Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:107

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-06-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
12/04044
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:720, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verzoek tot wijziging partneralimentatie; ingangsdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/451
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04044

Mr. F.F. Langemeijer

28 juni 2013

Conclusie inzake:

[de vrouw]

tegen

[de man]

Deze zaak betreft een verzoek tot vermindering van partneralimentatie. In cassatie worden klachten aangevoerd over de vaststelling van behoefte, behoeftigheid en draagkracht en – in verband met een verplichting van de alimentatiegerechtigde tot terugbetaling – de ingangsdatum van de wijziging.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank te ’s-Gravenhage in haar beschikking van 20 september 2011. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in het principaal cassatieberoep (hierna: de man) zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 25 maart 2009, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 9 april 20091, is echtscheiding uitgesproken. In een convenant, dat in de echtscheidingsbeschikking is opgenomen, zijn partijen overeengekomen dat de man met ingang van 1 januari 2009 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen groot € 2.500,- bruto per maand. Als gevolg van de wettelijke indexering (art. 1:402a BW) bedroeg de door de man te betalen alimentatie op 24 februari 2011 € 2.580,52 per maand.

1.2.

Bij inleidend verzoekschrift, ingediend op 24 februari 2011, heeft de man verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man aangevoerd dat zowel de behoefte van de vrouw als zijn draagkracht zijn gewijzigd. De vrouw heeft verweer gevoerd.

1.3.

Bij beschikking van 20 september 2011 heeft de rechtbank de door de man verschuldigde partneralimentatie met ingang van 24 februari 2011 vastgesteld op een bedrag van € 1.994,- per maand, met dienovereenkomstige wijziging van de echtscheidingsbeschikking en van het daarin opgenomen convenant. De rechtbank heeft haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.4.

De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage en het hof verzocht alsnog te bepalen dat de partneralimentatie met ingang van 24 februari 2011 op nihil zal worden gesteld, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag. De vrouw heeft de grieven tegengesproken en incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Bij beschikking van 23 mei 2012 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 24 februari 2011 bepaald op € 719,- per maand. Het hof heeft zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

1.6.

De vrouw heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Bij aanvullend verzoekschrift van 14 september 2012 heeft de vrouw haar verzoek aangevuld na de ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof. De man heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld, waarop de vrouw heeft geantwoord.

2 Bespreking van het principaal cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5 van de bestreden beschikking, waar het hof een verminderde draagkracht van de man heeft aangenomen. Het hof overwoog:

“De man stelt dat ten aanzien van zijn draagkracht sprake is van een wijziging van omstandigheden. De huurinkomsten uit zijn bedrijfspand zijn grotendeels weggevallen en de bedrijfsresultaten vallen tegen. De vrouw bestrijdt dit en zij voert aan dat de man een onredelijk grote rentelast opvoert ter zake van een schuld, die niet in aanmerking dient te worden genomen, voor zover die schuld het bedrag dat de man moest lenen om de vrouw uit te kunnen kopen, overstijgt. Ook betwist de vrouw dat de huurinkomsten grotendeels zijn weggevallen.

Het hof is van oordeel dat de man ter zitting een deugdelijke toelichting heeft gegeven op het ontstaan en de opbouw van de bedrijfsschuld en het hof is van oordeel dat ten aanzien van deze schuld sprake is van een reële schuld. Ook is het hof van oordeel dat de stelling van de man, dat hij minder huurinkomsten heeft als gevolg van de verslechterende economische omstandigheden, is komen vast te staan. Ten aanzien van beide posten geldt dat deze zijn opgenomen in door een accountant samengestelde jaarrekening, zodat ervan uit mag worden gegaan dat de schuld een reële bedrijfsschuld betreft en de huurinkomsten de daadwerkelijke huurinkomsten betreffen. De vrouw heeft niet nader onderbouwd dat van zwarte inkomsten sprake is zodat het hof aan die door de man betwiste stelling voorbijgaat. Gelet hierop is sprake van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek die noopt tot een herbeoordeling van de alimentatieverplichting van de man.”

