Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:103

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2013
Datum publicatie
22-07-2013
Zaaknummer
12/04535 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:146, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Aanhoudingsverzoek met het oog op het horen van getuigen. 1. De HR stelt voorop dat op de gronden vermeld in HR LJN BW2489, moet worden aangenomen dat het thans geldende art. 26.1 UW niet eraan in de weg staat dat de Rb de oproeping van getuigen of deskundigen kan gelasten, niet alleen met het oog op de vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon, maar ook indien zij zulks noodzakelijk acht i.h.k.v. haar onderzoek van de ontvankelijkheid van het uitleveringsverzoek en de mogelijkheid van inwilliging daarvan. De Rb heeft geoordeeld dat de vraag naar de consequenties die door NL aan deze. mogelijke dreigende schending van mensenrechten door privépersonen jegens de o.p. in de verzoekende Staat verbonden moeten worden, niet door de uitleveringsrechter doch door de Minister dient te worden beoordeeld. Gelet daarop is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek met het oog op het horen van getuigen over de vraag of de Albanese autoriteiten tegen bloedwraak bescherming kunnen bieden toereikend gemotiveerd. 2. Ingevolge bestendige rechtspraak is het oordeel omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de o.p. zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, voorbehouden aan de Minister. In aanmerking genomen dat de o.p. tegen diens beslissing kan opkomen bij de burgerlijke rechter, dwingt geen rechtsregel en i.h.b. niet art. 13 EVRM, tot een andere taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/04535 U

Mr. Aben

Zitting 23 april 2013

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De internationale rechtshulpkamer in de rechtbank te Amsterdam heeft op 20 september 2012 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek van Albanië toelaatbaar verklaard voor de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf ter zake van de feiten zoals omschreven in het request for extradition van 9 maart 2012; de request of the General Prosecutor’s Office van 16 maart 2012; en het report of the District Prosecutor’s Office of Kukës (ongedateerd).

2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel houdt de klacht in dat de rechtbank art. 6 EVRM jo art. 5, derde lid, Uitleveringswet (UW) in samenhang met het Nederlandse voorbehoud bij art. 1 Europees uitleveringsverdrag (EUV) heeft geschonden door de gevraagde uitlevering van opgeëiste persoon ter tenuitvoerlegging van het Albanese vonnis toelaatbaar te verklaren hoewel dat vonnis is gewezen zonder dat de opgeëiste persoon in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren en hij daartoe ook niet in de gelegenheid zal worden gesteld.

4. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 6 september 2012 heeft één van de raadsvrouwen van de opgeëiste persoon, mr. J. Kuiper, aldaar het volgende verweer gevoerd.

“Dreigende schending van artikel 6 EVRM in verband met veroordeling bij verstek en niet kunnen uitoefenen aanwezigheidsrecht:

Ik verwijs naar de brief van 26 april 2012 van ons Ministerie van Justitie aan het Ministerie van Justitie in Albanië, waarin om aanvullende informatie wordt gevraagd over de veroordeling bij verstek tegen cliënt Die aanvullende informatie wordt gegeven in een brief van de Albanese autoriteiten (waarbij overigens alleen een vertaling in het dossier zit waaruit niet blijkt van welke datum die brief is). Uit die brief (p. 3 'With regard to what was required to be clarified, from the Amsterdam Court, we inform you that') blijkt het volgende:

- er is door de rechtbank van Kukes verschillende keren getracht een dagvaarding aan cliënt te betekenen in persoon, wat niet tot enig resultaat heeft geleid

- op 7 maart 2003 heeft een broer van cliënt, [betrokkene 2], ten overstaan van een notaris een bijzondere volmacht getekend waarbij Ilir Negutie als advocaat van cliënt is aangewezen

- Op 17 december 2002 (kennelijke vergissing, uit stukken blijkt dat het moet gaan om 2003), zou cliënt een bijzondere volmacht hebben getekend ten overstaan van een Albanese notaris, volgens welke Ilir Neguti wordt aangewezen om alk juridische handelingen te verrichten ten behoeve van cliënt

- Op 18 april 2005 heeft [betrokkene 4], de vader van cliënt, ten overstaan van een notaris een bijzondere volmacht getekend volgens welke IIir Neguti werd aangewezen om hoger beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de rechtbank in Kukes en cliënt in de procedure in hoger beroep te verdedigen.

De Albanese autoriteiten concluderen vervolgens dat cliënt bij verstek is veroordeeld, maar dat hij gedurende hei hele proces is vertegenwoordigd door een advocaat.

De twee voor de juridische beoordeling interessante zaken in dit hele verhaal zijn, als het gaat om de vraag of cliënt zijn aanwezigheidsrecht heeft kunnen uitoefenen dan wel daarvan afstand heeft gedaan, het feit dat niet blijkt dat is getracht de dagvaarding(en) voor de behandeling van de zitting in hoger beroep ook aan cliënt uit te reiken en voorts dat de bijzondere volmacht, waarvan de autoriteiten in Albanië aangeven dat die door cliënt ten overstaan van een notaris in Albanië zou zijn getekend, niet door cliënt is getekend. Deze in het dossier opgenomen bijzondere volmacht leg ik u hierbij voor een goede beoordeling daarvan nog even in kopie over, tezamen met de handtekening die cliënt onder zijn verhoor in verband met zijn voorgeleiding op 13 maart 2012 bij de rechter-commissaris in Amsterdam heeft gezet, en de handtekening die door hem op zijn paspoort is gezel. De handtekeningen op deze laatste twee documenten komen duidelijk met overeen met de handtekening onder de bijzondere volmacht waar de Albanese autoriteiten over spreken.

Cliënt geeft ook aan nooit een dergelijke handtekening te hebben gezet. Aangenomen moet dan ook worden dat de handtekening onder de bijzondere volmacht niet van hem is. Cliënt geeft ook aan nooit van zijn veroordeling op de hoogte te zijn geweest (zie ook zijn verhoor bij de rechter-commissaris) en nooit een oproeping te hebben gekregen voor de behandeling van zijn zaak bij de rechtbank of hof. Kennelijk heeft zijn familie gemeend dat voor hem een advocaat te zoeken om de verdediging te voeren en daartoe volmachten getekend.

