Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY6984

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
12/02554
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY6984
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst. Hoor en wederhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2013/37
RvdW 2013/91

Conclusie

12/02554

mr. J. Spier

Zitting 26 oktober 2012 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

Aldi Culemborg B.V.

(hierna: Aldi)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.(1)

1.2 [Eeiseres] is met ingang van 31 maart 2008 in dienst getreden van Aldi. [Eiseres] was laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam in de functie van verkoopmedewerkster. Op 27 januari 2011 heeft Aldi [eiseres] geschorst, waarna [eiseres] bij brief van 31 januari 2011 op staande voet is ontslagen. Als reden voor het ontslag vermeldt de brief onder meer dat het voor Aldi volstrekt ontoelaatbaar is dat [eiseres] zich door middel van de emballageprocedure kasgeld van Aldi heeft toegeëigend en - kort samengevat - dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige schending van de Bedrijfsinstructie Kassabediening.

1.3 Bij brief van 28 januari 2011 heeft [eiseres] tegen het ontslag geprotesteerd, zich beschikbaar verklaard om op eerste afroep haar werkzaamheden te hervatten en aanspraak gemaakt op salaris. Voorts heeft de gemachtigde van [eiseres] bij brief van 4 februari 2011 onder meer de nietigheid van het ontslag ingeroepen. Aldi heeft op 28 januari 2011 bij de politie aangifte gedaan van verduistering door [eiseres].(2)

1.4 Omdat Aldi vanaf 27 januari 2011 geen loon aan [eiseres] betaalde en Aldi weigerde om haar tewerk te stellen, is [eiseres] een kortgedingprocedure gestart. De Kantonrechter Tiel, rechtdoende als voorzieningenrechter, heeft Aldi bij vonnis van 16 maart 2011 op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld om [eiseres] toe te laten tot hervatting van haar gebruikelijke werkzaamheden en om aan [eiseres] te betalen het salaris vanaf 1 februari 2011 tot het moment dat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd, de omzetprestatiepremie, de wettelijke verhoging van 25%, en de wettelijke rente hierover.

2. Procesverloop

2.1 Aldi heeft bij verzoekschrift van 23 februari 2011 aan de Kantonrechter Wageningen verzocht om de arbeidsovereenkomst met [eiseres], voor zover rechtens vereist, te ontbinden wegens gewichtige redenen (art. 7:685 BW). De Kantonrechter heeft dit verzoek bij beschikking van 8 april 2011 toegewezen. De Kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst daarbij, voor zover rechtens vereist, met ingang van 1 mei 2011 ontbonden wegens gewichtige redenen, bestaande in een dringende reden als bedoeld in art. 7:678 lid 2 onder d BW (zie rov. 4.1).

2.2 [Eiseres] heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof Arnhem en heeft daarbij een beroep gedaan op doorbreking van het appelverbod van art. 7:685 lid 11 BW. [Eiseres] stelt dat de Kantonrechter gehandeld heeft in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en dat er daarmee zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak (zie rov. 4.2). [Eiseres] heeft daarbij, voor zover thans in cassatie van belang, betoogd dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden doordat de Kantonrechter bepaalde schema's die zijn opgenomen in de pleitaantekeningen van Aldi, ten onrechte niet buiten beschouwing zou hebben gelaten. Ook zou de Kantonrechter ten onrechte pas in de eindbeschikking een beslissing hebben genomen op het bezwaar van [eiseres] tegen toelating van die schema's (zie rov. 4.3).

2.3 Het Hof heeft bij beschikking van 28 februari 2012 geoordeeld dat niet gebleken is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor (zie rov. 4.8). Het hoger beroep van [eiseres] is daarom verworpen.

2.4 [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Namens Aldi is een verweerschrift ingediend.

