Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY6143

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
12/03219
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY6143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Afwijzing toelatingsverzoek. Psychische toestand, ontbreken verklaring hulpverlener. § 5.4.3 Landelijk uniforme beoordelingscriteria schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/67
RvdW 2013/41
NJ 2013/26
JWB 2012/591

Conclusie

12/03219

Mr. L. Timmerman

Parket: 27 september 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

Kern: Het hof weigert verzoeker de toegang tot de schuldsaneringsregeling op de grond dat hij zijn psychische stoornis nog niet "onder controle" heeft en dientengevolge nog steeds arbeidsongeschikt is, waardoor onvoldoende aannemelijk zou zijn dat hij de schuldsaneringsverplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (art. 288 lid 1 sub c Fw). In cassatie wordt onder meer de vraag opgeworpen of 's hofs oordeel juist en begrijpelijk is gelet op de opzet en het doel van de regeling en - zo voeg ik zelf toe - HR 27 mei 2011, LJN BP8708, NJ 2011, 256, rov. 3.5.

1.1 Op 10 januari 2012 heeft [verzoeker] bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoekschrift ingediend om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de (aan het hof overgelegde) verklaring ex art. 285 Fw is sprake van een totale schuldenlast van € 58.202,43. Het verzoek werd door de rechtbank op 8 maart 2012 afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was geworden dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (art. 288 lid 1 sub c Fw). De rechtbank baseerde dat oordeel op (1) het feit dat [verzoeker] sinds 2008 onder behandeling bij Parnassia is, medicatie gebruikt en de behandeling zodanig is dat hij niet in staat is om te werken en (2) het feit dat hij onvoldoende kennis heeft van de Nederlandse taal en nog moet beginnen aan een inburgeringscursus.

1.2. In de hiertegen gerichte hoger beroepsprocedure heeft [verzoeker] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op grond van de lopende behandeling bij Parnassia, zijn arbeidsongeschiktheid en zijn taalachterstand onaannemelijk is dat hij zal kunnen voldoen aan de schuldsaneringsverplichtingen. [Verzoeker] heeft erop gewezen dat:

(a) in de verklaring ex art. 285 Fw vermeld staat dat hij de gemaakte afspraken goed nakomt en dat de kans op een succesvol verloop van de schuldsaneringsregeling groot is;

(b) uit de brief van Palier van 30 november 2011 blijkt dat [verzoeker] wilskracht toont, evenals berouw over en inzicht in de door hem in het verleden gemaakte onjuiste inschattingen;

(c) [verzoeker] in het verleden ondanks zijn taalachterstand in zijn eigen onderhoud heeft kunnen voorzien als ZZP'er, zoals uit voornoemde deze brief blijkt, en hij bovendien onlangs is opgeroepen voor een taalcursus waarvoor hij zichzelf had aangemeld.

1.3 Bij arrest van 26 juni 2012 heeft ook het hof 's-Gravenhage geoordeeld dat, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, onvoldoende aannemelijk was geworden dat [verzoeker] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (rov. 5). Naar de kern genomen baseerde het hof dat oordeel op het ontbreken van een verklaring van een hulpverlener of een hulpverlenende instantie inhoudende dat de psychosociale problemen waaraan [verzoeker] leidt al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat [verzoeker] zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Daarbij putte het hof inspiratie uit paragraaf 5.4.3 van de "Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling" (bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken) en sloeg het acht op het medisch advies van 21 mei 2012. Volgens het hof was ter zitting naar voren gekomen dat [verzoeker] recidiverende depressieve klachten heeft, dat nog niet duidelijk is hoe lang de behandeling gaat duren en dat hij soms ook nog voor zijn psychische klachten wordt opgenomen. Ter zitting was ook gebleken dat [verzoeker] zijn afspraken met Parnassia trouw nakomt en dat hij zijn medicatie tijdig inneemt, maar - zo begrijp ik het hof - dat neemt niet weg dat de behandeling nog niet tot arbeidsgeschiktheid heeft geleid (rov. 4). Het hof acht het risico te groot dat bij toelating in dit stadium de schuldsanering niet in een schone lei zal uitmonden, waarna ingevolge art. 288 lid 2 onder d Fw een nieuwe mogelijkheid voor toepassing van de regeling gedurende tien jaar uitgesloten zou zijn (rov. 5). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank dan ook bekrachtigd. Hiervan is [verzoeker] tijdig in cassatie gekomen.(1)