Deze omstandigheden maken dat moet worden beoordeeld of is voldaan aan de eisen die volgens het door Nederland gemaakte voorbehoud bij artikel 1 EUV aan een veroordeling bij verstek worden gesteld. Deze eisen worden nader geëxpliciteerd in o.m. HR NJ 1990, 639, De rechtbank Utrecht had geoordeeld dat uit het feit dat de dagvaardingen en berichtgevingen omtrent de veroordelingen aan de o.p. zijn betekend door nederlegging ter griffie van de betreffende gerechten, kan worden afgeleid dat geen van die stukken de veroordeelde heeft bereikt. Ook oordeelde de rechtbank dat de o.p. derhalve nimmer werkelijk in de gelegenheid is geweest zich tegen de tegen hem gerezen verdenkingen te verdedigen. Weliswaar, zo vervolgt de rechtbank, is voor hem ten processe een verdediger opgetreden doch - daargelaten of zulks voldoende zou zijn om aan te nemen dat de o.p. zich werkelijk heeft kunnen verdedigen - op generlei wijze is gebleken dat deze ooit contact heeft gehad met de o.p. Nu er in die zaak geen mogelijkheid meer was om tegen de veroordeling een rechtsmiddel aan te wenden deed zich het geval voor als voorzien in het door Nederland bij art. 1 EUV gemaakte voorbehoud en verklaarde de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel van de rechtbank correct is en dat zij de uitlevering terecht ontoelaatbaar heeft verklaard. Ik maak nog melding van de opmerking van Fokkens in zijn conclusie bij dit arrest waarin hij aangeeft dat art. 6 lid 3 onder c van het EVRM het recht to defend himself formuleert. Daarin kan, aldus Fokkens onder verwijzing naar onder meer de zaak 'Colozza' van het EHRM, onmogelijk in gelezen worden dat een verdediging waarvan de verdachte niet weet, voldoet.

Voor de beoordeling in deze refereer ik ook nog aan het Kaderbesluit 2009/299/JBZ, dat de eisen die worden gesteld aan een acceptabele veroordeling bij verstek nog eens duidelijk op een rijtje zet. Weliswaar wordt de onderhavige uitlevering beheerst door het EVV en niet door de binnen de EU geldende Kaderbesluiten, maar het genoemde Kaderbesluit is een uitwerking van het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces, meer in het bijzonder het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen tijdens het proces (zie punt 1. en punt 8. van de preambule bij dat Kaderbesluit) en daarom ook hier van belang.

In het kaderbesluit worden regels gegeven voor de erkenning van beslissingen houdende een veroordeling die in een andere lidstaat tot stand zijn gekomen terwijl de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleld. Erkenning mag niet worden onthouden indien:

- de betrokkene in persoon is gedagvaard (of anderszins officieel in kennis is gesteld van plaats en tijdstip van het proces zodat op ondubbelzinnige wijze vast staat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces), zulks onder mededeling dat ook een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet verschijnt; of

- betrokkene op de hoogte was van het proces en een advocaat heeft gemachtigd namens hem de verdediging te voeren;

- betrokkene - na adequaat te zijn geïnformeerd - te kennen heeft gegeven de gegeven beslissing (veroordeling) niet te betwisten dan wel niet tijdig een rechtsmiddel daartegen heeft aangewend;

- in het geval van overlevering: de betrokkene na overlevering alsnog een rechtsmiddel kan aanwenden dat leidt tot een procedure waarbij hij aanwezig kan zijn en de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld.

Vast moet worden gesteld dat niet is voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden. Van een oproeping in persoon was geen sprake, cliënt wist niet op andere wijze van tijdstip en plaats van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep. Er was geen door hem gemachtigd advocaat verschenen en hij heeft geen recht op een nieuw proces, althans zulks blijkt niet uit de stukken. Tenslotte heeft hij geen afstand gedaan van rechtsmiddelen.

De veroordeling door de Albanese rechter zal daarom - met het oog op het recht op een eerlijke proces als bedoeld in artikel 6 EVRM - nimmer in aanmerking kunnen komen voor erkenning door enig andere lidstaten van de EU volgens het systeem van het Kaderbesluit 2009/299/JBZ. Dit wijst er op dat de veroordeling van verzoeker geacht moeten worden in strijd te zijn met een eerlijke proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Concreet: op grond van het feit dat er sprake is geweest van een veroordeling bij verstek terwijl cliënt nooit in persoon is gedagvaard, noch door hem een gemachtigd advocaat is ingeschakeld om de verdediging te voeren en hij evenmin op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, zal cliënt door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering.”

5. De rechtbank heeft dienaangaande overwogen en beslist:

“De vraag ligt voor of er van een situatie sprake is die de rechtbank noodzaakt de uitlevering te weigeren op grond van artikel 5, derde lid, ULW. Ingevolge dit artikel kan de uitlevering, indien de veroordeling tot een vrijheidsstraf bij verstek heeft plaatsgevonden, slechts worden toegestaan indien de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren.

De rechtbank onderkent dat de handtekening die onder de bijzondere volmacht, van 17 december 2003, is gezet, verschilt van de handtekening van de opgeëiste persoon bij de rechter-commissaris en de handtekening in zijn paspoort. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat voornoemde bijzondere volmacht niet door de opgeëiste persoon zelf is ondertekend.

Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit echter niet dat de opgeëiste persoon niet in de gelegenheid is geweest zijn verdediging te voeren.

De rechtbank acht hiertoe allereerst redengevend dat uit de vonnissen die door de Albanese justitiële autoriteiten zijn toegezonden blijkt dat de advocaat, Ilir Nerguti, in meerdere instanties de verdediging ten behoeve van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Voorts acht de rechtbank het zeer waarschijnlijk dat deze verdediging, gelet op de omvang, inhoud en strekking, in overleg en samenwerking met de opgeëiste persoon tot stand is gekomen. Hij was immers ter plekke aanwezig tijdens de strafbare feiten en kon daarom, als enige, informatie verschaffen over zijn precieze rol in het geheel, zoals die door de raadsman ter zitting in twee feitelijke instanties is geschetst. De advocaat heeft bovendien gedurende de strafprocedure expliciet verklaard dat hij namens de opgeëiste persoon optrad. Dit blijkt onder meer uit een 'request on postponement of the judicial hearing' van zowel 30 maart 2004 als 15 april 2004 waarin Ilir Nerguti spreekt over ‘the defendant [de opgeëiste persoon] whom I represent as his defence counsel'.

