Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:10

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
12/03456
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/03456

Zitting: 23 april 2013

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens “medeplegen van doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het door het Openbaar Ministerie op 16 april 2012 ingestelde cassatieberoep is blijkens de akte intrekking cassatie op 23 april 2012 ingetrokken.

3. Het eerste middel houdt in dat het Hof het voor het medeplegen van doodslag vereiste opzet onvoldoende heeft gemotiveerd althans in het midden heeft gelaten hoe het tot de conclusie komt dat bedoeld opzet in de concrete omstandigheden van het geval kan worden aangenomen.

4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 01 februari 2010 te Zaclér (stadsdeel Bobr) tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk [slachtoffer] met een of meer messen meermalen in diens hoofd en nek en bovenlichaam gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

5. Het hof heeft met betrekking tot het bewijs onder meer overwogen:

“Vaststaat dat het slachtoffer door messteken om het leven is gebracht. Deze moeten zijn toegebracht door [betrokkene 1] en [verdachte] of door één van beiden. Het hof is verder van oordeel dat voor het bewijs van medeplegen niet nodig is te bewijzen dat beiden hebben gestoken. Voldoende is dat de één heeft gestoken en dat de ander zodanig betrokken is geweest bij het steekincident dat gesproken kan worden van medeplegen. Het gaat om een zodanige bijdrage dat gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het (voorwaardelijk) opzet gericht was op het toebrengen van fataal letsel. Van medeplegen is (bijvoorbeeld) sprake als beide verdachten gezamenlijk tegen het slachtoffer hebben gevochten waarbij één van de verdachten het slachtoffer een groot aantal malen heeft gestoken.

Ook zonder dat uit de te gebruiken bewijsmiddelen precies blijkt wie wat heeft gedaan, is het hof van oordeel dat op grond van die bewijsmiddelen de conclusie moet worden getrokken dat sprake is van het derde scenario.

Het hof leidt dit in de eerste plaats af uit de uitspraken die gedaan zijn door beide verdachten. Hoewel het hof niet uitsluit dat beide verdachten geen (gedetailleerde) herinneringen hebben aan het gevecht en de momenten waarop gestoken is, hebben zij kennelijk nog wel zodanige herinneringen dat ze beiden weten dat ze beiden gevochten hebben tegen [slachtoffer]. In het gesprek met zijn oma dat [verdachte] die nacht voerde en het sms-bericht dat hij haar stuurde zegt/schrijft hij 'we hebben bijna [slachtoffer] vermoord'. In het gesprek dat [verdachte] maanden later voerde met de arrestantenverzorger zegt hij: 'het was hij of wij". Tegen de arrestantenverzorger heeft [verdachte] verder verklaard dat hij en [betrokkene 1] [slachtoffer] naar buiten hebben gewerkt. Bij de politie heeft [verdachte] verklaard: Het was vechten voor het eigen leven: 'Als ik het niet gedaan had, had ik of [betrokkene 1] nu niet meer geleefd.'

[betrokkene 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij nog weet dat [slachtoffer] heel agressief werd en om zich heen begon te slaan. [slachtoffer] viel hun allebei aan. Toen zijn ze gezamenlijk tegen [slachtoffer] terug gaan vechten. Ze waren toen in het schoenenhokje.

Uit de verklaringen van beide verdachten volgt dat ze beiden tegen [slachtoffer] hebben gevochten, zonder dat daaruit blijkt dat het aandeel van de één zodanig verschilde van dat van de ander dat niet meer van medeplegen gesproken kan worden. Vaststaat dat aan het begin van het gevecht de verdachten het gezamenlijk opnamen tegen [slachtoffer]. Het gevecht begon in het zogenaamde schoenenhok. Op een gegeven moment is [slachtoffer] naar buiten gewerkt. Uit de mededeling die [verdachte] deed aan de arrestantenverzorger [betrokkene 2] volgt dat ze toen nog steeds samen waren. Uit de verklaringen en verstuurde sms-berichten blijkt niet dat één van de verdachten zich uit het gevecht heeft teruggetrokken toen er één of meer messen werden gebruikt. Omdat dit niet blijkt komt het hof tot het oordeel dat beiden nog bij het gevecht betrokken waren toen er gestoken werd, maar dat - indien slechts afgegaan wordt op de voor het bewijs gebruikte verklaringen van verdachten - niet helemaal uitgesloten kan worden dat dit slechts betekent dat beiden geen herinneringen (meer) hebben aan het steken.

