Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1078

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
11/03956
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1064, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beschikking. HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03956 B

Zitting: 3 september 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De Rechtbank te Maastricht heeft bij beschikking van 29 juli 2011 het beklag van klager ex 552a Sv strekkende tot opheffing van een onder klager op een drietal notariële zaaksdossiers gelegd beslag ongegrond verklaard.

2. Tegen deze uitspraak is namens klager cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klager heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel richt zich tegen de ongegrondverklaring van het beklag. Volgens de steller van het middel zou ’s Hofs oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat ten behoeve van de inbeslagneming van drie notariële zaaksdossiers een uitzondering kan worden gemaakt op het bepaalde in art. 98 lid 1 Sv getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd zijn.

4.2. In de onderhavige zaak is op 30 maart 2011 door de rechter-commissaris in het kader van een betrekkelijk grootschalig strafrechtelijk onderzoek (‘Landlord’) ten kantore van klager, notaris te Kerkrade, een doorzoeking ter inbeslagneming verricht, bij welke gelegenheid drie notariële zaaksdossiers in beslag genomen zijn. Zowel de genoemde doorzoeking als de genoemde inbeslagneming hebben plaatsgevonden zonder toestemming van klager in de zin van art. 98 Sv.1 Bij klaagschrift van 20 april 2011 is klager tegen de inbeslagneming van de notariële zaaksdossiers opgekomen.

4.3. De bestreden beschikking houdt wat betreft de inhoud van het klaagschrift en de tijdens de openbare raadkamer van de Rechtbank van 15 juli 2011 gegeven nadere toelichting het volgende in.

“5.2. Het standpunt van klager

In het klaagschrift heeft de raadsman vooropgesteld dat klager als notaris valt onder het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering. Vervolgens is door de raadsman gesteld dat er blijkens de jurisprudentie slechts twee uitzonderingen zijn op grond waarvan onder een verschoningsgerechtigde zonder diens toestemming voorwerpen in beslag kunnen worden genomen.

De eerste uitzondering geldt volgens de raadsman voor brieven of geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven of geschriften geen object zijn van de aan de verschoningsgerechtigde toekomende bevoegdheid tot verschoning.

De tweede uitzondering betreft volgens de raadsman de situatie waarin sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Door de raadsman is zowel in het klaagschrift als bij de behandeling van het klaagschrift gesteld dat beide uitzonderingen zich in dezen niet voordoen.

Met betrekking tot de eerstgenoemde uitzondering heeft de raadsman verwezen naar de omstandigheid dat door de rechter-commissaris bij gelegenheid van de doorzoeking op 30 maart 2011 geen vordering is gedaan tot uitlevering van brieven of geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

Ten aanzien van de tweede uitzonderingsgrond heeft de raadsman aangevoerd dat uit het door de officier van justitie overgelegde proces-verbaal artikel 27 Wetboek van Strafvordering betreffende de verdachten [verdachte] en [betrokkene 1], opgemaakt door de Politie Regio Limburg Zuid, District Kerkrade, d.d. 22 maart 2011, niet is gebleken van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen.

De raadsman heeft dan ook verzocht het klaagschrift gegrond te verklaren en de teruggave te gelasten van de in beslag genomen dossiers.”

4.4. Wat betreft het standpunt van het openbaar ministerie houdt de bestreden beschikking het volgende in.

“5.3. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard, nu er in deze zaak wel degelijk sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar jurisprudentie van de Hoge Raad. In de visie van de officier van justitie toetst de Hoge Raad in dit verband aan drie criteria, te weten:

a) de aard en ernst van het strafbare feit waarvan de geheimhouder wordt verdacht;

b) de aard en de inhoud van het materiaal waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt in verband met het belang dat door dat verschoningsrecht wordt gediend, en

c) de mate waarin de betrokken belangen van degene voor wie geheim moet worden gehouden worden geschaad indien het verschoningsrecht wordt doorbroken.

De officier van justitie is op grond van het overgelegde proces-verbaal artikel 27 Wetboek van Strafvordering betreffende de verdachten [verdachte] en [betrokkene 1], opgemaakt door de Politie Regio Limburg Zuid, District Kerkrade, d.d. 22 maart 2011, van mening dat aan genoemde criteria voor doorbreking van het verschoningsrecht wordt voldaan.”