In het licht van het vorenstaande, acht de rechtbank bovendien de mededeling van de opgeëiste persoon dat hij sinds 2000 met geen enkel familielid contact heeft gehad (tot een jaar geleden en hij daarom pas zes maanden geleden zou hebben gehoord dat een advocaat namens hem heeft opgetreden, niet geloofwaardig. De rechtbank baseert dit oordeel ook op de verschillende verklaringen die de opgeëiste persoon heeft afgelegd. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij tot maart 2001 bij zijn ouders heeft gewoond terwijl in de pleitnota van de verdediging die ter zitting van 15 juni 2012 is overgelegd, wordt aangevoerd dat de opgeëiste persoon ruim een week nadat het strafbare feit plaatsvond is gevlucht en ondergedoken. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking de op 4 september 2012 door de verdediging overgelegde verklaring van de broer van de opgeëiste persoon, [betrokkene 1]. Hij heeft verklaard dat hij begin 2001 eveneens Albanië is ontvlucht wegens de uitgesproken bloedwraak en dat hij sinds die tijd enkel telefonisch contact met zijn familie heeft gehad. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat de opgeëiste persoon, die in dezelfde situatie verkeerde, geen telefonisch contact met zijn familie heeft gehad.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren. Het verweer wordt verworpen.”

6. De steller van het middel betoogt dat het aanwezigheidsrecht als gewaarborgd in art. 6 EVRM wordt geschonden indien veroordeling bij verstek plaatsvindt of indien een nieuw proces feitelijk wordt ontzegd, waarbij zij refereert aan uitspraken van het EHRM in Sejdovic v. Italië, 1 maart 2006, appl. no. 56581/00 en Shkalla v. Albanië, 10 augustus 2011, appl. no. 26866/05. Vervolgens stelt zij dat art. 5, derde lid, UW beoogt naleving van dit aanwezigheidsrecht als verankerd in art. 6, derde lid, sub c EVRM te garanderen, zodat de vraag of een bij verstek veroordeelde opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren dient te worden beoordeeld aan de hand van deze uit voornoemde uitspraken van het EHRM voortvloeiende maatstaven. Met haar hiervoor onder 5 weergegeven overwegingen zou de rechtbank deze maatstaven hebben miskend, waardoor de beslissing van de rechtbank aan nietigheid leidt.

Daartoe voert de steller van het middel aan dat de rechtbank:

( i) heeft verzuimd te onderzoeken of de opgeëiste persoon van de zittingen op de hoogte was en/of de gevolgen van zijn niet-verschijnen aldaar voor hem voorzienbaar waren;

(ii) niet heeft vastgesteld of de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van zijn recht op aanwezigheid ter zitting en zijn recht zich aldaar te verdedigen;

(iii) noch heeft onderzocht of zijn afwezigheid ter zitting vanwege de ‘bloedwraak’ werd veroorzaakt door een ‘force majeur’.

Bovendien klaagt het middel over de vaststelling van de rechtbank dat de opgeëiste persoon de bij de Albanese rechtbank en hof optredende advocaat Ilir Nerguti heeft geïnstrueerd en deze advocaat heeft gemachtigd hem te vertegenwoordigen.

Ten slotte klaagt het middel over de onbegrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank dat het ongeloofwaardig is dat de opgeëiste persoon sinds 2000 tot een jaar geleden geen contact met zijn familie heeft gehad en al die tijd evenmin telefonisch contact met zijn familie onderhield.

7. Centraal staat aldus de vraag of de opgeëiste persoon toen hij het land wegens de uitgesproken bloedwraak ontvluchtte wist dat er in Albanië een strafzaak tegen hem liep en of hij advocaat Ilir Nerguti had gemachtigd namens hem in meer instanties de verdediging te voeren, waardoor hij in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om zich te verdedigen, zodat het bepaalde in art. 3, eerste lid, eerste volzin van het Tweede Aanvullende Protocol bij het EUV niet aan de toelaatbaarverklaring van de uitlevering in de weg staat.

8. Art. 3, eerste lid, eerste volzin van het Tweede Aanvullende Protocol bij het EUV, bij welk protocol zowel Nederland als Albanië partij is, luidt als volgt:

"When a Contracting Party requests from another Contracting Party the extradition of a person for the purpose of carrying out a sentence or detention order imposed by a decision rendered against him in absentia, the requested Party may refuse to extradite for this purpose, if, in its opinion, the proceedings leading to the judgement did not satisfy the minimum rights of defence recognised as due to everyone charged with a criminal offence."

9. Deze bepaling dient te worden bezien in het licht van art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM:

“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

(…)

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze, of indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.”

10. Mede in het licht van de als dwingende exceptie geformuleerde voorziening van art 5, derde lid UW volgt uit voornoemde bepalingen dat uitlevering niet toelaatbaar is als de opgeëiste persoon in de verzoekende staat niet het recht heeft kunnen uitoefenen zichzelf te verdedigen of zich te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze.1 Indien in het proces dat heeft geresulteerd in de veroordeling ter zake waarvan de uitlevering wordt gevraagd een aangewezen raadsman is opgetreden, wordt deze voorwaarde dus niet vervuld ingeval dit optreden buiten medeweten van de opgeëiste persoon heeft plaatsgehad.2

11. Uit de bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken – in het bijzonder de op 5 juli 2012 bij de Afdeling internationale rechtshulp in strafzaken van het ministerie van Veiligheid en Justitie binnengekomen aanvullende informatie van de Albanese autoriteiten – blijkt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende:

  • -

    Op 7 maart 2003 heeft de oudste broer van de opgeëiste persoon, [betrokkene 2], een bijzondere volmacht ondertekend, waarbij Ilir Nerguti als advocaat is gemachtigd om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen.

