Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY9084

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
12/06012
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2097
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie in belang der wet; niet-ontvankelijkheid; art. 78 lid 6 RO. Vordering verhuurder tot ontruiming na overlijden huurder; erfgenamen onbekend. Wijze van dagvaarden van onbekende erfgenamen. Niet-toepasselijkheid art. 53 en art. 54 lid 2 Rv. Mogelijkheid tot benoeming vereffenaar, art. 4:204 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/883
WR 2013/81
mr. Gardenbroek annotatie in JHV 2013/89

Conclusie

Zaaknr. 12/06012 CW2682

Mr. Huydecoper

Parket, 28 december 2012

Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake

de stichting Stichting Ymere

tegen

de gezamenlijke erven van [betrokkene 1]

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

De Stichting Ymere, of kortweg: Ymere, is een "toegelaten" instelling, werkzaam in het belang van de volkshuisvesting, als bedoeld in art. 70 van de Woningwet. Zij legt zich vooral toe op de verhuur van betaalbare woonruimte aan inwoners van Amsterdam die aan zulke woonruimte behoefte hebben. [Betrokkene 1] was een van Ymere's huursters. Zij huurde een woning aan de [a-straat 1] in Amsterdam. Daar woonde zij alleen, op het ogenblik dat zij, op 14 april 2008, kwam te overlijden.

2. Van [betrokkene 1] zijn geen nabestaanden of erfgenamen anderszins bekend.

Art. 7:268 lid 6 BW voorziet er in dat, wanneer een huurder overlijdt en er geen medehuurders zijn of andere personen die met de huurder een gemeenschappelijke huishouding voerden, de huur aan het eind van de tweede maand na het overlijden eindigt(1). De verplichiting om het gehuurde weer aan de verhuurder ter beschikking te stellen, nader geregeld in art. 7:224 lid 1 BW, wordt op dat ogenblik (dus) effectief.

3. In het geval van een huurder die zonder huisgenoten en zonder bekende erfgenamen overlijdt, en waarvan zich dus ook geen erfgenamen melden of kunnen worden opgespoord, wordt allicht aan de hier bedoelde verplichting geen gevolg gegeven.

Aan de kant van verhuurders bestaat de begrijpelijke behoefte om in het hier beschreven geval op zo kort mogelijke termijn over het gehuurde te kunnen beschikken: aanhouden daarvan met het oog op woonbehoeften van de overleden huurder of diens nabestaanden heeft geen zin, en er bestaat een voor de hand liggend belang bij het "vrij krijgen" van de woning met het oog op de huisvesting van andere woningzoekenden. Als er geen bekende erfgenamen zijn, dient zich echter niemand aan die op de verplichting tot het weer ter beschikking stellen van de woning kan worden aangesproken.

4. Men begrijpt geredelijk dat er in de hier aan de orde zijnde situatie behoefte bestaat aan de mogelijkheid om een vordering tegen de nagelaten betrekkingen van de overledene, en wel op korte termijn en met een zo gering mogelijke aanwending van formaliteiten, aan de rechter voor te leggen, teneinde een titel te verkrijgen die de rechtmatige ontruiming van het gehuurde mogelijk maakt. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid van betekening van een dagvaarding aan de (onbekende) erven van overleden huurders zoals [betrokkene 1]: als men de verschillende mogelijkheden naloopt die art. 53 Rv. met het oog op betekening aan (deels) onbekende erfgenamen biedt, kan geen daarvan in het geval dat wij hier voor ons hebben, worden toegepast.

5. Wel biedt de wet - in art. 4:204 BW - de mogelijkheid dat over een opengevallen nalatenschap een vereffenaar wordt aangesteld. Betekening aan de gezamenlijke erfgenamen kan dan aan (de persoon of woonplaats van) de vereffenaar worden gedaan. Die mogelijkheid betekent echter voor verhuurders zoals Ymere een niet onaanzienlijke belasting, en daarmee is ook een relevant tijdsverloop gemoeid, en een navenant oponthoud bij het "vrij krijgen" van de woningen in kwestie(2). Daarom kan men begrijpen dat ("sociale") verhuurders zoals Ymere tegen het bewandelen van deze weg opzien.