Dat [betrokkene 1] niet alleen aan het begin van het gevecht aanwezig is geweest, maar ook op het moment dat er werd gestoken, kan voldoende uit het forensisch onderzoek worden afgeleid. Daarbij is niet doorslaggevend dat op de broek van [betrokkene 1] bloedvlekken zijn aangetroffen en op die broek op zes plekken het DNA-profiel is gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer. Het is immers niet gebleken dat [betrokkene 1] (zoals [verdachte]) na het gevecht en voor zijn aanhouding andere kleding heeft aangetrokken, zodat niet uitgesloten kan worden dat de bloedvlekken op zijn broek zijn gekomen toen hij het slachtoffer van buiten naar binnen heeft gesleept. Wel van belang is het in de keuken van de vakantiewoning aangetroffen mes. [betrokkene 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat er overdag geen gebruik is gemaakt van dat mes en dat er in de woning niet is gegeten. Niet is gebleken dat [betrokkene 1] het mes anders dan in de periode waarin aan het slachtoffer steekwonden zijn toegebracht in handen heeft gehad. Ook is op geen enkele wijze gebleken dat het slachtoffer anders dan door het steken in aanraking is gekomen met het mes. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat er op het lemmet van dat mes een DNA-spoor is gevonden, waarvan het profiel overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer, terwijl op het handvat een DNA-profiel is aangetroffen dat overeenkomt met dat van [betrokkene 1].

Uit de afgelegde verklaringen blijkt verder dat toen [betrokkene 1] wakker werd door het geroep van [slachtoffer], [slachtoffer] buiten lag en de voordeur op slot zat. Dit is een aanwijzing dat [verdachte] gedurende het gehele geweldsincident aanwezig is geweest. Die was degene die in het bezit was van de sleutel van de voordeur - terwijl niet is gebleken dat hij die sleutel heeft afgegeven - waardoor er van uit kan worden gegaan dat hij de deur - na afloop van het gepleegde geweld - op slot heeft gedaan toen [slachtoffer] buiten was en [verdachte] en [betrokkene 1] binnen waren.

Uit de verklaringen kan voorts worden afgeleid dat [verdachte] op een gegeven moment naar boven is gegaan en is gaan slapen in de slaapkamer. [betrokkene 1] heeft beneden op de grond gelegen. Toen [betrokkene 3] [verdachte] probeerde wakker te krijgen, was [verdachte] slechts gekleed in een boxershort en een T-shirt. Hieruit kan worden afgeleid dat [verdachte] zich gedeeltelijk heeft uitgekleed toen hij ging slapen. Tijdens het onderzoek in de woning is boven in de slaapkamer een zwarte sweater gevonden met aan de voorkant bloedsporen. Uit die bloedsporen is een DNA-profiel afgeleid dat overeenkwam met het DNA-profiel van [verdachte]. Achterop de sweater aan de onderkant werd een spoor aangetroffen met het DNA-profiel van het slachtoffer. Ook op de boxershort (aan de achterkant op het elastiek) die [verdachte] droeg, werd een bloedspoor aangetroffen waaruit het DNA-profiel van het slachtoffer werd afgeleid. Tijdens het onderzoek is in de keuken de spijkerbroek van [verdachte] aangetroffen. Deze spijkerbroek had [verdachte] op verzoek van verbalisant [verbalisant 1] naar beneden gehaald. Volgens [verbalisant 1] was die broek doordrenkt met bloed. De broek is onderzocht. Er werden twee monsters genomen en in beide monsters werd het DNA-profiel verkregen dat overeenstemde met het DNA-profiel van het slachtoffer. Uit de omstandigheid dat de broek van [verdachte] volgens [verbalisant 1] doordrenkt was met bloed, terwijl niet is gebleken dat dit bloed van een ander afkomstig is dan van het slachtoffer, kan worden afgeleid dat verdachte - op het moment dat het slachtoffer zodanig verwond was dat dit leidde tot heftig bloedverlies - in de directe nabijheid van het slachtoffer moet hebben verkeerd.

