Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY5672

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/04642
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ9092
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY5672
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Gelet op de door de rm opgegeven reden voor de afwezigheid van verdachte ttz in h.b. is de overweging van het Hof dat verdachte door zijn afwezigheid de verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen afwijst niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 26
RvdW 2013/74

Conclusie

Nr. 11/04642

Mr. Machielse

Zitting 13 november 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte ]

1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 23 juni 2011 wegens 1. "medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht"(1) en 2. "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging van twee eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen gelast.

2. Mr. E. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

Mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1 Beide middelen klagen over de strafmotivering.

3.2 Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich, tezamen met zijn zoon, schuldig gemaakt aan een vergaande vorm van verbale bedreiging van aangever [betrokkene 1] en zijn gezin, waartoe een kind van (destijds) amper een jaar behoorde. Voorts heeft verdachte zich, eveneens met zijn zoon, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens diezelfde aangever.

Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte kennelijk in grote woede en redeloosheid en vermoedelijk onder invloed van alcohol heeft gehandeld. De oorzaak van de al langer durende onmin tussen de beide families is onduidelijk gebleven en heeft geleid - zo blijkt eveneens uit het dossier - tot meerdere onverkwikkelijke incidenten en voor het gezin [van betrokkene 1] benarde situaties.

Het hof stelt vast dat verdachte heeft gekozen voor een nagenoeg volledig ontkennende opstelling en dat hij noch ter terechtzitting in eerste aanleg noch in hoger beroep is verschenen. Het hof maakt daaruit op dat verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen afwijst.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 april 2011. Uit dit 25 pagina's tellend stuk blijkt dat verdachte sinds 1984 talloze malen is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder (soortgelijke) delicten met een geweldscomponent. Tevens blijkt daaruit dat verdachte na de pleegdatum van de thans ter beoordeling staande feiten zevenmaal onherroepelijk is veroordeeld voor - onder meer - bedreiging, mishandeling, diefstal en overtredingen van de Wegenverkeerswet. Hieruit volgt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zal worden verklaard.

De raadsman van verdachte heeft verzocht om - indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen - verdachte een werkstraf op te leggen van dezelfde omvang als waartoe hij in eerste aanleg is veroordeeld. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof evenwel van oordeel dat de door de politierechter opgelegde straf qua modaliteit noch qua omvang recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde, daarbij ook en met name verdachtes omvangrijke documentatie in aanmerking nemende. De door de raadsman aangevoerde gewijzigde omstandigheden in de leefsituatie van verdachte maken dit oordeel niet anders.

Hieruit volgt dat het hof oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden acht. Bij de bepaling van de omvang daarvan zal rekening worden gehouden met het feit dat er in deze strafzaak sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, waarbinnen berechting plaats dient te vinden. Op grond daarvan zal het hof op de bij het bewezen verklaarde passend geachte duur van de gevangenisstraf een korting toepassen van twee weken."

4.1 Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft gewezen op eerdere "onverkwikkelijke incidenten en voor het gezin [van betrokkene 1] benarde situaties", aangezien deze feiten niet in de bewezenverklaring zijn opgenomen en verdachte deze feiten ontkent.

4.2 Vooropgesteld zij dat de keuze voor en weging van factoren die van belang worden geacht voor de strafoplegging, voorbehouden zijn aan de rechter die over de feiten oordeelt(2) en dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de rechter naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij de strafoplegging rekening houdt met feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan.(3) Vereist is wel dat die omstandigheden zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

4.3 Hoewel in de strafmotivering van het hof slechts wordt verwezen naar informatie uit het dossier, houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep onder meer in:

"De advocaat-generaal requireert als volgt, zakelijk weergegeven:

De ten laste gelegde feiten komen voort uit animositeit tussen de families [van verdachte] en [van betrokkene 1]. De achtergrond daarvan is niet duidelijk geworden. [Verdachte en betrokkene 2] houden zich kennelijk met enige regelmaat op bij de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Zij hebben meermalen, ook in de nachtelijke uren en onder invloed van alcohol, de confrontatie gezocht."

Gezien dit onderdeel van het requisitoir van de advocaat-generaal, dat steun vindt in bewijsmiddel 1, kan het in het middel aangevallen onderdeel van de strafmotivering worden aangemerkt als een nadere, niet-onbegrijpelijke uitwerking van de uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken en door het hof in aanmerking genomen omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

4.4 Het middel faalt.

5.1 Het tweede middel klaagt dat het hof uit het feit dat verdachte zowel in eerste als tweede aanleg niet ter terechtzitting is verschenen ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen afwijst.

5.2 De vraag of een verdachte berouw heeft getoond van zijn handelen is bij uitstek een de persoon van de verdachte betreffende omstandigheid waarmee in de bepaling van de strafmaat rekening mag worden gehouden.(4) Als een dagvaarding in persoon is uitgereikt is het enkele feit dat verdachte daarop niet verschijnt evenwel onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn daden niet wil nemen.(5) Het hof heeft onder andere uit het feit dat verdachte noch ter terechtzitting in eerste aanleg noch in hoger beroep is verschenen afgeleid dat verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen afwijst en heeft dit mede redengevend geacht voor de oplegging van bovengenoemde gevangenisstraf. Dit oordeel is echter niet zonder meer begrijpelijk gelet op de reden die de gemachtigd raadsman van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gegeven voor de afwezigheid van verdachte. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt hieromtrent in:

"Cliënt heeft weinig financiële middelen. Een retour Enschede-Leeuwarden is dan gewoon te duur. Cliënt heeft mij gemachtigd om hem hier ter terechtzitting te verdedigen."

5.3 Het middel lijkt mij terecht te zijn voorgesteld.

6. Het eerste middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel slaagt.

7. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 4] heeft bedreigd, zodat aan de kwalificatie de woorden "meermalen gepleegd" dienen te worden toegevoegd. De HR kan de kwalificatie verbeterd lezen.

2 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, p. 263; HR 26 juni 1984, NJ 1985, 138; HR 11 april 2006, NJ 2006, 393, m.nt. Buruma; HR 21 november 2006, LJN: AY7805.

3 Vgl. HR 27 november 2001, LJN: AD4286; HR 2 november 2004, LJN: AQ8466, NJ 2005, 274 m.nt. Schalken; HR 12 januari 2010, LJN: BK4421; HR 26 oktober 2010, LJN: BM9968, NJ 2010, 586.

4 Bijv. HR 14 maart 2006, LJN: AU9353.

5 HR 15 maart 2005, LJN: AS4744.