6. In de onderhavige zaak heeft Ymere, à la barbe van de regels zoals die in art. 53 Rv. zijn neergelegd, een dagvaarding in kort geding laten betekenen aan de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1] ineens, zonder aanduiding van hun namen en woonplaatsen, aan de laatste woonplaats van [betrokkene 1] - te weten, de gehuurde woning aan de [a-straat 1]. De betekening werd ook in een in Amsterdam verschijnend dagblad per advertentie bekend gemaakt.

In de eerste aanleg oordeelde de voorzieningenrechter (kantonrechter) dat de aldus betekende dagvaarding als nietig moest worden gekwalificeerd, en besliste hij dienovereenkomstig.

7. Op het namens Ymere ingestelde hoger beroep - waarin de gedagvaarde erven, evenals in de eerste aanleg, niet waren verschenen - heeft het hof echter bij arrest van 20 januari 2009 beslist dat Ymere een in rechte te respecteren belang had bij de mogelijkheid om een vordering tegen de erven-[betrokkene 1] in te stellen en daarvoor een rechtsingang te vinden; en dat mogelijkheden ontbreken om langs andere weg te dagvaarden dan de weg, voorzien in art. 54 lid 2 Rv.

In art. 54 lid 2 Rv. gaat het, zoals bekend, om betekening aan personen met onbekende woon- of verblijfplaats; maar omdat van deze personen wel de naam moet worden vermeld, komt die bepaling in het onderhavige geval (ook) niet voor rechtstreekse toepassing in aanmerking.

8. In het bedoelde arrest oordeelde het hof vervolgens dat in dit geval aan de eisen van art. 54 lid 2 Rv. was voldaan, en dat daarom verstek tegen de niet-verschenen erven kon worden verleend. Dat heeft het hof dan ook gedaan, en aansluitend geoordeeld dat de vorderingen van Ymere (die strekten tot verkrijging van een bevel tot ontruiming van de gehuurde woning) voor toewijzing in aanmerking kwamen.

Cassatieberoep in het belang der wet en ontvankelijkheid

9. Tegen het arrest van het hof is geen gewoon rechtsmiddel aangewend. Het betreft hier een verstekarrest waarvan, naar mag worden aangenomen, al zeer geruime tijd geleden volledige tenuitvoerlegging heeft plaatsgehad. Daarom mag ook worden aangenomen dat de in art. 143 Rv. bepaalde termijn voor verzet reeds lang is verstreken. Ik veroorloof mij de opmerking dat uit het ontbreken van enige reactie van erven van wijlen [betrokkene 1] ook mag worden afgeleid dat dezen er blijk van geven, geen aanspraak op de nalatenschap te maken en (bij voorbaat) af te zien van maatregelen terzake(3).

10. Dat zo zijnde, ben ik ervan uitgegaan dat in dit geval is voldaan aan het vereiste dat art. 78 lid 6 RO voor een cassatieberoep in het belang der wet stelt: te weten, dat er voor de partijen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat(4).

Rekening houdend met de mogelijkheid dat de Hoge Raad daarover anders oordeelt, veroorloof ik mij nog de suggestie van een enkele overweging ten overvloede over de problemen die ik met het onderhavige cassatieberoep aan de orde wil stellen(5).

11. In kringen van beroepsbeoefenaren die met enige regelmaat te maken hebben met problemen zoals die in deze zaak door het hof werden beoordeeld, wordt over de door het hof beoordeelde vraag verschillend geoordeeld. In het bijzonder hebben de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders en de Koninklijke Notariële Broederschap daarover adviezen in verschillende zin uitgebracht(6).

Ook de rechtsgeleerde literatuur geeft blijk van uiteenlopende meningen over de voor dit geval toepasselijke rechtsleer(7).

