Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY5384

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
07-12-2012
Zaaknummer
11/03996
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU1437
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY5384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verlengingsverzoek partneralimentatie op grond van art. II lid 2 Wet Limitering Alimentatie; ingrijpende aard definitieve beëindiging, hoge motiveringseisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/10
RvdW 2013/5
RFR 2013/16
JWB 2012/575

Conclusie

11/03996

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 14 september 2012

CONCLUSIE inzake:

[De vrouw],

verzoekster tot cassatie,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. I.J. Pieters,

tegen:

[De man],

verweerder in cassatie,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M. de Boorder.

Het principale cassatieberoep betreft de vraag of het hof bij zijn beslissing tot definitieve beëindiging van de (verlengde) onderhoudsplicht als bedoeld in art. II lid 2 WLA voldaan heeft aan de daarvoor geldende motiveringseisen. Ook in het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep wordt - zij het op andere punten - de begrijpelijkheid van de beschikking van het hof aan de orde gesteld.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1).

(i) Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (hierna: de man) zijn gehuwd geweest van 27 december 1967 tot 31 maart 1987.

(ii) Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 24 februari 1987 is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepaald op ƒ 1.500,- (€ 680,-) per maand. Dit vonnis is op 31 maart 1987 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Bij beschikking van de rechtbank van 27 mei 2003 is het verzoek van de man om zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw met ingang van 1 december 2002 te beëindigen, afgewezen. Voorts is bij deze beschikking een termijn als bedoeld in art. II, tweede lid, van de Wet Limitering Alimentatie van 28 april 1994, Stb. 325 (hierna: de WLA) vastgesteld, waarvan -met het oog op het bereiken door de vrouw van de pensioengerechtigde leeftijd(2) - het einde is bepaald op 1 mei 2009, met bepaling dat verlenging van deze termijn na ommekomst mogelijk is.

(iv) Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof 's-Gravenhage (hierna: het hof) bij beschikking van 17 maart 2004 de beschikking van de rechtbank van 27 mei 2003 bekrachtigd.

(v) Op 13 april 2009 is de vrouw 65 jaar geworden.(3)

1.2 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 23 april 2009, heeft de vrouw verzocht om verlenging van de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 mei 2009 met tien jaar, met bepaling dat deze termijn na ommekomst verlengbaar zal zijn.

Zij heeft aan dat verzoek (mede) ten grondslag gelegd dat haar inkomen per 13 april 2009 - de datum waarop zij 65 jaar is geworden - aanzienlijk is gedaald. Tot 13 april 2009 bedroeg haar inkomen € 1.786,- netto per maand (WAO-uitkering € 1.094,73; arbeidsinkomen Florence Thuiszorg € 229,-; prepensioenuitkering € 461,92). Daarnaast ontving zij partneralimentatie van € 955,- bruto per maand. Met ingang van 13 april 2009 bedragen haar inkomsten - buiten de partneralimentatie - € 1.281,- netto per maand (AOW-uitkering € 982,-; ABP-pensioenuitkering € 298,74). Beëindiging van de partneralimentatie zou volgens haar van zo ingrijpende aard zijn dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.(4)

1.3 De man heeft verweer gevoerd en tevens het zelfstandig verzoek gedaan de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 december 2002 op nihil te stellen, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling aan de man van de teveel ontvangen alimentatie.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw de afgelopen jaren een veel hoger inkomen heeft genoten dan waarvan de rechtbank en het hof in hun beschikkingen van respectievelijk 27 mei 2003 en 17 maart 2004 zijn uitgegaan. Het inkomen dat zij méér heeft ontvangen dan waarvan bij laatstgenoemde beschikkingen is uitgegaan, is hoger dan de partneralimentatie die zij heeft ontvangen.(5)

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de man.(6)

Zij betwist dat zij ten tijde van de procedures voor de rechtbank en het hof in 2003 en 2004 inkomsten heeft verzwegen. Haar inkomen is wel gewijzigd, maar dit is pas gebeurd vanaf maart 2004(7). Eerst per maart 2004 is de WAO-uitkering van de vrouw verhoogd omdat zij met ingang van die datum voor 80-100% arbeidsongeschikt werd verklaard. Tegenover de stijging van de WAO-uitkering staat echter het vrijwel komen te vervallen van de inkomsten van € 200,- die de vrouw verdiende met het af en toe verrichten van werkzaamheden in de particuliere huishouding(8). Het netto inkomen van de vrouw nam dus per saldo slechts in geringe mate toe. Voorts heeft het prepensioen van € 461,92 netto per maand (PGGM) dat zij m.i.v. 1 november 2007 ontving, tot gevolg gehad dat zij meer belasting moest gaan betalen zodat zij uiteindelijk netto weinig van dit pensioen heeft overgehouden. Een en ander rechtvaardigt volgens de vrouw in ieder geval niet een nihilstelling per 1 december 2002, maar ook niet een nihilstelling of verlaging van de bijdrage met ingang van een latere datum nu de extra inkomsten per saldo slechts een geringe stijging met zich hebben gebracht. Indien daarover anders wordt geoordeeld, is een gehele of gedeeltelijke terugbetalingsverplichting in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid.

1.4 De rechtbank heeft bij beschikking van 5 januari 2010 het verlengingsverzoek van de vrouw afgewezen en - na vaststelling dat het zelfstandig verzoek van de man wordt opgevat als een verzoek om zijn alimentatieverplichting met ingang van 1 december 2002 te beëindigen - met wijziging in zoverre van de beschiking van 27 mei 2003 bepaald dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw eindigt op 1 januari 2008, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling aan de man van de alimentatie die zij over de periode vanaf 1 januari 2008 heeft ontvangen.

