Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY6178

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
12/04713
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY6178
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Bopz-zaak; gevaar als bedoeld in art. 2 lid 2 Wet Bopz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2013/4
RvdW 2013/51
JWB 2012/587

Conclusie

12/04713

Mr. F.F. Langemeijer

2 november 2012

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

In deze Bopz-zaak gaat het om de motivering van het gevaar.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen op 31 mei 2012, heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen tot opneming van thans verzoekster tot cassatie (geboren in 1949, hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis; zie art. 2 Wet Bopz. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater.

1.2. De rechtbank heeft betrokkene en haar raadsman alsmede de behandelend psychiater en een verpleegkundige gehoord. Namens betrokkene is onder meer aangevoerd:

"Betrokkene begrijpt wat een rechterlijke machtiging inhoudt, maar zij vindt dat niet nodig. Ik ga er van uit dat de gestelde diagnose klopt. Het in de geneeskundige verklaring gestelde gevaar is echter niet concreet genoeg. Betrokkene komt hier langs en is dus nog in zicht bij de behandelaars. Zij doet nog zelfstandig boodschappen en rijdt auto. Op korte termijn zal dan ook geen gevaar ontstaan."

1.3. Bij beschikking van 5 juli 2012 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend. In reactie op het verweer overwoog de rechtbank:

"Gelet op de inhoud van de geneeskundige verklaring en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, concludeert de rechtbank - anders dan de advocaat in zijn verweer heeft betoogd - tot toewijzing van het verzoek. Voldoende vast is komen te staan dat betrokkene door een stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie van het paranoïde type, gevaar veroorzaakt. Dit gevaar, met name gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde zal gaan en gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen, kan niet worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis. Bij betrokkene is onvoldoende sprake van bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. (...)."

1.4. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Een voorlopige machtiging kan volgens art. 2 lid 2 Wet Bopz slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter:

a. de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken, en

b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

Middelonderdeel I heeft betrekking op het vereiste onder a, onderdeel II op het vereiste onder b.

2.2. In de geneeskundige verklaring is de diagnose "schizofrenie van het paranoïde type" gesteld. Deze geconstateerde stoornis van de geestvermogens is in eerste aanleg, noch in cassatie bestreden. Onderdeel I klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte gevaar heeft aangenomen en met name dat de rechtbank in strijd met de wet het zgn. 'bestwil-criterium' heeft toegepast. Mede gelet op art. 5 (lid 1 onder e) EVRM, zal volgens betrokkene sprake moeten zijn van een klemmend gevaar dat uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeit. In de tweede plaats wordt geklaagd dat de rechtbank onvoldoende duidelijk heeft gemotiveerd waarop haar oordeel berust dat er sprake is van een zodanig gevaar. In het bijzonder houdt de klacht in dat de rechtbank niet is ingegaan op het verweer dat het gestelde gevaar onvoldoende concreet is en dat een gedwongen opname in dit geval buitenproportioneel is.

2.3. De verwijzing in het middel naar het zgn. 'bestwil-criterium' slaat kennelijk terug op de discussie die ten tijde van de totstandkoming van de Wet Bopz is gevoerd(1). In het kort houdt deze discussie in, dat sedert de inwerkingtreding van de Wet Bopz voor een gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis niet toereikend is de constatering dat de opname, c.q. de voorgenomen medische behandeling, in het belang van de betrokken patiënt is, ook al ziet de patiënt dat zelf niet in. Art. 2 lid 2 Wet Bopz eist dat sprake is van 'gevaar'. Dat kan ook een gevaar voor de patiënt zelf zijn. De rechtbank heeft in dit geval als relevante gevaren beschouwd: het gevaar dat betrokkene als gevolg van deze stoornis maatschappelijk te gronde zal gaan en/of zichzelf ernstig zal verwaarlozen. Het middel bestrijdt - terecht - niet dat deze gevaren, indien aanwezig, een 'gevaar' in de zin van art. 1, lid 1 onder f, Wet Bopz kunnen zijn.

2.4. De rechtbank heeft niet een machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis verleend enkel op de grond dat een opneming in het belang van de patiënt zou zijn. De rechtbank heeft onderzocht of in dit geval aan het gevaarsvereiste is voldaan. In zoverre mist de rechtsklacht feitelijke grondslag. Ter motivering verwijst de rechtbank naar de geneeskundige verklaring en het verhandelde ter terechtzitting.