In die omstandigheden heb ik het aangewezen geoordeeld, de vraag die in het arrest van het Amsterdamse hof in de zaak Ymere/erven [betrokkene 1] werd beoordeeld, langs de weg van cassatieberoep in het belang der wet aan de Hoge Raad voor te leggen.

De rechtsleer over het onderwerp van deze zaak

12. Art. 53 Rv. heeft de thans geldende inhoud gekregen bij de wet van 3 juli 1985, S. 384.

Voordien bepaalde art. 4, aanhef en onder 6º Rv. dat ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene betekening aan de laatste woonplaats van de overledene mogelijk was, zonder "uitdrukking" van de namen of woonplaatsen van de erfgenamen; mits de betekening gebeurde binnen een jaar na het overlijden.

13. Blijkens de Parlementaire geschiedenis van de wet van 3 juli 1985 was de regering van mening dat de bestaande regeling onvoldoende waarborgen bood dat exploten "aan het sterfhuis" tijdig ter kennis van de erfgenamen zouden komen als er niemand meer ter plaatse woonde die iets van de familieomstandigheden van de gestorvene wist. Om die reden werd in de regeling de beperking opgenomen dat er wel nog een partner of één van een beperkt aantal familieleden ter plaatse moest wonen. Om tegemoet te komen aan de moeilijkheden die dit voor wederpartijen van de overledene zou opleveren, werden tegelijk de nieuwe betekeningsmogelijkheden die men nu in art. 53 Rv. onder b. en c. aantreft, toegevoegd(8).

14. Wij hebben hier dus te doen met een keus die de wetgever in het nog betrekkelijk recente verleden heeft gemaakt, en waarbij terdege onder ogen is gezien dat die keus voor wederpartijen van degenen die zonder huisgenoten en zonder bekende erfgenamen na te laten waren overleden, wezenlijke problemen zou opleveren. Aan de moeilijkheden die men in dit opzicht onderkende, is dan ook in een aantal opzichten tegemoet gekomen.

15. De mogelijkheden voor dagvaarding van (groepen van) personen wier namen niet gemakkelijk te achterhalen waren, is ook overigens bij de wetswijziging van 1985 in verschillende varianten onder ogen gezien. Bij die wet is de regeling voor het "anoniem" dagvaarden van "krakers", thans neergelegd in art. 45 lid 3 Rv., in art. 4, aanhef en onder 12º Rv. opgenomen. De wet voorzag - in art. 4, aanhef en onder 7º sub (2) Rv., al in de "anonieme" dagvaarding van de niet te boek gestelde houders van bepaalde waardepapieren. Het daarop mede betrekking hebbende art. 126 Rv. is bij de wet van 1985 herzien.

16. Met die gegevens voor ogen gaat het mij te ver om aan te nemen dat wij hier - dat wil zeggen: in de situatie waarover het arrest van het Amsterdamse hof gaat - te doen hebben met een geval dat de wetgever in 1985 niet (goed) heeft onderkend, en waarvoor het thans op de weg van de rechter ligt om de voorzieningen te treffen waar de wetgever destijds aan voorbij heeft gezien. Juist het geval van de overledene die geen huisgenoten of bekende erfgenamen nalaat, en waarvoor tot dan toe de mogelijkheid van dagvaarding aan "het sterfhuis" bestond, is expliciet onder ogen gezien. Juist voor dat geval heeft de wetgever geoordeeld dat de bestaande wettelijke mogelijkheid tekort schoot als het ging om de (bescherming van de) belangen van de onbekende erfgenamen, omdat die bij "anonieme" dagvaarding aan een adres waar niemand (meer) woonde die van de familieomstandigheden van de overledene op de hoogte was, een aanzienlijke kans liepen, niet tijdig over de plaatsgevonden betekening te worden ingelicht.