1.5 De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen met het verzoek de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende primair haar inleidende verzoek toe te wijzen en derhalve te bepalen dat de verplichting van de man tot betaling aan de vrouw van partneralimentatie ook na 1 mei 2009 zal blijven gelden en dat die verplichting zal duren voor 10 jaren, met de bepaling dat deze termijn na ommekomst verlengbaar zal zijn, en subsidiair, indien het hof tot het oordeel komt dat de alimentatieverplichting van de man op termijn moet eindigen, te bepalen dat na 1 mei 2009 een door het hof in goede justitie te bepalen afbouwregeling zal gelden, in dier voege dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw in 10 jaar tijd zal worden afgebouwd tot nihil.

De vrouw heeft daartoe vier grieven aangevoerd, waarvan de grieven 1 t/m 3 zich richten tegen de beoordeling van het verlengingsverzoek en grief 4 gericht is tegen de beoordeling van het verzoek van de man.

De man heeft het beroep bestreden.

1.6.1 In zijn beschikking van 15 juni 2011 heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat bij beschikking van de rechtbank van 27 mei 2003, bekrachtigd bij beschikking van het hof van 17 maart 2004, het verzoek van de man tot beëindiging van zijn alimentatieverplichting per 1 december 2002 is afgewezen, en dat die alimentatieverplichting is verlengd tot 1 mei 2009 onder bepaling dat die termijn na ommekomst verlengbaar is (rov. 5). In geschil zijn (i) het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieverplichting per 1 mei 2009 met een periode van tien jaar en (ii) het verzoek van de man tot nihilstelling met terugwerkende kracht tot 1 december 2002 (rov. 1). Het hof heeft dit laatste verzoek aangemerkt als een wijzigingsverzoek ex art. 1:401 lid 1 BW op de grond dat de vrouw wegens gewijzigde omstandigheden geen behoefte meer heeft aan alimentatie en heeft overwogen dit verzoek, als zijnde het verzoek met de verste strekking, het eerst te zullen beoordelen (rov. 6, 8).

1.6.2 In het kader van het wijzigingsverzoek van de man heeft het hof de tussen partijen vaststaande toename van het inkomen van de vrouw vanaf 2004 aangemerkt als een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling met ingang van 1 maart 2004 rechtvaardigt (rov. 10). Naar het oordeel van het hof moet de behoefte van de vrouw, overeenkomstig de door haar in eerste aanleg overgelegde behoefteberekening(9), worden vastgesteld op € 2.930,- bruto per maand in 2009 (rov. 13-14). Het hof heeft het gemiddelde inkomen van de vrouw uit werk en uitkering over de periode 2004 tot en met 2009 berekend op € 2.112,- bruto per maand (rov. 16-18) en is voorts uitgegaan van een gemiddelde behoefte, na indexatie, over die periode van € 2.781,- bruto per maand. Volgens het hof volgt uit het voorgaande dat de vrouw over de gehele periode behoefte heeft gehad aan een lagere onderhoudsbijdrage dan door de rechtbank in 2003 is vastgesteld, te weten gemiddeld € 670,- bruto per maand (rov. 18). Nu de draagkracht van de man over de achterliggende periode niet in geschil is, bedraagt hetgeen de man aan de vrouw met ingang van 1 maart 2004 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven verschuldigd is € 670,- bruto per maand (rov. 19).

1.6.3 In het kader van het verlengingsverzoek van de vrouw heeft het hof vervolgens onderzocht of beëindiging van deze alimentatieverplichting op grond van art. II lid 2 WLA met ingang van 1 mei 2009 van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden (rov. 20).

Het hof heeft daartoe overwogen (onder meer) dat het inkomen van de vrouw met en door het bereiken van de 65-jarige leeftijd per 13 april 2009 is gedaald van € 1.786,- naar € 1.282,- netto per maand en heeft geoordeeld dat, gelet op deze en andere financiële omstandigheden van de vrouw, het beëindigen van de alimentatie per 1 mei 2009 voor haar ingrijpend zou zijn (rov. 24).

Ter beoordeling van het antwoord op de vraag of deze inkomensterugval van zo ingrijpende aard is dat deze, alle omstandigheden in aanmerking genomen en met afweging van de belangen van beide partijen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd (rov. 25), heeft het hof als volgt overwogen:

"26. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de vrouw zich voldoende inspanningen heeft getroost om te trachten zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof sluit daarmee aan bij zijn eerdere bevindingen zoals verwoord in de beschikking uit 2004. De omstandigheid dat de vrouw de man niet heeft geïnformeerd over haar nadien gewijzigde inkomen, doet aan het daarin overwogene niet af. Reeds toen is immers gebleken dat de vrouw door haar arbeidsongeschiktheid werd beperkt in het benutten van haar verdiencapaciteit, doch zich heeft laten omscholen en onder haar niveau heeft gewerkt om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Uit de nadien naar voren gekomen feiten en omstandigheden blijkt dat de situatie van de vrouw verder is verslechterd. De vrouw is in maart 2004 voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Weliswaar ontving zij hiervoor een hogere WAO-uitkering, doch zij werd hiermee verder beperkt in haar verdiencapaciteit. Het hof betrekt voorts in zijn oordeel dat de vrouw, ondanks haar toenemende arbeidsongeschiktheid en haar vorderende leeftijd, tot aan haar pensioen werkzaamheden heeft verricht in de thuiszorg. De vrouw heeft geen mogelijkheden gehad om middels het uitbreiden van haar werkzaamheden haar inkomsten uit te breiden. Zij heeft een aanzienlijk deel van haar spaartegoed en de extra inkomsten door teveel ontvangen alimentatie aangewend voor kostbare onderhoudsverkzaamheden. Daarnaast bestaat het vermogen van de vrouw uit een eigen woning met een overwaarde van € 66.000,-. Het hof acht het niet redelijk van de vrouw te verwachten dat zij onder de huidige economische omstandigheden haar huis verkoopt en deze overwaarde realiseert. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw de inkomstenterugval heeft vergroot door aanspraak te maken op het prépensioen, nu niet aannemelijk is geworden dat het definitieve pensioenrecht wezenlijk hoger zou zijn geweest indien de vrouw op prépensioen geen aanspraak zou hebben gemaakt.