2.5. De geneeskundige verklaring vermeldt dat betrokkene last heeft van paranoïde wanen(2) en dat het haar ontbreekt aan ziektebesef en ziekte-inzicht. De paranoia belemmert betrokkene om haar maatschappelijke verplichtingen na te komen; ze ontvangt aanmaningen van deurwaarders, maar regelt haar zaken niet. Betrokkene staat haar behandelaars niet toe, haar hierbij te helpen. Blijkens de geneeskundige verklaring (rubriek 5) vreest de onderzoekende psychiater om deze reden voor maatschappelijke ondergang van betrokkene als zij niet wordt opgenomen.

2.6. Gevaar is: de kans op een dreigend onheil. De beoordeling van een gevaar (risico) valt uiteen in twee gezichtspunten: enerzijds moet worden onderzocht hoe groot de kans is dat het gevreesde onheil zich zal voordoen. Daarnaast moet worden onderzocht hoe ernstig de gevolgen zijn als het gevreesde onheil zich inderdaad voordoet(3). Tot slot moet worden onderzocht of het gevaar voldoende ernstig (in de terminologie van het middel: voldoende klemmend) is om een vrijheidsbeneming te rechtvaardigen(4): het proportionaliteitsvereiste.

2.7. De term 'maatschappelijk te gronde gaan' in art. 1, lid 1 onder f, Wet Bopz moet met enige voorzichtigheid worden gehanteerd: een keuze voor een van de gangbare maatschappelijke normen afwijkende levensstijl behoeft niet te duiden op de aanwezigheid van dit gevaar. Bij het begrip 'maatschappelijk te gronde gaan' is bijvoorbeeld gedacht aan gevallen waarin een patiënt (niet uit eigen weloverwogen keuze, maar) als gevolg van de stoornis en zijn daaruit voortvloeiende gedragingen, een ernstige kans loopt zijn woning, zijn werkkring, zijn vermogen en/of zijn goede naam en het contact met zijn zakelijke relaties, vrienden en familie of andere relevante maatschappelijke betrekkingen te verliezen(5). Toegespitst op het onderhavige geval, deel ik de mening in het cassatierekest dat het onbetaald laten van rekeningen en het niet regelen van haar zaken - in de geneeskundige verklaring als aanwijzing genoemd - op zichzelf geen toereikende motivering opleveren om het gevaar van 'maatschappelijk te gronde gaan' aan te nemen. Financiële problemen zouden kunnen worden aangepakt via vrijwillige schuldhulpverlening of een WSNP-traject. Indien betrokkene ook die vorm van hulpverlening afwijst, zal bijvoorbeeld het staken van leveranties of zelfs een faillissement het gevolg (het te duchten onheil) voor betrokkene kunnen zijn, maar daarmee is een onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis nog niet gerechtvaardigd. De rechtbank heeft hiermee kennelijk rekening gehouden, want zij heeft naast het gevaar van maatschappelijk te gronde gaan een tweede gevaar op het oog.

2.8. De rechtbank noemt het gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen. In de geneeskundige verklaring is ditzelfde gevaar genoemd en toegelicht met het voorbeeld van het niet innemen van de aldaar genoemde, door een arts voorgeschreven medicatie voor hypertensie en hypercholesterolemie. Het hiervan te duchten onheil is in de geneeskundige verklaring (rubriek 5) summier uitgewerkt: niet is aangegeven welk onheil wordt gevreesd als betrokkene deze medicatie niet inneemt en zich aan controles door de voorschrijvende arts onttrekt en wat daarvan de gevolgen zijn. De opsteller van de geneeskundige verklaring heeft kennelijk de lezer bekend verondersteld met het doel en de werking van deze geneesmiddelen. De rechtbank heeft dan ook niet volstaan met deze informatie. Zij verwijst mede naar de verklaringen van de behandelend psychiater en de verpleegkundige ter zitting. In die verklaringen zijn ook andere voorbeelden van zelfverwaarlozing genoemd, zoals de (door de verpleegkundige "zorgelijk" genoemde) mate waarin het huis is vervuild, het alcoholgebruik van betrokkene in combinatie met haar lichamelijke klachten en de moeizame verhouding van betrokkene met haar buren, die zij - ook blijkens haar eigen verklaring ter zitting - verdenkt van vernielingen en verdwijning van voorwerpen.

