Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:106

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-04-2013
Datum publicatie
23-07-2013
Zaaknummer
11/05598
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:150, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Unus testis. 2. Bewijsoverweging en f&o die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring. 3. Witwassen door het verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp afkomstig uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Ad 1. HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BM2452.Het Hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat voldoende steunbewijs voor de belastende verklaringen van de aangeefster te vinden is in de verklaringen van anderen. I.c. kan, mede gelet op die nadere motivering, niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van aangeefster onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. Geen sprake van schending van art. 342.2 Sv. Ad 2. HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BA5858. De klacht dat het Hof in zijn bewijsoverweging f&o heeft vermeld die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen, en dat het Hof niet heeft aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen het deze omstandigheden heeft ontleend, mist deels feitelijke grondslag, en ziet voorts op een onderdeel dat van zo ondergeschikt belang is dat de klacht niet tot cassatie kan leiden. Ad 3. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BM4440, HR LJN BA7923, HR LJN AU6712, HR LJN BX6910 en HR LJN CA3302. I.c. gaat het om het bewezenverklaarde verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp - te weten geldbedragen - die afkomstig zijn uit door verdachte zelf begane misdrijven en heeft het Hof geoordeeld dat zulks (gewoonte)witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is ’s Hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/515

Conclusie

Nr. 11/05598

Zitting: 16 april 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 15 april 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1 primair “een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, en opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich onder de onder artikel 250a, onder 1 (oud) ten eerste van het Wetboek van Strafrecht genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen”, 2 primair “mensenhandel, meermalen gepleegd” en 3 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden. Voorts heeft het Hof, op de wijze als vermeld in het arrest, de onttrekking aan het verkeer resp. de verbeurdverklaring van een aantal voorwerpen gelast c.q. bevolen. Ook heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, en heeft het Hof de vordering van de Advocaat-Generaal bij het Hof strekkende tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten gunste van [slachtoffer 1], afgewezen. Ten slotte bevat het arrest nog een andere bijkomende beslissing, een en ander als vermeld in het bestreden arrest.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/05598, 11/02596, 11/05591 en 12/01501. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten, voor zover betrekking hebbende op [slachtoffer 1] (feit 2 primair), uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

5. Ten laste van verzoeker is – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaard dat:

1.

“hij op tijdstippen in de periode van 18 oktober 2004 tot 1 januari 2005, te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Den Haag, een ander genaamd [slachtoffer 1],

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die seksuele handelingen, terwijl verdachte wist dat die ander zich onder voornoemde omstandigheden beschikbaar stelde tot het verrichten van die handelingen,

bestaande dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en die misleiding en dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat hij, verdachte,

- een relatie met [slachtoffer 1] heeft onderhouden, en

- [slachtoffer 1] onderdak heeft verschaft, en

- [slachtoffer 1] heeft aangezet en heeft gebracht tot het verrichten van prostitutie-werkzaamheden, en

- een groot gedeelte van de inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden door [slachtoffer 1] heeft laten afstaan, en

- [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij zijn, verdachtes, vaste vriendin was, en/of dat hij met andere vrouwen slechts een (seksuele) relatie had vanwege het geld dat die andere vrouw(en) voor hem, verdachte, verdiende(n);”

en

2.

“hij in de periode van 01 januari 2005 tot en met 11 november 2008 te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Den Haag, anderen, te weten (...)en [slachtoffer 1],

door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft geworven, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die (...) en [slachtoffer 1]

en

(...) en [slachtoffer 1] met een van de voornoemde middelen en omstandigheden heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (seksuele) handelingen,

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die (...) en [slachtoffer 1]

en

(...) en [slachtoffer 1] met voornoemde middelen en omstandigheden heeft gedwongen en bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die (...) en [slachtoffer 1] met een derde,

bestaande die misleiding en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat voordeel trekken hierin dat hij, verdachte,

(...)

(ten aanzien van [slachtoffer 1]) (in de periode van 01 januari 2005 tot en met 11 november 2008)

- een relatie met [slachtoffer 1] heeft onderhouden, en

- [slachtoffer 1] onderdak heeft verschaft, door [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, woning te laten verblijven, en

- [slachtoffer 1] ertoe heeft aangezet en heeft gebracht tot het verrichten van prostitutie-werkzaamheden, en

- een groot gedeelte van de verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden door [slachtoffer 1] heeft laten afstaan, en

- [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij zijn, verdachtes, vaste vriendin was, en dat hij met andere vrouwen slechts een (seksuele) relatie had vanwege het geld dat die andere vrouw(en) voor hem, verdachte, verdiende(n);”

6. Deze bewezenverklaringen berusten op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

De verklaring van de getuige [slachtoffer 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2011.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ken [verdachte] sinds oktober 2003. Ik woonde toen nog in Hengelo.

Ik ben begin 2004 op de Wallen in de prostitutie terecht gekomen. Dit is via [verdachte] gegaan. Het werk in de prostitutie is eind 2003, begin 2004 in een gesprek aan de orde gekomen. Ik woonde toen nog in Hengelo. Ik herinner mij nog een gesprek bij een vriend van [verdachte], [betrokkene 1], in Voorburg. Dit was het eerste gesprek over dit onderwerp. Tijdens het gesprek begon [verdachte] over het werk dat zijn broer met zijn vriendin deed en dat ze hiermee veel geld verdienden. Hij vroeg mij of ik dat ook wilde doen voor onze toekomst. Ik heb dit toen geweigerd. [verdachte] zei toen dat hij dan een ander meisje had die het wel voor hem wilde doen. Het idee dat een ander meisje het werk voor hem wilde doen kon ik niet verdragen. Ik was zo verliefd op hem en wilde altijd bij hem zijn. Ik was naïef en vooral bang om hem kwijt te raken. Ik heb zijn voorstel niet met andere mensen besproken.

Na dit eerste gesprek zijn er nog een aantal gesprekken geweest, maar deze kan ik mij niet meer herinneren.

Na het gesprek ging het best snel. Ik zou het werk eerst een weekend proberen om te kijken hoe het was. Dit weekend is uiteindelijk 5 jaar geworden. Na het weekend ben ik nooit meer terug gekomen in Hengelo.

Toen ik vanuit Hengelo naar Diemen vertrok heb ik gelogeerd bij een vriend van [betrokkene 2], [betrokkene 3], en zijn vriendin [betrokkene 4]. Ik weet niet wat hun achternaam is. [betrokkene 4] werkte ook in de prostitutie en zij heeft mij geholpen met het huren van een kamer op de wallen in Amsterdam. Ze heeft me ook uitgelegd hoe alles moest.

Ik bepaalde ook niet zelf mijn eigen werktijden. In het begin bracht [betrokkene 3] of [betrokkene 2] mij naar mijn werk. Meestal waren mijn werktijden van 20:00 uur tot 03:00 of 04:00 uur. In het weekend was dit soms nog later. Ik kon dit niet zelf bepalen omdat ik werd gebracht en opgehaald. Als ik geen zin had om te werken moest ik dit toch doen. Ook als ik aangaf dat ik naar huis wilde mocht dit niet. Ik ben een keer in elkaar geslagen door [verdachte] omdat ik eerder naar huis wilde en hij geen zin had in een discussie met mij. Ook als ik griep had moest ik werken. [verdachte] bepaalde dit. ‘s Avonds was er altijd iemand in de buurt. Soms liepen ze ook langs. Het klopt dat [verdachte] mij sloeg als ik tegen hem in ging.

In het begin woonde ik nog niet bij [verdachte]. Ik gaf dan het geld aan [betrokkene 2]. Dit was gedurende de eerste maanden zo. Dat was mij opgedragen door [verdachte]. Ik ging er vanuit dat [betrokkene 2] het geld aan [verdachte] zou geven. Dat was mij verteld. Later gaf ik het geld direct aan [verdachte] zelf. Ik hield 20 of 30 euro per keer om drinken en sigaretten te kunnen kopen. De rest ging naar [verdachte]. Hij zou het geld sparen voor onze toekomst. Dat ging zo bij de andere meiden, dus bij ons ook. Zo is het altijd gegaan. Ik weet niet wat er gebeurde met het geld dat [verdachte] voor ons spaarde. Soms vroeg ik wel eens hoe veel het was. Dan kreeg ik een bedrag te horen van zo’n 50 tot 60 duizend euro. Ik heb nooit gevraagd waar hij het bewaarde. Ik vertrouwde [verdachte]. Ik had het met [verdachte] wel eens over hoeveel ik verdiend had. Als het veel geld was, dan was hij blij. Als het weinig geld was wilde hij weten hoe het kwam. Hoe meer geld ik mee naar huis bracht, hoe liever hij was. Hij heeft wel eens gezegd dat hij dacht dat ik geld achterhield, maar dit deed zich niet vaak voor. Immers, er werd bijna nooit echt weinig geld verdiend.

[verdachte] heeft mij gezegd dat ik geld moest betalen als ik bij hem weg wilde.

2.

Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2008 085327 van 14 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 14 december 2010 tegenover verbalisanten afgelegde aangifte van [slachtoffer 1]:

Ik wens aangifte te doen tegen [verdachte]. Ik wil eigenlijk ook stoppen met dit werk. Maar het is het enige dat ik ken. Ik wil er een punt achter zetten. Ik wil dit achter mij laten. Hij heeft mij zelfs gevraagd om hem te betalen als ik zou willen stoppen. 20.000 euro heeft hij genoemd.

- Waar ging het geld naartoe?

Dat spaarde [verdachte] voor onze “toekomst”. Ik bedoel daarmee te zeggen dat ik nu weet dat hij het geld niet spaarde.

Daarna heeft hij mij nog een keertje gebeld. Ik had toch weer een zwak. Ik vond dat zielig dat hij daar alleen zat. Hij zei opeens: je weet toch hoe de regels zijn. Als je voor jezelf wil werken moet je mij 20.000 euro betalen. Soms belde ik [verdachte] op en dan zei ik dat ik naar huis wilde; hij zei dan dat ik moest blijven werken.

3.

Een proces-verbaal met nummer 2008 085327 van 18 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] (zaaksdossier “[slachtoffer 1]”, dossierpagina 100141 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 november 2008 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1] (moeder van [slachtoffer 1]):

In die tijd toen zij (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) 19 was kwam zij op een gegeven moment met [verdachte] op de proppen. Zij had hem leren kennen in een uitgaansgelegenheid hier in de stad.

[slachtoffer 1] is in 2003 gaan samenwonen met [verdachte] in Amsterdam.

Op een keer dat [verdachte] en [slachtoffer 1] hier waren heb ik haar gevraagd of zij als prostituee werkte. Dit kwam voor mijzelf ook als onverwachte vraag die kennelijk wel altijd in mijn achterhoofd speelde. Toen heeft [slachtoffer 1] ja gezegd.

4.

Een proces-verbaal van 7 mei 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (zaaksdossier “[slachtoffer 1]”, 1e aanvulling, dossierpagina 100273 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 mei 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 2]:

Zo is het begonnen maar [betrokkene 5], een ander meisje die daar ook lang werkt (het hof begrijpt: [betrokkene 5]), vertelde mij dat [slachtoffer 1] (het hof begrijpt; [slachtoffer 1]) de eerste werkdag alleen maar heeft gehuild.

U vraagt mij wat [slachtoffer 1] met haar geld doet. [slachtoffer 1] heeft mij verteld dat ze het geld sparen. [verdachte] haalde het geld op en bewaarde het niet thuis, vertelde [slachtoffer 1] mij.

Ik wist ook dat [verdachte] nog een ander meisje had, maar daar spraken we niet over. Ik wil haar hart niet breken.

Dat andere meisje was [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]). [slachtoffer 1] wist dat wel van [slachtoffer 2] maar wilde dat eigenlijk niet. Maar [verdachte] zei dat [slachtoffer 2] alleen voor het geld was. Dat weet ik omdat [verdachte] veel viagrapillen had. Hij zei dan tegen [slachtoffer 1] dat hij die nodig had voor [slachtoffer 2] omdat hij anders geen stijve kreeg. Want [slachtoffer 1] was natuurlijk de enige echte.

5.

Een proces-verbaal, opgemaakt door mr. O.P.G. Vos, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2009 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 2]:

[slachtoffer 1] begon te huilen als zij ruzie met een klant kreeg. Zij schreeuwde dan: “ik kan het niet meer, ik wil dit niet meer”.

6.

Een proces-verbaal, opgemaakt door mr. R.M. Steinhaus, in de onderhavige strafzaak aangewezen als raadsheer-commissaris.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 maart 2011 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:

Ik weet nog van de eerste werkdagen van [slachtoffer 1]. U houdt mij voor dat [getuige 2] heeft gezegd dat ik [slachtoffer 1] haar eerste werkdag alleen heb zien huilen. Ja. Het waren denk ik de eerste twee of drie werkdagen van haar. Wij stonden toen tegenover elkaar. Ik heb gezien dat ze toen veel huilde. Ik weet niet waarom. Dat heb ik haar ook niet gevraagd. Voor zover ik kon zien was ze aardig overstuur.

(…)

18.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 28 maart 2011, inhoudend:

In die periode heb ik gewerkt en kreeg ik geld van familie. Ik had nog wel nevenverdiensten waar ik het niet over wil hebben. Deze hadden niets te maken met mensenhandel. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] brachten ook geld in. Zij verdienden meer dan ik.”

7. Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De bewijsminimumregel ten aanzien van getuigenbewijs

De raadsman heeft bij pleidooi aandacht gevraagd voor de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en hij heeft gesteld dat met betrekking tot veel van de ten laste gelegde feiten niet aan het in deze regel vervatte vereiste is voldaan.

Volgens deze bepaling kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.

De Hoge Raad heeft het belang van deze bepaling bij herhaling onderstreept door te overwegen dat deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Een nadere invulling wordt door de Hoge Raad echter niet gegeven met de motivering dat de vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid allereerst, dat voldoende is dat de bewezenverklaring als geheel door meer dan één bewijsmiddel wordt geschraagd, waaronder dient te worden verstaan dat er, buiten de getuigenverklaring een tweede onafhankelijke bewijsgrond bestaat. Deze tweede bewijsgrond kan direct inhoudelijk betrekking hebben op één of meer onderdelen van de tenlastelegging, maar dit is niet noodzakelijk. Ingeval van een meer indirect verband tussen de eerste en de tweede bewijsgrond wordt de deugdelijkheid van de bewijsconstructie bepaald door de motivering die de rechter ervoor heeft gegeven. Een verklaring van een getuige waarin deze uitsluitend bevestigt hetgeen deze van de andere getuige heeft gehoord, kan zonder bijkomend bewijsmateriaal niet als zodanige tweede bewijsgrond gelden.

Voorts geldt de aan de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontleende eis dat de directe betrokkenheid van de verdachte bij een strafbaar feit in voldoende mate dient te blijken uit een andere bron ingeval de verdachte de getuige die belastend heeft verklaard niet heeft kunnen ondervragen.

In het licht van deze rechtspraak zal het hof bij de beoordeling van ondersteunende verklaringen op hun bruikbaarheid telkens toetsen hetzij of er sprake is van bevestiging van significante elementen uit de belastende getuigenverklaring dan wel of er sprake is van onmiskenbaar unieke of authentieke elementen, waardoor de geloofwaardigheid van de getuige, op wier verklaring het bewijs in aanmerkelijke mate steunt, buiten redelijke twijfel kan staan. De aard van de ten laste gelegde feiten en de besloten relationele context waarin dit type misdrijven doorgaans wordt gepleegd brengen met zich dat aanvullend bewijs regelmatig bestaat in ondersteunende verklaringen, die zijn gebaseerd op mededelingen die de betrokken aangeefsters of slachtoffers over de feiten of over de verdachte ten overstaan van derden hebben gedaan. Het hof zal telkens hebben te beoordelen of de getuigen nader hebben verklaard over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder zij wetenschap hebben gekregen van de informatie, of hun weergave daarvan aannemelijk is en of hieraan een oordeel valt te ontlenen over de betrouwbaarheid.

Bruikbaarheid van getuigenverklaringen in het licht van hun totstandkoming

Het onder de naam Judo verrichte onderzoek heeft een eigen, karakteristieke dynamiek gehad. Nadat de verdachten waren aangehouden zijn de getuigen zowel gericht als via algemene publiciteit opgeroepen om een verklaring af te leggen dan wel aangifte te doen.

Via zeer uiteenlopende trajecten zijn vervolgens de verklaringen tot stand gekomen. Zo hebben sommige getuigen het gelaten bij oriënterende gesprekken met de politie, waarvan de inhoud is neergelegd in processen-verbaal van bevindingen. In andere gevallen zijn in een aantal stappen verklaringen opgenomen, waarvan een deel in een later stadium uitmondde in een aangifte. Enkele vrouwen hebben tijdens de opsporingsfase in het geheel niet willen verklaren. Zij hebben pas bij de rechter-commissaris, bij wie zij verplicht waren te verschijnen, een verklaring afgelegd.

In die gevallen waarin vrouwen meer verklaringen hebben afgelegd, vertonen de verklaringen soms verschillen. Deze bevinden zich soms op, overigens niet minder relevant, detailniveau.

Daarnaast doen zich ook meer fundamentele verschillen voor, met name tussen de verklaringen afgelegd bij de politie en die zijn afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. Veelal is tussen de momenten van opnemen van deze verklaringen een periode van ongeveer een jaar gelegen. Hierbij is bij de onderscheiden getuigen zowel het patroon dat een eerder afgelegde belastende verklaring wordt ingetrokken bij de rechter-commissaris, als het patroon dat eerst bij de rechter-commissaris belastend wordt verklaard zichtbaar.

Gelet op deze omstandigheden en naar aanleiding van verzoeken van de verdediging heeft het hof enkele getuigen ter terechtzitting in hoger beroep nogmaals gehoord.

Het hof overweegt dat de enkele omstandigheid dat een getuige wisselend heeft verklaard onvoldoende is om van gebruik van de verklaring voor het bewijs af te zien. De wisselingen kunnen veelal, mede op basis van de toelichting die de vrouwen zelf geven voor de wijzigingen, worden begrepen in het licht van hetgeen is gebleken omtrent hun persoon en/of hun relatie met de verdachte.

Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat de belastende verklaring gereed ligt voor gebruik voor het bewijs. De verklaringen dienen door het hof met behoedzaamheid te worden beoordeeld en er dienen, zonder dat hiervoor een algemeen criterium kan worden gegeven, substantiële eisen te worden gesteld aan de bewijskracht van het steunbewijs.

Afzonderlijke vermelding behoeven de verklaringen van getuigen die expliciet en bij herhaling hebben gezegd dat zij door de verdachte niet zijn uitgebuit, terwijl het dossier verschillende aanwijzingen bevat dat hiervan wel sprake is geweest en de advocaat-generaal op die grond ten aanzien van de betrokken getuige een bewezenverklaring heeft gevorderd.

Tegen de achtergrond van hetgeen eerder is overwogen over de relationele context van de ten laste gelegde feiten en over het beoordelingskader hiervoor zal het hof als vertrekpunt hanteren dat niet te snel kan worden aangenomen dat het niet anders kan zijn dan dat die getuige in strijd met de waarheid heeft verklaard. Andere, zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zullen in zo’n geval voldoende duidelijkheid moeten bieden over het ten laste gelegde feit. Aan deze eis is niet voldaan als de bewijswaarde van de gepresenteerde bewijsmiddelen gelegen is op de ondergrens van de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, Sv. De verklaring van de getuige dat zich ten aanzien van haar persoon geen uitbuiting heeft voorgedaan dient, met andere woorden, in aanzienlijke mate met bewijsmiddelen waaruit het tegendeel blijkt te worden gecompenseerd.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van de feiten 1 en 2

Met inachtneming van hetgeen hiervoor in algemene zin is overwogen omtrent de aard van de tenlastegelegde feiten en de aan het bewijs te stellen eisen, overweegt het hof met betrekking tot de in de feiten 1 en 2 genoemde vrouwen - ieder afzonderlijk - het navolgende.

(…)

Met betrekking tot [slachtoffer 1]

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor de onder feit 1 en 2 ten aanzien van [slachtoffer 1] ten laste gelegde gedragingen. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten aanzien van [slachtoffer 1] ten laste gelegde gedragingen. De verdediging heeft op in de pleitnota nader uiteengezette gronden bepleit, dat de verdachte van hetgeen hem met betrekking tot [slachtoffer 1] ten laste is gelegd zal worden vrijgesproken. Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat noch uit de verklaringen van [slachtoffer 1] zelf, noch uit overige onderzoeksgegevens kan blijken dat de verdachte op strafbare wijze betrokken is geweest bij het werk van [slachtoffer 1] in de prostitutie. Er zijn geen aanwijzingen dat de situatie waarin [slachtoffer 1] heeft verkeerd, afwijkt van die waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. [slachtoffer 1] heeft zelf voor dit werk gekozen en had daarmee op ieder moment kunnen stoppen.

Het hof overweegt met betrekking tot [slachtoffer 1] het volgende.

[slachtoffer 1] heeft aanvankelijk gedurende het opsporingsonderzoek geen verklaringen willen afleggen. Als getuige gehoord door de rechter-commissaris op 29 juni 2009 heeft zij - kort gezegd - verklaard dat zij, reeds voordat zij een relatie met de verdachte kreeg, vrijwillig in de prostitutie werkte en dat de verdachte nooit van invloed is geweest op dit werk. Pas op 14 december 2010, een jaar na het wijzen van het vonnis waarvan beroep, heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan tegen de verdachte. Zij heeft op achtereenvolgens 14 december 2010 en 13 januari 2011 uitgebreide verklaringen afgelegd tegenover de politie. Op 28 maart 2011 is [slachtoffer 1] vervolgens als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord. In dit verhoor heeft zij verklaard dat zij eerder ten overstaan van de rechter-commissaris niet de waarheid heeft verteld, maar in haar verklaringen tegenover de politie in 2010 en 2011 wél.

Het hof verwijst in de eerste plaats naar hetgeen hiervoor in algemene zin is overwogen omtrent de bruikbaarheid van getuigenverklaringen in het licht van hun totstandkoming. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 1] ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring heeft gegeven voor de omslag in haar verklaringen. Zij heeft verklaard dat zij aanvankelijk in de overtuiging heeft verkeerd dat de verdachte haar vriend was en dat zij hem moest beschermen. Toen hij gedetineerd is geraakt en geen contact meer met haar had, heeft zij onafhankelijk haar mening kunnen vormen en is zij tot de slotsom gekomen dat zij het niet normaal vindt om iemand van wie je houdt in de prostitutie te laten werken. Het hof ziet, gelet op deze verklaring, geen reden om reeds op grond van het feit dat wisselend is verklaard, de verklaringen van [slachtoffer 1] buiten beschouwing te laten. Wel zullen die verklaringen, zoals eerder ook reeds is overwogen, met de nodige behoedzaamheid dienen te worden beschouwd en dienen die verklaringen op belangrijke punten steun te vinden in overige bewijsmiddelen. Het hof overweegt daarbij dat [slachtoffer 1] als getuige ter terechtzitting consistent heeft verklaard. Zij heeft voorts ten aanzien van onderdelen van haar verklaring bij de rechter-commissaris, die in strijd met de waarheid zijn, toegelicht waarom zij aldus heeft verklaard. Het hof merkt op dat voor deze onderdelen, zoals de start van haar werkzaamheden in Deventer, ook overigens in het dossier geen steun te vinden is, hetgeen haar toelichting op de wijzigingen in haar verklaring aannemelijk maakt.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij de verdachte in oktober 2003 heeft leren kennen, toen zij in Hengelo woonde. Eind 2003, begin 2004 heeft de verdachte in een gesprek aan de orde gesteld of zij in de prostitutie wilde gaan werken. Hij vertelde dat zijn broer dat ook deed met zijn vriendin en daarmee veel geld verdiende. Toen [slachtoffer 1] afwijzend reageerde, zei de verdachte dat een ander meisje het dan wel voor hem zou gaan doen. Omdat zij verliefd was, zij de gedachte dat een ander meisje voor hem dat werk zou doen niet kon verdragen en bang was hem kwijt te raken, heeft [slachtoffer 1] ingestemd. Zij is het toen een weekend gaan proberen, maar “dat weekend is vijf jaar geworden”, aldus de getuige. De verdachte heeft haar opgehaald en naar Diemen gebracht, waar zij bij vrienden van de broer van de verdachte verbleef en uitleg en instructies over het werk kreeg. Het geld dat [slachtoffer 1] met haar werkzaamheden verdiende, moest zij afgeven aan de verdachte; hij vertelde haar dat hij voor hun toekomst aan het sparen was. Hij sprak haar erop aan als zij weinig verdiend had. Als zij eerder wilde stoppen met werken, werd dat niet geaccepteerd en werd zij ook wel eens geslagen. Op enig moment heeft de verdachte haar gezegd dat zij hem € 20.000 moest betalen als zij met het werk wilde stoppen. Steun voor de verklaringen van [slachtoffer 1] kan in de eerste plaats worden gevonden in de verklaring van haar moeder. Deze bevestigt dat [slachtoffer 1] en de verdachte een relatie hebben gehad en hebben samengewoond en dat [slachtoffer 1] gedurende die periode in de prostitutie is gaan werken.

Steun voor het onvrijwillige karakter van het werk in de prostitutie door [slachtoffer 1] kan worden gevonden in de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [betrokkene 5]. Beide getuigen hebben samen met [slachtoffer 1] in de prostitutie gewerkt en kunnen derhalve zowel uit eigen waarneming verklaren wat zij zelf hebben waargenomen en ondervonden, als verklaren wat [slachtoffer 1] destijds aan hen heeft verteld. De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat ze heeft gezien dat [slachtoffer 1] de eerste twee of drie werkdagen veel huilde en aardig overstuur leek. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [betrokkene 5] haar vertelde dat [slachtoffer 1] de eerste werkdag alleen maar heeft gehuild. [getuige 2] heeft ook verklaard dat [slachtoffer 1] op enig moment schreeuwde “ik kan dit niet meer, ik wil dit niet meer”. Ook heeft zij verklaard van [slachtoffer 1] te hebben gehoord dat zij haar geld aan de verdachte gaf en dat hij dit spaarde voor later.

Het hof overweegt tenslotte dat de verdachte zich gedurende het gehele onderzoek voor wat betreft [slachtoffer 1] heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij een verklaring afgelegd die erop neerkomt dat hij slechts een seksuele relatie met [slachtoffer 1] heeft gehad, dat zij al in de prostitutie werkte toen hij haar leerde kennen, dat hij de prostitutiegebieden bezocht louter omdat hij dat spannend vond en dat hij alleen in het weekend bij [slachtoffer 1] op bezoek kwam. Nog daargelaten de geloofwaardigheid van laatstgenoemde verklaring in het licht van de veelheid van andersluidende verklaringen in het dossier, valt uit de proceshouding van de verdachte in ieder geval niet het standpunt op te maken dat hij als een “reguliere pooier” van [slachtoffer 1] als vrijwillig werkende prostituee is opgetreden en dat op grond daarvan de verklaringen van [slachtoffer 1], [betrokkene 5] en [getuige 2] in een ander licht zouden moeten worden gezien.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat er voldoende ondersteunend bewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer 1]. Nu het hof ook overigens geen aanleiding ziet om aan de betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen en de verklaring van de verdachte geen aanleiding geeft om de inhoud en betekenis van de voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen anders, in een voor de verdachte gunstiger zin, uit te leggen, acht het wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte met betrekking tot [slachtoffer 1] ten laste is gelegd, zoals hierna bewezen zal worden verklaard.”