2.2.

Volgens subonderdeel 1.2 heeft het hof niet, althans ontoereikend gemotiveerd waarom, het hof de door de man ter terechtzitting gegeven toelichting voldoende deugdelijk acht, in weerwil van het door de vrouw in hoger beroep gevoerde verweer. De klacht is nader uitgewerkt in het cassatierekest onder 1.3 – 1.8 en in het aanvullend cassatierekest onder 1.11 – 1.13. De vrouw was in hoger beroep van mening dat de man niet een afdoende verklaring heeft gegeven voor de overfinanciering, tegenstrijdige informatie heeft gegeven over de financiering en waardering van zijn bedrijfspand voor de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding en verder dat het wegvallen van huurinkomsten voor risico van de man behoort te komen.

2.3.

Blijkens de eerste alinea van rov. 5 heeft het hof kennis genomen van het desbetreffende verweer van de vrouw. Het hof heeft dit verweer gepasseerd op grond van de toelichting van de man op het ontstaan en de opbouw van de door hem gestelde bedrijfsschuld en op de gestelde terugval van de inkomsten uit verhuur. Het hof wijst op de door de man overgelegde jaarrekening, waarin beide posten zijn opgenomen. Die redengeving kan het oordeel dragen. Overigens berust het oordeel dat de toelichting voldoende ‘deugdelijk’ is, op een aan het hof voorbehouden waardering van de feiten. Het oordeel is verder niet onbegrijpelijk. Het hof heeft kennelijk niet alleen betekenis toegekend aan hetgeen namens de man ter terechtzitting is opgemerkt, maar ook aan hetgeen over de bedrijfsschuld in de processtukken is opgemerkt. In het bijzonder wat betreft de huurinkomsten, heeft het hof aangetoond geacht dat de terugval een gevolg is van de verslechterende economische omstandigheden. Dat verschaft de lezer voldoende inzicht in de reden waarom het hof het verweer van de vrouw niet heeft gevolgd.

2.4.

Onder 1.7 - 1.8 klaagt de vrouw dat de acceptatie van beide kostenposten door het hof niet wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat deze kosten zijn opgenomen in een door een accountant samengestelde jaarrekening. Ter toelichting merkt zij op dat – anders dan bij een accountantscontrole – een accountant bij het samenstellen van een jaarrekening doorgaans geheel afgaat op de door de ondernemer zelf aangeleverde bescheiden.

2.5.

Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Anders dan in het middelonderdeel wordt verondersteld, is het oordeel dat de door de man opgegeven bedrijfsschuld en verminderde huurinkomsten vaststaan, niet enkel gegrond op de vermelding daarvan in de samengestelde jaarrekening, maar mede op de door de man gegeven toelichting op die schuld en op die vermindering van inkomsten uit huur. Dat het hof betekenis heeft toegekend aan de jaarrekening is verder niet onbegrijpelijk. In onderdeel 1.8 wordt miskend dat geen rechtsregel het hof noopte om de eis van een accountantscontrole te stellen. Tegen de achtergrond van de door het hof aangenomen reële bedrijfsschuld en verminderde huurinkomsten is het eindoordeel, dat aanleiding bestaat voor een herbeoordeling van de alimentatieverplichting van de man, niet onbegrijpelijk en naar behoren gemotiveerd. De beschikking van het hof biedt voldoende inzicht in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om haar controleerbaar en aanvaardbaar te maken2. De slotsom is dat onderdeel 1 geen doel treft.

2.6.