  • -

    Op 17 december 2002 heeft de opgeëiste persoon een bijzondere volmacht ondertekend, waarbij Ilir Nerguti als advocaat is gemachtigd om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen. Uit de bestreden uitspraak blijkt dat de rechtbank ervan uit gaat dat voornoemde bijzondere volmacht echter niet door de opgeëiste persoon zelf is ondertekend.

  • -

    Op 18 mei 2005 heeft de vader van de opgeëiste persoon, [betrokkene 4], een bijzondere volmacht ondertekend, waarbij Ilir Nerguti als advocaat is gemachtigd om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen.

  • -

    Op 7 mei 2003 heeft Ilir Nerguti als advocaat, ‘appointed by the defendant’s brother’ schriftelijk om uitstel van de terechtzitting gevraagd.

  • -

    Op 30 maart 2004 heeft Ilir Nerguti onder mededeling van ‘[de opgeëiste persoon] whom I represent als his defence counsel’ schriftelijk om uitstel van de terechtzitting gevraagd.

  • -

    In haar beslissing van 18 december 2003 heeft de Albanese rechtbank met betrekking tot Ilir Nerguti het volgende opgenomen: ‘his defence lawyer requested the transfer of the case’ en ‘with the special power of attorney’.

12. De rechtbank heeft geoordeeld dat de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zijn verdediging te voeren, bij de vorming van welk oordeel de rechtbank mede heeft doen wegen dat:

i) uit de Albanese vonnissen blijkt dat de advocaat Ilir Nerguti in meer instanties de verdediging ten behoeve van de opgeëiste persoon heeft gevoerd;

(ii) deze verdediging, gelet op de omvang, inhoud en strekking, in overleg en samenwerking met de opgeëiste persoon tot stand is gekomen; en

(iii) de advocaat gedurende de strafprocedure expliciet heeft verklaard dat hij namens de opgeëiste persoon optrad.

13. De rechtbank heeft zoals gezegd niet geloofwaardig geacht dat de opgeëiste persoon eerst sinds zes maanden wist dat deze advocaat namens hem is opgetreden. Dit oordeel, dat te zeer is verweven met waarderingen van feitelijke aard om in cassatie op zijn juistheid te worden onderzocht, is niet onbegrijpelijk.3 Aldus is verzoeker in voldoende mate in de gelegenheid geweest om zijn verdediging te voeren, zodat het bepaalde in art. 3, eerste lid, eerste volzin van het Tweede Aanvullende Protocol bij het EUV niet aan de toelaatbaarverklaring van de uitlevering in de weg staat.4

14. Het eerste middel faalt mitsdien.

15. Het tweede middel komt met motiveringsklachten op tegen de verwerping van het verweer dat schending van de artikelen 2 en 3 EVRM onafwendbaar is doordat over de opgeëiste persoon in Albanië bloedwraak is uitgesproken. Het middel valt uiteen in vier klachten, die achtereenvolgens zullen worden behandeld.

16. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen naar aanleiding van het desbetreffende verweer dat ter zitting van 6 september 2012 door de raadsvrouwen van de opgeëiste persoon, mr. Rupert en mr. Kuiper, is gevoerd:

“De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de door de verdediging overgelegde stukken gaat de rechtbank er van uit dat in 2000 door de familie van het slachtoffer de bloedwraak is uitgesproken en dat dit daadwerkelijk problemen voor de opgeëiste persoon en zijn familie heeft opgeleverd. De rechtbank neemt tevens voor waar aan dat de bloedwraak nog steeds voortduurt.

Naar het oordeel van de rechtbank zou uitlevering aan Albanië dan ook mogelijk gevaarlijk voor de opgeëiste persoon kunnen zijn. Er dreigt aldus het risico op schending van de artikelen 2 dan wel 3 EVRM indien de opgeëiste persoon wordt uitgeleverd. Dat die schending onafwendbaar is omdat de Albanese regering geen bescherming wil of kan bieden, is evenwel niet aannemelijk geworden.

De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat de opgeëiste persoon reeds voor zijn vlucht om bescherming van de Albanese autoriteiten heeft verzocht tegen de uitgesproken bloedwraak. Evenmin is gebleken dat de autoriteiten hem niet konden of wilden beschermen tegen de uitgesproken bloedwraak van de familieleden van het slachtoffer. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking de verklaring van de opgeëiste persoon dat hij ruim een week na het strafbare feit al zou zijn ondergedoken en dat hij Albanië is ontvlucht. Gelet op de korte periode tussen het uitspreken van de bloedwraak en de vlucht van de opgeëiste persoon, ligt het ook niet voor de hand dat de opgeëiste persoon bescherming bij de overheid heeft gezocht.

Om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dat in Albanië al een inbreuk op artikel 2 dan wel 3 EVRM heeft plaatsgevonden en staat het verweer niet ter beoordeling van de rechtbank. De rechtbank zal dan ook niet, zoals (primair) is verzocht, de uitlevering ontoelaatbaar achten.”

17. Voorts houdt het advies aan de minister - voor zover hier van belang - in:

“Gestelde dreigende schending van de artikelen 2 en 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

In haar uitspraak gaat de rechtbank er van uit dat de bloedwraak over [de opgeëiste persoon] is uitgesproken en dat dit daadwerkelijk problemen voor hem en zijn (volwassen) mannelijke familieleden heeft opgeleverd. De rechtbank neemt tevens voor waar aan dat de bloedwraak nog steeds voortduurt.

Uitlevering aan Albanië zou dan ook mogelijk gevaarlijk voor [de opgeëiste persoon] kunnen zijn indien de Albanese overheid hem geen bescherming kan bieden tegen de bloedwraak. Er dreigt aldus het risico op schending van de artikelen 2 dan wel 3 EVRM indien hij wordt uitgeleverd.

Gelet op het dreigende risico op schending van de artikelen 2 dan wel 3 EVRM indien [de opgeëiste persoon] wordt uitgeleverd, wil ik dit punt onder uw aandacht brengen.