8.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof voornoemde bewezenverklaringen in feite uitsluitend heeft gebaseerd op de eigen verklaringen van [slachtoffer 1], nu aan de als ‘steunbewijs’ aangemerkte verklaringen van [getuige 1] (moeder van [slachtoffer 1]), [getuige 2] en [betrokkene 5] (bewijsmiddelen 3, 4, 5 en 6), onvoldoende zelfstandige betekenis toekomt. In dat verband wordt aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij pas tijdens haar relatie met verzoeker in de prostitutie is gaan werken, naar het oordeel van het Hof klaarblijkelijk steun vindt in de verklaring van [getuige 1], terwijl deze verklaring – anders dan het Hof in zijn nadere bewijsoverweging overweegt - niet inhoudt op welk moment [slachtoffer 1] in de prostitutie is gaan werken, zodat deze verklaring op dit punt bezwaarlijk als steunbewijs kan gelden, althans de motivering van het Hof in zoverre onbegrijpelijk is. Voorts wordt aangevoerd dat het Hof de verklaring van [getuige 2] heeft gedenatureerd door te overwegen dat [getuige 2] van [slachtoffer 1] zou hebben gehoord dat verzoeker haar geld spaarde voor later, terwijl de verklaring van [getuige 2] inhoudt “[slachtoffer 1] ([slachtoffer 1], AG) heeft mij verteld dat ze het geld sparen.”. Volgens de steller van het middel valt ook niet in te zien wat de relevantie van deze vaststelling voor de bewezenverklaring is. Ook de verklaring van getuige [betrokkene 5] zou niet als steunbewijs kunnen gelden, nu het Hof niet is ingegaan op de door de verdediging ingenomen stelling dat [slachtoffer 1] zelf heeft verklaard dat haar eerste werkdagen niet tegenover [betrokkene 5] waren. Een ander bezwaar dat wordt opgeworpen tegen de verklaringen van [getuige 2] en [betrokkene 5] is dat deze waarnemingen inhouden van gedrag dat bij [slachtoffer 1] zelf (de unus testis) is waargenomen, en deze ook geen inhoudelijke steun geven voor de bewezenverklaarde betrokkenheid van verzoeker bij het werk in de prostitutie, nu uit die verklaringen in het geheel niet blijkt waarom [slachtoffer 1] het gedurende enkele dagen van de vijf jaren dat zij in de prostitutie heeft gewerkt het kennelijk niet naar haar zin had.

9.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.1 In de onderhavige zaak doet zich de situatie voor dat het Hof in een nadere bewijsoverweging gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom het van oordeel is dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, en dat zodoende is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv.

10.

Blijkens zijn nadere bewijsoverweging is het Hof van oordeel dat steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] in het bijzonder kan worden gevonden in de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1] en de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [betrokkene 5] die samen met [slachtoffer 1] in de prostitutie hebben gewerkt. Naar het oordeel van het Hof geeft de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 3) onder meer steun aan de verklaring van [slachtoffer 1] dat verzoeker eind 2003/begin 2004 – toen [slachtoffer 1] nog in Hengelo woonde - in een gesprek aan de orde heeft gesteld of zij in de prostitutie wilde gaan werken, nu de verklaring van haar moeder inhoudt dat [slachtoffer 1] gedurende die periode – ik begrijp: de periode dat [slachtoffer 1] en verzoeker een relatie hadden en hebben samengewoond – in de prostitutie is gaan werken. Anders dan het Hof overweegt kan uit genoemde verklaring niet (ook) volgen dat [slachtoffer 1] gedurende de periode dat zij een relatie met verzoeker had in de prostitutie is gaan werken. Genoemde verklaring houdt immers enkel in dat [slachtoffer 1] bevestigend heeft geantwoord op de vraag van haar moeder of ze in de prostitutie werkte. Dat [slachtoffer 1] tijdens haar relatie met verzoeker in de prostitutie is gaan werken, volgt daaruit evenwel niet. Het oordeel van het Hof dat de verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt steun vindt in de verklaring van haar moeder, is derhalve niet zonder meer begrijpelijk. Steun voor de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij door verzoeker is aangezet c.q. gebracht tot het verrichten van de prostitutiewerkzaamheden, doordat verzoeker haar voorhield dat het door haar verdiende geld door hem zou worden gespaard voor hun gezamenlijke toekomst, en verzoeker [slachtoffer 1] haar verdiensten uit de prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan, zoekt het Hof kennelijk in de omstandigheid dat getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [slachtoffer 1] tijdens haar eerste werkdagen veel huilde en aardig overstuur was, getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] haar heeft verteld dat ze (ik begrijp: [slachtoffer 1] en verzoeker) het geld spaarden en verzoeker het geld ophaalde, en getuige [getuige 2] voorts heeft verklaard dat [slachtoffer 1] als zij ruzie met een klant kreeg begon te huilen, en dan schreeuwde “Ik kan het niet meer, ik wil dit niet meer.”. Deze omstandigheden zeggen weliswaar iets over hoe [slachtoffer 1] haar werk beleefde, maar bieden onvoldoende steun voor haar verklaring dat zij door verzoeker is aangezet c.q. gebracht tot het verrichten van de prostitutiewerkzaamheden, doordat verzoeker haar voorhield dat het door haar verdiende geld door hem zou worden gespaard voor hun gezamenlijke toekomst, en verzoeker [slachtoffer 1] haar verdiensten uit de prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan. De omstandigheid dat het Hof niet is gebleken dat [slachtoffer 1] zelf veel geld aan haar prostitutiewerkzaamheden heeft overgehouden, maakt het voorgaande – mede gelet op hetgeen in het derde middel aan de orde komt - niet anders. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd.

11.

Ik merk nog op dat het Hof, naast de hiervoor genoemde verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [betrokkene 5] (bewijsmiddelen 3, 4, 5 en 6), ook de door verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2011 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende dat hij “in die periode” (ik begrijp: de tenlastegelegde periode) heeft gewerkt en geld van zijn familie kreeg, en hij nevenverdiensten had die niets te maken hadden met mensenhandel, voor het bewijs van de hier aan de orde zijnde feiten heeft gebezigd. Het Hof heeft deze verklaring van verzoeker kennelijk aangemerkt als een verklaring waarmee verzoeker de waarheid heeft willen bemantelen, en de grondslag voor de kennelijk leugenachtigheid van die verklaring gevonden in de verklaring van [slachtoffer 1].2 Nu de verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, is ook dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

12.

Het middel slaagt.

13.

Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 primair - voor zover betrekking hebbende op [slachtoffer 2] - niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans onvoldoende is gemotiveerd.

14.

Ten laste van de verzoeker is onder 2 primair bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 01 januari 2005 tot en met 11 november 2008 te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Den Haag, anderen, te weten [slachtoffer 2] en (...),

door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft geworven, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer 2] (...)

en

[slachtoffer 2] (...) met een van de voornoemde middelen en omstandigheden heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (seksuele) handelingen,

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 2] (...)

en

[slachtoffer 2] (...) met voornoemde middelen en omstandigheden heeft gedwongen en bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [slachtoffer 2] (...) met een derde,

bestaande die misleiding en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat voordeel trekken hierin dat hij, verdachte,

(...)

(ten aanzien van [slachtoffer 2]) (in de periode van 26 mei 2005 tot en met 11 november 2008)

- een relatie met [slachtoffer 2] is aangegaan en heeft onderhouden, en

- [slachtoffer 2] onderdak heeft verschaft, door [slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, woning te laten verblijven en/of een woning voor [slachtoffer 2] te regelen, en

- [slachtoffer 2] ertoe heeft aangezet en heeft gebracht tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden, en

- een groot gedeelte van de inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden door [slachtoffer 2] heeft laten afstaan,

(...)”

15.

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“7.

Een proces-verbaal van 14 mei 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 6] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 200092 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 mei 2008 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 3] (vader van [slachtoffer 2]):

Vanaf het begin van 2004 zagen mijn vrouw en ik dat [slachtoffer 2] minder contact onderhield met haar vriendenclub.

Ik heb [slachtoffer 2] toen gevraagd met wie zij omging. Ik heb hier diverse keren naar moeten vragen want zij gaf mij geen antwoord. [slachtoffer 2] zei uiteindelijk dat zij met [verdachte] omging, een Turkse jongen. Ik kon aan het gedrag van [slachtoffer 2] opmerken dat zij verliefd was op [verdachte].