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 7, waarin het hof bij het vaststellen van de draagkracht van de man diens inkomen in de jaren 2009 – 2011 middelt. Het hof overwoog:

“Ter zitting heeft de man verklaard dat hij bij de berekening wenst uit te gaan van het bedrijfsresultaat over de jaren 2009, 2010 en 2011. Het hof zal de man hierin volgen. Bij de berekening van het inkomen van de man voor zover van belang in verband met de alimentatieberekening houdt het hof rekening met het fiscale inkomen van de man exclusief het privégebruik van de auto. Het hof gaat uit van een inkomen van de man van € 39.284 voor het jaar 2009, van € 47.211 voor het jaar 2010 en van − € 17.667 voor het jaar 2011. Het hof houdt derhalve rekening met een gemiddeld inkomen ten behoeve van de alimentatieberekening van € 22.942. Daarnaast houdt het hof rekening met de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek.”

De vrouw klaagt dat het hof is uitgegaan van de verkeerde boekjaren, althans onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn beslissing om gehoor te geven aan de wens van de man om mede uit te gaan van het (negatieve) bedrijfsresultaat over het boekjaar 2011 (cassatierekest onder 2.7). Het hof zou het verweer van de vrouw met betrekking tot de peiljaren ongemotiveerd hebben gepasseerd (aanhef van onderdeel 2). De vrouw stelt dat het gebruikelijk is voor de vaststelling van de draagkacht van een ondernemer uit te gaan van het bedrijfsresultaat over de drie voorafgaande boekjaren. Gelet op de ingangsdatum 24 februari 2011, had het hof moeten uitgaan van het bedrijfsresultaat in de boekjaren 2008, 2009 en 2010. Dit klemt te meer in dit geval, nu op 24 februari 2011 – de peildatum − de cijfers over het boekjaar 2011 nog niet beschikbaar waren (onder 2.2 - 2.3 en het aanvullend rekest onder 2.13). In het verlengde hiervan, voert de vrouw aan dat de man slechts voorlopige cijfers en niet de definitieve cijfers van het boekjaar 2011 aan het hof heeft overgelegd. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd hoe op basis van deze voorlopige cijfers tot een negatief resultaat van het boekjaar 2011 kan worden gekomen (onder 2.5).

2.7.

Het is inderdaad gebruikelijk, bij de vaststelling van de draagkracht van een ondernemer het bedrijfsresultaat te bepalen aan de hand van de drie laatste (definitieve) jaarstukken over het verleden3. Het voordeel van deze werkwijze is dat een incidentele schommeling in de bedrijfsresultaten het beeld omtrent de draagkracht niet te zeer verstoort. Geen rechtsregel schrijft voor dat de rechter zich bij het vaststellen van de draagkracht moet beperken tot hetgeen blijkt uit de (definitieve) jaarstukken van de drie voorafgaande jaren. Om te beginnen bestaan er gevallen waarin dat praktisch niet mogelijk is (zoals bij een startende onderneming) of niet zinvol is (bijv. bij een fusie of splitsing van ondernemingen). Belangrijker is de regel, dat de rechter bij het vaststellen van de draagkracht zoveel mogelijk op actuele informatie afgaat4. De rechter mag ook rekening houden met redelijke verwachtingen omtrent ontwikkelingen in de toekomst. Daarbij is de rechter niet gebonden aan de Trema-normen. De rechter kan – zelfs ongemotiveerd – afwijken van de gebruikelijke normen voor het berekenen van alimentatie5. In het onderhavige geval heeft de man het hof verzocht bij de vaststelling van het bedrijfsresultaat uit te gaan van de cijfers voor 2009, 2010 en 2011. De vrouw stelt weliswaar dat zij daartegen bezwaren heeft geuit, maar uit de gedingstukken blijkt niet welke; het middel noemt geen vindplaats in de gedingstukken. Ten tijde van de beslissing beschikte het hof over de definitieve jaarcijfers 2011. De samengestelde jaarrekening 2011 is door de man in hoger beroep overgelegd als productie 36 bij brief van 2 april 2012. De advocaat van de vrouw heeft inhoudelijk op deze productie gereageerd6. Niet beslissend is dat op 24 februari 2011 – de datum tot waarop de wijziging terugwerkt – de jaarcijfers 2011 nog niet beschikbaar waren. Onderdeel 2 faalt.

