Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY9721

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-12-2012
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
11/04177
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY9721
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 6 WVW 1994. Aanrijding motoragent met fietser. Beschikking van de Minister van V&W van 31-03-1994 (RVR 172392), houdende vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. In ’s Hofs oordeel, dat verdachte i.h.k.v. een verkeerscontrole - en daarom op goede gronden - gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling, ligt besloten dat verdachtes gedragingen noodzakelijk waren voor de uitvoering van aan hem opgedragen taken. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte i.h.k.v. het noodzakelijke gebruik van de vrijstelling met zijn motorfiets op het fietspad mocht rijden en geen voorrang hoefde te verlenen aan de van rechts komende fietsster. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat verdachte niet onverantwoord snel heeft gereden en aldus niet heeft gehandeld in strijd met het voorschrift ex III sub a Beschikking de verkeersveiligheid zoveel mogelijk te waarborgen. Wel heeft het Hof geoordeeld dat verdachte in zoverre in strijd met dit voorschrift heeft gehandeld, dat hij zijn motor niet tot stilstand heeft weten te brengen binnen de afstand waarover de weg te overzien en vrij was. ’s Hofs oordeel dat verdachte o.g.v. dat e.e.a. geen schuld treft i.d.z.v. art. 6 WVW 1994 is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. HR merkt op dat de Beschikking, waarin art. 88 RVV 1990 als wettelijke basis is genoemd, moet worden geacht haar grond te vinden in art. 147.1 WVW 1994. Uit de omstandigheid dat ex art. 147.1 WVW 1994 de vrijstelling kan worden verleend “voor het gebruik van de weg” kan niet worden afgeleid dat de vrijstelling slechts op bepaalde verkeersregels of -tekens betrekking kan hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1213

Conclusie

Nr. 11/04177

Mr. Vellinga

Zitting: 4 december 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem vrijgesproken van - kort gezegd - het primair tenlastegelegde lichamelijk letsel door schuld en wegens (subsidiair) overtreding van art. 5 WVW 1994 veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd euro, subsidiair tien dagen hechtenis.

2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 21 januari 2010 te Houten, althans in het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de weg, het Weerwolfspad, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

met de door hem bestuurde (politie-)motorfiets - terwijl hij geen gebruik maakte van optische en geluidssignalen - te rijden over genoemd Weerwolfspad terwijl deze weg/dit pad door middel van bord G 12a van Bijlage 1 van het RVV 1990 (duidelijk zichtbaar) is aangeduid als verplicht fiets/bromfietspad en/of (vervolgens) gekomen bij de kruising met de (eveneens als verplicht fiets/bromfietspad aangemerkte) Lobbendijk geen voorrang te verlenen aan een voor hem, verdachte, van rechts komende fietsster, terwijl hij, verdachte, reed met een hogere snelheid dan de aldaar (voor bromfietsen) toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, in elk geval heeft gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse (gezien de zichtsbeperking vanwege de hoge beplanting) verantwoord was, en/of (vervolgens) zijn motorfiets niet tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg te overzien en vrij was, waarna een aanrijding/botsing tussen de door hem, verdachte, bestuurde motorfiets en die fiets(ster) is ontstaan,

waardoor eerdergenoemde fietsster, genaamd [slachtoffer], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;"

4. Het Hof heeft de verdachte van dit primair tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe overwogen:

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren. Indien dat niet het geval is zal het hof oordelen over de vraag of de bewezen geachte feitelijke gedragingen kunnen worden aangemerkt als gedragingen waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Bij beantwoording van deze vragen, stelt het hof voorop dat verdachte ten tijde van de verweten gedraging werkzaam was als politieambtenaar in de zin van artikel 3, eerste lid sub a, van de Politiewet 1993. Op hem was derhalve van toepassing de beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 maart 1994, nummer, RVR 172392, houdende vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarbij onder meer wordt bepaald dat:

- aan de politieregio's ten behoeve van voornoemde politieambtenaren vrijstelling wordt verleend van de bepalingen van het RVV 1990;

- aan de uitoefening van de bevoegdheden, ontleend aan de vrijstelling, de volgende voorschriften worden verbonden:

a. de veiligheid van het verkeer dient zoveel mogelijk te worden gewaarborgd;

b. van de vrijstelling mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit voor de uitvoering van de opgedragen taken noodzakelijk is.