3. Inleiding

3.1 De in art. 7:685 BW geregelde procedure en met name het daarin vervatte rechtsmiddelenverbod heeft al de nodige pennen in beweging gebracht.(3) Hoewel deze procedure ongetwijfeld een aantal voordelen in zich bergt, kleven er ook aanzienlijke nadelen aan. Het probleem zit, in mijn ogen, niet in de eerste plaats in de onherroepelijkheid van de beoordeling, maar vooral in de snelheid van de procedure en de daarmee in voorkomende gevallen onlosmakelijk verbonden beperkingen op het stuk van de waarheidsvinding. Hoewel het de pas afsnijden van een inhoudelijke herbeoordeling door een hogere rechter binnen en buiten ons land geen uitzondering is, wringt er wel wat in een stelsel waarin allerlei geschillen over futiliteiten in drie (en soms in nog meer) instanties kunnen worden uitgevochten, terwijl dit soort voor werknemers en (in mindere mate) werkgevers niet zelden diep ingrijpende beslissingen wordt gekenmerkt door een informele, op snelheid gerichte rechtsgang in één instantie. Dat geldt eens te meer in de huidige tijd waarin het verliezen van een baan ertoe kan leiden dat men lange tijd of zelfs in het geheel geen ander werk meer kan vinden met alle financiële en andere gevolgen van dien, in talloze gevallen ook voor het gezin van de werknemer.

3.2 Voor onvrede bij de in het ongelijk gestelde partij valt dan ook in bepaalde settingen alleszins begrip op te brengen. Maar het is niet aan de rechter om het wettelijk stelsel omver te werpen. Uw Raad heeft die handschoen dan ook nadrukkelijk niet opgenomen.(4) Ook ik beschouw het niet als mijn taak om revolutie te prediken, nog daargelaten dat het middel daartoe niet noopt.

3.3 De Kantonrechter heeft haar vonnis uitvoerig gemotiveerd. Zij heeft zich duidelijk uitstekend in het dossier verdiept en heeft acht geslagen op hetgeen bij de mondelinge behandeling is voorgevallen.

3.4 Hoewel ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden in een geval als het onderhavige (naar in cassatie moet worden aangenomen verduistering van € 10) een zware sanctie is, kan bij de huidige stand van het arbeidsrecht in het algemeen niet worden gezegd dat de sanctie té zwaar is.(5) Zelfs niet in het licht van de door [eiseres] genoemde persoonlijke omstandigheden waarvan de Kantonrechter in rov. 4.12 van haar beschikking gewag maakt en die zij heeft meegewogen. Ik merk dit ten overvloede op omdat voor deze materie het rechtsmiddelenverbod in volle gestrengheid geldt en het middel er (dan ook) niet over klaagt.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

4.1 Het middel richt zich tegen 's Hofs oordeel dat de Kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden heeft door de in de pleitaantekeningen van Aldi opgenomen schema's toe te laten en door niet eerder dan in de eindbeschikking een beslissing te nemen op het bezwaar van [eiseres] tegen toelating van deze schema's (zie rov. 4.4, 4.5 en 4.8).

4.2 Het Hof heeft het bestreden oordeel als volgt gemotiveerd:

"Schema's in de pleitnota van Aldi

4.4 Aldi heeft in haar pleitnota in eerste aanleg een aantal overzichten in de vorm van een schema opgenomen. [Eiseres] heeft bij de mondelinge behandeling verzocht deze schema's buiten beschouwing te laten, welk verzoek door de kantonrechter in de bestreden beschikking is afgewezen. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat in de schema's reeds bekende feiten en standpunten van partijen worden weergegeven. De schema's betreffen het verschil in standpunt van partijen tussen de weergave van de tijd op de verschillende (kassa)systemen en de weergave van de verschillende handelingen op de (kassa)systemen en de daarbij behorende tijdstippen. De gegevens waarop deze overzichten zijn gebaseerd, zijn al eerder ter beschikking gesteld aan [eiseres].