2.9. Een in algemene bewoordingen luidende motivering voldoet slechts aan de eis van de wet indien uit de inhoud van de stukken, daaronder begrepen het proces-verbaal van verhoor, zonder nadere redengeving begrijpelijk is wat de rechtbank voor ogen heeft gestaan. Waar het op aankomt is, of uit de stukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking zelf met een summiere motivering wordt volstaan(6). Zoals uit het voorgaande blijkt, is in de bestreden beschikking niet volstaan met een kwalificatie (in casu: het gevaar dat betrokkene als gevolg van deze stoornis maatschappelijk te gronde zal gaan en/of zichzelf ernstig zal verwaarlozen). De rechtbank heeft, door haar verwijzing naar de geneeskundige verklaring en naar de ter zitting afgelegde en in de beschikking samengevatte verklaringen, op een voor de lezer begrijpelijke wijze uiteengezet welk gevaar de rechtbank concreet voor ogen heeft gestaan en waarom zij deze gevaren - in combinatie - voldoende ernstig heeft geacht om een vrijheidsbeneming te kunnen rechtvaardigen. Over de waardering van de feiten kan verschillend worden gedacht, maar dat oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter. Onderdeel I treft geen doel.

2.10. Onderdeel II houdt in dat betrokkene "in het zicht" van de behandelaars blijft, zoals haar raadsman ter zitting heeft aangevoerd. Volgens betrokkene is op korte termijn geen gevaar te vrezen; indien dat op termijn wel het geval is, zal alsnog moeten worden beoordeeld of dat gevaar kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis. Als alternatief voor een onvrijwillige opname zijn aan betrokkene geen voorstellen gedaan. Gelet op dit verweer, is het oordeel dat het gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis onvoldoende begrijpelijk, aldus de klacht.

2.11. In de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, is opgemerkt dat betrokkene geen contact meer met de hulpverleners wenst, hetgeen betrokkene ter zitting heeft bevestigd. Er is jarenlang geprobeerd een behandelrelatie met haar op te bouwen, maar zij wijst het af, of het strandt op haar paranoia(7). Over dit laatste hebben de behandelend psychiater en de verpleegkundige ter zitting aanvullende informatie verstrekt.

2.12. Bij de beoordeling of het gevaar kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychatrisch ziekenhuis, beschikt de rechter over een zekere beoordelingsmarge. In dit geval is de mogelijkheid van ambulante begeleiding onderzocht, maar ongeschikt bevonden. Ter zitting heeft betrokkene duidelijk kenbaar gemaakt dat zij de ambulante behandeling niet wil voortzetten. Tegen deze achtergrond is de beoordeling door de rechtbank niet onbegrijpelijk. Het middelonderdeelt faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie onder meer: De Wet Bopz, losbladig, aantek. 3.7 bij art. 2 (W. Dijkers); P. van Ginneken, Een zodanig gevaar. Het gevaarscriterium bij gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis, Utrecht: NCGV, 1993, i.h.b. blz. 4 - 5 en 49 - 51.

2 Zie rubriek 4.a van de geneeskundige verklaring: wanen (dat er gestolen wordt uit haar huis, dat spullen worden verwisseld, haar buren haar bedreigen), ze hoort stemmen die nare dingen tegen haar zeggen en ze heeft betrekkingsideëen. Ter zitting van 5 juli 2012 heeft betrokkene een hiermee overeenstemmende verklaring afgelegd (proces-verbaal blz. 2; beschikking blz. 1).

3 Vgl. P. van Ginneken, Een zodanig gevaar, 1993, reeds aangehaald, blz. 22, onder verwijzing naar de nadere Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel Bopz (Kamerstukken II 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz. 18).

4 Zie de MvA, Kamerstukken II 1976/77, 11 270, nr. 7, blz. 7: "De ernst van het gevaar zal moeten opwegen tegen de ernst van de op te leggen dwangmaatregel."; conclusie voor HR 30 januari 2009 (LJN: BG5287), BJ 2009/9 m.nt. T.P. Widdershoven..

5 P. van Ginneken, Een zodanig gevaar, 1993, reeds aangehaald, blz. 30 - 31.

6 Vaste rechtspraak; zie onder meer HR 4 oktober 1996 (LJN: ZC2166), NJ 1997/359 m.nt. JdB; HR 17 maart 2000 (LJN: AA5164), NJ 2000/312.

7 Geneeskundige verklaring rubriek 6.a.