Op grond van en overtuigend bewezen dat verdachte:

- met een politiemotorfiets, zonder gebruik te maken van optische en geluidssignalen, op een verplicht fietspad heeft gereden,

- zijn politiemotorfiets niet tot stilstand heeft weten te brengen binnen de afstand waarover de weg te overzien en vrij was.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte met zijn motorfiets op dat fietspad reed in het kader van een verkeerscontrole van bromfietsen en derhalve op dat punt op goede gronden gebruik maakte van de hiervoor weergegeven vrijstelling. Dit is ook de reden dat het hof, anders dan de rechtbank, niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte geen voorrang heeft verleend aan een voor hem van rechts komende fietsster. Ingevolge de vrijstelling behoefde verdachte de van rechts komende fietsster immers geen voorrang te verlenen.

Anders dan de rechtbank acht het hof van de tenlastelegde feitelijke gedragingen evenmin bewezen dat verdachte met een hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse, gezien de gezichtsbeperking vanwege de hoge beplanting en voor de uitvoering van de op dat moment aan hem opgedragen taak, verantwoord was. Het hof overweegt daartoe dat uit de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep in samenhang met de verklaring van de getuige [getuige 1] en de zich in het dossier bevindende foto's volgt dat verdachte de van rechts komende fietser reeds op 20 tot 30 meter afstand van de kruising heeft waargenomen. Met de door verdachte gereden snelheid (30 km/h = 8,3 m/s) betekent dat, dat hij vanaf de plek waarop hij de fietsster heeft waargenomen voldoende gelegenheid had om zijn motorfiets tijdig voor de kruising tot stilstand te brengen. Verdachte heeft echter verklaard dat hij niet wist of de fietsster reed of stilstond. Verdachte heeft, naar het oordeel van het hof, daarop niet adequaat gereageerd want hij heeft gelet op de afstand tot de kruising zich onvoldoende vergewist wat de fietsster deed en is doorgereden terwijl de mogelijkheid bestond dat de fietsster zich (nog) op het kruisingsvlak bevond op het moment dat verdachte bij de kruising zou zijn aangekomen.

De vraag is vervolgens of de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten tegen dat wat van een politiemotorrijder in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Het hof is van oordeel dat in dit geval weliswaar aan verdachte kan worden verweten dat hij zijn motorfiets niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover de weg te overzien en vrij was, maar dat die gedraging in dit geval niet zodanig ernstig is dat deze oplevert een verwijtbaarheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat zou bijvoorbeeld anders zijn indien bewezen kon worden dat verdachte met een onverantwoord hoge snelheid zou hebben gereden en daarin de oorzaak zou hebben gelegen van het niet tijdig tot stilstand brengen van zijn motorfiets, maar dat is, zoals hiervoor overwogen, juist niet het geval. Gelet hierop acht het hof niet bewezen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde feit behoort te worden vrijgesproken.

De volgende vraag is of de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen vallen aan te merken als gedragingen waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt of het verkeer op die weg werd gehinderd in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarvan is naar het oordeel van het hof sprake. Verdachte heeft met zijn motorfiets zonder optische en geluidssignalen op een verplicht fietspad gereden. Dit gedrag is op zichzelf niet zonder risico's omdat verdachte rekening moet houden met het feit dat andere weggebruikers hierop niet anticiperen. In dat licht kan hem worden aangerekend dat hij zijn motorfiets niet tot stilstand heeft weten te brengen binnen de afstand waarover de weg te overzien en vrij was. Op grond hiervan acht het hof het subsidiair tenlastegelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5. Het middel houdt in dat het Hof door te overwegen dat de verdachte rijdende op een politiemotorfiets zonder gebruik te maken van optische en geluidssignalen op een verplicht fietspad op goede gronden gebruikmaakte van de vrijstelling welke is vervat in de door het Hof genoemde beschikking, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip noodzakelijk als genoemd in die beschikking.