27. Aan de andere kant is het hof gebleken dat het inkomen van de man tengevolge van zijn pensionering in 2006 fors is gedaald en dat hij met dit inkomen zijn invalide vrouw heeft te onderhouden. Het hof acht, de aangiften Inkomstenbelasting daartoe in aanmerking nemende, evenwel niet aannemelijk geworden dat de man financieel niet in staat is de hierna te bepalen alimentatie te voldoen.

28. Uit het voorgaande blijkt dat de vrouw niet heeft kunnen inspelen op de inkomensachteruitgang als gevolg van een eventuele beëindiging van de partneralimentatie. Het hof acht beëindiging per 1 mei 2009 van zodanig ingrijpende aard dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans nog niet van de vrouw kan worden gevergd. De genoemde omstandigheden aan de zijde van de vrouw laat het hof zwaarder wegen dan de omstandigheden aan de zijde van de man. Wel kan van de vrouw gevergd worden dat de alimentatie met ingang van 1 maart 2004 wordt bepaald op € 670,- bruto per maand. Dit laat onverlet dat de vrouw er rekening mee had dienen te houden dat de alimentatieverplichting van de man op enig moment zou eindigen en dat van haar kon worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn na 1 mei 2009 haar bestedingspatroon zodanig had aangepast en maatregelen had getroffen dat zij met haar eigen inkomen, zonder bijdrage van de man, geheel in eigen levensonderhoud kon voorzien. Gezien de hoogte van de aanvullende behoefte van de vrouw acht het hof een beëindiging na verloop van één jaar, te weten per 1 mei 2010, niet zodanig ingrijpend meer dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer van de vrouw kan worden gevergd. Het hof zal de alimentatieverplichting van de man per die datum beëindigen."

1.6.4 Ter zake van de terugbetalingsverplichting van de vrouw heeft het hof vastgesteld dat de man over de periode 1 maart 2004 tot en met april 2009 € 17.670,- teveel heeft betaald en over de periode 1 mei 2009 tot 1 mei 2010 nog een bedrag van € 8.040,- aan de vrouw verschuldigd is. Het hof heeft het redelijk geacht van de vrouw te vergen dat zij een bedrag van € 8.000,- aan de man voldoet, nu zij eind 2009 nog beschikte over een spaartegoed van ongeveer € 12.000,- (rov. 32).

1.6.5 Op grond van voornoemde overwegingen heeft het hof de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigd, en, in zoverre opnieuw beschikkende, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van het hof van 17 maart 2004, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie voor de periode van 1 maart 2004 tot 1 mei 2010 bepaald op € 670,- per maand met uitsluiting van de wettelijke indexering en bepaald dat de vrouw een bedrag van € 8.000,- bruto teveel ontvangen alimentatie aan de man dient terug te betalen.

1.7 De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof tijdig(10) beroep in cassatie ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend en tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft op dit incidentele cassatieberoep een verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het principale cassatieberoep

2.1 Het middel komt op tegen de in rov. 28 door het hof gegeven motivering van zijn beslissing om de alimentatieverplichting per 1 mei 2010 te beëindigen. Geklaagd wordt dat deze motivering niet voldoet aan de hoge motiveringseisen die gelden voor beslissingen waarbij het recht op alimentatie met toepassing van art. II lid 2 WLA definitief wordt beëindigd. Volgens het middel is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk 's hofs oordeel dat beëindiging van het recht op alimentatie per 1 mei 2009 nog wel, maar per 1 mei 2010 niet meer van zodanig ingrijpende aard is dat die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, omdat "de vrouw er rekening mee had dienen te houden dat de alimentatieverplichting van de man op enig moment zou eindigen en dat van haar kon worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn na 1 mei 2009 haar bestedingspatroon zodanig had aangepast en maatregelen had getroffen dat zij met haar eigen inkomen, zonder bijdrage van de man, geheel in eigen levensonderhoud kon voorzien." Daartoe wijst het middel op 's hofs gelijktijdige vaststelling dat de vrouw "niet heeft kunnen inspelen op de inkomensachteruitgang als gevolg van een eventuele beëindiging van de partneralimentatie" (rov. 28, eerste volzin), welke omstandigheid volgens het middel meebrengt dat het ingrijpend karakter van de beëindiging van het recht op alimentatie voor de vrouw niet alleen per 1 mei 2010 maar ook nog de komende tien jaren gehandhaafd blijft.

Het middel stelt dat nu de omstandigheden van de vrouw niet zijn gewijzigd, zij onverminderd behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man en dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onder de gegeven omstandigheden in ieder geval meebrengen dat de vrouw, zoals zij subsidiair heeft verzocht, een redelijke termijn wordt gegund om haar bestedingspatroon zodanig aan te passen dat zij met haar eigen inkomen, zonder bijdrage van de man, geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien.