Wij zijn een gezin die erg met elkaar betrokken is, wij hebben een goede band met elkaar. Het viel ons op dat [slachtoffer 2] zich steeds meer afsloot voor het gezin, dit proces is in het begin van 2004 begonnen. Dit ging geleidelijk aan. Zij maakte geen deel meer uit van het sociale gezinsleven, zij zat altijd op haar slaapkamer of was buiten. Zij sloot zich af voor haar gezin, maar ook voor haar vriendinnen. [slachtoffer 2] onderhield ook geen enkel contact meer met [betrokkene 6], haar 5 jaar jongere broertje. Zij deden niets meer met elkaar terwijl dit voorheen anders was. Omstreeks najaar 2004 heb ik [slachtoffer 2] verboden om met [verdachte] om te gaan. [slachtoffer 2] zei dat zij dat zelf uitmaakte en dat zij dat niet van plan was.

De reden dat ik [slachtoffer 2] verbood om met [verdachte] om te gaan was voornamelijk het feit dat haar gedrag zo veranderd was sinds zij met hem omging. Zij sloot zich af voor haar sociale contacten, haar vriendenkring en van ons. [slachtoffer 2] had het erover dat [verdachte] een huis zou gaan regelen. Op het moment dat [slachtoffer 2] dan echt verhuisde dat was op de zaterdag na Sinterklaas in 2005. Dit is dan 6 of 7 december geweest.

8.

Een proces-verbaal van 28 mei 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 200097 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 mei 2008 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 3] (vader van [slachtoffer 2]):

Na het behalen van haar Havo-diploma in mei 2005, gaf [slachtoffer 2] aan dat zij geen vervolgopleiding meer wilde volgen omdat [verdachte] werk voor haar zou regelen.

9.

Een proces-verbaal van 11 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 200211 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 november 2008 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 6] (broer van [slachtoffer 2]):

[slachtoffer 2] heeft mij een keertje verteld, toen ik met haar in de bus zat, dat zij door [verdachte] werd geslagen.

Ik kan u vertellen dat [slachtoffer 2] heel onderdanig was tegenover [verdachte].

Ik kan zeggen dat mijn zus zo langzamerhand helemaal is gehersenspoeld door [verdachte]. Hij heeft haar dusdanig weten te bepraten dat zij hem als een soort afgod ziet.

10.

Een geschrift, geschreven door [betrokkene 7], de moeder van [slachtoffer 2] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 200070 e.v.), ongedateerd, inhoudend het relaas van [betrokkene 7]:

[slachtoffer 2] leerde [verdachte] kennen op school tijdens een reisje naar Praag en was helemaal verliefd op hem (najaar 2003).

[slachtoffer 2] was net 16 jaar oud en studeerde nog op de Havo. [slachtoffer 2] maakte zich ondertussen los van haar oude vriendenkring. [verdachte] zou een huis in Amsterdam voor hun regelen.

11.

Een proces-verbaal van 20 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 5] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 200268 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 februari 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 4]:

Dit heeft zich volgens mij afgespeeld in 2005 toen was [slachtoffer 2] 17 jaar. Ik weet dat ze steeds vaker afspraken. [slachtoffer 2] heeft toen dat vriendengroepje links laten liggen. Zij zag [verdachte] steeds vaker, ook door de week en in het weekend. [slachtoffer 2] vertelde in het begin geen details over hun relatie.

Naarmate hun relatie beter werd kregen wij, dus [slachtoffer 2] en ik meer telefonisch contact. Omdat zij hem steeds vaker zag, zag ik haar wel steeds minder. Dat vond ik wel jammer omdat wij al zo lang vriendinnen waren.

Ik weet dat [slachtoffer 2] van [verdachte] geen contact meer mocht onderhouden met haar vriendinnen van vroeger. We hadden een vast groepje vriendinnen die vanaf de lagere school samen naar het Segbroek College waren gegaan. [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] (weet geen achternaam) en [betrokkene 11]. Ik weet dat [verdachte] dat niet wilde omdat deze meisjes hem niet vertrouwden.

Tijdens oud en nieuw 2008/2009 had zij mij gebeld en is zij bij mij langs is gekomen. Buiten hebben we elkaar toen gezien. Ik heb haar gevraagd of zij al meer wist over [verdachte]. Toen vertelde zij dat het onderzoek nog liep en dat hem niet mocht spreken. [slachtoffer 2] vertelde mij toen ook dat zij voor [verdachte] gewerkt heeft. Dat heeft zij met 1 zin gezegd: “Ik heb voor [verdachte] gewerkt”.

Ze zei dat ze in Utrecht als prostituee achter het raam stond. Ik zei dat ik dat al wist. Ik heb haar gezegd dat ik het jammer vond dat zij het niet eerder had verteld. Volgens mij heeft zij in het gesprek gezegd dat zij vier jaar voor [verdachte] heeft gewerkt.

12.

Een proces-verbaal van bevindingen van 18 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 10] en [verbalisant 11] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 200276 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, hetgeen de verbalisanten hebben waargenomen en bevonden tijdens het op 18 november 2008 afgenomen verhoor van de getuige [getuige 5]:

[getuige 5] vraagt vervolgens waarom we niet naar zij van die politieagent gaan die zichzelf door zijn kop heeft geknald (het hof begrijpt: de vader van [slachtoffer 2]). [getuige 5] heeft naast haar gewoond. [slachtoffer 2] en zij waren elke dag samen. Samen boodschappen, samen naar het werk.

[getuige 5]: [slachtoffer 2] huilde altijd bij mij uit.

13.

Een proces-verbaal van 12 maart 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 12] en [verbalisant 13] (zaaksdossier “[getuige 5]”, dossierpagina 2000074).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 februari 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 5]:

Dan kwam ze thuis en had ze weer een soa. [verdachte] werd daar gek van. Van hen mag je op je werk niet likken pijpen en zoenen zonder condoom. Dat mag niet van hen. Het brengt geld op maar het mag niet van hen. Ze willen dat niet.

14.

Een proces-verbaal van 4 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 1] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 200243 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 februari 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 6]:

Ik ben als manager werkzaam bij kamerverhuurbedrijf [A] b.v. gevestigd aan de [a-straat 1] te Utrecht. [A] verhuurt kamers aan het Zandpad en aan de Harde Bollenstraat te Utrecht.

In het begin was er wel een jongen rond haar (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) actief. Dat was een jongen met een blauwe BMW M3. Ik weet dat die jongen er altijd keurig gekleed uitzag. Verder kan ik niet veel over hem zeggen omdat ik hem niet uit de auto heb gezien. Ik weet nog dat deze jongen in het begin aan de overkant van de boot van [slachtoffer 2] stond. Dat was tijdens de eerste dagen dat [slachtoffer 2] hier werkzaam was. Het hield ook op toen [slachtoffer 2] hierop aangesproken is. Hij stond dan daar te “posten”.

[slachtoffer 2] werkt hier niet meer. Nadat zij na die vier weken weg was geweest heeft zij nog ongeveer een week hier gewerkt. In die periode hebben wij vaak de wijkagent [verbalisant 14] bij haar gezien. In combinatie rondom de vervangster [betrokkene 12] en de controle van de gemeente en de media aandacht hebben wij [slachtoffer 2] aangegeven dat zij niet langer een kamer hier mocht huren. [A] wil niet geassocieerd worden met vrouwenhandel. De situatie rondom [slachtoffer 2] was verdacht. Aan meisjes zoals zij, daarmee bedoel ik meisjes waarvan het vermoeden is dat die gedwongen in de prostitutie werken zijn niet welkom bij [A].

Tonen foto’s

Foto 3: volgens mij was dat die jongen van die BMW. Hij is niet direct herkenbaar.

Noot verbalisanten: de getoonde foto betrof:

Foto 3: [verdachte].

15.

Een proces-verbaal, gedateerd 11 november 2008, echter - gelet op de datum van het getuigenverhoor blijkend uit de aanhef van het proces-verbaal en het relaas in het zaaksdossier van [getuige 7] - leest het hof verbeterd: 18 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 15] en [verbalisant 16] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, eerste aanvulling, dossierpagina 200300).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18

november 2008 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 7]:

Ik weet ook dat er een meisje voor [verdachte] werkte. Dat weet ik 10005 (het hof begrijpt: 1000%) zeker. Dat is de jeugdliefde van [verdachte]. Ik hoorde van [betrokkene 2] dat zij ook voor [verdachte] werkte.

U vraagt mij of het mogelijk is of zij [slachtoffer 2] heet. Ja dat klopt. Dat is zij. Klopt. Dun meisje is het.

16.

Een proces-verbaal van 7 mei 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, tweede aanvulling, dossierpagina 200279 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 mei 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 2]:

Ik weet niet hoe [slachtoffer 2] [verdachte] heeft leren kennen maar [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) heeft mij wel verteld dat [slachtoffer 2] nooit gewerkt heeft en dat [verdachte] haar aan het werk heeft gezet.

Van [slachtoffer 1] heb ik begrepen dat [slachtoffer 2] al haar verdiende geld heel makkelijk aan [verdachte] afgaf.

17.

Een proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar[verbalisant 14] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, derde aanvulling, dossierpagina 200296 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op donderdag 6 augustus 2009, omstreeks 13.30 uur, reed ik in een onopvallend dienstvoertuig over het Zandpad te Utrecht alwaar een prostitutiegebied is gelegen en ik ben aangesteld als wijkagent.

