Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY6407

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
12/01378
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2011:BU9062
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY6407
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/136

Conclusie

Nr. 12/01378

Mr. Aben

Zitting 27 november 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 22 december 2011, de verdachte ter zake van "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren. Voorts heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Tenslotte heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 7.337,44. Aan de verdachte heeft het hof voor voornoemd bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, cassatie ingesteld. Mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het hof de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, mede gezien een daaromtrent namens de verdachte gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.2. Het bestreden arrest houdt omtrent de oplegging van de tbs het volgende in, voor zover van belang:

"Oplegging van maatregel

Door psychiater R. Vriesema is op 15 juli 2010 een briefrapport opgesteld, waarin deze deskundige ter overweging geeft een ambulant multidisciplinair onderzoek te laten verrichten. Volgens Vriesema lijkt er duidelijk sprake te zijn van onverwerkte innerlijke problematiek sinds de vroege jeugd van verdachte en zijn er aanwijzingen voor forse persoonlijkheidsproblematiek.

Aan het ambulante onderzoek heeft verdachte zijn medewerking geweigerd. Om toch inzicht te krijgen in de geestvermogens van verdachte heeft het Openbaar Ministerie een vordering ingediend bij de rechter-commissaris tot observatie van verdachte in het PBC. Gelijk hiervoor is vermeld, heeft verdachte aan dit onderzoek geen medewerking heeft willen verlenen. Hij was derhalve een zogenoemde weigerende observandus.

Artikel 37, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), maakt het mogelijk dat ook aan een weigerende observandus een terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Ingevolge de artikelen 37a en 37b Sr dient voor een last tot terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging aan een drietal voorwaarden worden voldaan:

1. Bij de verdachte moet tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens hebben bestaan;

2. Op het begane misdrijf moet een gevangenisstraf van vier jaar of meer zijn gesteld;

3. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, moet het opleggen van een terbeschikkingstelling en een bevel tot verpleging van overheidswege eisen.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de verdachte een last tot terbeschikkingstelling gegeven moet worden evenals, met het oog op de noodzakelijke behandeling, een bevel tot verpleging. Het hof legt aan dat oordeel het volgende ten grondslag.

Voormeld PBC-rapport van 16 maart 2011 houdt - onder meer - als diagnostische overwegingen en conclusies het volgende in, zakelijk weergegeven:

Verdachte is de laatste jaren hevig aan het worstelen geweest met zijn traumatische verleden, zo komt naar voren. Het milieuonderzoek en de verschillende verhoren in het strafdossier geven veel aanwijzingen dat er bij verdachte sprake is van ernstige problematiek. Er is in de levensloop van verdachte sprake van grove verwaarlozing, blootstelling aan zeer fors geweld op jonge leeftijd en een onveilige hechting. Dergelijke omstandigheden leiden gemakkelijk tot een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling en/of psychische problemen. Ook in de thans bekende levensloop zijn elementen zichtbaar die kunnen passen bij dergelijke problematiek. Op grond van het bovenstaande kan vastgesteld worden dat er bij verdachte sprake is van ernstige traumagerelateerde problematiek. Deze problematiek, die geworteld is in het verleden van betrokkene, rechtvaardigt het te spreken van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Dat er bij verdachte sprake is van traumagerelateerde pathologie kan op grond van de beschikbare informatie gesteld worden. Een nadere diagnose kan echter niet gesteld worden zonder eigen onderzoek.

Verdachte heeft niet mee willen werken aan het psychologisch en psychiatrisch onderzoek, waardoor er slechts zeer beperkt contact plaats heeft kunnen vinden. Desondanks komen wij op grond van de uitgebreide informatie uit het strafdossier (inclusief verdachtes eigen verklaringen over zijn levensgeschiedenis en zijn problemen), uit het milieuonderzoek en uit de groepsobservaties in het PBC tot de volgende conclusie.

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling. Dit blijkt uit het vastlopen op nagenoeg alle levensgebieden, te weten: onvermogen een stabiele intieme relatie te hebben, het niet in staat zijn om enige arbeidsloopbaan op te bouwen, ontbreken van een adequaat sociaal netwerk, financiële problemen en problematisch middelengebruik. Daarbij is er sprake van duidelijke agressieregulatieproblemen in de kindertijd en puberteit, die retrospectief classificerend aan de diagnose van gedragsstoornis voldoen. Met het volwassen worden lijkt verdachte bij het houden van controle over zijn agressie meer gebruik te zijn gaan maken van vermijdende strategieën, zoals zich sociaal isoleren en middelengebruik. Agressieve uitbarstingen worden dan alleen incidenteel genoemd in de intieme relatiesfeer en in enkele meldingen van vernieling van autospiegels. Deze gebrekkige ontwikkeling is geworteld in de voorgeschiedenis van verdachte, waarbij sprake was van verwaarlozing en van als traumatisch aan te merken ervaringen van mishandeling, onveiligheid en vermoedelijk seksueel misbruik. Er is tevens sprake van traumagerelateerde problematiek. De meest duidelijke aanwijzingen zijn er voor een posttraumatische stressstoornis, of een borderline persoonlijkheidsstoornis. Ten slotte is er sprake geweest van middelengebruik, te weten cannabis en amfetaminen, mogelijk ook van alcohol.