2.8.

Onderdeel 3 is gericht tegen het dictum, waarin de alimentatie met ingang van 24 februari 2011 wordt bepaald op € 719,- per maand. Voor zover dit onderdeel voortbouwt op de vorige klachten, behoeft het hier geen bespreking. Voor het overige houdt de klacht in dat het hof inzage had moeten geven in de gemaakte draagkrachtberekening en dat daarzonder het bedrag van € 719,- niet te herleiden is tot de door het hof genoemde gegevens (cassatierekest onder 3.4).

2.9.

Het staat de rechter vrij, de draagkrachtberekening integraal in de beschikking op te nemen, maar een rechtsplicht om dat te doen bestaat niet. Uit de beschikking moet wel kunnen worden opgemaakt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt7. Aan die maatstaf is hier voldaan; zie rov. 7 tot en met 10.

2.10.

Met onderdeel 4 komt de vrouw op tegen de beslissing van 23 mei 2012 om de vermindering van de alimentatie te doen ingaan per 24 februari 2011. De vrouw stelt dat het hof zonder redengeving voorbij is gegaan aan haar stelling ter zitting dat van haar niet kan worden verlangd dat zij de teveel ontvangen partneralimentatie terugbetaalt. Gelet op de hoogte van het als gevolg van de beschikking van het hof terug te betalen bedrag, moeten volgens de klacht aan de motivering hoge eisen worden gesteld (cassatierekest onder 4.8 - 4.9)

2.11.

Naar vaste rechtspraak dient de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen een behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de eerste rechter vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot hetzelfde gevolg. Dit brengt mee, dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd [cursivering van mij, A-G] zal moeten beoordelen of, en zo ja in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap moet geven in de motivering8.

2.12.

Het hof heeft niet vastgesteld welk bedrag als gevolg van zijn beslissing door de vrouw aan de man moet worden terugbetaald. Aan de hand van de gedingstukken in appel viel hiervan wel een schatting te maken9. Op grond van de in de vorige alinea genoemde hoofdregel behoorde het hof behoedzaamheid te betrachten: de beslissing bracht mee dat de vrouw met terugwerkende kracht tot 24 februari 2011 (datum inleidend verzoekschrift) haar uitkering tot levensonderhoud verminderd zag, ook ten opzichte van de beslissing in eerste aanleg. Daartegenover staat, dat de datum van ingang van de door de man verzochte verlaging niet of nauwelijks voorwerp van discussie is geweest. Namens de vrouw is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 13 april 2012 gesteld dat het onredelijk zou zijn als zij iets zou moeten terugbetalen van de door haar genoten alimentatie, omdat ze al zoveel aan de advocaat moet betalen10. Dit ontneemt het belang aan deze motiveringsklacht. Immers, indien het hof ‘naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd’ had moeten motiveren waarom in redelijkheid van de vrouw terugbetaling van de teveel door haar ontvangen alimentatie kan worden verlangd, kan de verlangde motivering weinig meer inhouden dan de constatering dat een verwijzing in algemene termen naar ‘de kosten van de advocaat’ niet een beletsel is om de wijziging te laten ingaan op de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift. Overigens was de vrouw vanaf die datum ermee bekend dat de man nihilstelling van de alimentatie had verzocht.

2.13.

De slotsom is dat het principaal beroep behoort te worden verworpen.

3 Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel

3.1.

Het incidenteel cassatieberoep is voorwaardelijk ingesteld. Bij verwerping van het principaal cassatieberoep behoeven de klachten geen bespreking. Ten overvloede worden zij hieronder besproken.

3.2.