4.5 De bovengenoemde gegevens zijn deels eerder, maar in ieder geval (niet later dan) bij de aanvullende producties van Aldi op 17 maart 2011 overgelegd, dat wil zeggen ruim vóór de mondelinge behandeling op 29 maart 2011. Mede gelet op de toelichting van Aldi bij de aanvullende producties van 17 maart 2011, had het [eiseres] duidelijk moeten zijn, ter onderbouwing van welke standpunten Aldi deze producties heeft overgelegd. De geschilpunten waarop de schema's betrekking hebben, zijn evenmin nieuw voor [eiseres]; deze waren immers onder andere al in de procedure in kort geding tussen partijen aan de orde gekomen. Naar het oordeel van het hof heeft [eiseres] zich dan ook voldoende kunnen voorbereiden op hetgeen door Aldi in de schema's aan de orde is gesteld en bestond er voor [eiseres] geen beletsel om daarop bij de mondelinge behandeling adequaat te reageren. Dat de kantonrechter eerst bij de bestreden beschikking de beslissing heeft genomen de schema's toe te laten, kan daaraan niet afdoen, nu [eiseres] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld en ook overigens niet is gebleken dat zij in redelijkheid mocht verwachten alsnog in de gelegenheid te worden gesteld op deze schema's te reageren."

4.3.1 Onderdeel 2.1 stelt dat het Hof (in rov. 4.4 en 4.5) geoordeeld heeft dat de "gegispte schema's" al eerder aan [eiseres] ter beschikking waren gesteld en dat [eiseres] daarom adequaat op de schema's kon reageren. Dit oordeel wordt bestreden als getuigend van een onjuiste rechtsopvatting; in elk geval zou het onvoldoende gemotiveerd zijn. De schema's werden namelijk, zoals ook blijkt uit rov. 4.3 van de bestreden beschikking, pas tijdens de mondelinge behandeling overgelegd, aldus de klacht.

4.3.2 Het onderdeel betoogt voorts - kort samengevat - dat voor de toelaatbaarheid van de in de pleitnota van Aldi opgenomen schema's slechts relevant is of [eiseres] in de gelegenheid is geweest om zich voldoende over deze schema's uit te laten (art. 19 Rv). Uit het gegeven dat [eiseres] bekend was met de relevante feiten en standpunten, zou nog niet volgen dat zij zich ook voldoende kon uitlaten over de in de pleitnota opgenomen schema's. Het Hof had voor de beantwoording van de vraag of aan [eiseres] voldoende gelegenheid was geboden om zich over de schema's uit te laten, ook de aard en de omvang van deze schema's in ogenschouw moeten nemen.(6)

4.4 De klachten ontberen feitelijke grondslag. Het Hof heeft vastgesteld dat de gegevens waarop de in de pleitnota van Aldi opgenomen schema's gebaseerd zijn, al geruime tijd vóór de mondelinge behandeling van 29 maart 2011 aan [eiseres] ter beschikking waren gesteld (zie rov. 4.4, 4.5). Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het Hof niet overwogen dat die schema's zélf al eerder aan [eiseres] ter beschikking waren gesteld.

4.5.1 Het Hof heeft vastgesteld dat de gegevens waarop de in de pleitnota opgenomen schema's gebaseerd zijn, deels al voor 17 maart 2011 aan [eiseres] ter beschikking waren gesteld. Vast staat tevens dat de (volledige) gegevens in ieder geval niet later dan op 17 maart 2011, derhalve ruim vóór de mondelinge behandeling van 29 maart 2011, bij aanvullende producties in het geding zijn gebracht (zie rov. 4.5). Deze oordelen worden door het middel niet bestreden.

4.5.2 Volgens het Hof had [eiseres] zich op basis van de hier bedoelde door Aldi in geding gebrachte stukken voldoende kunnen voorbereiden en wel in dier voege dat zij bij de mondelinge behandeling adequaat had kunnen reageren. Het onderdeel bestrijdt dat en doet in dat verband beroep op "de aard en omvang van de schema's". Die klacht is onbegrijpelijk. De schema's waren immers van beperkte omvang, zo blijkt bij lezing van de pleitnota van mr. Blom. Welke relevantie de "aard" ervan in dit verband heeft, is zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, niet te bevroeden.