6. De tekst van de onderwerpelijke beschikking luidt voor zover hier van belang:

"De Minister van Verkeer en Waterstaat

(...)

Gelet op artikel 88 van het RVV1990;

BESLUIT

I in te trekken de beschikking van 16 februari 1977, nummer RVT 11382;

II aan de regio's (regionale politiekorpsen) ten behoeve van de bij hen in dienst zijnde ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Politiewet 1993 en aan de Minister van Justitie ten behoeve van de bij het Korps landelijke politiediensten werkzaam zijnde ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Politiewet 1993 alsmede ten behoeve van de bijzondere ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Politiewet 1993, vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het RVV 1990.

III aan de uitoefening van de bevoegdheden, ontleend aan de vrijstelling, de volgende voorschriften te verbinden:

a. de veiligheid van het verkeer dient zoveel mogelijk te worden gewaarborgd;

b. van de vrijstelling mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit voor de uitvoering van de opgedragen taken noodzakelijk is."

7. De toelichting op deze beschikking houdt - voor zover hier van belang - in:

"Voor bestuurders van een voorrangsvoertuig (motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29 van het RVV 1990) is thans in artikel 91 van het RVV 1990 bepaald, dat zij mogen afwijken van de voorschriften van het RVV 1990, voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. Voor deze categorie is dan ook geen ontheffing (vrijstelling) meer noodzakelijk.

De aan de politie opgedragen taken worden evenwel niet alleen uitgevoerd met voorrangsvoertuigen, maar ook met andere voertuigen, te voet of te paard. In voorkomende gevallen kan het ook tijdens de uitvoering van die taken noodzakelijk zijn dat van de bepalingen van het RVV 1990 moet worden afgeweken. De beschikking van 16 februari 1977 dient dan ook juist voor die taken te worden aangepast.

Omdat het ondoenlijk is om elke denkbare situatie te omschrijven en weer te geven in de nieuwe politie-vrijstelling, is gekozen voor een algehele vrijstelling van de bepalingen van het RVV 1990.

Deze keuze wordt verantwoord geacht, omdat de schijnbaar grote mate van vrijheid die aan de politie wordt gegeven om verkeersregels, onder omstandigheden, te mogen negeren, in aanzienlijke mate wordt ingeperkt door artikel 25 van de Wegenverkeerswet (artikel 4 van de Wegenverkeerswet 1994). Het gebruik van de vrijstelling wordt bovendien beperkt door de daaraan verbonden voorschriften. Daarnaast hebben de korpsbeheerders van de regionale politiekorpsen en de Minister van Justitie de mogelijkheid om nadere regels te stellen om het gebruik van de vrijstelling te reguleren."

8. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte op goede gronden gebruikmaakte van de hiervoor weergegeven vrijstelling omdat hij een verkeerscontrole uitvoerde op bromfietsen. In aanmerking genomen dat sprake was van een vrijliggend fietspad zou ik dit oordeel van het Hof wel aldus willen verstaan dat het voor de verdachte ter controle van op dat fietspad rijdende bromfietsen noodzakelijk was het voor hem geldende verbod op dat fietspad te rijden (art. 62 lid 1 jo. 10 lid 1 RVV1990 jo. bord G11 bijlage II) te overtreden. In zoverre geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet van het begrip noodzakelijk in de zin van de hiervoor weergegeven beschikking.

9. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte op goede gronden gebruik maakte van het verplichte fietspad meebrengt dat verdachte ingevolge bedoelde vrijstelling geen voorrang behoefde te verlenen aan de van rechts komende fietsster. Bij gebreke van enige nadere motivering ligt hierin niet besloten dat overtreding van de voorrangsregels ter uitoefening van bedoelde verkeerscontrole noodzakelijk was in de zin van bedoelde beschikking. Zonder nadere motivering die ontbreekt valt immers niet in te zien waarom aan de onderhavige verkeerscontrole in de weg stond dat de verdachte aan de voor hem van rechts komende fietsster voorrang verleende.