17. Is dan niet over het hoofd gezien dat in het hier bedoelde geval een mogelijkheid van betekening op - ongeveer - dezelfde voet als betekening aan personen zonder bekende woon- of verblijfplaats, moest worden overwogen? Vóór die gedachte is dit te zeggen, dat de wetsgeschiedenis er geen blijk van geeft dat die mogelijkheid aan de orde is geweest en dat de wetgever daar welbewust van af heeft gezien. Maar de weg van betekening die ik hier op het oog heb - ik denk dan natuurlijk, op het voetspoor van het hof in het in deze zaak spelende arrest, aan de mogelijkheid van art. 54 lid 2 Rv., in de wandeling bekend als de "openbare dagvaarding" - is, als het gaat om de waarborgen dat de geinsinueerde kennis krijgt van het te zijnen laste uitgebrachte exploot, op één lijn te stellen met het tot dan toe bestaande exploot aan het sterfhuis waar niemand meer woont die van de betrekkingen van de overledene op de hoogte is: de kans dat de erfgenamen niet (tijdig) worden bereikt is in beide gevallen bijzonder groot - en juist die kans heeft de wetgever bij het systeem van de tot dan toe geldende wet, in 1985 als té groot aangemerkt.

18. Dat zo zijnde ligt het niet voor de hand dat de wetgever, als die de in de vorige alinea bedoelde betekeningsmogelijkheid voor het onderhavige geval al over het hoofd mocht hebben gezien, ook zou hebben gekozen voor de oplossing die het hof in de onderhavige zaak heeft aanvaard: de ene hoogst ineffectieve weg van kennisgeving zou dan zijn "ingeruild" voor een andere, die qua effectiviteit niet noemenswaardig van de bestaande afweek, terwijl die wél met méér omhaal en hogere kosten gepaard ging(9).

19. Bovendien heeft de wetgever destijds, zoals wij zagen, wel degelijk aan verschillende varianten van betekening aan "anonieme" personen gedacht, en daarvoor in sommige gevallen ook oplossingen in de regelgeving geboden. Ook dat gegeven maakt het minder aannemelijk dat de wetgever aan het onderhavige geval niet zou hebben gedacht. En als dat misschien toch niet zo zou blijken te zijn, en wij ons dan moeten afvragen wat er gebeurd zou zijn als de wetgever wèl aan dat geval zou hebben gedacht, kom ik er weer op uit dat het mij onaannemelijk lijkt dat er een oplossing in de lijn van het arrest van het Amtserdamse hof zou zijn aanvaard.

20. De keus die de wetgever in 1985 heeft gemaakt - bezien vanuit het perspectief van deze zaak komt die neer op: de afschaffing van het instituut van de betekening-aan-het-sterfuis in gevallen waarin dat huis niet meer door een naaste van de overledene wordt bewoond -, is er (ook) niet een, die zich als ongerijmd of onvoldoende doordacht opdringt. Zoals de wetsgeschiedenis laat zien, berust die keus op een afweging tussen de belangen van de wederpartijen van de overledene enerzijds - belangen die natuurlijk met een eenvoudige wijze van betekening gediend zijn -, en de belangen van de onbekende erfgenamen anderzijds, die bedreigd worden wanneer betekening kan plaatsvinden op een manier waarbij de kans aanzienlijk is, dat zij daarvan niet tijdig op de hoogte raken.

21. Het gaat, is men geneigd te denken, om botsende belangen die beide om valabele redenen aanspraak maken op respectering. Dat het ene belang voorrang verdient boven het andere, dringt zich niet op. Zoals het hof in de onderhavige zaak heeft overwogen, hebben wederpartijen van overledenen een legitiem belang bij een deugdelijke rechtsingang - men denkt dan allicht (ook) aan het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op zo'n rechtsingang. Maar voor de aanspraak van de onbekende erven op inachtneming van zekere waarborgen dat er geen rechtsingang kan plaatsvinden waar zij niet met een redelijke mate van waarschijnlijkheid (tijdig) over worden ingelicht, geldt precies hetzelfde: ook hier gaat het om een alleszins legitiem belang, en ook hier zijn de in art. 6 EVRM tot uitdrukking komende beginselen aan de orde.