Het middel verbindt aan het voorgaande de conclusie dat ook de beslissing van het hof om de vrouw te verplichten een bedrag van € 8.000,- teveel ontvangen alimentatie aan de man terug te betalen, niet in stand kan blijven.

2.2 In geschil is niet de toepasselijkheid - op het verlengingsverzoek - van de beoordelingsmaatstaf als bedoeld in art. II lid 2 WLA(11) (rov. 20). Deze bepaling bevat de volgende overgangsregeling voor alimentatieverplichtingen die dateren van vóór de inwerkingtreding van de WLA per 1 juli 1994:

" (...)

2. Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter de verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder geval rekening met:

a. de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is;

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

d. de omstandigheid dat de tot de uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de uitkering is gehouden.

De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is. Het bepaalde in de eerste volzin kan niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze wet.

(...)

2.3 Volgens vaste rechtspraak worden aan beslissingen waarbij een beroep van de alimentatiegerechtigde op de in art. II lid 2 WLA vervatte uitzondering aanstonds wordt verworpen, dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid tot verlenging wordt gehonoreerd, in verband met hun ingrijpend karakter, hoge motiveringseisen gesteld. Teneinde te beoordelen of toepassing van de hoofdregel in het individuele geval hoogst onrechtvaardig zou zijn, dienen alle relevante omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige, in aanmerking te worden genomen en in onderling verband te worden gewogen. Indien de alimentatiegerechtigde voldoende gemotiveerd stelt dat voor toepassing van deze uitzondering grond is en de feiten waarop deze stelling steunt bij betwisting, althans voor zover het gaat om omstandigheden aan haar/zijn zijde, aannemelijk maakt, moet de rechter bij het nemen van een beslissing als hiervoor bedoeld doen uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken. Ter wille van de hanteerbaarheid van het systeem moet als vuistregel worden aanvaard dat geen nadere motiveringseisen gelden ingeval de beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde geen of slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft. Deze vuistregel lijdt uitzondering in die gevallen, waarin de verdere omstandigheden van het geval onmiskenbaar zó zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het beroep op de uitzondering van art. II lid 2 WLA opleveren dat de rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kán gaan en moet laten uitkomen dat en hoe hij ook die verdere omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken.(12) De hoge motiveringseisen gelden echter niet wanneer het verzoek tot limitering van de alimentatie wordt afgewezen(13) of de alimentatie (op termijn) op nihil wordt gesteld.(14)

2.4 Voormelde hoge motiveringseisen gelden, naar ik meen, op overeenkomstige wijze voor de afwijzing of honorering voor een beperkte (dat wil zeggen: niet verlengbare) termijn van een verzoek tot verlenging van een door de rechter, na afwijzing van een beëindigingsverzoek, vastgestelde (verlengbare) termijn als bedoeld in art. II lid 2 WLA.

2.5 Het middel klaagt, als gezegd, over onbegrijpelijkheid van 's hofs beslissing tot beëindiging per 1 mei 2010 in het licht van zijn gelijktijdige vaststelling dat de vrouw "niet heeft kunnen inspelen op de inkomensachteruitgang als gevolg van een eventuele beëindiging van de partneralimentatie". De strekking van de klacht is niet geheel duidelijk.

2.6 Voor zover de klacht (gelet op het cassatieverzoekschrift onder 13, laatste volzin) strekt tot het betoog dat nu de vrouw niet op inkomensachteruitgang als gevolg van alimentatiebeëindiging heeft kunnen inspelen, die beëindiging niet alleen per 1 mei 2010 maar ook nog de komende tien jaren een ingrijpend karakter heeft, zodat reeds op die grond onbegrijpelijk is dat het hof een beëindiging per 1 mei 2010 als niet meer onaanvaardbaar ingrijpend beoordeelt, faalt dat betoog. De klacht ziet er immers aan voorbij dat het hof laatstgenoemd oordeel mede heeft gebaseerd op de - in cassatie niet bestreden - omstandigheden (i) dat de vrouw er rekening mee had dienen te houden dat de alimentatieverplichting op enig moment zou ophouden, (ii) dat van haar kon worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn na 1 mei 2009 haar bestedingspatroon had aangepast en maatregelen had getroffen, en (iii) dat zij een aanvullende behoefte had van € 670,- bruto per maand. Anders dan de klacht lijkt te veronderstellen, heeft het hof niet geoordeeld dat per 1 mei 2010 geen gewicht meer toekomt aan de omstandigheid dat de vrouw niet op de inkomensachteruitgang heeft kunnen inspelen, noch dat een beëindiging per die datum om die reden niet ingrijpend is. Het hof heeft slechts geoordeeld dat een beëindiging per die datum mede gelet op de omstandigheden (i) tot en met (iii) niet zodanig ingrijpend meer is dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Het hof heeft daarmee, overeenkomstig de hiervoor onder 2.3 vermelde motiveringseisen, aangegeven welke omstandigheden het in aanmerking heeft genomen en hoe het deze in zijn afweging heeft betrokken.

2.7 Voor zover de klacht aldus dient te worden begrepen dat de overweging van het hof dat van de vrouw mocht worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn na 1 mei 2009 "haar bestedingspatroon (..) had aangepast en maatregelen had getroffen" in tegenstrijd is met de eerdere vaststelling dat zij "niet heeft kunnen inspelen" op inkomensachteruitgang als gevolg van beëindiging van de alimentatie, geldt het volgende.