10. Mogelijk heeft het Hof in aanmerking genomen dat de bromfietser achter wie de verdachte aanreed, zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, behoorlijk pittig reed, maar daarmee is bedoelde noodzaak nog niet gegeven. Die noodzaak kan immers niet los worden gezien van de aard van het te negeren ge- of verbod en het daaraan in de concrete omstandigheden van het geval verbonden gevaar, in casu het negeren van de voorrangsplicht zonder dat voor andere weggebruikers kenbaar is dat in afwijking van de voorrangsregels aanspraak wordt gemaakt op voorrang. Er dient een redelijke verhouding te bestaan tussen het 'voordeel' verbonden aan overtreding van een verkeersregel en het daardoor veroorzaakte gevaar, anders valt van noodzaak niet te spreken.

11. Het in casu aan het negeren van de voorrangsplicht verbonden gevaar is door het Hof onderkend. Het Hof overweegt immers dat verdachtes gedrag - met zijn motorfiets zonder optische en geluidssignalen op een verplicht fietspad rijden - op zichzelf niet zonder risico's is omdat verdachte er rekening mee moet houden dat andere weggebruikers hierop niet anticiperen. Niettemin heeft het Hof dat gevaar niet betrokken bij zijn oordeel of het voor verdachte noodzakelijk was de voorrangsregels te overtreden.

12. Kennelijk was het Hof er toch niet van overtuigd dat het voor verdachte voor de uitoefening van de opgedragen taken noodzakelijk was de voorrangsregels te overtreden. Ter motivering van de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde overweegt het Hof immers dat de verdachte kan worden aangerekend dat hij zijn motorfiets niet tot stilstand heeft weten te brengen binnen de afstand waarover de weg te overzien was en deze vrij was. Dat verwijt valt de verdachte alleen te maken als hij verplicht was de fietsster voorrang te verlenen. Hij reed immers zoals het Hof heeft vastgesteld ter plaatse niet te snel en kon zijn motorfiets tijdig voor de kruising tot stilstand brengen.

13. Mogelijk moet het oordeel van het Hof ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde in het licht van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen aldus worden begrepen dat verdachte, gelet op het feit dat hij niet kenbaar maakte in zijn ogen niet gebonden te zijn aan de voorrangsregels, zijn voertuig tot stilstand had moeten brengen en ook had kunnen brengen toen voor hem duidelijk werd dat de fietsster hem wellicht geen voorrang zou verlenen. Of de verdachte op dat ogenblik zijn voertuig nog tijdig tot stilstand kon brengen laat het Hof echter in het midden.

14. In het voorgaande ben ik er - met het Hof - vanuit gegaan dat de onderhavige beschikking van toepassing is op de voorrangsregels en dat de onderhavige beschikking dus betekent dat een politieambtenaar die van de in de beschikking geregelde vrijstelling gebruik kan maken, bevrijd is van de verplichting voorrang te verlenen aan voor hem van rechts komend verkeer (art. 15 lid 1 RVV1990). Vanzelfsprekend is dit echter niet.

15. Art. 91 RVV1990 bepaalt dat bestuurders van voorrangsvoertuigen - voertuigen die optische en geluidssignalen voeren als bedoeld in art. 29 RVV1990, te weten een blauw zwaai -, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn - mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit. Bestuurders van voorrangsvoertuigen mogen dus afwijken van de voorrangsregeling (art. 15 lid 1 RVV1990) of van de verplichting bij het afslaan verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat zich op dezelfde weg naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt voor te laten gaan (art. 18 lid 1 RVV1990). Tegenover deze vrijstelling staat de verplichting van andere weggebruikers om bestuurders van een voorrangsvoertuig voor te laten gaan (art. 50 RVV1990).