De bestuurder overhandigde op mijn verzoek zijn Nederlandse rijbewijs waaruit bleek dat hij was genaamd;

[betrokkene 13]

Geboren [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats]

(verder te noemen als [betrokkene 13]).

[betrokkene 13] vertelde mij vervolgens het volgende:

[betrokkene 13] trekt vaak foute meisjes aan en hij nu hier een meisje kende en daarom hier op het Zandpad was. De dame zou als werknaam [slachtoffer 2] hebben al als prostituee op een boot aan de zijde van Maarssen werken. De echte naam van [slachtoffer 2] zou [slachtoffer 2] zijn en [slachtoffer 2] zou rijden in een Mini Cooper die zou staan aan de zijde van Maarssen. Het kenteken zou beginnen met [00-AA].

[betrokkene 13] gaf aan dat [slachtoffer 2] 4 jaar voor een Turk had gewerkt en een (1) van de drukst bezette dames van het Zandpad te zijn. [slachtoffer 2] zou in die vier (4) jaar geen cent zelf mogen houden was dus volgens [betrokkene 13] afgeperst. [slachtoffer 2] had onlangs nog een verklaring moeten afleggen die ze in verband met angst maar had afgelegd in het voordeel van de Turkse man.

Vervolgens reed ik verder over het Zandpad en zag ter hoogte van boot 164 een Mini Cooper staan voorzien van het kenteken [00-AA-BB]. Uit de gegevens van de Rijksdienst voor het Rij- en Wegverkeer bleek deze personenauto op naam te staan van:

[slachtoffer 2]

Geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]

Wonende [b-straat 1] te [woonplaats]

(verder te noemen als [slachtoffer 2])

Uit de systemen bleek dat [slachtoffer 2] werkt onder de naam [slachtoffer 2] en voor het laatst in maart 2009 op het Zandpad is gecontroleerd.

18.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 28 maart 2011, inhoudend:

In die periode heb ik gewerkt en kreeg ik geld van familie. Ik had nog wel nevenverdiensten waar ik het niet over wil hebben. Deze hadden niets te maken met mensenhandel. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] brachten ook geld in. Zij verdienden meer dan ik.”

16.

Het bestreden arrest houdt voorts het volgende in3:

Met betrekking tot [slachtoffer 2]

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor de onder feit 2 ten aanzien van [slachtoffer 2] ten laste gelegde gedragingen. De advocaat-generaal heeft dienaangaande gerekwireerd tot bewezenverklaring. De verdediging heeft op in de pleitnota nader uiteengezette gronden bepleit dat de verdachte van hetgeen hem met betrekking tot de ten aanzien van [slachtoffer 2] ten laste gelegde gedragingen zal worden vrijgesproken. Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier niet kan blijken dat [slachtoffer 2], anders dan vrijwillig, in de prostitutie is gaan werken en is blijven werken. Niet is gebleken dat de verdachte haar daartoe heeft gedwongen door misbruik of misleiding, noch dat hij haar heeft uitgebuit.

Het hof overweegt met betrekking tot [slachtoffer 2] het volgende. [slachtoffer 2] heeft geen aangifte

gedaan tegen de verdachte. Zij heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd, waarin zij de verdachte niet belast, doch - kort gezegd - verklaart dat zij vrijwillig in de prostitutie is gaan werken en blijven werken en daartoe niet door verdachte is gedwongen. Zij heeft geen geld aan hem hoeven betalen en hij heeft haar geen instructies gegeven.

Zoals het hof hiervoor in algemene zin omtrent het bewijs reeds heeft overwogen dient in een geval als het onderhavige, waarin het vermeende slachtoffer zelf verklaart dat zich geen uitbuiting heeft voorgedaan dient, niet te snel van de onjuistheid van die verklaring te worden uitgegaan en dient de inhoud van die verklaring in aanzienlijke mate met bewijsmiddelen, waaruit het tegendeel blijkt, te worden gecompenseerd.

Het hof overweegt in de eerste plaats dat de verklaringen van [slachtoffer 2], waar het gaat over de aanvang van haar werkzaamheden in de prostitutie, niet geloofwaardig zijn en op onderdelen tegenstrijdig zijn. Zij verklaart immers op 28 oktober 2008 bij de politie dat de eerste keer in Amsterdam was en dat zij wist wat zij moest doen omdat zij op internet had gekeken en er veel over had gelezen. Over de datum waarop zij is begonnen verklaart zij dan niet. In haar verklaring op 11 november 2008 bij de politie verklaart zij dat zij in 2006 is begonnen en de eerste keren in Antwerpen heeft gewerkt en daarna in Utrecht. In haar verklaring van 29 juni 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaart [slachtoffer 2] dat zij in 2005 met de verdachte is gaan samenwonen en reeds 3 maanden daarvoor op zaterdagen in de prostitutie in Antwerpen was gaan werken. Het hof overweegt dat het bepaald niet overtuigt dat zij omtrent het begin van haar werkzaamheden zó tegenstrijdig en weinig gedetailleerd (zo verklaart zij niet hoe zij naar Antwerpen is gereisd en hoe zij daar een werkplek heeft geregeld) verklaart en dat het niet zonder meer geloofwaardig lijkt dat een meisje van net 18 jaar, die nog thuis bij haar ouders woont, haar HAVO-diploma heeft gehaald en een baan in een lunchroom heeft, in een vreemde stad in het buitenland in de prostitutie gaat werken, nadat zij daarover op internet heeft gelezen. Ook verdient opmerking dat voor haar verklaringen op dit onderdeel in het dossier geen enkele steun is te vinden.

Tegenover de verklaringen van [slachtoffer 2] zelf staan de verklaringen van een aantal getuigen. In de eerste plaats zijn er de verklaringen van de ouders en de broer van [slachtoffer 2]. De ouders verklaren dat zij aan het gedrag van [slachtoffer 2] merkten dat zij verliefd was op de verdachte, dat zij zich afsloot van familie en vrienden en dat [slachtoffer 2] vertelde dat de verdachte een woning en werk voor haar zou regelen. In december 2005 heeft [slachtoffer 2] het ouderlijk huis verlaten en is zij met de verdachte gaan samenwonen. De broer van [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij van [slachtoffer 2] heeft gehoord dat zij door de verdachte werd geslagen, dat zij heel onderdanig was tegenover de verdachte en dat zij door de verdachte helemaal was gehersenspoeld.

Dat er in het gezin van herkomst van [slachtoffer 2] mogelijk sprake is geweest van pedagogische onmacht, doet -ook indien van het bestaan hebben daarvan wordt uitgegaan- niet af aan de betrouwbaarheid van de weergave van de feitelijke gang van zaken zoals die wordt geboden in de verklaringen van de als getuigen gehoorde leden van dit gezin.

Een vriendin van [slachtoffer 2], [getuige 4], heeft verklaard dat [slachtoffer 2] nadat zij een relatie met de verdachte had gekregen haar vriendinnen steeds meer links liet liggen, omdat zij van hem niet met hen mocht omgaan. [slachtoffer 2] heeft [getuige 4] met oud en nieuw 2008/2009 verteld dat zij gedurende vier jaar voor verdachte heeft gewerkt.

De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] altijd bij haar kwam uithuilen over de verdachte.

Zij heeft verklaard: “Dan kwam ze thuis en had ze weer een soa. Verdachte werd daar gek van.

Van hen mag je niet likken pijpen en zoenen zonder condoom. Dat mag niet van hen. Het brengt geld op, maar het mag niet van hen. Ze willen dat niet.”

De getuige [getuige 7] heeft verklaard dat zij zeker weet dat de jeugdliefde van de verdachte voor de verdachte werkte. Zij heeft dat van de broer van de verdachte gehoord. Zij bevestigt dat deze jeugdliefde [slachtoffer 2] heette.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij van [slachtoffer 1] heeft gehoord dat de verdachte [slachtoffer 2] aan het werk heeft gezet en dat [slachtoffer 2] al haar verdiende geld heel makkelijk aan de verdachte afgaf.

De getuige [getuige 6], manager bij het kantoor dat prostitutiekamers aan het Zandpad in Utrecht verhuurt, heeft verklaard dat de situatie rondom [slachtoffer 2] verdacht was en dat zij daarom niet langer een kamer mocht huren; het vermoeden bestond dat zij gedwongen in de prostitutie werkte. [getuige 6] heeft ook verklaard dat er in het begin een keurig geklede jongen met een BMW rond haar actief was die de eerste dagen bij haar werkplek stond te posten. Als hem een foto van de verdachte wordt getoond, verklaart hij: “Volgens mij was dat die jongen van de BMW”. Tenslotte bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat verbalisanten op 6 augustus 2009 op het Zandpad te Utrecht werden aangesproken door ene [betrokkene 13] die verklaarde dat hij een prostituee op het Zandpad kende, genaamd [slachtoffer 2]. Deze [slachtoffer 2], waarvan uit het dossier blijkt dat dit de werknaam van [slachtoffer 2] is, had vier jaar voor een Turk gewerkt en zou in die vier jaar geen cent zelf hebben mogen houden. [slachtoffer 2] had onlangs nog een verklaring moeten afleggen die ze in verband met angst in het voordeel van de Turkse man had afgelegd. Het hof wijst er hierbij op dat [slachtoffer 2] op 29 juni 2009, zes weken eerder derhalve, ten overstaan van de rechter-commissaris een voor de verdachte ontlastende verklaring had afgelegd.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat er voldoende bewijsmiddelen zijn om de - op zichzelf al niet zeer geloofwaardige - verklaringen van [slachtoffer 2] te compenseren en derhalve, niettegenstaande die verklaringen, bewezen te achten dat het verdachte is geweest [slachtoffer 2] tot prostitutie heeft gebracht, zoals hierna bewezen zal worden verklaard.”