4.5. De bestreden beschikking houdt als oordeel van de Rechtbank het volgende in.

“5.4. Het oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Uit meergenoemd proces-verbaal artikel 27 Wetboek van Strafvordering, voorzien van bijlagen, betreffende de verdachten [verdachte] en [betrokkene 1], opgemaakt door de Politie Regio Limburg Zuid, District Kerkrade, d.d. 22 maart 2011, blijkt het volgende.

Er loopt een strafrechtelijk onderzoek loopt contra de verdachten [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6]. Door deze verdachten werd over de jaren 2003 tot medio 2009 een aanzienlijke vastgoedportefeuille geëxploiteerd. In genoemde periode hebben verdachten 175 (woon)panden in eigendom (gehad). In een groot deel van deze panden werd door bewoners hennep geteeld, waardoor er voor de verdachten een mogelijke verwevenheid was met criminele activiteiten. Het aan- en verkoopbeleid met betrekking tot de panden, alsmede de financiële afwikkeling ervan, was niet transparant. Via de panden werden vermoedelijk grote geldbedragen witgewassen.

Bij nader onderzoek van de door verdachten aangekochte en/of verkochte panden kwam naar voren dat er in de periode van 9 april 1980 tot en met 29 mei 2009 door voornoemde verdachten 237 panden zijn aangekocht. Van de desbetreffende transacties (aankoop) zijn in de periode van 6 december 1996 tot en met 29 mei 2009 in totaal 50 notariële akten verleden bij het notariskantoor van notaris [verdachte]. In de periode van 4 mei 2000 tot en met 16 oktober 2008 ging het om 18 notariële akten (verkoop) bij ditzelfde kantoor.

Vastgoedtransactie [a-straat 1] te Heerlen

Op 24 december 2002 werd door [betrokkene 7] en haar zoon [betrokkene 8] het onroerend goed gelegen aan de [a-straat 1] te Heerlen verkocht aan verdachte [betrokkene 2] tegen een verkoopprijs van € 90.000,--. Met betrekking tot deze verkoop werd door de politie een koopovereenkomst gedateerd 14 oktober 2002 aangetroffen. In genoemde koopovereenkomst werd een uitdraai van een internetpagina opgenomen waarop het pand met foto werd beschreven. De vraagprijs bedroeg € 158.823,--. Ondanks dat stond in de leveringsakte op 24 december 2002 verleden ten overstaan van kandidaat-notaris [betrokkene 1], waarnemende het kantoor van [verdachte] te Kerkrade een verkoopprijs van € 67.500,--. Volgens een aanslagbiljet Gemeentelijke Belastingen van de gemeente Heerlen was de WOZ-waarde van het pand over het jaar 2005 vastgesteld op € 211.000,--.

Vastgoedtransactie [b-straat 1] te Landgraaf

Op 16 januari 2003 werd de woning, gelegen aan de [b-straat 1] te Landgraaf, na een executieveiling voor een bedrag van € 77.500,-- verkregen door [betrokkene 2]. Op 5 juni 2003 vervreemdde [betrokkene 2] de woning voor een bedrag van € 110.00,-- aan [betrokkene 9]. Vervolgens vervreemdde [betrokkene 9] op dezelfde dag de woning voor een bedrag van € 125.000,-- aan [betrokkene 10]. Uit de verhoren van verdachte [betrokkene 9] komt naar voren dat zij en verdachte [betrokkene 11] in de akte van levering, verleden voor [verdachte] op 5 juni 2003, in strijd met de waarheid een koopprijs van € 110.000,-- lieten opnemen.

In de akte van levering staat op de 1e pagina: ‘De koopprijs bedraagt eenhonderd tienduizend euro (Eur 110.000,--) welk bedrag door koper is voldaan door storting op een rekening van mij, notaris.’ Uit de verhoren van [betrokkene 9] komt naar voren dat zij in het geheel geen bedrag van € 110.000,-- heeft gestort of heeft laten storten op een derdengeldrekening van notaris [verdachte]. Bij onderzoek van de derdengeldrekeningen van notaris [verdachte] komt naar voren dat er ten name van [betrokkene 9] geen bedrag van € 110.000,-- gestort is.