16. Op een bestuurder van een politievoertuig die op goede gronden gebruik maakt van de onderhavige ontheffing, rust niet de verplichting bestuurders van rechts voor te laten gaan. Daarentegen rust op laatstgenoemde bestuurders - anders dan ten aanzien van voorrangsvoertuigen is bepaald - niet de verplichting de bestuurder van dat politievoertuig voor te laten gaan. Voor laatstgenoemde bestuurders is - bij gebreke van het voeren van optische en geluidsignalen - ook niet kenbaar dat door een bestuurder van een politievoertuig gebruik wordt gemaakt van de onderhavige ontheffing. Het gebruikmaken van een ontheffing schept dus, anders dan bij voorrangsvoertuigen het geval is, een onduidelijke verkeerssituatie die de verkeerswetgever bij voorrangsvoertuigen heeft voorkomen.

17. Een en ander doet de vraag rijzen of de wet wel ruimte laat om bij besluit ontheffing te verlenen van de in het RVV vervatte verplichtingen andere bestuurders voor te laten gaan. Deze vraag is temeer van belang nu in de schriftuur wordt opgemerkt dat het onderhavige cassatieberoep voor de praktijk van belang is teneinde meer duidelijkheid te krijgen over de vraag in welke concrete gevallen bevoegdheden kunnen worden ontleend aan de politievrijstelling en in welke gevallen die bevoegdheden worden beperkt door de strafbepalingen ingevolge de Wegenverkeerswet 1994.

18. Art. 138 RVV1966 oud voorzag - evenals zijn voorganger, art. 123 WVR - in ontheffing van bepalingen van dat reglement. Deze bepaling luidde:

"Door of vanwege het in artikel 132 bedoelde gezag kan ontheffing worden verleend van het bepaalde in artikel 8, voorzover het betreft de verkeerstekens 11, 12, 14, 16-38, 46-53, 57, 59-62 van bijlage II en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 122, eerste en derde lid, 125, 126, 128 en 129, alsmede van het bepaalde in de artikelen 18, eerste lid, 19, eerste lid, 20, 21, 26, 27, 28, 29, tweede lid, 53, 80, eerste lid, 81, tweede lid aanhef en onder a, d, e, f en i, 83 aanhef en onder c, d en f, 84, eerste lid, 85, 87, eerste lid, 88, 92, 93 aanhef en onder c en d, 94, 95, 96, eerste lid, en 97.

In de gevallen bedoeld in artikel 137 kan de ontheffing eveneens worden verleend door of namens de wegbeheerder of de eigenaar van de weg.

2. Aan die ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.

3. Onze minister kan regelen stellen betreffende de voorwaarden waaronder de ontheffing kan worden verleend.

4. Onze Minister kan van de bepalingen van dit reglement ontheffing verlenen voor het gebruik van de weg ten behoeve van openbare of door Onze Minister daarmede gelijk te stellen diensten. Van een dergelijke ontheffing wordt mededeling gedaan in de Nederlandse Staatscourant.

5. Van een beslissing betreffende een ontheffing staat beroep op Ons open op de voet van het bepaalde in artikel 135. Met een beslissing wordt een weigering om te beslissen gelijk gesteld. Het niet nemen van een beslissing binnen redelijke tijd wordt als een weigering beschouwd."

In ontheffing van verplichtingen andere bestuurders voor te laten gaan voorzag lid 1 van deze bepaling niet.

19. Art. 138 RVV1966 (oud) is opgevolgd door de art. 87 (oud) en 88 (oud) RVV1990. Deze bepalingen luiden:

HOOFDSTUK VI ONTHEFFINGEN EN VRIJSTELLINGEN

Paragraaf 1. Algemeen

87. Door het bevoegde gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen 3, eerste lid, 4 tot en met 8, 10, 23, onderdelen b, c, f en g, 24, onderdelen a, b,d en e, 25, 42, 43 en 53 alsmede artikel 62 voor zover het betreft de verkeersborden C1, C2, C4, C6 tot en met C21, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, E6, E7, F7, G1, G3, G7, G9, G11 en G13 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 76, 77, 78, voor zover het lijnbussen betreft, en 81.