4.6 Wellicht probeert de steller tot uitdrukking te brengen dat het probleem niet zat in aard en omvang van de schema's, maar in die van de eerder door Aldi geproduceerde stukken. In dat geval ziet [eiseres] er al aanstonds aan voorbij dat het Hof, anders dan het onderdeel, niet alleen heeft gelet op de litigieuze stukken maar ook op de daarbij gegeven toelichting (rov. 4.5). Ook wanneer men zou menen dat de producties van Aldi op zich beschouwd niet voldoende gemakkelijk te doorgronden waren en dat zij een gedegen voorbereiding van de mondelinge behandeling bemoeilijkten, blijft overeind dat ze, volgens 's Hofs niet bestreden oordeel, in samenhang met de begeleidende brief (7) van mr. Van der Boon voldoende inzichtelijk waren. Daarmee faalt ook deze welwillend gelezen klacht.

4.7 Waarom 's Hofs oordeel onjuist zou zijn, is niet goed duidelijk. Het is m.i. geheel in overeenstemming met de bestaande rechtspraak. (8)

4.8 Onderdeel 2.2 klaagt dat het in rov. 4.5 gegeven oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat voor [eiseres] duidelijk moest zijn dát de in de pleitnota van Aldi opgenomen schema's de standpunten van Aldi zouden kunnen onderbouwen, maar het Hof ("hij", zegt de klacht) zou voorbijgegaan zijn aan de vraag of voor [eiseres] ook duidelijk was op welke wijze ('hoe') die schema's de standpunten van Aldi zouden kunnen onderbouwen.

4.9 Ook deze klacht ziet over het hoofd dat het Hof de door Aldi geproduceerde stukken beoordeelt in samenhang met de daarbij behorende toelichting. Zij ketst reeds daarop af.

4.10 In het algemeen lijkt mij niet nodig dat een feitenrechter uitspelt waarom iets voor een procespartij voldoende duidelijk moet zijn. Zo'n eis is met name overspanneer wanneer zulks objectief bezien voldoende in het oog springt.

4.11.1 In casu kan men er op het eerste gezicht over aarzelen of voldoende voor zich spreekt dat [eiseres] (een kassamedewerkster) heeft moeten doorgronden wat Aldi met de bij brief van 17 maart 2011 in geding gebrachte stukken heeft willen aantonen.

4.11.2 Zelfs in samenhang met de begeleidende brief is, nog steeds los van het navolgende, voorstelbaar dat [eiseres] (en, als het Hof daarop mede het oog had: haar advocaat) niet goed wijs kon worden uit deze papierwinkel die betrekking heeft op ananassen, verse kip, stroopkoeken, vuilniszakken, kalkoenfilet e tutti quanti. Het probleem zit dan evenwel in de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel en niet in de motivering ervan. De begrijpelijkheid van de eerder overgelegde stukken is in 's Hofs visie een voorwaarde voor de toelaatbaarheid van de in de pleitnota van Aldi voorkomende schemata. Een op de begrijpelijkheid van de eerder in geding gebrachte stukken toegespitste klacht kan slechts met zéér grote welwillendheid in het middel worden gelezen, met name in de alinea ingeluid met "Integendeel" op p. 5, waarbij we moeten aannemen dat de ponens met "schema's" mede het oog heeft op de eerder door Aldi in geding gebrachte stukken. De zojuist genoemde alinea is evenwel de opmaat voor hetgeen volgt en dat is duidelijk in een andere sleutel gesteld (het Hof had nadere uitleg moeten geven). Daarom ligt de hier genoemde lezing minder voor de hand.

4.12 Zelfs bij de meest welwillende lezing mislukt de klacht. Uit het verweerschrift van [eiseres] onder 12 e.v., met name § 23, zo nodig gelezen in samenhang met de pleitnota van [eiseres]'s advocaat voor het kort geding onder 11 e.v., kan bezwaarlijk een andere conclusie worden getrokken dan dat [eiseres] en haar rechtshulpverlener Blom van de hoed en de rand wisten en dat zij heel goed met de door Aldi geproduceerde stukken uit de voeten konden. Zeker tegen deze achtergrond is het oordeel van Kantonrechter en Hof zeer goed te begrijpen.