Ook in dit opzicht dienen zich dus geen redenen aan, waarom de door de wetgever in 1985 gemaakte keuze niet zou moeten worden gerespecteerd.

22. En tenslotte: het is niet zo dat aan de wederpartij van de overledene zonder huisgenoten en met onbekende erfgenamen, elke rechtsingang wordt onthouden: hij kan immers gebruik maken van de mogelijkheid, met toepassing van art. 4:204 BW de benoeming van een vereffenaar uit te lokken. Die weg is allicht minder aantrekkelijk dan de weg die het arrest van het hof in deze zaak aanwijst; maar het valt niet vol te houden dat deze weg een als onaanvaardbaar aan te merken hindernis oplevert voor de verwezenlijking van zijn aanspraken bij de rechter.

23. Het probleem dat deze zaak aan het licht brengt is, zoals enigszins voor de hand ligt, ook in andere landen ervaren en onder ogen gezien. de oplossing die men dan aantreft, is in dezelfde zin als hiervóór werd aangegeven: wederpartijen zijn aangewezen op de weg van benoeming van een vereffenaar (of daarmee vergelijkbare functionaris)(10).

24. Om de hiervóór besproken redenen denk ik dat de oplossing die in het arrest van het Amsterdamse hof is aanvaard, niet als goede toepassing van het geldende Nederlandse recht mag worden beschouwd. Ik zal dan ook in een primair voorgedragen cassatiemiddel de vernietiging, in het belang der wet, van de desbetreffende beslissing van het hof vorderen.

25. Wanneer men, op het voetspoor van het hiervóór besprokene, tot de slotsom komt dat de wet zoals die nu luidt zich verzet tegen de wijze van betekening aan onbekend gebleven erven van een overleden huurster op de manier die het Amsterdamse hof in de onderhavige zaak als aanvaardbaar heeft beoordeeld, moet ook worden aangenomen dat de op die wijze uitgebrachte dagvaarding nietig is en dat daarop geen verstek kan worden verleend.

26. Om tot die slotsom te komen moet men aannemen dat de door het hof beoordeelde dagvaarding, in de termen van art. 120 lid 1 Rv., niet voldeed aan wat in de vierde afdeling van de tweede titel van Boek 1 Rv. wordt voorgeschreven, en daarom als nietig moet worden aangemerkt. De bepaling waaraan in dit geval niet wordt voldaan - ik denk dat dat art. 53 Rv. is - maakt weliswaar geen deel uit van de hier bedoelde vierde afdeling, maar het lijkt mij onmiskenbaar dat niet alleen art. 45 Rv. - waarnaar in art. 111 lid 2 Rv. expliciet qwordt verwezen -, maar ook de op art. 45 Rv. volgende betekeningsvoorschriften onder de werking van art. 120 lid 1 Rv. zijn begrepen(11).

27. Verder geldt in dit geval bij uitstek het bepaalde in art. 121 lid 3 Rv.: wanneer betekend is op de door het hof als aanvaardbaar beoordeelde wijze en de gedagvaarde erfgenamen verschijnen niet, dan lijkt mij zonder meer aannemelijk dat het exploot de betrokkene(n) niet heeft bereikt. Daarom kan van verztekverlening geen sprake zijn en komt lechts nietigverklaring van de dagvaarding in aanmerking.

Een subsidiair probleem

28. Rekening houdend met de mogelijkheid dat de Hoge Raad het geval anders zal beoordelen dan ik tot dusver heb aanbevolen, lijkt mij nog van belang dat het Amsterdamse hof weliswaar heeft verwezen naar art. 54 Rv., maar een toepassing van die bepaling heeft gebillijkt die zich niet onaanzienlijk heeft verwijderd van de tekst van de wet. De wettekst veronderstelt immers betekening, niet aan de laatste woonplaats van een overledene, maar aan (het parket van) de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht waarvoor gedagvaard wordt.