Paragraaf 2. Openbare diensten

88. Onze Minister kan van de bepalingen van dit besluit vrijstelling verlenen ten behoeve van openbare diensten of diensten die door Onze Minister daarmee zijn gelijkgesteld.

20. De nota van toelichting op deze bepalingen hield in:

Artikel 87

Deze bepaling vervangt artikel 138, eerste lid, van het RVV 1966. In verband met het laten vervallen van diverse bepalingen in het oude reglement komen er in het RVV 1990 minder bepalingen voor ontheffing in aanmerking. Met enkele uitzonderingen houdt artikel 87 geen materiële wijzigingen in ten opzichte van de oude bepaling. Die uitzonderingen betreffen de navolgende punten. In de eerste plaats is in tegenstelling tot het RVV 1966 aan het bevoegde gezag de bevoegdheid toegekend ontheffing te verlenen van de in artikel 3, eerste lid, van het RVV 1990 vervatte verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden. Bij het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden, zoals het ophalen van huisvuil, kan niet onder alle omstandigheden aan het betrokken voorschrift worden voldaan. Voor zover het gaat om diensten als bedoeld in artikel 88 is tot dusverre door de Minister van Verkeer en Waterstaat van het betrokken voorschrift ontheffing verleend. Gezien de grote verschillen van plaats tot plaats is het echt beter deze bevoegdheid toe te kennen aan de wegbeheerder. De tweede wijziging betreft de voorsorteerstroken. Dit punt wordt bij artikel 88 toegelicht. In de derde plaats is er ter zake van de artikelen 23, eerste lid onder e, 24, eerste lid onder c en 46 van een ontheffingsmogelijkheid in tegenstelling tot het RVV 1966 afgezien. De verkeersveiligheid staat niet toe dat in de onderhavige gevallen van het eerbiedigen van de betrokken voorschriften zou mogen worden afgezien.

Met de term <<het bevoegde gezag>> wordt gedoeld op het in het BABW ter zake aangewezen gezag. Verwezen wordt naar artikel 1, onderdeel h, van het RVV 1990. In verband met deze aanduiding kan de tweede volzin van het eerste lid van artikel 138, oud, vervallen.

Ter zake van beslissingen inzake ontheffingen is van Kroonberoep afgezien. Gelet op de aard van de beslissingen wordt een beleidstoetsing niet langer nodig geoordeeld, zodat met een rechtmatigheidstoetsing op basis van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen kan worden volstaan. Uiteraard is het aan de Afdeling rechtspraak van de Raad van State om te beoordelen of een beslissing inzake een ontheffing als een beschikking in de zin van vorengenoemde wet kan worden aangemerkt.

(...)

Artikel 88

Dit artikel komt in de plaats van artikel 138, vierde lid, eerste volzin, van het RVV. In plaats van <<ontheffing>> wordt hier gesproken van <<vrijstelling>>. Laatst bedoelde term is meer geschikt het karakter van dit voorschrift uit te drukken.

De Minister van Verkeer en Waterstaat blijft de bevoegde autoriteit om vrijstellingen te verlenen ten behoeve van openbare en daarmee gelijkgestelde diensten. Een uitzondering wordt echter gemaakt ten aanzien van de voorsorteerstroken. In de praktijk wordt vaak aan buschauffeurs toegestaan op een rechtsafvak rechtdoor te rijden ingeval pal na het kruispunt aan de rechterzijde een bushalte is gelegen. De vraag of zulks kan worden toegestaan is zozeer afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse (zoals de snelheid en de intensiteit van het verkeer) dat beoordeling door de lokale wegbeheerder aangewezen is. Vandaar dat in artikel 87 niet langer de minister wordt genoemd, maar het bevoegde gezag.

