Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1076

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-09-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
12/04700
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1043, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Vaststelling vaderschap. Erkenning naar Filippijns recht. Nauwe persoonlijke band; art. 1:204 lid 1 onder e BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/507
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04700

Mr. P. Vlas

Zitting, 13 september 2013

Conclusie inzake:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats]

(hierna: [verzoekster])

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats] (Filippijnen)

(hierna: [verweerster])

1. Deze zaak gaat over de vraag of een afstammingsrechtelijke relatie bestaat tussen een Filippijnse vrouw en haar biologische Nederlandse vader. Naar mijn mening komt de zaak in aanmerking voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.

2. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1 [verweerster] is op [geboortedatum] 1988 te Hong Kong geboren uit [de moeder] (hierna: de moeder); beiden hebben de Filippijnse nationaliteit. In de geboorteakte is [de man] (hierna: de man) als vader van [verweerster] opgenomen. De man is op 9 augustus 2007 te Rotterdam overleden. Hij heeft geen nakomelingen nagelaten. Ten tijde van de geboorte van [verweerster] en tot zijn overlijden was de man, die de Nederlandse nationaliteit had, gehuwd met [verzoekster]. De man heeft bij testament een woonhuis aan [verweerster] (door hem ‘dochter’ genoemd) gelegateerd.

3. [verweerster] heeft een verzoek ingediend strekkende tot, primair de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over [verweerster], subsidiair een verklaring voor recht dat de geboorteakte van [verweerster] overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand, en meer subsidiair een verklaring voor recht dat de gegevens omtrent de geboorte van [verweerster] in de geboorteakte juist zijn. Voorts heeft zij verzocht om inschrijving te gelasten van de gegevens die de rechtbank bij beschikking vaststelt, in de registers van de burgerlijke stand. Ter zitting heeft [verweerster] haar verzoek aangevuld met een verzoek strekkende tot vaststelling van het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 1:204 lid 1 sub e BW tussen haar en de man.

4. Bij tussenbeschikking van 31 mei 2010 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) verzocht onderzoek te verrichten met betrekking tot de vraag of [verweerster] naar Filippijns recht door de man is erkend en de vraag of de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in dit geval mogelijk is naar Filippijns recht. Het IJI heeft deze vragen beantwoord in een rapport van 15 maart 2011.

5. Bij eindbeschikking van 26 september 2011 heeft de rechtbank i) vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en [verweerster] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, ii) voor recht verklaard dat de geboorteakte van [verweerster] overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand, en iii) de inschrijving gelast in het geboorteregister van de gemeente ’s-Gravenhage van de geboorteakte van [verweerster], opgemaakt bij het consulaat-generaal van de Filippijnen te Hong Kong, op 30 januari 1989.

6. Deze beschikking is in hoger beroep bekrachtigd door het hof ’s-Gravenhage bij beschikking van 4 juli 2012.

7. [verzoekster] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. [verweerster] heeft verweer gevoerd.

8. Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof dat het met het IJI van oordeel is dat aannemelijk is dat [verweerster] naar Filippijns recht erkend is door de man. Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel dat de nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [verweerster] voldoende aannemelijk is gemaakt. Ervan uitgaande dat het cassatiemiddel voldoet aan de daaraan te stellen eisen op grond van art. 426a lid 2 Rv, ben ik van mening dat de klachten om de navolgende redenen niet tot cassatie kunnen leiden.

9. Onderdeel 1 keert zich tegen rov. 8 van de bestreden beschikking waarin het hof overweegt dat het met het IJI van oordeel is dat [verweerster] erkend is door de man naar Filippijns recht. Dit blijkt volgens het hof met name uit de door [verweerster] overgelegde akten. Uit een eerste overgelegde akte blijkt dat de man en de moeder van [verweerster] gezamenlijk de geboorte van [verweerster] hebben laten inschrijven bij het geboorteregister van Hong Kong op 9 januari 1989. Daarnaast is een geboorteaangifte overgelegd, gedaan door de moeder bij het consulaat-generaal van de Filippijnen te Hong Kong op 30 januari 1989, waarin de man als vader is vermeld. Het hof heeft geen reden gezien om aan te nemen dat naar Filippijns recht het huwelijk van de man met [verzoekster] aan de erkenning van [verweerster] in de weg stond. Voorts heeft [verweerster] ter zitting verklaard dat zij Rooms-Katholiek is, zodat het IJI in het rapport van het (juiste) op haar toepasselijke recht is uitgegaan, aldus het hof.

10. Als ik het goed zie, klaagt het middel erover dat het hof in rov. 8 ten onrechte heeft overwogen dat het IJI van oordeel is dat aannemelijk is dat [verweerster] naar Filippijns recht is erkend door de man, omdat uit het IJI-rapport niet zou blijken of een getrouwde man naar Filippijns recht een kind kan erkennen dat geboren is uit een vrouw waarmee de man (ten tijde van die erkenning) niet is getrouwd. Voorts betoogt het middel dat het hof de erkenning van [verweerster] ten onrechte heeft gebaseerd op de overgelegde akten, omdat uit het IJI-rapport zou volgen dat niet zonder meer is aan te geven of naar Filippijns recht de vermelding van de man als vader in de geboorteakte voldoende is om aan te nemen dat een afstammingsrelatie tussen hen bestaat.