1 ) Uit de verklaring van [verbalisant 1] over de broek van [verdachte],

2) uit de op die broek en andere kleding van [verdachte] aangetroffen sporen (uit welke verklaring en sporen de aanwezigheid van verdachte in de directe omgeving van het heftig bloedende slachtoffer kan worden afgeleid),

3) uit de door beide verdachten afgelegde verklaringen en de door [verdachte] verstuurde sms-berichten zoals hierboven genoemd (waaruit de actieve deelname van de verdachte aan het gevecht tegen het slachtoffer blijkt) en

4) uit de bevinding dat [verdachte] de deur na het geweldsincident moet hebben afgesloten leidt het hof af dat [verdachte] gedurende het gehele geweldsincident aanwezig is geweest en daarbij een zodanig aandeel heeft gehad dat gesproken kan worden van medeplegen.

(…)

De raadsman heeft voorts betoogd dat onvoldoende is gebleken dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer.

Het hof verwerpt ook dit verweer. Uit de door het hof vastgestelde gedragingen, namelijk de deelname door verdachte aan de vechtpartij, waarbij hij en [betrokkene 1] vochten tegen het slachtoffer en waarbij het slachtoffer vele malen is gestoken in kwetsbare delen (hoofd, hals en romp) blijkt het opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer. Uit het feit dat de verdachte zich niet alles kan herinneren, volgt niet dat op de momenten (waaraan de verdachte geen herinnering heeft) hij niet bewust gehandeld heeft.”

6. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het Hof niet in het midden gelaten hoe het tot het oordeel komt dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer had. Het Hof overweegt immers dat uit de deelname door verdachte aan de vechtpartij waarbij hij en [betrokkene 1] vochten tegen het slachtoffer en waarbij het slachtoffer vele malen is gestoken in kwetsbare delen (hoofd, hals en romp) blijkt van opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer.

7. Door aldus te overwegen geeft het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het oordeel van het Hof toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft immers over de toedracht van de vechtpartij het volgende vastgesteld:

- verdachte en [betrokkene 1] hebben samen gevochten tegen het slachtoffer;

- deze vechtpartij werd door verdachte beschreven als “Het was vechten voor eigen leven. Als ik het niet gedaan had, had ik of [betrokkene 1] nu niet meer geleefd” en “we hebben bijna [slachtoffer] vermoord” en “Het was hij of wij”;

- tijdens de vechtpartij zijn steek- en snijwonden aan het hoofd, de romp en ledematen van het slachtoffer toegebracht.

Daar komt nog bij dat het Hof voorts heeft vastgesteld dat verdachte op het moment dat het slachtoffer zodanig verwond was dat dit leidde tot heftig bloedverlies, in de directe nabijheid van het slachtoffer moet hebben verkeerd, dat verdachte na afloop van het gepleegde geweld de deur op slot heeft gedaan toen het slachtoffer buiten lag en verdachte en [betrokkene 1] binnen waren, en dat verdachte na het afsluiten van de deur naar bed is gegaan. In deze vaststellingen ligt besloten dat de verdachte zich, naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, niet meer om [slachtoffer] heeft bekommerd hoewel deze veel bloed verloor, een omstandigheid die naar van algemene bekendheid is levensbedreigend is.

8. Nog daargelaten of uit de toedracht van de vechtpartij al niet kan worden afgeleid dat verdachte, die niet alleen bij de vechtpartij aanwezig is geweest maar ook samen met [betrokkene 1] tegen het slachtoffer heeft gevochten, oogmerk had op de dood van het slachtoffer, kan uit een en ander in elk geval worden afgeleid dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer aan de toegebrachte verwondingen zou komen te overlijden.