Het is niet langer nodig geoordeeld van vrijstellingen als bedoeld in artikel 88 mededeling te doen in de Staatscourant. Degene aan wie de vrijstelling is verstrekt en het personeel ten behoeve waarvan de vrijstelling is verleend zullen het document waaruit de vrijstelling blijkt bij zich moeten dragen -zulks zal in de voorschriften die aan de vrijstelling zullen worden verbonden worden bepaald- zodat de politie kan controleren of de overtreding van een bepaling waarvan vrijstelling is verleend rechtmatig is begaan. Bedoelde informatie behoeft derhalve niet uit de Staatscourant te worden verkregen. Op grond van het vorenstaande kan de tweede volzin van artikel 138, vierde lid, oud, vervallen(1)

21. De onderhavige beschikking is blijkens de considerans gebaseerd op artikel 88 oud RVV1990. Deze bepaling is bij besluit van 16 november 1994, Stb. 815 komen te vervallen. Sindsdien wordt in de Wegenverkeerswet1994 voorzien in een regeling voor vrijstelling en ontheffing. Daarvan luidde art. 147 ten tijde van de totstandkoming:

Onze Minister kan van het bepaalde bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vrijstelling verlenen voor het gebruik van de weg ten behoeve van openbare of door Onze Minister daarmee gelijk te stellen diensten.

De memorie van toelichting houdt over deze bepaling in:

"Gehandhaafd is de bevoegdheid van de Minister van Verkeer en Waterstaat om voertuigen of verkeersdeelnemers als categorie of als groep uit te zonderen van bij of krachtens de wet vastgestelde regels. In afwijking van de vigerende wetgeving, die in dit verband de term ontheffing bezigt, wordt in de Wegenverkeerswet 1992 daarvoor de thans meer gangbare term vrijstelling geïntroduceerd.(2)

Thans luidt artikel 147 voor zover van belang:

Onze Minister kan, met inachtneming van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, van het bepaalde krachtens deze wet vrijstelling verlenen voor het gebruik van de weg ten behoeve van openbare of door Onze Minister daarmee gelijk te stellen diensten.

Voor de goede orde merk ik op dat in ontheffing wordt voorzien bij het bepaalde in art. 149 WVW1994 jo. art. 87 RVV1990.

22. Het valt op dat art. 147 WVW1994 in tegenstelling tot art. 88 (oud) RVV1990 en de memorie van toelichting op eerstgenoemde bepaling niet spreekt van het verlenen van vrijstelling van het bepaalde bij of krachtens algemene maatregel van bestuur c.q. van het bepaalde krachtens deze wet maar van het verlenen van vrijstelling voor het gebruik van de weg, dus van vrijstelling van die voorschriften die betrekking hebben op het gebruik van de weg. De vraag rijst dus wat de wetgever met deze beperking op het oog had.

23. Volgens de nota van toelichting op art. 87 (oud) RVV1990 is het niet gewenst dat die Minister, zoals tot dusverre onder het RVV1966 het geval was, ontheffing verleent van de verplichting zoveel mogelijk rechts te houden. Daarom is die bevoegdheid toegekend aan de wegbeheerder. Met die opmerking in de nota van toelichting wekt de wetgever de indruk dat de Minister, hoewel dat niet uitdrukkelijk is bepaald, slechts vrijstelling kan verlenen van de in art. 87 lid 1 RVV genoemde voorschriften.

24. Art. 87 (oud) RVV1990 voorziet slechts in ontheffing door het bevoegd gezag van de daar omschreven bepalingen en verkeerstekens. Daar zijn geen bepalingen en verkeerstekens bij die bestuurders verplichten andere weggebruikers voor te laten gaan. De in artikel 87 genoemde bepalingen en verkeerstekens hebben met name betrekking op het gebruik van de weg, zoals art. 3 lid 1 (rechts houden), 4 en 5, leden 1 en 2, 6, leden 1-3, 8 en 10 (gebruik trottoir, en fietspad en rijbaan), 23 lid1, 24 - 26, 46 (stilstaan en parkeren), 42, 43 (gebruik autosnelwegen en autowegen) 53 (slepen), 61b (vervoer van personen), 62 (naleving van een aantal verkeerstekens).