2.8 De vaststelling van het hof over het "niet kunnen inspelen" door de vrouw heeft, gelet op hetgeen in rov. 26 is overwogen met betrekking tot de relevante omstandigheden aan de zijde van de vrouw, uitsluitend betrekking op de vraag of de vrouw zich voldoende (extra) inkomsten heeft weten te verwerven. Deze overwegingen zien immers achtereenvolgens op de thema's: verdiencapaciteit, uitbreiding van inkomsten uit werk, (tegeldemaking van) vermogen en (pre)pensioen. De vaststelling door het hof dat de vrouw wat betreft haar inkomsten niet heeft kunnen inspelen op het toekomstig verlies van alimentatie laat zich echter zeer wel verenigen met de eis dat de vrouw daarop inspeelt door aanpassing van haar uitgavenpatroon. Ook in zoverre treft de klacht geen doel.

2.9 Nu de beslissing van het hof dat de vrouw een bedrag van € 8.000,- bruto teveel ontvangen alimentatie aan de man dient terug te betalen, voortbouwt op het tevergeefs bestreden oordeel van het hof dat beëindiging van de alimentatieplicht per 1 mei 2010 niet zodanig ingrijpend meer is dat die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer van de vrouw kan worden gevergd, faalt ook de klacht dat die beslissing niet in stand kan blijven.

3. Bespreking van het voorwaardelijk incidentele beroep

3.1 Het falen van het principale cassatieberoep brengt mee dat de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep is ingesteld niet in vervulling is gegaan en dat dit beroep derhalve geen bespreking behoeft.

Slechts voor het geval over het principaal beroep anders zou moeten worden geoordeeld, zal hieronder het voorwaardelijk incidenteel beroep worden besproken.

3.2 Het middel komt met zes onderdelen op tegen de beschikking van het hof.

3.3 Onderdeel 1 voert aan dat de man in rechte uitgebreid gemotiveerd heeft aangegeven dat niet alleen zijn maar ook de door de vrouw opgebouwde pensioenrechten bij de echtscheiding niet zijn verrekend en dat, indien dit wel was gebeurd, de vrouw mogelijk aan hem had moeten betalen en niet andersom. Met de overweging dat 'er geen pensioenrechten zijn verrekend', maakt het hof niet duidelijk of dit van belang is voor de te nemen beslissing en lijkt het hof niet te beslissen op de stelling van de man - die hij met stukken heeft onderbouwd en die door de vrouw niet is weersproken - dat dit niet van belang is, aldus het onderdeel.

3.4 Als ik het goed zie, komt het onderdeel op tegen rov. 24, waarin het hof beoordeelt of beëindiging van de alimentatie per 1 mei 2009 voor de vrouw ingrijpend zou zijn en in dat kader onder meer vaststelt dat de vrouw geen recht heeft op een deel van de door de man opgebouwde pensioenrechten. Met deze vaststelling heeft het hof kenbaar gemaakt dat in zoverre de omstandigheid dat de man en de vrouw geen pensioenrechten hebben verrekend voor zijn beslissing over het al dan niet ingrijpend zijn van beëindiging van de alimentatie van belang is en daarmee heeft het hof derhalve de stelling van de man dat het niet verrekenen van de pensioenrechten zonder belang is, verworpen. In zoverre mist het onderdeel dan ook feitelijke grondslag.

3.5 Onderdeel 2 betoogt dat de man in rechte heeft aangegeven dat de vrouw bij het Wolters College (een school) werkzaam is geweest en dat zij daar pensioen moet hebben opgebouwd, hetgeen niet blijkt uit de door de vrouw overgelegde pensioenbescheiden. De vrouw noch het hof heeft op deze stelling van de man gereageerd, aldus het onderdeel.

3.6 De klacht vermeldt geen vindplaats van evenbedoelde stelling en voldoet in zoverre niet aan de ingevolge art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen.(15) Voorts mist ook dit onderdeel feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 15 van zijn beschikking rekening gehouden met een pensioenuitkering voor de vrouw van het ABP van € 300,- netto per maand, overeenkomstig de opgave van de vrouw bij haar inleidende verzoekschrift (onder 7) met verwijzing naar de bij het verzoekschrift gevoegde bijlage. Gelet op de pleitaantekeningen d.d. 15 december 2010 namens de man in hoger beroep, hield de man zelf ook rekening met een ABP-pensioen van de vrouw.

3.7 Onderdeel 3 klaagt dat het hof ten onrechte overweegt dat het aan de man is om aan te tonen dat het prepensioen dat de vrouw heeft genoten op haar pensioen bij de PGGM, tot wezenlijke verlaging van haar pensioen vanaf haar 65e heeft geleid. Het onderdeel voert daartoe aan dat de man heeft gesteld dat dit van wezenlijke invloed is, dat de vrouw hierop niet heeft gereageerd, dat de man niet in staat is om pensioengegevens van de vrouw op te vragen en dat, nu de vrouw heeft nagelaten deze gegevens te verstrekken, het hof had moeten beslissen dat het prepensioen van de vrouw tot wezenlijke verlaging van haar pensioen vanaf haar 65e heeft geleid en dat die handeling niet voor rekening van de man kan worden gebracht.

3.8 Ik begrijp het onderdeel aldus, dat het opkomt tegen het oordeel van het hof aan het slot van rov. 26, waarin het hof als volgt overwoog:

"Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw de inkomstenterugval heeft vergroot door aanspraak te maken op het prépensioen, nu niet aannemelijk is geworden dat het definitieve pensioenrecht wezenlijk hoger zou zijn geweest indien de vrouw op prépensioen geen aanspraak had gemaakt."