11. De klachten klagen niet zozeer over de onjuiste toepassing van buitenlands recht door de feitenrechter – zo dit het geval zou zijn dan zouden de klachten afstuiten op art. 79 lid 1 aanhef en onder b RO –, maar betreffen veeleer de vraag of het door de feitenrechter gegeven oordeel omtrent de afstamming naar buitenlands recht in overeenstemming is met de inhoud van het IJI-rapport. Waar het IJI-rapport op p. 5 vermeldt dat het Filippijnse recht, voor zover is na te gaan, geen aan art. 1:204 BW vergelijkbare bepaling kent, heeft het hof in rov. 8 kunnen oordelen dat het ‘geen reden (heeft) om aan te nemen dat naar Filippijns recht het huwelijk van de man met ([verzoekster]) aan de erkenning van ([verweerster]) in de weg stond.’ De eerste klacht faalt dan ook. Dat geldt ook voor de tweede klacht van onderdeel 1, omdat het middel miskent dat het bestreden oordeel mede is gebaseerd op de vaststelling in het IJI-rapport op p. 8/9 dat volgens het recht van Hong Kong, waar de geboorteakte is opgemaakt en ingeschreven, de enkele vermelding van de man in de geboorteakte een vermoeden van vaderschap inhoudt.

12. Onderdeel II keert zich tegen de rov. 9 e.v. van de bestreden beschikking, waarin het hof heeft beoordeeld of de in het buitenland opgemaakte akte waarin tussen de man en [verweerster] familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld in Nederland kan worden erkend of dat de Nederlandse openbare orde zich tegen deze erkenning verzet. In dat verband is het hof nagegaan of de man naar Nederlands recht bevoegd zou zijn [verweerster] te erkennen (rov. 9)2, waarbij het hof is uitgekomen op art. 1:204 lid 1 sub e BW waarin is bepaald dat de erkenning nietig is, indien zij is gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwd man, tenzij wordt vastgesteld dat, voor zover van belang, tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat (rov. 10). Naar het oordeel van het hof is de nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [verweerster] voldoende aannemelijk gemaakt, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat de man aanwezig is geweest bij de doop van [verweerster], kinderbijslag voor haar heeft aangevraagd, haar regelmatig op de Filippijnen ging opzoeken, onderhoudsbijdragen aan haar moeder overmaakte en haar heeft opgenomen in zijn testament. Volgens het hof is het aannemelijk dat deze nauwe persoonlijke band ook ten tijde van de erkenning aanwezig was (rov. 11).

13. Als ik het goed begrijp houdt de klacht in dat het hof art. 1:204 lid 1 sub e BW onjuist heeft toegepast door uit de door [verweerster] overgelegde stukken, die vrijwel uitsluitend betrekking hebben op de periode medio 2005 tot medio 2007, af te leiden dat tussen de man en [verweerster] ten tijde van de erkenning een nauwe persoonlijke band aanwezig was. Het middel stelt op zich zelf genomen terecht voorop dat voor het beoordelen van de uitzondering op de in art. 1:204 lid 1 sub e BW genoemde nietigheidsgrond, beslissend moet worden geacht het tijdstip waarop de erkenning is gedaan (in casu: januari 1989).3 De klacht is echter tevergeefs voorgesteld, omdat i) het hof bij de toepassing van art. 1:204 lid 1 sub e BW het juiste peilmoment heeft gehanteerd door te beoordelen of de vereiste ‘nauwe persoonlijke band (…) ten tijde van de erkenning aanwezig was’ (rov. 11), ii) de uitleg van gedingstukken door de feitenrechter in cassatie beperkt toetsbaar is, en iii) de door het hof in rov. 11 gegeven uitleg van de gedingstukken, mede bezien in het licht van het partijdebat,4 niet onbegrijpelijk is.

14. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie p. 2 van de tussenbeschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 mei 2010.

2 Zie in dit verband art. 10 lid 2 sub a Wet conflictenrecht afstamming zoals deze wet heeft gegolden vanaf 1 mei 2003 tot de invoering van Boek 10 BW op 1 januari 2012. Art. 10:101 lid 2 sub a BW bevat een bepaling van dezelfde strekking. Het vóór de invoering van de Wet conflictenrecht afstamming geldende IPR luidde op dit punt niet anders (vgl. HR 28 april 2006, LJN: AU9237, NJ 2006/557, m.nt. A.V.M. Struycken).

3 HR 11 februari 2011, LJN: BO7114, NJ 2011/76, rov. 3.3.3.

4 Zie o.a. het inleidende verzoekschrift, p. 1 (‘Na de geboorte van verzoekster heeft [de man] altijd contact onderhouden met zijn dochter. Zo is hij altijd aanwezig geweest bij de belangrijke ontwikkelingen in haar leven en bracht hij regelmatig tijd door met zin dochter op de Filippijnen’.) en het verweerschrift in hoger beroep, nr. 16 (‘(…) Vastgesteld kan worden dat [de man] de aangifte van geboorte zelf persoonlijk heeft gedaan. Voorts zijn voldoende documenten, foto’s en verklaringen van e-mails overgelegd, waaruit de persoonlijke band blijkt tussen [verweerster] en haar vader vanaf haar geboorte’.).