Onderdeel 1 van het incidenteel middel is gericht tegen rov. 6, waarin het hof heeft overwogen:

“Ter zitting hebben beide partijen zich op het standpunt gesteld dat de behoefte van de vrouw € 2.500,- per maand bedraagt. De behoefte van de vrouw is dus niet langer in geschil. Het hof is van oordeel dat, gelet op de leeftijd van de vrouw, haar opleidingsniveau, het feit dat zij tijdens het huwelijk alleen arbeid heeft verricht in de zin van meewerken in de zaak van haar man en de omstandigheid dat haar mentale en fysieke conditie haar belemmert om aan het arbeidsproces deel te nemen, de vrouw niet (volledig) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Haar woning is geen bron van inkomen, zodat het hof bij de vaststelling van de hoogte van de verschuldigde alimentatie hier geen rekening mee zal houden. Het hof gaat uit van een eigen vermogen van de vrouw van ongeveer € 90.000,-, gelet op de aanslag voor het recht van successie waaruit blijkt dat zij ruim € 90.000,- heeft verkregen uit een nalatenschap. Rekening houdend met een rentepercentage van ongeveer tweeënhalf procent en de vermogensrendementsheffing van box 3, waarbij wordt uitgegaan van een forfaitair rendement van vier procent tegen een belastingtarief van dertig procent, kan de vrouw een nettorendement behalen van ongeveer 1,3 procent. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw ongeveer € 100,- per maand aan rente kan ontvangen over haar vermogen. Er resteert de vrouw dan nog een behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man van € 2.400,- per maand.”

3.3.

Onder 1.1 onder i klaagt de man dat het hof voorbijgaat aan zijn stelling dat de vrouw in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap € 14.500,- had ontvangen en een polis levensverzekering met een waarde van € 50.000,- (anno 2008) toebedeeld had gekregen.

3.4.

Op zich is juist, dat de man in eerste aanleg deze stelling had aangevoerd11. De rechtbank vermeldt op blz. 2 van haar beschikking dat de man heeft gesteld dat de vrouw inkomen heeft uit een vermogen van circa € 155.000,- waarover zij de beschikking heeft. In dat bedrag zijn de genoemde waarde van de polis en het in het kader van de verdeling ontvangen bedrag verdisconteerd12. De rechtbank heeft deze stelling niet gevolgd: in de eerste plaats niet, omdat het daaruit te verwerven inkomen niet toereikend is om geheel in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen voorzien en voorts omdat ‘op voormelde punten niet is gebleken van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden’ ten opzichte van de behoefte van de vrouw waarvan in het convenant werd uitgegaan. Tegen dat oordeel was geen uitdrukkelijke grief gericht. Dan valt niet in te zien waarom het hof op deze stelling had moeten ingaan. Bovendien is ter zitting in hoger beroep namens de man verklaard dat een behoefte van de vrouw van € 2.500,- per maand het uitgangspunt kan zijn. Het hof overweegt dan ook dat de behoefte niet langer in geschil is.

3.5.

Onder 1.1 onder ii klaagt de man dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat de woonlasten van de vrouw minimaal zijn, omdat de aan haar toegedeelde voormalige echtelijke woning vrij is van hypotheeklasten. Het hof zou hebben miskend dat als gevolg van deze besparing voor de vrouw middelen vrijkomen, die zij kan gebruiken om haar levensonderhoud te bekostigen.

3.6.

In de in het middel aangehaalde stellingen van de man in hoger beroep kan niet worden gelezen dat op dit punt sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de behoeften waarmee in het convenant rekening is gehouden. Het hof kon in dit verband voorbijgaan aan die stelling. Op de hoogte van de woonlasten van de vrouw behoefde het hof bovendien niet meer in te gaan, omdat over het bedrag van haar behoefte overeenstemming bestond. In rov. 6 heeft het hof feitelijk geconstateerd dat de woning voor de vrouw geen bron van inkomsten is. Onderdeel 1.1 leidt niet tot cassatie.

3.7.