17.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen op geen enkele manier blijkt hoe [slachtoffer 2] in de prostitutie is beland, waarom zij dat werk is gaan doen en blijven doen, of het vrijwillig was of niet, of ze misleid is of niet, en of ze gedwongen is of niet.

18.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verklaring van [slachtoffer 2] dat zich geen uitbuiting heeft voorgedaan, in aanzienlijke mate wordt gecompenseerd door bewijsmiddelen waaruit het tegendeel blijkt, en dat niettegenstaande de – door het Hof op zichzelf al niet zeer geloofwaardig geachte – verklaringen van [slachtoffer 2], kan worden bewezen dat het verzoeker is geweest [slachtoffer 2] tot prostitutie heeft gebracht, en verzoeker [slachtoffer 2] een aanzienlijk deel van haar inkomsten heeft laten afstaan. In aanmerking genomen dat de voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen onder meer inhouden dat verzoeker werk voor [slachtoffer 2] zou regelen, dat [slachtoffer 2] door verzoeker in de prostitutie aan het werk is gezet, dat verzoeker de eerste dagen waarop [slachtoffer 2] in Utrecht werkte op de locatie waar zij haar werkzaamheden verrichte stond te “posten”, dat [slachtoffer 2] - wegens het vermoeden dat zij gedwongen in de prostitutie werkzaam was - niet meer welkom was bij het bedrijf waar de kamer waar zij werkte werd gehuurd, dat [slachtoffer 2] in de vier jaar dat zij voor verzoeker heeft gewerkt geen cent zelf mocht houden, dat zij uit angst voor verzoeker (het Hof begrijpt: bij de rechter-commissaris op 29 juni 2009) in het voordeel van verzoeker heeft verklaard, dat [slachtoffer 2] van verzoeker zonder het gebruik van een condoom bepaalde seksuele handelingen niet mocht verrichten, en [slachtoffer 2] heel onderdanig was tegenover verzoeker en haar verdiende geld heel makkelijk aan hem afgaf, heeft het Hof uit deze verklaringen kunnen afleiden, gelijk het heeft gedaan, dat het verzoeker is geweest [slachtoffer 2] ertoe heeft aangezet c.q. heeft gebracht tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden, en dat verzoeker haar een groot gedeelte van haar inkomsten uit deze prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan.

19.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

20.

Het derde middel klaagt dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging met betrekking tot zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2], verwijst naar voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, zonder dat met voldoende mate van duidelijkheid is aangegeven waaraan het Hof deze feiten en omstandigheden heeft ontleend.

21.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

Met betrekking tot zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2]

Het hof overweegt ten aanzien van het in beide zaken ten laste gelegde voordeel trekken, respectievelijk het oogmerk van uitbuiting nog als volgt. Het dossier bevat voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] aanzienlijke geldbedragen met hun werk in de prostitutie hebben gegenereerd. Voorts kan uit het dossier niet blijken dat zij daaraan zelf veel geld hebben overgehouden; van overgebleven vermogensbestanddelen of een luxueuze levensstijl is ten aanzien van hen niet gebleken. Ten aanzien van [slachtoffer 2] vindt dit beeld bevestiging in gegevens van zowel de Belastingdienst als van haar bankrekening. Daar tegenover staat dat uit het dossier blijkt dat de verdachte, van wie niet gebleken is dat hij in de periode dat hij met zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] een relatie had reguliere werkzaamheden heeft verricht en die omtrent zijn inkomsten niet heeft willen verklaren, er wel een (zeer) luxueuze levensstijl - met dure kleding, dure auto’s en dure vakanties - op na heeft gehouden. Dit een en ander sterkt het hof in de overtuiging dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een aanzienlijk deel van hun inkomsten aan de verdachte hebben afgegeven.”

22.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof door in zijn nadere bewijsoverweging enkel te verwijzen naar “het dossier”, onvoldoende heeft aangegeven aan welk wettige bewijsmiddelen het deze voor de bewezenverklaring redengevend geachte feiten en omstandigheden, heeft ontleend.

23.

Voor zover het Hof overweegt dat ten aanzien van [slachtoffer 2] niet is gebleken dat zij veel geld heeft overgehouden aan haar prostitutiewerkzaamheden, noch dat zij er een luxueuze levensstijl op nahield, vindt deze omstandigheid – zoals het Hof ook overweegt – bevestiging in gegevens van de Belastingdienst alsook in gegevens van haar bankrekening. In zijn nadere bewijsoverweging in de aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, merkt het Hof in dit verband op dat het genoemde omstandigheid heeft ontleend aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] van 11 maart 2009, in het bijzonder p. 200361 van de eerste aanvulling op het zaaksdossier ‘[slachtoffer 2]’. Voor zover het middel daarop ziet, mist het derhalve feitelijke grondslag.

24.

Het Hof heeft voor de bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 primair, in het bijzonder voor het onderdeel dat verzoeker [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een groot gedeelte van de inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan, redengevend geacht dat verzoeker – anders dan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – er een (zeer) luxueuze levensstijl, met dure auto’s, dure kleding en dure vakanties, op na heeft gehouden. Nu de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de door het Hof als kennelijk leugenachtig aangemerkte verklaring van verzoeker, niets inhouden over de levensstijl van verzoeker4, terwijl het Hof niet het wettig bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het die omstandigheden heeft ontleend, is de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend gemotiveerd. Hoewel dit verzuim beide bewezenverklaringen raakt, behoeft dit naar mijn oordeel alleen met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 primair en 2 primair, voor zover betrekking hebbende op [slachtoffer 1], tot cassatie te leiden, nu de omstandigheid dat verzoeker [slachtoffer 2] een groot gedeelte van haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan, voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.

25.

Het middel slaagt in zoverre.

26.

Het vierde middel klaagt dat het Hof het onder 3 bewezenverklaarde feit ten onrechte als (gewoonte)witwassen heeft gekwalificeerd, althans dat het Hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

27.

Ten laste van verzoeker is door het Hof onder 3 bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 18 oktober 2004 tot en met 11 november 2008, te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Den Haag, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, geldbedrag(en) verworven en voorhanden gehad, te weten

- een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer 1] verrichte prostitutiewerkzaamheden en

- een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer 2] verrichte prostitutiewerkzaamheden

terwijl hij telkens wist dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit misdrijf.”

28.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder het hoofd “Nadere overweging ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde” in:

“Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman bepleit dat, indien het onder 3 ten laste gelegde al bewezen kan worden verklaard, dit niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar jurisprudentie van de Hoge Raad (arrest van 26 oktober 2010, LJN: BM4440).

In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen, onder meer (rechtsoverweging 2.4.2):

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Naar mening van de raadsman heeft het verwerven of voorhanden hebben van de genoemde geldbedragen, te weten (delen van) de verdiensten van de vrouwen in de tenlastelegging, op geen enkel manier kunnen bijdragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen.

Het hof overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte geldbedragen, verdiend tijdens werkzaamheden in de gedwongen prostitutie, heeft ontvangen en voorhanden heeft gehad. De stukken in het dossier bevatten geen aanwijzingen dat deze geldbedragen in het geheel niet zijn uitgegeven. Integendeel, op geen enkele wijze is gebleken dat geldbedragen buiten het economisch verkeer zijn gehouden en zijn opgeborgen.

Als vaststaand mag derhalve worden aangenomen dat het geld gedurende de bewezen verklaarde periode door de verdachte is gebruikt en dus wel degelijk in het economisch verkeer is gebracht. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het onder 3 bewezen verklaarde feit als (gewoonte)witwassen dient te worden gekwalificeerd.”

29.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het Hof dat nu niet is gebleken dat het voorhanden hebben niet heeft bijgedragen aan het verhullen of verbergen, en dus vaststaat dat dat wel het geval is, geen recht doet aan de op het Hof rustende verplichting om vast te stellen dat het voorhanden hebben heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen.

30.

Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam zijn de bewezenverklaringen van de feiten 1 primair en 2 primair, voor zover betrekking hebbende op [slachtoffer 1], wat betreft het onderdeel dat verzoeker [slachtoffer 1] een groot gedeelte van de inkomsten uit de door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan, ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het onder 3 bewezenverklaarde ziet op het witwassen van een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer 1] verrichte prostitutiewerkzaamheden, is de bewezenverklaring derhalve eveneens ontoereikend gemotiveerd. Ten aanzien van ’s Hofs oordeel dat verzoeker een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer 2] verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft witgewassen heeft het volgende te gelden.

31.