29. Uitgaande van de zojuist geopperde veronderstelling - die er toe zou leiden dat de door het hof Amsterdam aanvaarde weg van betekening als in beginsel juist wordt beoordeeld - denk ik dat de praktijk behoefte heeft aan verduidelijking van de vorm waarin de betekening dan moet plaatshebben.

Daarbij komen dan drie mogelijkheden in aanmerking: a) keuze voor de door het Amsterdamse hof aanvaarde weg (betekening aan de laatste woonplaats, met aankondiging in een dagblad); b) keuze voor de in art. 54 lid 2 Rv. aangewezen weg (betekening aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie, met aankondiging in een dagblad); of c) een combinatie van beide eerder genoemde mogelijkheden, bijvoorbeeld in die vorm dat van de aan het parket uitgebrachte dagvaarding een kopie per post naar de laatste woonplaats wordt gestuurd.

30. In het licht van mijn eerdere bemerking die ertoe strekte dat de waarborgen voor het bereiken van de erfgenamen bij de door het hof gekozen oplossing ten achter blijven bij wat de wetgever voor ogen heeft gestaan en dat voor de "openbare dagvaarding" in wezen hetzelfde geldt, zou ik in deze subsidiaire benadering kiezen voor de derde variant, die immers de beste kans oplevert dat de erven wel omtrent de betekening worden ingelicht.

Daartoe strekt het subsidiair voorgedragen middel dan ook.

Cassatiemiddelen

31. Tegen het met deze vordering bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 januari 2009 voer ik als middel van cassatie aan:

Primair: schending van het Nederlandse recht, door te overwegen en te oordelen als door het hof is gedaan, omdat naar geldend Nederlands recht betekening van een dagvaarding aan de gezamenlijke erven van een overledene zonder vermelding van de namen en woonplaatsen van de gedagvaarde erven, niet rechtsgeldig kan plaatsvinden aan de laatste woonplaats van de overledene wanneer aldaar niet (tenminste) een van de in art. 53 onder a. Rv. aangeduide personen woont; hetgeen betekent dat het hof ten onrechte op grond van een op de aangegeven wijze betekende dagvaarding, tegen de niet verschenen gedagvaarde erven verstek heeft verleend.

Subsidiar: schending van het nederlandse recht, doordat het hof heeft geoordeeld dat aan de eisen van art. 54 Rv. is voldaan, terwijl uit de feitelijke vaststellingen van het hof blijkt dat niet, zoals in art. 54 lid 2 Rv. wordt voorgeschreven, is betekend aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de verschillende gerechten waar de zaak in kwestie aanhangig werd gemaakt (maar aan de laatste woonplaats van de overledene, erflaatster van de gedagvaarde erven); terwijl ten rechte heeft te gelden dat dagvaarding aan het even aangeduide parket moet plaatsvinden, met aankondiging in een dagblad zoals nader in de wet aangegeven én met gelijktijdige toezending van een kopie van het exploot van dagvaarding aan de laatste woonplaats van de overledene.

Op grond van deze middelen wordt geconcludeerd dat het arrest waartegen die middelen gericht zijn in het belang der wet behoort te worden vernietigd; en dat de Hoge Raad zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel toebrengt aan de rechten, door de partijen verkregen.

Parket, 31 december 2012

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Art. 7:268 BW voorziet er ook in dat de erven deze termijn kunnen verkorten, maar dat speelt in deze zaak geen rol.

2 De regeling van art. 4:204 BW geldt onder meer als vervanging van de vroeger bestaande regeling inzake faillissement van nalatenschappen; zie voor gegevens Erfrecht (losbl.), Reinhartz, art. 204, aant. 3; Asser - Perrick 4*, 2009, nr. 458; Klaassen - Eggens c.s., Huwelijksgoederen- en erfrecht, tweede gedeelte, 2008, nr. 855.