Ik begrijp het onderdeel verder aldus, dat het zinspeelt op de constructie van de verzwaarde c.q. aanvullende stelplicht(16) en betoogt dat het hof, bij gebreke van informatieverschaffing door de vrouw omtrent haar hypothetische pensioen indien van prépensioen was afgezien, de door de man gestelde wezenlijke verlaging van het pensioen als vaststaand had moeten aannemen. Aldus begrepen kan het geen onderdeel doel treffen. Het middel geeft geen vindplaatsen van stellingen die het hof tot deze benadering aanleiding moesten geven, noch worden dergelijke stellingen in de gedingstukken aangetroffen. Voorts mist de stelling dat de vrouw niet op de stelling van de man heeft gereageerd, feitelijke grondslag. (17) Nu de vrouw heeft gesteld dat zij € 98,- per maand meer aan definitief pensioen zou hebben ontvangen als zij geen aanspraak zou hebben gemaakt op het prépensioen(18), is 's hofs oordeel niet onbegrijpelijk.

3.9 Onderdeel 4 komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 26 dat de vrouw doordat zij in maart 2004 voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard, verder is beperkt in haar verdiencapaciteit. Het onderdeel acht dit oordeel onjuist althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat de vrouw in de thuiszorg werkte en daar een inkomen mee verdiende.

3.10 Het onderdeel faalt. Voor zover het onderdeel de juistheid van het oordeel aan de orde probeert te stellen, miskent het dat daarvoor in cassatie geen plaats is. Het oordeel is voorts niet onbegrijpelijk nu de toegenomen arbeidsongeschiktheid en daarmee het oordeel over de verdiencapaciteit van de vrouw betrekking heeft op de werkzaamheden van de vrouw in het onderwijs, het (hoger gekwalificeerde) werk waarvoor zij aanvankelijk was opgeleid.(19)

3.11 Onderdeel 5 komt op tegen de overweging van het hof in rov. 26 dat de vrouw "een aanzienlijk deel van haar spaartegoed en de extra inkomsten door de teveel ontvangen alimentatie (heeft) aangewend voor kostbare onderhoudswerkzaamheden" en, zo begrijp ik het onderdeel, tegen het daarin besloten liggende oordeel van het hof dat het spaartegoed dat is voortgevloeid uit de hypotheekverhoging niet (meer) toereikend is om daaruit (een deel van) de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te bestrijden. Het onderdeel acht deze overweging onjuist of onbegrijpelijk nu de vrouw in haar appelschrift slechts het bestaan van onderhoudskosten ter hoogte van € 10.000,- heeft aangetoond, waarin zij bovendien zelf had moeten voorzien. Voorts is deze overweging in strijd met de eigen stelling van de vrouw dat zij voor de bekostiging van de extra onderhoudskosten haar hypotheek heeft verhoogd met € 50.000,-. Dit is € 40.000,- meer dan zij voor de onderhoudskosten nodig had. Met dat bedrag had de vrouw vijf jaar lang in het alimentatiebedrag van € 670,- per maand kunnen voorzien, aldus het onderdeel, dat het hof verwijt de stellingen van partijen te hebben verlaten en een gedeeltelijke en onbegrijpelijke beslissing te hebben genomen.

3.12 Het onderdeel dient te falen. Voor zover het onderdeel klaagt over onjuistheid van de door het onderdeel bestreden overweging, miskent het dat daarvoor in cassatie geen plaats is. Voor zover het onderdeel klaagt over onbegrijpelijkheid van de bestreden overweging, althans aanvoert dat deze in strijd is met de stellingen van de vrouw, althans dat het hof de stellingen van partijen heeft verlaten, stel ik voorop dat het onderdeel nalaat aan te geven waar in de gedingstukken de vrouw (of de man) de stelling heeft betrokken dat zij de hypotheek heeft verhoogd met € 50.000,-terwijl het hof hieromtrent niets heeft vastgesteld. Daarmee voldoet het onderdeel niet aan de daaraan ingevolge art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen, temeer niet nu de vrouw gelet op haar verweerschrift op het incidentele middel de rechtsstrijd op dit punt niet heeft aanvaard.(20) Reeds hierop stuit het onderdeel af.

Overigens acht ik de bestreden overweging niet onbegrijpelijk in het licht van het hierover door partijen gevoerde debat. Naar aanleiding van het oordeel van de rechtbank dat de vrouw onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat zij de hypotheekverhoging van € 40.000,- heeft besteed aan een noodzakelijke verbouwing van haar huis(21), heeft de vrouw in haar appelschrift gesteld dat zij in 2005 haar hypotheek heeft overgesloten, waarbij de hypotheek met € 40.000,- werd verhoogd. De vrouw heeft voorts betoogd dat die hypotheekverhoging nodig was voor (i) noodzakelijk onderhoud (dus geen verbouwing) aan het appartement van de vrouw, (ii) de aflossing van het restant van een al bestaande lening (€ 6.160,-) en (iii) sinds april 2009 ook om in haar levensonderhoud te voorzien vanwege de terugval in haar inkomen(22). De vrouw heeft ter onderbouwing verwezen naar de door haar overgelegde stukken in eerste aanleg(23), waaronder een kostenoverzicht van de VvE dat een raming bevat van € 10.000,- voor gepland onderhoud. Daarnaast heeft de vrouw bij brief van 1 december 2010 met het oog op de mondelinge behandeling van 15 december 2010 aanvullende stukken toegezonden, waaronder stukken met betrekking tot de onder (ii) genoemde lening en stukken met betrekking tot de kosten van woningonderhoud en overige door de vrouw betaalde kosten. Bij de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangevoerd dat zij jaarlijks € 3000,- aan onderhoud van de woning dient te betalen(24) en dat de lening vermeld onder (ii) betrekking had op de aanschaf van een auto.(25) De man heeft de stellingen van de vrouw bestreden, maar naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof niet met succes. Zo heeft de man in zijn verweerschrift in appel gesteld (onder 12) dat de vrouw volgens de belastingaangiften van de totale hypotheekverhoging (van € 42.000,-) in 2008 nog ongeveer € 30.000,- over had, dat de stelling van de vrouw dat zij van dit bedrag een deel nodig had voor levensonderhoud geen argument is, en dat aflossing van de schuld niet voor rekening van de man moet worden gebracht. Voorts heeft de man betwist dat de VvE-kosten zijn gemaakt, dat deze noodzakelijk waren en dat ze door de vrouw zijn voldaan. De man heeft daarbij niet verwezen naar onderbouwende stukken. Uit een jaaroverzicht van ING met betrekking tot de spaartegoeden over 2008(26) volgt dat de vrouw een saldo had van € 19.400,48 (uit de belastingaangifte over 2006(27) kan worden opgemaakt dat dit saldo begin 2006 nog € 36.533,- beliep); dit biedt geen steun aan de stelling van de man. De betwisting door de man is voor het overige weinig specifiek en niet onderbouwd.