9. Het Hof heeft de bewezenverklaring van het opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer dus voldoende met redenen omkleed.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat het beroep op noodweerexces op ontoereikende gronden is verworpen.

12. Het Hof heeft – met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten - het beroep op noodweerexces als volgt samengevat en verworpen:

“Het beroep op noodweerexces

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat - voor zover het hof mocht oordelen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en het beroep op noodweer zou falen - sprake was van noodweerexces.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarop af stuit.

Oordeel hof

Gelet op het feit dat door verdachte en medeverdachte buitengewoon gewelddadig is opgetreden tegen een vriend, terwijl verdachte noch medeverdachte bekend staan als gewelddadig, is voor het hof aannemelijk dat sprake moet zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging. Deze hevige gemoedsbeweging kan veroorzaakt zijn door drankgebruik, en/of het feit dat het slachtoffer geweld heeft gebruikt (dat bestond uit het omdraaien van de vinger van de medeverdachte, een klap tegen de arm van de medeverdachte en het slaan tegen de neus van de verdachte).

Gelet op de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 1] voor de aanleiding van het gevecht, acht het hof het niet onaannemelijk dat het (geringe) geweld dat door het slachtoffer werd uitgeoefend een 'trigger' was voor de hevige gemoedstoestand die heeft geleid tot het uitoefenen van het buitensporige geweld door verdachte en medeverdachte.

Het is evenwel niet zo dat in geval sprake is van een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door een geweldshandeling van het slachtoffer, elk geweld van de kant van de verdachte verontschuldigbaar is. In het onderhavige geval is, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld bij de bespreking van het beroep op noodweer, zodanig disproportioneel gehandeld door de verdachte en de medeverdachte dat het beroep van de verdachte op noodweerexces eveneens verworpen dient te worden.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”

13. Het Hof verwijst in een voetnoot bij zijn overwegingen naar HR 8 april 2008, LJN BC4459.1 In dat arrest overwoog de Hoge Raad voor zover hier van belang:

“4.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden voor opgesteld dat een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging op grond van art. 41, tweede lid, Sr (het zogenoemde noodweerexces) niet strafbaar is indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk "onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

4.5. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat, ook indien van de door en namens de verdachte gestelde feiten zou moeten worden uitgegaan, de door de verdachte gepleegde doodslag niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, waarbij het Hof in het bijzonder belang heeft toegekend aan de mate van disproportionaliteit van de bewezenverklaarde gedraging. Dat oordeel getuigt, gelet op het hiervoor onder 4.4 overwogene, niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij heeft de Hoge Raad gelet op de door de verdachte gestelde aanranding en de door het Hof bewezenverklaarde doodslag en mede in aanmerking genomen hetgeen omtrent de hevige gemoedsbeweging is aangevoerd.”

14. In het licht van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in dit door het Hof aangehaalde arrest moeten de overwegingen van het Hof aldus worden begrepen dat verdachtes gedragingen in zodanige mate disproportioneel waren ten opzichte van het geringe geweldgebruik van het slachtoffer dat deze niet meer kunnen worden aangemerkt als gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Naar het oordeel van het Hof was het geweld dat het slachtoffer uitoefende dus zo gering dat niet aannemelijk is dat dit geweld heeft geleid tot een zo heftige gemoedsbeweging bij verdachte dat deze daardoor de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden in een mate als bewezenverklaard. Gelet op de buitengewone ernst van het door de verdachte jegens het slachtoffer gepleegde delict, (medeplegen van) doodslag, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij dient mede in aanmerking te worden genomen dat verdachte niet alleen stond tegenover het ongewapende slachtoffer maar samen met [betrokkene 1] tegen het ongewapende slachtoffer vocht, terwijl een van beiden of beide een mes had(den), en het daarom nadere verklaring vraagt waarom verdachte het gedrag van het slachtoffer als zo agressief heeft ervaren dat het was “hij of wij”, een nadere verklaring die verdachte niet heeft gegeven.

15. Het middel faalt.

16. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 NJ 2008, 312, m.nt. N. Keijzer.