3 In het licht van HR 13 juli 2007, NJ 2007, 409, rov. 3.4 is de vraag ook gewettigd of er in dit geval materie valt aan te wijzen die namens de erven-[betrokkene 1] in een verzetprocedure - althans: met enige kans op positief resultaat - aan de orde had kunnen worden gesteld. Dat lijkt mij ook daarom van belang, omdat de regel van art. 78 lid 6 RO er kennelijk (mede) op doelt dat de procespartijen niet, aan de hand van een in het belang der wet ingesteld cassatieberoep, alsnog (kunnen) besluiten tot het instellen van het nog beschikbare "gewone" rechtsmiddel.

In een geval als het onderhavige kan ervan uit worden gegaan dat dat niet - alrhans niet met enig relevant uitzicht op succes - mogelijk is.

4 Zie overigens voor de - vrij strikte - toepassing die in al wat oudere rechtspraak van de Hoge Raad aan deze bepaling is gegeven: Den Hartog Jager, Cassatie in het belang der wet, diss. 1994, nrs. 5.4 - 5.10.

5 Ik veroorloof mij die suggestie mede daarom, omdat zich opdringt dat het onderhavige probleem niet gemakkelijk bij wege van een "gewoon" cassatieberoep aan de Hoge Raad kan worden voorgelegd. Bij zaken betreffende overledenen die geen huisgenoten of nabestaanden achterlaten, is immers erg onwaarschijnlijk dat ooit een partij aan de zijde van de overledene aanleiding zal vinden om zich in een procedure als de onderhavige te mengen. Het gaat hier, om het zo eens uit te drukken, om "gedoodverfde" verstekzaken; terwijl het niettemin duidelijk lijkt dat er aan een gezaghebbende uitspraak van de cassatierechter behoefte bestaat.

6 Dat is gebeurd bij brieven van 28 juni 2011 (KNB) en 7 maart 2011 (KBvG) respectievelijk. Ik heb beide brieven, gericht aan de (secretaris van de) commissie cassatie in het belang der wet, aan het dossier toegevoegd. Ik meld voor de geïnteresseerde lezer dat het advies van de KBvG ertoe strekt dat de beslissing van het hof moet worden gevolgd, en dat de KNB een voorkeur aangeeft voor de weg van benoeming van een vereffenaar.

7 Ernes - Jongbloed (red.), Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, 2011, p. 93 scharen zich achter de door het hof gekozen oplossing. Stein - Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2011, nr. 5.4.2, volgen de tekst van de in art. 53 Rv. neergelegde regeling. (Ook) de "lagere" rechtspraak is verdeeld. Ktr. Haarlem 11 januari 2012, NJF 2012, 93, Tijdschrift voor de Procespraktijk 2012, p. 86, kiest voor de in de onderhavige zaak door hegt hof gevolgde leer. Anders Ktr. Alkmaar 9 augustus 2006, Prg. 2006, 144.

8 Kamerstukken II 1982 - 1983, 18 052, nr. 3, p. 9 - 10; Kamerstukken II 1983 - 1984, 18 052, nr. 5, p. 5 - 6.

9 Ik denk dan met name aan de advertentiekosten die met de betekening aan personen met onbekende woon- of verblijfplaats gemoeid zijn.

10 Dalloz, Mega Code Civil, 2008, p. 1207 e.v. (art. 809 e.v.); Schlichting, Münchener Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, Band 9, 2008, § 1961 en het commentaar bij die bepaling; Malaurie c.s., Droit Civil, Les Successions Les Liberalités, 2006, nrs. 279 e.v.; Belgische Senaat, zitting 2004 - 2005, Vragen en Antwoorden, p. 3541 e.v.; Di Majo c.s., Codice Civile, 2002, art. 528 e.v.

11 Zie, voor een enigszins vergelijkbaar geval HR 29 april 2011, NJ 2011, 193, rov. 2.4 - 2.5.