Over (schuld)witwassen is in de afgelopen drie jaar belangwekkende rechtspraak van de Hoge Raad verschenen. Uit deze rechtspraak kan worden afgeleid dat de Hoge Raad met betrekking tot de toepassing van de witwasbepalingen (art. 420bis Sr en art. 420quater Sr) de teugels strakker heeft aangetrokken.5 Onveranderd is gebleven dat de rechter het grondmisdrijf niet nader hoeft aan te duiden, noch hoeft vast te stellen “door wie dat waar en wanneer is begaan”.6 Daarop heeft de door de Hoge Raad aangebrachte beperking geen betrekking. De begrenzing is vooral gelegen in de aanscherping van zowel de gedraging van de verdachte, nu deze het karakter moet hebben van verhullen of verbergen, als van het vereiste dat tussen het voorhanden hebben van het uit een door de verdachte begaan grondmisdrijf en het door hem verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp een duidelijke verhouding moet zijn. In dat verband heeft de Hoge Raad een voorzet gegeven in zijn arrest van 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655 m.nt. Keijzer. De Hoge Raad stelt daarin weliswaar voorop “dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens – kort gezegd – (schuld) witwassen” en dat dit, naar uit de tekst van de wet volgt, ook geldt “voor het voorhanden hebben van zo’n voorwerp”7, maar voegt daar onmiddellijk aan toe:

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid , en 420quater, eerste lid , Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de — in beide bepalingen nader omschreven — kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, LJN AU6712, NJ 2006/612 ). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het ‘voorhanden hebben’ daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’.8 Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

32.

Deze overwegingen heeft de Hoge Raad in een vijftal arresten van 8 januari 20139 ter verduidelijking aangevuld met de volgende overwegingen:

Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".
Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk10 verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.
In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

33.

Het komt mij voor dat de door de Hoge Raad aangescherpte motiveringseisen met betrekking tot het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen niet alleen betrekking hebben op “het voorhanden hebben” maar ook op “het verwerven” van een uit het door de verdachte zelf begaan (grond)misdrijf afkomstig voorwerp. Evenals bij het “voorhanden hebben” van dat voorwerp, kan het enkele “verwerven” daarvan nog niet zonder meer gelijk worden gesteld met een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft, zodat ook te dien aanzien evenmin zonder meer kan worden gezegd dat de verwerving op zich zelf al de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast.11 Daarbij neem ik in aanmerking dat in de zaak die heeft geleid tot HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655 m.nt. Keijzer, gelijk in de onderhavige zaak, zowel het voorhanden hebben als het verwerven van een uit enig misdrijf verkregen voorwerp als bedoeld in art. 420bis Sr was bewezen verklaard.

34.

Het Hof heeft in zijn bestreden arrest onder feit 3 bewezen verklaard dat verzoeker geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, te weten een “groot deel” van de verdiensten uit de door [slachtoffer 1] respectievelijk [slachtoffer 2] verrichte prostitutiewerkzaamheden (feit 1 primair en 2 primair). Ter motivering van het oordeel dat het onder 3 bewezen verklaarde kan worden gekwalificeerd als gewoontewitwassen, heeft het Hof als vaststaand aangenomen dat het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verdiende geld gedurende de bewezenverklaarde periode is gebruikt en daarmee in het economisch verkeer is gebracht. Het Hof is tot deze vaststelling gekomen op grond van de dossierstukken voor zover deze geen aanwijzingen bevatten dat de bedoelde geldbedragen in het geheel niet zijn uitgegeven en de omstandigheid dat op geen enkele wijze is gebleken dat (die) geldbedragen buiten het economisch verkeer zijn gehouden en opgeborgen.12

35.

De vraag is of de overwegingen van het Hof de toets van de door de Hoge Raad aangescherpte (motiverings)eisen kunnen doorstaan. Volgt daaruit zonder meer van gedragingen van verzoeker, die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de door eigen misdrijven verkregen gelden gericht karakter hebben?

36.

Naar de kern genomen heeft het Hof dergelijke gedragingen niet positief vastgesteld. Het heeft slechts overwogen dat van het niet uitgeven en het buiten het economisch verkeer houden van geldbedragen niet is gebleken, en dat daarom als vaststaand mag worden aangenomen dat het geld door verzoeker is gebruikt en in het economisch verkeer is gebracht.13 Ik meen dat deze motivering van het Hof niet aansluit bij het juridische criterium dat de Hoge Raad thans ten aanzien van (gewoonte)witwassen toepast, te weten dat het moet gaan om een gedraging die het karakter heeft van verhullen of verbergen. Zo is het mij niet zonder meer duidelijk waarom al het meermalen uitgeven van geld gewoontewitwassen zou opleveren. Werd er door verzoeker in korte tijd met veel geld gesmeten? Gebeurde dat om weinig (financiële) sporen achter te laten? Zat er een spreidingspatroon in de uitgaven om het niet al te zichtbaar te doen zijn? Werden er bewust geen duurzame goederen aangeschaft om de geld- en goederenstroom moeilijk traceerbaar te maken? Ik meen dat het door de Hoge Raad aangelegde juridische criterium in de onderhavige zaak geen ruimte laat om voorbij te gaan aan deze punten, die zijn gelegen in de categorie subcriteria wat het karakter van de gedraging betreft.14 Kennelijk heeft het Hof daarover anders gedacht. Ook als deze gedachte op zichzelf juist zou zijn, had het met betrekking tot de motivering van de bewezenverklaring, gelet op de daartoe oproepende rechtspraak van de Hoge Raad, op de weg van het Hof gelegen daaraan een nadere uitleg te geven in zijn bewijsoverweging. Voorts acht ik het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde feit als gewoontewitwassen kan worden gekwalificeerd niet zonder meer begrijpelijk, waarbij ik mede betrek het oordeel van de Hoge Raad dat uitgegeven geldbedragen niet meer als “voorhanden hebben” kunnen gelden, doch uitgeven eerder als omzetten dan wel gebruik maken in de zin van de witwasbepalingen zijn aan te merken15, en dat – in verband met het bewezenverklaarde “verworven” – de motivering van het Hof ontoereikend is voor het oordeel dat de gedragingen van verzoeker (kennelijk) gericht zijn geweest op het “daadwerkelijk” verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen, nu (zoals hierboven opgemerkt) omtrent deze gedragingen niets is (kunnen worden) vastgesteld.

37.

Het middel slaagt.

38.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.16

39.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder feit 1 primair, feit 2 primair – voor zover betrekking hebbend op [slachtoffer 1] – en feit 3 ten laste gelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM2452, NJ 2010/515 en HR 12 februari 2013, LJN BZ1890.

2 Zie omtrent het gebruik voor het bewijs van een kennelijk leugenachtige verklaring bijv. HR 12 december 2006, LJN AZ0278 en HR 6 december 2005, LJN AU3461, NJ 2006/162.

3 Ik verwijs hierbij tevens naar hetgeen hiervoor onder punt 7 onder het hoofd “Bruikbaarheid van getuigenverklaringen in het licht van hun totstandkoming” is opgenomen.

4 De bewijsmiddelen houden omtrent verzoeker slechts in dat hij in een BMW M3 reed en er keurig gekleed uitzag (bewijsmiddel 14).

5 De strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van ‘witwassen’ ontwikkelt zich eensdeels in de richting van een afzonderlijk leerstuk (als deelnemingsfiguur ná een begaan grondmisdrijf) en vormt zich anderdeels tot een bijzondere kwalificatie-uitsluitingsgrond. Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, 2012, p. 418-421.

6 De Hullu, a.w., p. 419.

7 Zo al HR 2 oktober 2007, LJN BA7923, NJ 2008/16 m.nt. Borgers.

8 Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3 (MvT), p. 2-7.

9 Zie HR 8 januari 2013, LJN BX4449, LJN BX4585, LJN BX4605, LJN BX6909 en LJN BX6910.

10 Ik lees hierin een aanscherping ten opzichte van eerdere arresten van de Hoge Raad betreffende witwassen.

11 Zo ook Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3 (MvT), p. 5.

12 Zie omtrent het vergokken van door eigen misdrijven verkregen geldbedragen en het in een kluis verborgen houden van dergelijke geldbedragen respectievelijk HR 8 januari 2013, LJN BX6909 en HR 18 januari 2013, LJN BX6910. Zie voor het geval dat de verdachte de bedoelde gelden buiten het zicht heeft gehouden van banken en de Belastingdienst HR 8 januari 2013, LJN BX4585 en HR 8 januari 2013, LJN BX4605.

13 Het Hof heeft een aantal inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd verklaard, nu deze naar zijn oordeel geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde zijn verkregen.

14 Daarbij wijs ik erop dat uit de processtukken niet naar voren komt dat het uitgavenpatroon van verzoeker met heimelijkheid was omgeven.

15 Vgl. HR 8 januari 2013, LJN BX6909 en HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655, m.nt. N. Keijzer.

16 Ambtshalve wijs ik erop dat een eventuele overschrijding van de redelijke termijn geen bespreking behoeft (mocht Uw Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep), indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest vanwege het slagen van het eerste, derde en vierde middel niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen (HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.5.3) m.nt. Mevis).