3.13 Onderdeel 6 klaagt dat de man, anders dan het hof heeft overwogen in rov. 14 van de beschikking, wel gemotiveerd de behoefte van de vrouw heeft betwist. Het onderdeel verwijst daartoe naar de stellingen van de man met betrekking tot de autokosten en de kosten Humanistisch Verbond ter zitting van 15 december 2010 (p-v, p. 5) en stelt dat de man geprotesteerd heeft tegen de juistheid van de kosten verbonden aan de hypotheekverhoging nu deze ook volgens de stellingen van de vrouw maar voor 1/5 deel zijn besteed aan kosten van achterstallig onderhoud. Met betrekking tot de auto heeft de man nog aangevoerd dat hij zich in rechte op het standpunt heeft gesteld dat nu de vrouw met pensioen is en zij stelt geen werk meer te hebben, zij ook geen behoefte meer heeft aan een auto. Het hof heeft in zijn beschikking in strijd met het proces-verbaal geoordeeld dat de man op dit punt geen verweer heeft gevoerd.

3.14 Het hof heeft in rov. 14 met betrekking tot de behoefteberekening als volgt overwogen:

"Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de rente op de hypothecaire geldlening geen noodzakelijke last betreft, nu de vrouw naar het oordeel van het hof aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hypothecaire geldlening heeft verhoogd (deels) om de kosten van onderhoud van haar woning te kunnen voldoen en een al langer bestaande lening af te lossen. Het hof acht het derhalve redelijk met deze post rekening te houden. Nu de overige posten onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken en deze het hof niet onredelijk voorkomen, gaat het hof integraal uit van de door de vrouw overgelegde behoefteberekening."

Ter zitting van het hof van 15 december 2010 heeft de advocaat van de man met betrekking tot de behoefterekening van de vrouw opgemerkt (p-v, p. 5 onderaan):

"Het zijn begrijpelijke uitgaven, maar ik zet een vraagteken bij € 350,- voor de auto en de kosten voor het Humanistisch Verbond."

Voor zover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat het hof heeft geoordeeld dat de man de behoefte van de vrouw, althans de in het onderdeel genoemde posten niet heeft betwist, mist het feitelijke grondslag nu het hof geoordeeld heeft dat de man de aangevoerde posten (afgezien van de rente op de hypothecaire lening) onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk, gezien de door de man ingenomen stellingen waarvan het onderdeel de vindplaats heeft vermeld. De stellingen waarvan het onderdeel geen vindplaats heeft vermeld, laat ik hier buiten beschouwing nu het onderdeel op dit punt niet aan de te stellen eisen voldoet.

3.15 Onderdeel 6 bevat voorts nog de klacht dat de man gelet op het proces-verbaal (p. 2, punt 9) gemotiveerd heeft aangegeven dat de vrouw helemaal niet de inkomstenterugval heeft die zij stelt. Volgens het onderdeel heeft het hof op dit betoog geen of onbegrijpelijke beslissing genomen en lijkt het hof het PGGM-pensioen van de vrouw vergeten te zijn bij het vaststellen van haar huidige inkomen.

3.16 Het betoog waarnaar het onderdeel verwijst, luidt (p-v, p. 2, punt 9):

"Als ik kijk naar de cijfers dan zie ik ook nu nog, nu zij geen prepensioen heeft, de volgende inkomsten: AOW van € 1.000,- per maand, twee keer een pensioen van € 367,- per maand en een inkomen uit arbeid van € 400,- per maand. Dat is conform de behoefte van € 2.440,- per maand zoals door de rechtbank becijferd."

Met betrekking tot het inkomen van de vrouw sinds zij 65 jaar is geworden, heeft het hof in rov. 15 (slot) als volgt overwogen:

"Op 23 april 2009 is zij 65 jaar geworden. Vanaf die datum ontvangt zij enkel nog een AOW-uitkering van € 982,- netto per maand, alsmede een pensioenuitkering van het ABP van € 300,- netto per maand."