De rechtbank verzoekt u derhalve in uw overwegingen omtrent de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan, te betrekken hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de bloedwraak en de onmogelijkheid om [de opgeëiste persoon] hiertegen van overheidswege bescherming te bieden. In dat verband wijs ik u op de stukken die hieromtrent door de verdediging zijn ingebracht en in procesdossier zijn gevoegd.”

18. Het middel klaagt blijkens de toelichting daarop onder a) over het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat de schending van de artikelen 2 dan wel 3 EVRM onafwendbaar is geworden omdat de Albanese regering geen bescherming wil of kan bieden in het licht van hetgeen is aan gevoerd en de daarbij overgelegde stukken. Gesteld wordt dat daaruit valt af te leiden dat bloedwraak in Albanië nog steeds wijdverbreid is en dat voorts de Albanese overheid slechts reactief en niet preventief kan optreden, laat staan dat overheidsoptreden enig effect zal sorteren. Derhalve zal voor de opgeëiste persoon bij terugkeer naar Albanië een onmiddellijke en dreigende situatie ontstaan waaraan hij zich niet kan onttrekken en waarvan het aannemelijk is dat daartegen geen bescherming kan worden geboden, waardoor er sprake is van schending van de artikelen 2 dan wel 3 EVRM. De door de rechtbank gestelde eis dat de opgeëiste persoon aannemelijk moet maken dat hij tevergeefs bescherming heeft gevraagd van de autoriteiten, is een onredelijke eis die op hem een te grote bewijslast legt.

19. In feitelijke aanleg, alsook in cassatie is een beroep gedaan op het bestaan van een “onmiddellijke en dreigende situatie waaraan de opgeëiste persoon zich niet kan onttrekken en waarvan het aannemelijk is dat daartegen geen bescherming kan worden geboden” (te weten bloedwraak in Albanië). Bij de beoordeling van een klacht over de dreigende schending van de in artikel 2 dan wel 3 EVRM verankerde garanties, dient uitgangspunt te zijn dat het oordeel omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat de opgeëiste persoon bij inwilliging van het verzoek zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, is voorbehouden aan de minister van Veiligheid en Justitie.5 Zijn oordeel kan vervolgens worden voorgelegd aan de civiele rechter. Voor de uitleveringsrechter is bij dreigende schendingen van de artikelen 2 en 3 EVRM (vooralsnog) geen taak weggelegd. Het oordeel van de rechtbank dat in Albanië thans geen inbreuk op artikel 2 dan wel 3 EVRM heeft plaatsgevonden en dat het verweer niet ter beoordeling van de rechtbank staat, is dan ook juist. Het middel faalt in zoverre.

20. Het middel klaagt blijkens de toelichting daarop onder b) over de afwijzing van het herhaalde verzoek getuigen te horen. Geklaagd wordt dat de rechtbank het door de verdediging ingediende verzoek ter zittingen van 15 juni 2012 en 6 september 2012 om getuigen te horen ten onrechte heeft afgewezen, zodat het de opgeëiste persoon onmogelijk is gemaakt om het ontbreken van bescherming in Albanië van overheidswege aannemelijk te maken. Gesteld wordt dat de rechtbank bij de afwijzing van het verzoek niet de juiste maatstaf (het noodzaakcriterium) heeft gehanteerd en voorts dat deze beslissing in het licht van hetgeen is aangevoerd en door de rechtbank is vastgesteld onbegrijpelijk is. Het verweer noemt ter onderbouwing van het verzoek art. 26, eerste lid jo. vierde lid UW6 en de artikelen 2 en 3 EVRM.

21. Eén van de raadsvrouwen van de opgeëiste persoon, mr. Rupert, heeft bij brief van 10 juni 2012 aangekondigd zes getuigen mee te nemen naar de zitting zodat zij als getuige dan wel als getuige-deskundige gehoord kunnen worden. Op 12 juni 2012 heeft de rechtbank, bij schrijven van de voorzitter, de raadsvrouw medegedeeld dat de rechtbank eerst op de zitting van 15 juni 2012, nadat er een gemotiveerd verzoek tot het horen van getuigen is gedaan, en nadat de officier van justitie op dit verzoek is gehoord, hierover een beslissing zal nemen. Vervolgens heeft de raadsvrouw haar verzoek om getuigen te horen bij e-mail bericht van 12 juni 2012 nader toegelicht.

22. In het proces-verbaal van 15 juni 2012 is de volgende beslissing opgenomen:

“De rechtbank stelt voorop dat het bij de behandeling van de vordering gaat om de bepalingen uit de Uitleveringswet. In een uitleveringsprocedure heeft uiteindelijk de minister van Justitie het laatste woord. De vraag die beantwoord moet worden in verband met het door de raadsvrouw gedane verzoek tot het horen van getuigen over de bloedwraak is of de gestelde schending van de (mensen)rechten van de opgeëiste persoon ter beoordeling aan de rechtbank of ter beoordeling aan de minister van Justitie.

Uit de gestelde feiten en de motivering bij het verzoek komt naar voren dat de opgeëiste persoon, bij terugkeer naar Albanië, heeft te vrezen voor zijn leven. De rechtbank kenschetst dit als een mogelijke dreigende schending van mensenrechten door privépersonen jegens de opgeëiste persoon. De Hoge Raad (HR 28 augustus 2007, LJN: BA6580) heeft als regel aan genomen dat de vraag naar de consequenties die Nederland aan een dreigende schending in de verzoekende staat verbonden moeten worden, slechts door de minister van Justitie mag worden beoordeeld. Dat brengt dus mee dat een dreigende schending niet ter beoordeling aan de rechtbank voorligt bij het beoordelen van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek, en dat het horen van de getuigen met betrekking tot de bloedwraak niet van belang is voor de door de rechtbank in deze over de toelaatbaarheid te nemen beslissing. Dat is aan de minister van Justitie.

Een en ander neemt overigens niet weg dat de rechtbank in het advies aan de minister van Justitie kan wijzen op de gesteld problematiek ten aanzien van de bloedwraak en de situatie van de opgeëiste persoon en zijn familie. Op basis van wat er nu ligt, wil de rechtbank ook aannemen dat sprake is van bloedwraak en de daarbij behorende problematiek voor de opgeëiste persoon en zijn familie en daarvoor is het niet noodzakelijk om getuigen te horen. Met betrekking tot de vraag of er voldoende bescherming in Albanië kan worden geboden is het aan de minister van Justitie om daarover eventueel nadere informatie dan wel garantie te vragen aan de Albanese autoriteiten.