1.4 In cassatie wordt in essentie geklaagd - althans, zo begrijp ik het middel - dat het oordeel van het hof niet strookt met de opzet en het doel van de schuldsaneringsregeling. Naar de kern genomen is er naar het oordeel van het hof geen ruimte in de schuldsaneringsregeling voor schuldenaren die arbeidsongeschikt zijn wegens een psychische aandoening, zoals [verzoeker] die blijkens de gedingstukken lijdt aan een depressie met ernstige psychotische kenmerken. Pas als er uitzicht is op genezing, althans als de psychische stoornis al enige tijd beheersbaar is - wat dat verder ook moge betekenen ingeval van een langdurige depressie -, is een dergelijke schuldenaar klaar voor de schuldsaneringsregeling. Het middel bestrijdt dat oordeel van het hof op juistheid en begrijpelijkheid.

1.5 Het hof neemt mijns inziens terecht tot uitgangspunt dat een schuldenaar alleen dan kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, als hij daar klaar voor is. Een schuldenaar is niet gebaat bij "premature" toelating tot de regeling. De kans is immers groot dat een niet-"schuldsaneringsrijpe" schuldenaar voortijdig uit de regeling wordt gezet of dat hem aan het einde van de rit de schone lei wordt onthouden, waarna ingevolge art. 288 lid 2 sub d Fw gedurende tien jaar geen (nieuwe) toegang tot de regeling wordt verleend. Het is dan ook in het belang van de schuldenaar zelf om de aanvraag, of in elk geval de toelating uit te stellen tot het moment waarop aannemelijk is dat hij aan de uit regeling voortvloeiende verplichtingen zal kunnen voldoen. Of al dan niet aannemelijk is gemaakt dat een schuldenaar zal kunnen voldoen aan de betreffende verplichtingen, is een oordeel van feitelijke aard dat zich in cassatie slechts in beperkte mate laat toetsen. De rechter dient het oordeel mijns inziens wel zodanig te motiveren, dat de schuldenaar daaruit kan afleiden waarom hij op dat moment (nog) niet saneringsrijp is, zodat hij op basis daarvan kan bepalen welke stappen hij kan nemen teneinde de kans op toelating tot de schuldsaneringsregeling te vergroten.

1.6 Het oordeel dat [verzoeker] nog niet klaar is voor de schuldsaneringsregeling, baseert het hof op het feit dat [verzoeker] lijdt aan een psychische stoornis ten gevolge waarvan hij arbeidsongeschikt is. Dat oordeel strookt naar mijn mening niet met HR 27 mei 2011, LJN BP8708, NJ 2011, 256. In rov. 3.5 van dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een schuldenaar (nog) niet in staat is om te werken, niet betekent dat hij zich niet kan inspannen om te voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen als bedoeld in art. 288 lid 1 sub c Fw. Een arbeidsongeschikte schuldenaar kan voldoen aan de inspanningsverplichting door zich in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden, aldus de Hoge Raad.

1.7 [Verzoeker] heeft zijn stelling dat hij in staat is om aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen als bedoeld in art. 288 lid 1 sub c Fw te voldoen, met de volgende stukken onderbouwd:

- de art. 285 Fw-verklaring, die vermeldt dat de afspraken door [verzoeker] goed worden nagekomen en dat de schuldhulpverlener de kans op basis van het gedrag van [verzoeker] groot acht dat hij het wettelijk traject zal doorlopen. "Goed" en "groot" zijn de maximaal haalbare "scores" in de betreffende verklaring;

- de aan het hof overgelegde verklaringen van de hulpverleners van Parlier en PsyQ, waarin [verzoeker] wordt aanbevolen voor toelating tot de schuldsaneringsregeling.

1.8 Het enkele feit dat [verzoeker] blijkens de medische verklaring van 21 mei 2012 nog niet van zijn psychische stoornis verlost is en dat hij medicatie gebruikt met een fors effect op zijn reactievermogen, brengt nog niet met zich - althans niet zonder nadere toelichting - dat [verzoeker] niet aan de met de schuldsaneringsregeling samenhangende verplichtingen kan voldoen. Volledigheidshalve merk ik op dat het voorgaande niet impliceert dat [verzoeker] klaar is voor de schuldsaneringsregeling - dat oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter -, maar enkel dat het oordeel van het hof onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de voormelde uitspraak van de Hoge Raad en de voornoemde verklaringen.

1.9 Voor zover het cassatieverzoekschrift nog andere klachten bevat, behoeven die gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

1.10 Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is per post en per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 29 juni 2012, derhalve binnen de in art. 292 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.