Bovengenoemde gebrekkige ontwikkeling en traumagerelateerde pathologie betreffen een chronische problematiek en waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Omdat de aard van de aanwezige gebrekkige ontwikkeling en mogelijke ziekelijke stoornis niet kan worden vastgesteld, kunnen de forensisch relevante aspecten ervan niet worden bepaald. Doorwerking in het tenlastegelegde kan hierdoor niet worden onderbouwd, waardoor wij geen gefundeerd advies kunnen geven over de toerekeningsvatbaarheid.

Het hof acht de deskundigenverklaring, onder meer inhoudende dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, overtuigend en zal zijn beslissing mede hierop baseren.

Het hof is van oordeel dat de veiligheid van anderen de oplegging van na te melden maatregel eist. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat een invoelbaar motief volstrekt ontbreekt, dat de daden onverklaard zijn gebleven en dat naast het delict ook sprake is van een seksuele component, waarvoor verdachte zelf óók geen verklaring heeft. Mede gelet op de wijze waarop de bewezenverklaarde doodslag heeft plaatsgevonden en de bevindingen van de deskundigen dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en traumagerelateerde problematiek, waarbij ook duidelijke aanwijzingen bestaan voor een posttraumatische stressstoornis, of een borderline persoonlijkheidsstoornis, is het hof van oordeel dat er een serieuze kans op herhaling van, ook voor de verdachte zelf, onvoorspelbare heftige geweldsuitbarstingen tegen personen bestaat.

Het hof acht het, gelet op de ernst van het feit en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van verdachte, niet verantwoord de verdachte zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is verminderd te laten terugkeren in de maatschappij. Nu sprake is van een gebrekkige ontwikkeling doet de oplegging van de maatregel naast een gevangenisstraf ook recht aan het belang van de samenleving. Verdachte dient behandeld te worden. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eisen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling en het daarbij te geven bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

(...)

Gelet op het voorgaande is de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging mogelijk en naar het oordeel van het hof geboden. In tegenstelling tot de raadsman acht het hof de oplegging van alleen een gevangenisstraf, waarbij verdachte vrijwillig hulp zoekt, niet geschikt. Gelet op de vastgestelde gebrekkige ontwikkeling, het recidivegevaar en het geringe ziektebesef worden door een dergelijk traject te weinig garanties geboden voor het voorkomen van het opnieuw plegen van ernstige misdrijven."

3.3. Ik stel voorop dat in het kader van de vraag of een last tot terbeschikkingstelling als bedoeld in art. 37a Sr moet worden gegeven, het aan de rechter is die over de feiten oordeelt om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Die vaststelling is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan door deskundigen uitgebrachte adviezen.(1) Zonder vaststelling dat de verdachte ten tijde van het feit lijdende was aan gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, kan geen TBS worden opgelegd.(2) Indien sprake is van een weigerende observandus, is ingevolge art. 37a, derde lid, Sr oplegging van TBS ook mogelijk zonder het in art. 37, tweede lid, Sr bedoelde multidisciplinaire deskundigenadvies.(3) De regeling waarborgt dat de verdachte het niet in zijn macht heeft de uitkomst van de rechterlijke beslissing over zijn toerekeningsvatbaarheid te bepalen door te weigeren mee te werken aan gedragskundig onderzoek.

3.4. Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat in de beschouwing uit het psychologisch onderzoek - waarop het hof zich baseert - een reeks voorzichtige formuleringen (zoals 'geven veel aanwijzingen', 'leiden gemakkelijk tot' en 'zijn elementen die kunnen passen bij') wordt gevolgd door de opvallend stellige conclusie dat de gesignaleerde problematiek het rechtvaardigt om te spreken van een gebrekkige ontwikkeling (van de geestvermogens), maar dat die gebrekkige ontwikkeling vervolgens op geen enkele wijze nader wordt geduid, faalt het middel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het door het hof in zijn overwegingen geciteerde PBC-rapport, waarop het hof ook zijn beslissing heeft gebaseerd, houdt immers onder meer in dat de gebrekkige ontwikkeling blijkt uit het vastlopen op nagenoeg alle levensgebieden, waarbij wordt toegelicht welke gebieden dat betreft en op welke wijze de verdachte daarin is vastgelopen.

3.5. De klacht dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv zonder motivering is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman, inhoudend dat gelet op een aantal stellingen uit het PBC-rapport niet kan worden vastgesteld dat er bij de verdachte duidelijk sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens zoals bedoeld in art. 37a Sr, faalt eveneens. In de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof dat en waarom bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, ligt immers besloten dat, en waarom het hof van dat standpunt van de raadsman is afgeweken. Dat oordeel is ook overigens toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

3.6. Het middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

4. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 22 januari 2008, LJN BC1311, NJ 2008/193 m.nt. Reijntjes.

2 HR 9 januari 2001, LJN AD4678.

3 Vgl. bijv. Handboek Strafzaken, hoofdstuk 53.3.4b (bijgewerkt door mr. G.R.C. Veurink tot 31 juli 2005).