Vastgoedtransactie [c-straat 1] te Kerkrade

Op 30 november 2007 kocht [betrokkene 12] het appartement, gelegen aan de [c-straat 1] te Kerkrade, voor een bedrag van € 59.750,--. Volgens de akte van levering, verleden op 7 oktober 2008 bij notaris [verdachte] te Kerkrade, verkocht [betrokkene 12] zijn appartement aan [betrokkene 4] voor een bedrag van € 32.000,--. Dit resulteert in een verlies - binnen 1 jaar - van € 27.750,--. De WOZ-waarde van het appartement had op de waardepeildatum 1 mei 2005 een waarde van € 59.341,--.

5.4.2.

Artikel 22 van de Wet op het notarisambt bepaalt onder meer dat de notaris, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt tot geheimhouding verplicht is.

Toegespitst op de onderhavige zaak betekent dit dat klager mitsdien in zijn hoedanigheid van notaris een verschoningsgerechtigde is als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering. Nu er geen aanwijzing is voor het tegendeel, moet ervan worden uitgegaan dat de geheimhoudingsplicht van klager zich uitstrekt tot de onder hem in beslag genomen stukken.

Ingevolge artikel 98, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering kunnen, tenzij met hun toestemming, bij personen met bevoegdheid tot verschoning niet in beslag genomen worden brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Ingevolge het tweede lid van dat artikel vindt een doorzoeking bij dergelijke personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt die doorzoeking zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.

Het verschoningsrecht van de verschoningsgerechtigde, in dit geval een notaris, niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een verschoningsgerechtigde zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Dergelijke omstandigheden kunnen aanwezig zijn, indien de verschoningsgerechtigde verdacht wordt van een zeer ernstig misdrijf.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. Klager wordt onder meer verdacht van valsheid in geschrifte met betrekking tot authentieke akten (artikel 226 van het Wetboek van Strafrecht). De valsheid zou bestaan in het, in samenwerking met anderen tevens partijen bij de leveringsakten, opnemen van gegevens waarvan klager als notaris dan wel als leidinggevende van het notariskantoor, wist dan wel had moeten weten dat deze gegevens in strijd met de waarheid waren. De rechtbank verwijst daartoe naar de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden met betrekking tot de gang van zaken in de drie litigieuze vastgoedtransacties.

De rechtbank doelt daarbij in het bijzonder op:

- het in het oog lopende verschil tussen de verkoopprijs en de WOZ-waarde van de panden [a-straat 1] te Heerlen en [c-straat 1] te Kerkrade, hetgeen de notaris had moeten nopen tot het doen van nader onderzoek, hetgeen hij kennelijk heeft nagelaten;

- de vermelding in de notariële akte van levering van het pand [b-straat 1] te Landgraaf aan [betrokkene 9], dat de koopprijs door koper is voldaan door storting van een bedrag van € 110.000,-- op een derdengeldrekening van de notaris, terwijl bij onderzoek van de derdengeldrekeningen van de notaris is gebleken dat deze koopprijs niet door [betrokkene 9] is betaald.

De aan klager verweten gedragingen raken de kern van het werk van de notaris, in het bijzonder zijn maatschappelijke functie. Die functie komt onder meer tot uitdrukking in artikel 21 van de Wet op het notarisambt. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de notaris verplicht is de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten, behoudens het bepaalde in het tweede lid. Dit lid bepaalt onder meer dat de notaris verplicht is zijn dienst te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging de werkzaamheid die van hem wordt verlangd, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde of wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben. De maatschappelijke functie van een notaris brengt met zich mee dat in het maatschappelijk verkeer vertrouwd moet kunnen worden op door hem opgestelde c.q. ondertekende stukken. Juist door dat vertrouwen in de bemoeiingen van de notaris pleegt er in het maatschappelijk verkeer een grote waarde te worden toegekend aan een door hem opgestelde authentieke akte. Zou bewezen verklaard worden dat klager zich in het kader van de uitoefening van zijn ambt schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door in een authentieke akte gegevens op te nemen die in strijd zijn met de waarheid, dan zou dat ook ernstig afbreuk doen aan het ambt van de notaris en de maatschappelijke functie van de notaris in het algemeen. Daarom is er naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake van de verdenking van een zeer ernstig misdrijf, maar ook van uitzonderlijke omstandigheden, omdat er in dit geval met de waarheidsvinding een groter belang is gediend, namelijk het maatschappelijk belang van de naleving van de aan de notaris in het tweede lid van artikel 21 van de Wet op het notarisambt opgelegde plicht met het oog op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van de notaris moet kunnen worden gesteld.

