 geldt overigens wel dat de pleger verkeersdeelnemer moet zijn. Een bijrijder die niet direct bij het verkeersgebeuren betrokken is, lijkt niet als verkeersdeelnemer te kunnen worden aangemerkt.

5 Materieel Strafrecht, vijfde druk (2012), p. 452 (noot 205).

6 Ik merk daarbij op dat het in het Joyridings-arrest niet ging om het behoorlijk besturen van de auto, maar om het gebruik van de auto tegen de wil van de rechthebbende. Van een verschil in verantwoordelijkheid ten aanzien van het beschermde belang (het ongestoorde bezit van de auto) was hier dus eigenlijk geen sprake.

7 Vgl. Hoofdwegen door het verkeersrecht, p. 110.

8 Toen de Opel leek te zijn klemgereden, stapte de bijrijder uit om vervolgens weer in te stappen toen het slachtoffer er toch in slaagde om te ontsnappen. De achtervolging werd voortgezet.

9 Zie ook HR 9 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9190 (81 RO; niet gepubliceerd). Uit de conclusie leid ik af dat het slachtoffer eerst buiten de auto door de bestuurder werd mishandeld en dat het (naar ik begrijp: te voet zijnde) slachtoffer vervolgens met de auto werd achtervolgd en “geveld”. De verdachte, die bijrijder was, werd veroordeeld wegens het medeplegen van moord.

10 In de literatuur is de vraag opgeworpen of de voorwaardelijk opzetredenering niet maskeert dat in feite sprake is van toerekening. Zie o.m. G. Knigge, ‘Het opzet van de deelnemer’ in: Glijdende schalen (De Hullu-bundel), Nijmegen 2003, p. 291 e.v. en J.M. Reijntjes, Een afrekening: over het toerekenen van gedrag aan daders en mededaders (oratie), Deventer 2005. Ik laat die vraag hier rusten.

11 De vraag of de verdachte zich heeft gedistantieerd moet worden onderscheiden van de vraag of de verdachte vrijwillig is teruggetreden. Die laatste vraag veronderstelt dat de verdachte als medepleger bij de uitvoering van het feit betrokken is. De terugtred leidt daarbij alleen tot straffeloosheid als het strafbare feit als gevolg daarvan niet is voltooid. Bij de eerste vraag gaat het juist om de vraag of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt.

12 Uit het eerste bewijsmiddel blijkt dat de scooter niet was voorzien van een kentekenplaat. Als afgegaan mag worden op de vaststellingen van de Rechtbank beschikten geen van de beide verdachten over het vereiste rijbewijs, voerde de scooter geen licht en reed de scooter over het trottoir.