Dit brengt mee dat het verzoek wordt afgewezen (…)

(…)

dat het verzoek tot het horen van de getuigen zal worden afgewezen.”

23. In de bestreden uitspraak is omtrent het alsnog horen van de getuigen het volgende overwogen:

3.4 Voorwaardelijk verzoek om aanhouding

Ten slotte heeft de verdediging verzocht om, als niet op inhoudelijke gronden tot weigering van de uitlevering dan wel aanhouding van de behandeling van het verzoek wordt beslist, aanhouding van de zaak te bevelen teneinde een aantal getuigen te horen.

Ter zitting van 15 juni 2012 is reeds verzocht deze getuigen te horen. De rechtbank heeft dit verzoek toen afgewezen. De verdediging meent dat deze beslissing niet correct is en de gegeven motivering deze beslissing niet kan dragen. Ten eerste is er geen sprake van een mogelijke, maar van een reeds voltooide en nog immer voortdurende dreigende schending van de mensenrechten van de opgeëiste persoon. Voorts heeft de rechtbank een aantal stappen overgeslagen. In dit verband wordt door de verdediging op twee arresten van de Hoge Raad gewezen (LJN-nummers: BB7699 en BW2489). Het verzoek tot het horen van de getuigen is gebaseerd op artikel 26, eerste lid, juncto artikel 4 ULW. Om te kunnen komen tot een antwoord op de vraag of er sprake is van een dreigende of van een voltooide schending van de artikelen 2 en 3 EVRM zijn de door de verdediging verzochte getuigenverhoren noodzakelijk. De getuigen kunnen immers verklaren over de (ernst van de) bloedwraak en over de vraag of de Albanese autoriteiten hiertegen bescherming kunnen bieden. Die vragen hebben alle betrekking op het onderzoek naar de mogelijkheid tot inwilliging van het uitleveringsverzoek.

Daarnaast ziet inwilliging van het uitleveringsverzoek niet enkel op inwilliging door de rechtbank, maar ook op inwilliging door de Minister van Veiligheid en Justitie. De Minister bezit immers geen zelfstandige mogelijkheid om getuigen te horen en is voor zijn beslissing in belangrijke mate afhankelijk van het feitenonderzoek door de rechtbank.

Gezien het voorgaande is de rechtbank de aangewezen instantie om getuigen te horen. De getuigen kunnen verklaren over de voltooide mensenrechtenschendingen door de bloedwraak die destijds is uitgesproken.

De officier van justitie heeft zich gemotiveerd verzet tegen het voorwaardelijke aanhoudingsverzoek. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar hetgeen hij ter zitting van 15 juni 2012 over het horen van de getuigen heeft gezegd en in het proces-verbaal van die zitting is opgenomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank gaat er onder verwijzing naar hetgeen onder 3.2 is overwogen van uit dat er, zoals is betoogd door de opgeëiste persoon, bloedwraak is uitgesproken en dat de bloedwraak in 2012 nog steeds actueel is.

Gelet hierop hoeven de getuigen niet te worden gehoord met het oog op het onderbouwen van de uitgesproken bloedwraak en de gevolgen hiervan, te weten de dreigende schending van de mensenrechten van de opgeëiste persoon.

Voorts heeft de rechtbank onder 3.2 geoordeeld dat er geen sprake is van een reeds voltooide schending van artikel 2 dan wel 3 EVRM. Gesteld noch gebleken is immers dat de opgeëiste persoon de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen voorafgaand aan zijn vlucht uit Albanië. Om die reden acht de rechtbank het evenmin noodzakelijk om getuigen te horen over wat zich feitelijk heeft voorgedaan voorafgaand aan die vlucht.

Ten slotte zouden de getuigen verklaringen kunnen afleggen over de vraag of de Albanese autoriteiten tegen bloedwraak bescherming zouden kunnen bieden, wat mede van belang is voor de beslissing die de minister van Veiligheid en Justitie dient te nemen. Ook hierin ziet de rechtbank geen reden om tot aanhouding voor het horen van de getuigen over te gaan om de hiernavolgende redenen.

De verdediging heeft niet onderbouwd dat de getuigen over (essentiële) informatie zouden kunnen beschikken over de vraag of de Albanese overheid al dan niet bescherming kan bieden aan de opgeëiste persoon als hij wordt uitgeleverd. Voorts heeft mr. Rupert op 4 en 5 september 2012 stukken aan de rechtbank gezonden, te weten:

- verklaringen die twee broers van de opgeëiste persoon, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], op 15 juni 2012 hebben afgelegd voor mr. J. Kuijper (vertaald in het Nederlands),

- een (in het Nederlands vertaald) rapport van het instituut "het huis van gerechtigheid en nationale verzoening" van A. Loei; en

- een emailbericht van[betrokkene 3] met bijlagen: "oproep tot gezamenlijke stellingname in gebed tegen bloedwraak",

en heeft de rechtbank deze stukken in het dossier gevoegd. De minister kan aldus kennis nemen van de inhoud hiervan. Daarnaast kan de minister nadere informatie inwinnen over de bloedwraak en de (on)mogelijkheid om de opgeëiste persoon hiertegen van overheidswege te beschermen.”

24. Het op de zittingen van 15 juni 2012 en 6 september 2012 gedane verzoek van de verdediging om getuigen te horen over het bestaan van de dreiging van bloedwraak en (het gebrek aan) maatregelen tot bescherming daartegen van de zijde van de Albanese overheid betreft een verzoek dat strekt tot het horen van getuigen met het oog op het verrichten van onderzoek naar een (dreigende) schending van de artikelen 2 en 3 EVRM. Het bestaan van een reëel risico op een dergelijke schending, van nog wel één van de meest fundamentele normen die in het EVRM zijn verankerd, belet de toelaatbaarheid van de uitlevering en is daarmee bepalend voor de mogelijkheid van inwilliging van het uitleveringsverzoek.