4.13 Onderdeel 3.1 stelt: "In rov 4.4, 4.5 en 4.8 overweegt en beslist het hof dat er geen sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel omdat de schema's al eerder aan [eiseres] ter beschikking zijn gesteld." Het onderdeel klaagt dat het Hof bij dit oordeel ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan "de ontijdigheid van inbrenging, de aard en inhoud van die schema's". Aldus oordelend zou het Hof art. 6 lid 1 EVRM hebben geschonden, meer in het bijzonder het beginsel van 'fair trial'. Het onderdeel acht daarbij onder meer van belang dat de door Aldi in het geding gebrachte schema's bestonden uit "een twee duimen dik pak papier, met daarin een kennelijke uitdraai van kassajournaals" en dat het daarbij zou gaan om "eindeloze en kennelijk van elkaar losstaande cijferreeksen, opsommingen van supermarktproducten en data". Bij de mondelinge behandeling zou Aldi vervolgens nog meer schema's hebben overgelegd (de klacht doelt kennelijk op de vier schema's die zijn opgenomen in de pleitnota van Aldi). Het onderdeel rondt dan af: "Namens [eiseres] is daartegen gemotiveerd bezwaar gemaakt, waarop de kantonrechter elke beslissing tot toelating van de nader overgelegde schema's in het geding heeft aangehouden."

4.14 Deze klacht is onbegrijpelijk en leent zich daarom niet voor bespreking. Met name is het verband tussen het slot van de klacht en hetgeen daaraan voorafgaat duister. Ten overvloede: het onderdeel poneert weer de onjuiste stelling dat eerder (kennelijk bij brief van 17 maart 2011) door Aldi "schema's" in geding zijn gebracht.

4.15.1 Voor zover het onderdeel erover probeert te klagen dat de Kantonrechter eerst in haar eindbeschikking beslist heeft over de toelating van de in de pleitnota opgenomen schema's, is het geen beter lot beschoren. De klacht behelst dan kennelijk dat partijen dit niet mochten verwachten. Bij procedures op de voet van art. 7:685 BW behoeft een dergelijke stelling nadere toelichting; deze ontbreekt evenwel.

4.15.2 Het onderdeel werpt HR 3 juni 1988, LJN AB8464, NJ 1989/5 JBMV nog in de strijd al komt niet uit de verf waarom.

4.16 De zojuist genoemde beschikking betrof een geval waarin het Hof in een tussenbeschikking aan partijen had opgedragen om bepaalde bescheiden in het geding te brengen. Mede omdat er in de tussenbeschikking nog geen dag voor de einduitspraak was bepaald, behoefden partijen er in dat geval niet van uit te gaan dat het Hof zonder nadere behandeling ter terechtzitting een eindbeschikking zou geven. Uit de tussenbeschikking bleek ook niet dat van partijen verwacht zou worden dat zij, indien zij daartoe aanleiding zouden zien, over en weer schriftelijk op de overgelegde stukken zouden reageren. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onder die omstandigheden partijen ten onrechte niet in de gelegenheid had gesteld om zich over en weer over de overgelegde bescheiden uit te laten alvorens op deze stukken recht te doen. Uit deze beschikking van de Hoge Raad volgt - anders dan het onderdeel veronderstelt - dus niet dat partijen, behoudens het geval dat zij ervan uit mochten gaan dat er een eindbeslissing zou worden gegeven zonder nadere behandeling ter terechtzitting, telkens (nogmaals) de gelegenheid dienen te krijgen om zich voorafgaand aan de eindbeslissing uit te laten over de in het geding gebrachte gegevens. Deze rechtsopvatting dient overigens ook verworpen te worden.