Onder 1.2 klaagt de man onder a dat het oordeel dat de vrouw niet (volledig) door arbeid in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken, in het bijzonder van de stelling van de man dat de vrouw niet met behulp van een medische verklaring heeft aangetoond dat zij niet kan werken. Onder b klaagt hij dat het oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de (subsidiaire) stelling van de vrouw dat, ook wanneer het hof ervan uitgaat dat van haar mag worden gevergd dat zij betaald werk verricht, het haar op deze leeftijd niet meer zal gelukken door middel van inkomen uit arbeid in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien.

3.8.

Het oordeel over de verdiencapaciteit van de vrouw is voorbehouden aan het hof. Het is, mede beschouwd in het licht van de gedingstukken, niet onbegrijpelijk. De vaststelling is ook niet afhankelijk van een doktersverklaring; in cassatie bestrijdt de man niet de vaststelling dat de vrouw, gezien haar leeftijd, haar opleidingsniveau en haar beperkte werkervaring tijdens het huwelijk, niet in staat zal zijn volledig in haar levensonderhoud te voorzien. Ook deze klachten falen.

3.9.

Met onderdeel 2 komt het incidenteel middel op tegen rov. 9, waarin het hof omtrent de woonlasten van de man heeft overwogen.

“De man stelt dat hij een huurlast heeft ter hoogte van € 1.000,- per maand. De vrouw stelt dat de door de man gestelde huurlast van € 1.000,- per maand niet dient te worden opgenomen in de draagkrachtberekening. Het hof volgt de vrouw hierin, omdat de man wisselende verklaringen geeft omtrent zijn woonadres en het hof daarom niet kan vaststellen waar de man woont. Het hof gaat uit van het fiscale adres en tevens GBA-adres dat de man heeft opgegeven en gaat ervan uit dat de man geen verdere woonlasten heeft. In de op de draagkrachtruimte in mindering komende bijstandsnorm is reeds een bedrag aan woonlasten verdisconteerd van € 210,-.”

De man klaagt achtereenvolgens:

  • -

    dat de beslissing om geen rekening te houden met de opgegeven huurlast van € 1.000,- per maand blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: ook al zou de man daar niet wonen, dan neemt dit niet weg dat op de voet van het bepaalde in art. 1:397 BW in beginsel alle lasten van invloed zijn op de draagkracht; het hof heeft niet vastgesteld dat de man deze huurlast niet daadwerkelijk betaalt (de klacht onder a);

  • -

    dat de bestreden overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover deze inhoudt dat de huurlasten gezien de wisselende verklaringen niet als redelijke kosten zijn aan te merken en reeds daarom niet in de draagkrachtberekening kunnen worden meegenomen; volgens de klacht is dat niet voldoende om te kunnen oordelen dat de huurlasten niet op de draagkracht van invloed zijn (onder b);

  • -

    dat de bestreden overweging in ieder geval onbegrijpelijk is omdat de enkele omstandigheid dat wisselende verklaringen omtrent het woonadres zijn afgelegd, onverlet laat dat de man voor deze woning huurlasten voldoet(onder c);

  • -

    dat de bestreden overweging eveneens onbegrijpelijk is in het licht van de uitdrukkelijke betwisting door de man van de stelling van de vrouw dat hij met zijn vriendin in Delft samenwoont (onder d);

  • -

    dat ook niet beslissend is op welk adres hij staat ingeschreven; dat de bestreden overweging onbegrijpelijk is omdat de man consequent heeft gesteld dat hij ten tijde van de beslissing formeel op het adres van zijn bedrijfspand stond ingeschreven, maar al vanaf eind 2008 feitelijk woonde in de woning aan de Verspijcklaan en daarvoor de huurtermijnen voldoet en dat hij niet met zijn vriendin samenwoont (onder e).

3.10.