In art. 26, eerste lid UW is met de laatste wetswijziging7 een hinderlijke verschrijving geslopen. Schreef deze bepaling voordien onder meer voor dat de rechtbank “de mogelijkheid van inwilliging” van het uitleveringsverzoek onderzoekt, sinds 1 oktober 2010 dicteert deze bepaling van de Uitleveringswet dat de rechtbank “de ontvankelijkheid van het Europees aanhoudingsbevel en de mogelijkheid van overlevering” onderzoekt. Een evident geval van een ‘copy/paste’-foutje dat in het wetgevingstraject over het hoofd is gezien en tot nog toe niet is gecorrigeerd. De wetsgeschiedenis biedt geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat met deze ‘aanpassing’ werkelijk een wijziging in het stelsel van de Uitleveringswet is beoogd. Het moet er dus voor worden gehouden dat de rechtbank de mogelijkheid van inwilliging van het uitleveringsverzoek heeft te onderzoeken, en dat het vierde lid van die bepaling de rechtbank de ruimte geeft om getuigen of deskundigen te horen indien zij dat voor haar onderzoek noodzakelijk acht. Hierom heeft de verdediging op de voet van art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 29 Uw gevraagd. Thans wordt geklaagd dat de rechtbank bij de afwijzing van dit verzoek geen toepassing heeft gegeven aan de juiste maatstaf, en de afwijzing bovendien onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

25. Uit het hiervoor onder 22 weergeven proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2012 blijkt dat de rechtbank heeft overwogen dat zij het bestaan van bloedwraak heeft aangenomen, alsmede dat zij de daarbij behorende problematiek voor de opgeëiste persoon en zijn familie in aanmerking neemt. De rechtbank oordeelde dat het daarvoor niet noodzakelijk is om getuigen te horen. Voorts houdt de uitspraak in dat “het evenmin noodzakelijk (is) om getuigen te horen over wat zich feitelijk heeft voorgedaan voorafgaand aan die vlucht”. In zoverre faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag; de rechtbank heeft wel degelijk het noodzaakcriterium toegepast.

26. Over de begrijpelijkheid van deze oordelen van de rechtbank merk ik het volgende op. De afwijzende beslissing op het verzoek om de getuigen te horen teneinde de uitgesproken bloedwraak en de gevolgen hiervan te onderbouwen heeft de rechtbank gegrond op de volgende overwegingen:

26. i) de rechtbank neemt reeds aan dat er bloedwraak is uitgesproken en dat die in 2012 nog steeds actueel is;

(ii) gesteld noch gebleken is dat opgeëiste persoon de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen voorafgaand aan zijn vlucht uit Albanië, zodat het evenmin noodzakelijk is om getuigen te horen over wat zich feitelijk heeft voorgedaan voorafgaand aan die vlucht; en

(iii) de verdediging heeft niet onderbouwd dat de getuigen over (essentiële) informatie beschikken over de vraag of de Albanese overheid al dan niet bescherming kan bieden aan de opgeëiste persoon.

27. De afwijzing van dit verzoek acht ik op deze gronden niet onbegrijpelijk. Nu de toelichting vrijwel uitsluitend herhaalt hetgeen bij de rechtbank naar voren is gebracht, volsta ik hier in verband met de inhoud van de verweren met verwijzing naar het raamwerk dat in HR 21 december 2007, LJN BB7699, NJ 2008/44 is neergelegd:8

“Voorts brengt het vertrouwensbeginsel mee dat de uitleveringsrechter in beginsel ervan dient uit te gaan dat de verzoekende staat de bepalingen van de toepasselijke uitleveringsverdragen zal naleven. Dat lijdt slechts uitzondering indien - voor zover hier van belang - (a) uit feiten en omstandigheden blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verzoekende staat de gedane toezegging niet zal nakomen, waardoor de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.”

28. Het middel is niet in de sleutel van deze benadering gezet. De stelling dat de getuigen over (essentiële) informatie beschikken over de vraag of de Albanese overheid al dan niet bescherming kan bieden aan de opgeëiste persoon maakt dit niet anders, nu de minister van Veiligheid en Justitie – zoals ook de rechtbank al had overwogen – bij uitstek de bevoegde instantie is om te beoordelen of de Albanese autoriteiten de opgeëiste persoon bescherming kunnen bieden tegen een dreigende schending van artikel 2 dan wel 3 EVRM.

29. Kortom, de klacht onder b) faalt.

30. Het middel klaagt in de toelichting daarop onder c) dat de rechtbank niet het noodzaakcriterium heeft gehanteerd bij de afwijzing van het verzoek om aanhouding teneinde te achterhalen of de Albanese autoriteiten de opgeëiste persoon tegen de bloedwraak kunnen beschermen. Voorts wordt geklaagd dat die afwijzing onbegrijpelijk is, nu geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechtbank zelfstandig de verzoekende staat vraagt nadere informatie te verstrekken teneinde invulling te kunnen geven aan haar rechterlijke taak tot toetsing van de gevraagde uitlevering.

31. De rechtbank heeft het in het middel bedoelde verzoek als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsvrouw heeft subsidiair om aanhouding verzocht teneinde te achterhalen of de Albanese autoriteiten de opgeëiste persoon tegen de bloedwraak kunnen beschermen als hij wordt uitgeleverd. Indien zij antwoorden dat dit in het algemeen niet mogelijk is, levert het uitleveren van de opgeëiste persoon aan Albanië op zichzelf al een schending van artikel 2 of 3 EVRM op, hetgeen ter beoordeling van de uitleveringsrechter staat.

De rechtbank zal het verzoek om aanhouding niet honoreren. Zij ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan de Albanese autoriteiten, nu de Minister van Veiligheid en Justitie bij uitstek de bevoegde instantie is om te beoordelen of de Albanese autoriteiten de opgeëiste persoon bescherming kunnen bieden tegen een dreigende schending van artikel 2 dan wel 3 EVRM. De rechtbank acht het ook overigens niet op zijn plaats om de bevoegdheid tot beoordeling van dit punt aan zich te trekken door het stellen van een dergelijke vraag.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat vooralsnog valt aan te nemen dat de Albanese autoriteiten bescherming aan de opgeëiste persoon zullen bieden nu hij zijn gevangenisstraf in een "high-security prison facility" moet uitzitten, getuige de uitspraak van 14 april 2005. Bovendien erkennen de autoriteiten, gezien de door de verdediging overgelegde stukken, bijvoorbeeld de referentiebrief van 14 april 2011 van het Ministerie van Justitie in Albanië, betreffende het "House of Justice & National Reconciliation", dat bloedwraak een probleem is en steunt de overheid dergelijke initiatieven.”