De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken dat de medeverdachten van klager, die in beginsel mogen rekenen op de geheimhouding door klager, daarop niet mogen rekenen in het geval er sprake is van het in hun opdracht opstellen van een authentieke akte met valse gegevens.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het belang van de waarheidsvinding vanwege uitzonderlijke omstandigheden dient te prevaleren boven het respecteren van de geheimhoudingsplicht van klager.

Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van strafvordering zich dan ook tegen opheffing van het beslag en de teruggave daarvan aan klager.”

5. Bij de beoordeling van het middel gelden op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad de volgende uitgangspunten. Het verschoningsrecht van de notaris, dat onder meer in de artt. 98 en 125l Sv tot uitdrukking is gekomen, is – zoals de Rechtbank met juistheid heeft overwogen – in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een notaris zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden – en derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen. De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt, is in ieder geval niet toereikend. De verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een notaris met bepaalde cliënten, kan dat onder omstandigheden wel zijn. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de notaris geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd, moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikte nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de notaris wordt verdacht, onevenredig worden getroffen.2

6. In de toelichting op het middel herhaalt de raadsman van klager zijn bij de Rechtbank naar voren gebrachte stelling dat voor een doorbreking van het verschoningsrecht van een notaris op grond van zeer bijzondere omstandigheden is vereist dat sprake is van deelname van de desbetreffende notaris aan een crimineel samenwerkingsverband en in ieder geval van willens en wetens strafbaar handelen van de notaris. Dat deze stelling niet kan worden onderschreven volgt reeds uit hetgeen hierboven is vooropgesteld, namelijk dat ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ geen algemene regel te geven valt. In o.m. HR 30 oktober 2007, LJN BA5665, NJ 2008/114 noemt de Hoge Raad het vormen van een crimineel samenwerkingsverband met cliënten weliswaar als een voorbeeld van een geval waarin een uitzondering op het verschoningsrecht gerechtvaardigd kan zijn, maar in diezelfde beschikking wordt het doen opnemen van valse opgaven in authentieke akten als een ernstig strafbaar feit aangemerkt dat doorbreking van het verschoningsrecht zou kunnen rechtvaardigen. In de door de steller van het middel zelf ook aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 10 maart 2009 (LJN BG9494, NJ 2009/151) bleek ook sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden te kunnen zijn bij een verdenking van het medeplegen door de notaris van valsheid in geschrift (bestaande uit het antedateren van een koopovereenkomst) waarbij het niet om een authentieke akte gaat.3 Gewezen kan ook worden op HR 18 juni 2013, LJN CA3314, waarin de verdenking het medeplegen van witwassen en het medeplegen van valsheid in geschrifte in authentieke akten betrof. In deze beschikking achtte de Hoge Raad van belang dat de Rechtbank in haar overwegingen betrokken had dat de gedragingen waarvan de notaris werd verdacht “raken aan de kern van diens werkzaamheden als, en aan diens openbare en maatschappelijke functie van, notaris, in verband waarmee de wet hem voorhoudt dat hij zijn diensten zal hebben te weigeren in die gevallen waarin hij moet beseffen dat die eraan kunnen bijdragen dat in strijd met het recht of met de openbare orde wordt gehandeld, of dat de van hem verlangde werkzaamheden een ongeoorloofd doel of gevolg dichterbij kunnen brengen”. Juist omdat de notaris zijn diensten al moet weigeren in gevallen waarin hij moet beseffen dat de zaak – kort samengevat – stinkt, raken strafbare feiten als witwassen en valsheid in geschrifte aan de kern van de werkzaamheden en de maatschappelijke functie van de notaris. Dat maakt dat de verdenking dat de notaris bij dergelijke strafbare feiten is betrokken, grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Anders dan het middel wil doen geloven, is daarvoor de vaststelling van een verdergaande vorm van “boos opzet”, gericht op misbruik van het ambt, niet vereist. De bedoelde verdenkingen betreffen telkens opzet aan de zijde van de notaris. Daarbij verdient opmerking dat, zoals de Hoge Raad eveneens in de genoemde beschikking (LJN CA 3314) overwoog, in een beklagprocedure als de onderhavige “slechts in beperkte mate kan worden onderzocht in hoeverre de jegens de verschoningsgerechtigde geformuleerde verdenking gegrond is”.