Deze klachten worden gezamenlijk besproken. Bij het vaststellen van de draagkracht van de alimentatieplichtige kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld13. In beginsel wordt rekening gehouden met de volledige woonlasten, voor zover zij redelijk zijn14. De discussie ging echter over de vraag of de opgegeven lasten wel zijn aan te merken als woonlasten. Het hof overweegt dat de man, die heeft aangevoerd op een ander adres te wonen dan zijn fiscaal en GBA-adres, wisselende verklaringen heeft gegeven omtrent zijn woonadres. De verklaring die de man bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gaf omtrent zijn woonadres en het uiteenlopen van het GBA- en woonadres, wijkt af van de verklaring die hij daaromtrent in hoger beroep heeft gegeven15. Die onduidelijkheid heeft het hof voor rekening van de man mogen laten, door het fiscaal en GBA-adres van de man te hanteren en ervan uit te gaan dat de man verder geen ‘woonlasten’ heeft. Het hof heeft niet – zoals de man veronderstelt – de huurlast buiten beschouwing gelaten omdat deze niet als redelijk kan worden aangemerkt. De aangevoerde omstandigheid dat de man huur heeft betaald, brengt niet mee dat deze huur als ‘woonlast’ in de bepaling van de draagkracht behoort te worden betrokken. De stellingen van partijen omtrent het verblijf van de man bij zijn vriendin in Delft hebben, anders dan het middel lijkt te veronderstellen, geen rol gespeeld bij de beoordeling; het hof had dan ook geen reden om daarop uitdrukkelijk in te gaan. Onderdeel 2 treft geen doel.

3.11.

In onderdeel 3 onder a wijst de man erop dat hij als gevolg van een te hoge waardering van zijn bedrijfspand een te hoog bedrag in het kader van de vermogensverdeling heeft moeten voldoen en daartoe extern financiering heeft moeten aangaan, met hoge rentelasten als gevolg. De man stelt dat hij in de procedure bij het hof heeft aangevoerd, samengevat, dat de rechtbank de bedrijfsresultaten ten onrechte heeft vermeerderd met deze extra rentelasten. Hij klaagt dat het hof met schending van art. 23 en 24 Rv aan deze grief is voorbijgegaan, dan wel op dit punt in zijn redengeving tekort is geschoten. Onder b en c veronderstelt de man dat het hof aan dit deel van zijn grieven voorbij is gegaan omdat het tardief is aangevoerd.


3.12. M.i. zijn de desbetreffende stellingen van de man het hof niet ontgaan. In haar beschikking van 20 september 2011 (blz. 3/4) had de rechtbank het door de man opgegeven resultaat telkens vermeerderd met de hier bedoelde extra rentelasten; als gevolg daarvan kwam de draagkracht van de man uit op een hoger bedrag. De man heeft in zijn appelschrift en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 13 april 2012 hiertegen bezwaar gemaakt. Het hof is vervolgens in rov. 7 uitgegaan van de resultaten over 2009-2010-2011 zonder een bijtelling voor de hier bedoelde extra rentelasten. Onderdeel 3 mist daarom feitelijke grondslag.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

1 Het inschrijvingsbewijs is overgelegd als productie 2 bij het inleidend verzoekschrift.

2 Vgl. HR 4 juni 1993, NJ 1993/659, m.nt. D.W.F.V.; HR 29 juni 2001 (LJN: AB2376), NJ 2001/495; HR 10 oktober 2003 (LJN: AI0366), NJ 2004/37, HR 19 oktober 2007 (LJN: BA5803) NJ 2007/563; Asser/De Boer 1*, Personen- en Familierecht nr. 620; S.F.M. Wortmann, in Kluwers Personen- en Familierecht (losbl.), art. 1:397, aant. 2.

3 Rapport alimentatienormen versie 2013, blz. 33; A. Roelvink-Verhoeff, Alimentatie en de ondernemer: de verhouding tussen winst, kasstromen en draagkracht, EB 2012/2, blz. 27-31. In de standaardoproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van alimentatiezaken in eerste aanleg (bijlage Procesreglement scheiding, te raadplegen via www.rechtspraak.nl), wordt ten aanzien van ondernemers dan ook gevraagd om overlegging van de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen met daarin de balans, de winst- en verliesrekening en toelichting inclusief kasstroomoverzichten, belastingaangiften en –aanslagen, met toelichting” en van de (concept) jaarstukken, ook tussentijdse, met toelichting, prognoses en voorlopige aanslagen, alsmede de laatste drie aangiften inkomsten- en vermogensbelasting, indien bestaand, met de bijbehorende aanslagen.