32. In het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat de aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek niet noodzakelijk was. In zoverre faalt het middel. Voor wat betreft de begrijpelijkheid van die beslissing verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet over de afwijzing van het getuigenverzoek, nu ook dit aanhoudingsverzoek verband houdt met een dreigende schending, en niet ziet op één van de uitzonderingen als bedoeld in HR 21 december 2007, LJN BB7699, NJ 2008/44. Voorts wijs ik erop dat de rechtbank, zoals blijkt uit het proces verbaal van de zitting van 15 juni 2012, reeds overwoog dat met betrekking tot de kwestie of er voldoende bescherming in Albanië kan worden geboden het aan de minister van Veiligheid en Justitie is om daarover aan de Albanese autoriteiten eventueel nadere informatie dan wel garanties te vragen. De minister kan vervolgens de Albanese autoriteiten tevens informatie verzoeken omtrent de vraag wat precies een ‘high-security prison facility’ inhoudt, alsmede in hoeverre de door de overheid gesteunde verzoeningspogingen bij bloedwraak de opgeëiste persoon daadwerkelijk bescherming zullen bieden. Ook in zoverre faalt het middel.

33. Het middel klaagt blijkens de toelichting daarop onder d) over de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Veiligheid en Justitie inzake de uitlevering, waarbij in de toelichting daarop een beroep wordt gedaan op art. 13 EVRM.

34. Voorop staat dat het verweer dat – naar ik begrijp – erop neerkomt dat een hoger beroep tegen een beslissing tot uitlevering van de minister van Veiligheid en Justitie bij de voorzieningenrechter schending oplevert van art. 13 EVRM, niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.9 Welwillende lezing van het middel geeft mij echter aanleiding tot het volgende.

35. Zoals de steller van het middel al aangeeft, heeft de Hoge Raad reeds bij arrest van 25 mei 2004, LJN AO8387, NJ 2005/243 m.nt. A.H. Klip op het punt van deze taakverdeling overwogen dat zij volgt uit het systeem van de Uitleveringswet en dat ook de Overleveringswet daarin geen verandering aanbrengt. Toegegeven zij dat de Hoge Raad daarin inderdaad niet met zoveel woorden heeft betrokken de vraag of die taakverdeling anders zou moeten luiden op de grond dat de beperkte toetsingsmogelijkheden van de uitleveringsrechter niet overeenstemmen met art. 13 EVRM. In de literatuur is deze vraag echter ruimschoots aan de orde gekomen.10 De meningen hierover blijken zeer verdeeld,11 maar uiteindelijk, zo concludeert Smeulers: “voldoet de Nederlandse uitleveringsprocedure, dankzij het mogelijk beroep op de kortgedingrechter, weliswaar aan de eisen van art. 13 EVRM (…)”.12 Bij dit oordeel sluit ik mij aan.

36. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar EHRM (Grote Kamer) 13 december 2012, De Souza Ribeiro v. Frankrijk, app.no. 22689/07, maar vervolgens worden geen nieuwe argumenten aangedragen – anders dan die in rechtspraak en literatuur reeds zijn besproken – op basis waarvan de Nederlandse uitleveringsprocedure (met inbegrip van de civiele spoedprocedure) niet meer zou voldoen aan de eisen van art. 13 EVRM. Derhalve faalt het middel ook in zoverre.

37. Het middel faalt mitsdien in al haar onderdelen.

38. De middelen falen en kunnen mijns inziens met de aan artikel 81, eerste lid, RO te ontlenen motivering worden afgedaan. Ambtshalve gronden die tot cassatie zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

39. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 4 juli 2000, LJN AA9957.

2 HR 27 maart 1990, LJN ZC8516, NJ 1990/639.

3 Vgl. HR 3 april 1984, LJN AB8371, NJ 1984/724 en HR 27 maart 1990, LJN ZC8516, r.ov. 5.1.

4 HR 22 mei 2001, LJN AB1762; HR 13 februari 2001, LJN AA9957; HR 12 mei 1992, DD. 92.324.

5 HR 18 mei 2010, LJN BL9130 en HR 25 mei 2004, LJN AO8387, NJ 2005/243.

6 In de pleitnota staat: art. 26 lid 1 jo. art. 4 UW. Ik ga er vanuit dat bedoeld wordt: art. 26, eerste lid, jo. vierde lid UW.

7 Stb. 2009, 317. Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen.

8 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot voor HR 13 maart 2012, LJN BV6753 onder 34.

9 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Knigge voor HR 22 februari 2011, LJN BP2747, onder 18.

10 Vgl. Swart in zijn noot onder HR 5 maart 1991, LJN AB9064, NJ 1991/680: “Aangenomen dat een actie uit onrechtmatige overheidsdaad een adequate voorziening is in de zin van art. 13 EVRM, en daaraan hoeft lijkt me niet getwijfeld te worden, is de discussie er een van rechtspolitieke aard, voor de inhoud waarvan naar de genoemde auteurs verwezen zij. Art. 13 zelf schrijft een keuze in de ene of de andere richting niet voor.”

11 Vgl. Swart in zijn noot onder HR 5 maart 1991, LJN AB9064, NJ 1991/680: “De literatuur is verdeeld. Keijzer, Remmelink, Strijards en Van Veen hebben een duidelijke voorkeur voor de minister van Justitie. Daarentegen is ten voordele van de uitleveringsrechter een lans gebroken door Van Hattum, Vermeulen en Swart.” A. Smeulers, ‘In staat van uitlevering’ (Antwerpen-Groningen: Intersentia, 2002), p. 248.

12 A. Smeulers, ‘In staat van uitlevering’ (Antwerpen-Groningen: Intersentia, 2002), p. 265.