7. In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank vastgesteld dat de klager onder meer wordt verdacht van valsheid in geschrifte met betrekking tot authentieke akten. Daarbij heeft de Rechtbank ten aanzien van een tweetal zaaksdossiers vastgesteld dat zij betrekking hebben op vastgoedtransacties waarbij het verschil tussen de verkoopprijs en de WOZ-waarde van de betrokken panden klager in ieder geval had moeten nopen nader onderzoek te doen en ten aanzien van het derde zaaksdossier dat in strijd met het bepaalde in een notariële akte van levering geen storting van een bepaald geldbedrag op de derdenrekening van klager heeft plaatsgevonden. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd is het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat met betrekking tot deze drie zaaksdossiers sprake is van een redelijk vermoeden van schuld van (onder meer) valsheid in geschrifte, niet onbegrijpelijk. Voorts wordt aangevoerd dat de verdenkingen “slechts” drie vastgoedtransacties betreffen. Daarbij wordt gesteld dat de Rechtbank door het noemen van het totale aantal in het onderzoeksdossier voorkomende vastgoedtransacties waarbij klager als notaris betrokken is geweest ten onrechte de suggestie wekt dat er ook in andere dossiers wel dingen niet in de haak zullen zijn. Naar mijn mening heeft de Rechtbank met deze vermelding slechts duidelijk gemaakt binnen welk onderzoekskader de inbeslagneming van de drie notariële zaaksdossiers heeft plaatsgevonden. In elk geval heeft de Rechtbank niet geoordeeld dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden omdat het bij de drie verdenkingen om het topje van een ijsberg zou gaan. Haar oordeel dat een uitzondering op het verschoningsrecht in casu gerechtvaardigd is, heeft de Rechtbank in het bijzonder gemotiveerd door erop te wijzen dat de feiten waarvan klager wordt verdacht de kern van het notariële werk en het van het maatschappelijke belang daarvan raken. De Rechtbank heeft de drie verdenkingen dus op zich reeds ernstig genoeg geoordeeld.

8. Door haar motivering toe te spitsen op de ernst van de tegen klager bestaande verdenking in verband met de maatschappelijke positie van klager als notaris heeft de Rechtbank het toetsingskader voor gevallen als het onderhavige niet miskend. Mede gelet op de omstandigheid dat de inbeslaggenomen zaaksdossiers voor een groot gedeelte informatie bevatten met betrekking tot personen die in deze zaak eveneens verdachte zijn, acht ik het oordeel van de Rechtbank ook niet onbegrijpelijk. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de Rechtbank in haar motivering in expliciete zin niet al te veel heeft gezegd over het concrete onderzoeksbelang dat met de inbeslagneming van de zaaksdossiers is gemoeid, maar de gedachtegang van de Rechtbank op dit punt ligt, gelet op hetgeen door de partijen in het klaagschrift respectievelijk het “Schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie” daarover naar voren is gebracht, in voldoende mate in de motivering als geheel besloten. Ik neem daarbij in aanmerking dat de inbeslagneming zich heeft beperkt tot de zaaksdossiers waarop de verdenkingen betrekking hebben.4 Het lijkt mij eerlijk gezegd nogal evident dat kennisneming van die dossiers met het oog op de waarheidsvinding dringend geboden is.

9. Het middel faalt derhalve en kan, hoewel het om een gevoelige materie gaat, mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Bij de doorzoeking is afgesproken dat de in beslag genomen dossiers verzegeld onder de macht van de rechter-commissaris zullen blijven, totdat in rechte onherroepelijk is beslist over de rechtmatigheid van inbeslagneming.

2 Zie HR 30 oktober 2007, LJN BA5665, NJ 2008/114 en HR 30 oktober 2007, LJN BA5611, NJ 2008/115. Vgl. HR 14 juni 2005, LJN AT4418, NJ 2005/353.

3 In de conclusie waarnaar de Hoge Raad verwees schreef A-G Machielse het volgende: “Ook wanneer de geheimhouder niet met andere verdachten samenzweert kan er sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden. Zo kan de prominente rol die een bepaalde beroepsgroep in de samenleving vervult, in samenhang met de grootschaligheid en de mate van berekening waardoor het handelen van de geheimhouder wordt gekleurd, leiden tot de gevolgtrekking dat het een groot maatschappelijk belang is om dergelijke gedragingen te bestrijden.”

4 Vgl. HR 18 juni 2013, LJN CA3314, rov. 3.6.