25. Uit een en ander vloeit voort dat het bezigen van de term 'gebruik' in art. 147 WVW1994 niet zonder betekenis is. Kennelijk is het met deze term beoogd de vrijstelling inderdaad te beperken tot voorschriften die betrekking hebben op het gebruik van de weg, zoals deze met name zijn opgesomd in art. 87 (oud) RVV1990, en die vrijstelling geen betrekking te laten hebben op voorschriften die de verplichting inhouden andere bestuurders voor te laten gaan, dus op voorschriften die betrekking hebben op de interactie tussen weggebruikers.

26. Voor deze uitleg pleit ook dat de wetgever een aparte voorziening heeft getroffen voor het bevrijden van bestuurders van de verplichting andere weggebruikers voor te laten gaan. Die voorziening is beperkt tot de bestuurders van de zogenaamde voorrangsvoertuigen (art. 50. jo. 1an RVV1990). Daarmee strookt niet dat de Minister met voorbijgaan van die wettelijke regeling ontheffing zou kunnen verlenen van de verplichting andere weggebruikers voor te laten gaan ook al voert het motorvoertuig niet de optische en geluidssignalen als bedoeld in art. 29 RVV1990. Het ligt immers niet voor de hand dat de wetgever de Minister de gelegenheid heeft willen geven vrijstelling te geven van voorschriften waarvoor de wetgever zelf al een vrijstellingsregeling heeft geschapen. Dit klemt temeer omdat tegenover een dergelijke vrijstelling van de verplichting andere bestuurders (art. 15 RVV1990) c.q. verkeer (art. 18 RVV1990) voor te laten gaan niet de verplichting staat voor andere bestuurders voertuigen behorende tot de dienst aan welke die vrijstelling is verleend, voor te laten gaan.

27. Uit een en ander gelezen in onderling verband en samenhang moet worden afgeleid dat onder het verlenen van vrijstelling voor het gebruik van de weg als bedoeld in art. 147 WVW1994 niet is begrepen het verlenen van vrijstelling van bepalingen en verkeerstekens die betrekking hebben op de interactie tussen weggebruikers zoals voorschriften die weggebruikers verplichten andere bestuurders voor te laten gaan. Dat betekent dat de onderhavige beschikking, die immers niet beperkt is tot het verlenen van vrijstelling van voorschriften die betrekking hebben op het gebruik van de weg, wettelijke grondslag mist en derhalve niet rechtsgeldig is.

28. In de toelichting op de onderhavige beschikking wordt gesteld dat de bij de beschikking gegeven algemene vrijstelling is ingegeven door de omstandigheid dat het ondoenlijk is om elke denkbare situatie te omschrijven en weer te geven in de nieuwe politievrijstelling. Overtuigend acht ik deze redengeving niet. Het moet toch mogelijk zijn op de algemene vrijstelling een uitzondering te maken voor die voorschriften die bepalen of men een ander voor moet laten gaan en de algemene vrijstelling zo te beperken tot voorschriften die betrekking hebben op het gebruik van de weg. Bestaat de noodzaak voorschriften die bepalen of een ander voor moet gaan te negeren, dan moeten de 'toeters en bellen' eraan te pas komen en is ook voor andere weggebruikers duidelijk dat zij het politievoertuig voor moeten laten gaan. Het hoeft geen betoog dat daarmee de verkeersveiligheid is gediend. In dit verband wijs ik nog op de nota van toelichting op art. 87 (oud) RVV1990(3) waarin de wetgever uiteenzet dat van enkele voorschriften de ontheffingsmogelijkheid komt te vervallen omdat de verkeersveiligheid niet toestaat dat van het eerbiedigen van die voorschriften zou mogen worden afgezien.

29. Het middel slaagt.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Stb. 1990, 459, p. 136, 137.

2 Kamerstukken II 22030, nr. 3, p. 141.

3 Stb. 1990, 459, p. 137.