4 Onder meer: HR 28 september 2012 (LJN: BW9226), NJ 2012/552.

5 Vgl. HR 17 juni 1983, NJ 1984/35; HR 7 maart 1986, NJ 1986/545; HR 1 december 1995, NJ 1996/272; S.F.M. Wortmann, in Kluwers Personen- en Familierecht (losbl.), art. 1: 397, aant. 2.

6 Vgl. de pleitaantekeningen zijdens de vrouw van 13 april 2013.

7 HR 17 maart 2000 (LJN: AA5167), NJ 2000/313; HR 22 september 2006 (LJN: AX8848), NJ 2006/520; Asser/De Boer 1*, Personen- en Familierecht nr. 620.

8 Vgl. HR 20 september 2002 (LJN: AE3347), NJ 2003/47 m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 14 april 2006 (LJN: AU8971), NJ 2006/257; HR 22 september 2006 (LJN: AW6242), NJ 2006/519; HR 21 december 2007 (LJN: BB4757), NJ 2008/27; HR 25 januari 2008 (LJN: BB9246), NJ 2008/65; HR 26 juni 2009 (LJN: AH2288), NJ 2009/304; HR 9 oktober 2009 (LJN: BI9288), NJ 2009/489; HR 2 maart 2012 (LJN: BU9898), NJ 2012/157; HR 16 maart 2012 (LJN: BU9882); Asser/De Boer 1*, Personen- en Familierecht, 2010, nr. 1049.

9 Volgens de verklaring van de vrouw ter zitting in eerste aanleg (p.-v. blz. 1) heeft de man vanaf april 2011 nagelaten de alimentatietermijnen te voldoen. Blijkens mededeling van de vrouw bij appelrekest (nrs. 13 en 15) heeft zij executoriaal beslag laten leggen, hetgeen bevestigd is in het verweerschrift van de man in appel (onder 4 – 6). Na een kort geding tot opheffing van het beslag zou door partijen een tijdelijke regeling zijn getroffen die inhoudt dat de man voorlopig € 1.500,- per maand betaalt.

10 Aanvullend cassatierekest onder 4.6. Hetgeen aldaar onder punt 4.7 naar voren wordt gebracht over de leeftijd van de vrouw en de daarmee samenhangende geringe kans op betaald werk te vinden, heeft het karakter van een ontoelaatbaar novum in cassatie. Het was niet eerder in verband met de datum van ingang van de wijziging naar voren gebracht.

11 Inleidend verzoekschrift onder 6.

12 Vgl. de pleitaantekeningen namens de man in eerste aanleg, blz. 1.

13 Vgl. o.m. HR 11 oktober 1968, NJ 1969/5, m.nt. G.J.S.; HR 30 mei 1980, NJ 1981/111 m.nt. E.A.A.L.; HR 24 november 1995, NJ 1996/260; HR 26 juni 1998, NJ 1998/672; HR 17 maart 2000 (LJN: AA5167), NJ 2000/313; HR 1 februari 2002 (LJN: AD6629), NJ 2002/184; HR 22 september 2006 (LJN: AX8848), NJ 2006/520; HR 19 oktober 2007 (LJN: BA5803), NJ 2007/563; Asser/De Boer 1*, Personen- en Familierecht, 2010, nr. 620.

14 Vgl. Rapport alimentatienormen, versie 2013, blz. 25.

15 Vgl. de zittingsaantekeningen van de zitting in eerste aanleg op 12 juli 2011, het verweerschrift incidenteel appel zijdens de man, blz. 2, en het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 13 april 2012.