4.17 Onderdeel 3.2 betoogt dat het Hof (in rov. 4.4 en 4.5) ten onrechte heeft nagelaten om te onderzoeken of [eiseres] de mogelijkheid is geboden tot 'effective participation' en dat daardoor in strijd is gehandeld met het recht op een 'fair trial' (art. 6 lid 1 EVRM). Volgens het onderdeel is het recht van [eiseres] op 'effective participation' in dit geval geschonden doordat [eiseres] niet de mogelijkheid is geboden om zich (alsnog) uit te laten over de door Aldi in het geding gebrachte schema's. Het oordeel van het Hof op dit punt zou dan ook getuigen van een onjuiste rechtsopvatting althans onvoldoende gemotiveerd zijn. Daarom zou [eiseres] de beslissing van de Kantonrechter niet in appel hebben kunnen laten toetsen. Buitendien zou sprake zijn van een verrassingsbeslissing, aldus nog steeds het onderdeel.

4.18 Ook deze klacht is ten dele onbegrijpelijk. Van een verrassingsbeslissing is luce clarius geen sprake. Juist de omstandigheid dat de Kantonrechter niet stante pede een beslissing gaf, betekent dat deze nog zou volgen. Voor het overige is het onderdeel in essentie een herhaling van zetten. Het Hof heeft geoordeeld dat [eiseres] zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op hetgeen door Aldi in de schema's aan de orde is gesteld en dat er voor [eiseres] geen beletsel bestond om bij de mondelinge behandeling adequaat op de schema's te reageren. Het Hof heeft het beroep van [eiseres] op schending van het beginsel van hoor en wederhoor in dat verband uitdrukkelijk en gemotiveerd verworpen (zie rov. 4.4 en 4.5). Dat oordeel, waarin besloten ligt dat er op het betreffende punt geen sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

4.19 De klachten worden tevergeefs voorgedragen. Het cassatieberoep stelt geen vragen aan de orde die een nuttige bijdrage kunnen leveren aan rechtseenheid of rechtsontwikkeling zodat het kan worden afgehandeld op de voet van art. 81 lid 1 RO.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De feiten zoals vermeld in paragraaf 1 zijn ontleend aan rov. 2.1 t/m 2.5 van de beschikking van de Kantonrechter van 8 april 2011. Het Hof is blijkens rov. 3 van de in cassatie bestreden beschikking eveneens van de aldaar genoemde feiten uitgegaan.

2 Inmiddels is duidelijk dat zij niet zal worden vervolgd; zie bijlage 4 bij het beroepschrift.

3 Zie, ook voor verdere bronnen, N.T. Dempsey, ArbeidsRecht 2011/53.

4 Zie, onder meer, HR 30 maart 2001, LJN AB0813, NJ 2001/303.

5 Vgl. HR 20 april 2012, LJN BV9532, NJ 2012/263. Tussen de in dat arrest beslechte zaak en de onderhavige zit een aantal verschillen waarop ik thans niet behoef in te gaan. Voldoende is erop te wijzen dat het in die zaak ging om een diefstal van goederen ter waarde van in totaal ongeveer € 4.

6 Het onderdeel verwijst in dit verband naar HR 22 maart 1991, LJN ZC0188, NJ 1991/400; HR 6 maart 1992, LJN ZC0540, NJ 1993/79; "HR 29 november 2002, NJ 2004, 176 (Disposa)" (bedoeld is kennelijk: HR 29 november 2002, LJN AF1210, NJ 2004/172 (Dipasa Europe/Huyton)) en HR 17 februari 2006, LJN AU4616, NJ 2006/156.

7 De begeleidende brief geeft per productie aan wat Aldi daarmee beoogt aan te tonen.

8 Zie onder meer HR 29 november 2002, LJN AF1210, NJ 2004/172, rov. 3.5.1 e.v.; in die zaak werd een periode van enkele dagen ontoereikend geacht op grond van bijzondere omstandigheden zoals de omstandigheid dat het ging om feiten die zich buiten Nederland hadden afgespeeld; HR 17 februari 2006, LJN AU4616, NJ 2006/156, rov. 3.3.2; HR 7 december 2007, LJN BB9613, NJ 2008/554 H.J. Snijders, rov. 3.4, 3.5 (in essentie: een termijn van zes werkdagen is doorgaans voldoende); en HR 3 december 2010, LJN BO0197, NJ 2010/650, rov. 3.3.1 e.v.