Met dit oordeel heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de vaststelling van de rechtbank(28) - overeenkomstig de goed gedocumenteerde stellingen van de vrouw in haar inleidende verzoekschrift(29) - dat het inkomen van de vrouw per 13 april 2009 € 1.281,- netto per maand bedraagt, gevolgd en de daar tegenover geplaatste, in het onderdeel bedoelde, niet met stukken onderbouwde stellingen van de man beoordeeld als een onvoldoende gemotiveerde betwisting. Het hof heeft voorts bij de vaststelling van het inkomen van de vrouw het PGGM-pensioen niet uit het oog verloren. De uitkering van € 982,- is, gelet op de pensioenbrief van PGGM(30), opgebouwd uit een deel (€ 12.640,- bruto per jaar) AOW van de SVB en een deel (€ 1.481,- bruto per jaar) ouderdomspensioen, dat een totaal pensioen geeft van € 14.121,- bruto per jaar, wat omgerekend neerkomt op € 982,- netto per maand.

Onderdeel 6 faalt derhalve.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan de beschikking van het hof van 15 juni 2011, p. 2, i.v.m. beschikking van de rechtbank van 5 januari 2010, p. 2, onder 'Feiten', tenzij anders aangegeven.

2 Rov. 6 van de beschikking van de rechtbank van 27 mei 2003.

3 Beschikking van de rechtbank van 5 januari 2010, p. 3.

4 Zie de beschikking van de rechtbank van 5 januari 2010, p. 2.

5 Zie de beschikking van de rechtbank, p. 2-3.

6 Het navolgende is ontleend aan het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek van de vrouw.

7 Vgl. rov. 9 van de beschiking van het hof van 15 juni 2011.

8 Vgl. rov. 15 van de beschikking van het hof.

9 Bijlage bij het inleidend verzoekschrift (prod. 2 bij verzoekschrift in hoger beroep).

10 Het cassatieverzoekschrift is op 2 september 2011 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

11 Art. II van de Wet van 28 april 1994 tot wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding, Stb 1994, 324 (kamerstukken 19 295) zoals gewijzigd bij Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 325 (kamerstukken 22 170).

12 Vaste rechtspraak sinds: HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653, 654 en 655 m.nt. SFMW. Zie tevens HR 5 september 2003, LJN: AF8274, NJ 2003, 618 (hoge motiveringseisen gelden ook in geval van een verlenging met een termijn van elf jaar, zonder verlengingsmogelijkheid). Zie voorts o.m.: Asser/De Boer I* 2010, nr. 633d; S.F.M. Wortmann, Personen- en familierecht (losbl.), art. 1:157 BW, aant. 18, en Koens 2011 (T&C BW), art. 1:157 BW, aant. 4. Zie ook conclusie A-G Verkade (onder 4.3) vóór HR 16 maart 2007, LJN: AZ7907, NJ 2007, 308 m.nt. SFMW, en mijn conclusie (onder 2.5-2.6) vóór HR 27 maart 2009, LJN: BH1986, NJ 2009, 254 m.nt. SFMW.

13 HR 22 september 2000, LJN: AA7206, NJ 2001, 228 m.nt. SFMW; Asser/De Boer I* 2010, nr. 633d (laatste alinea).

14 HR 5 november 2004, LJN: AP9669, NJ 2005, 3; HR 12 mei 2006, LJN: AV6068, NJ 2006, 292.

15 Vgl voor dagvaardingszaken HR 5 november 2010, LJN: BN6196, JBPr 2011, 6 m.nt. RPJLT, rov. 3.4.1.

16 Zie o.m. Beenders 2012 (T&C Rv), art. 150 Rv, aant. 8.

17 Zie voor het partijdebat over de betekenis van het prepensioen: verweerschrift in eerste aanleg, onder 3; verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, onder 9; pleitnota zijdens de man d.d. 24 november 2009, onder 5; verzoekschrift in hoger beroep, onder 11 en 12; verweerschrift in hoger beroep, onder 5.

18 P-v van de zitting voor het hof van 15 december 2010, p. 3. Voor de goede orde merk ik op dat de man de hoogte van het bedrag vervolgens heeft bestreden en daarvan ook bewijs heeft aangeboden. Het incidentele middel bevat echter geen klacht gericht tegen het niet toelaten tot dat bewijs.

19 Zie rov. 15 van de bestreden beschikking van het hof in samenhang met de beschikking van rechtbank in 2003 (rov. 3) en de beschikking van het hof in 2004 (rov. 5); zie voorts het verweerschrift van de vrouw tegen het zelfstandig verzoek van de man, onder 6.

20 Zij leest de klacht van onderdeel 5 enkel als betrekking hebbend op de overweging van het hof in rov. 14 waarin het hof de behoefte van de vrouw heeft beoordeeld en in dat kader geoordeeld heeft dat met de rente op de (verhoogde) hypothecaire geldlening als post rekening mag worden gehouden nu de vrouw naar het oordeel van het hof aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw haar hypothecaire geldlening heeft verhoogd (deels) om de kosten van onderhoud aan haar woning te kunnen voldoen en een al langer bestaande lening af te lossen.

21 Zie p. 4 van de beschikking van de rechtbank van 5 januari 2010, 2e tekstblok.

22 Verzoekschrift in hoger beroep van de vrouw, onder 16 (toelichting op grief 3).

23 Overgelegd bij het inleidende verzoekschrift en bij brief van 29 oktober 2009.

24 P-v zitting voor het hof van 15 december 2010, p. 2, 1e tekstblok.

25 P-v zitting voor het hof van 15 december 2010, p. 5, 7e tekstblok.

26 Bijlage bij het inleidend verzoekschrift.

27 Bijlage bij het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man.

28 Zie de beschikking van de rechtbank van 5 januari 2010, p. 3, laatste tekstblok.

29 Zie de beschikking van de rechtbank van 5 januari 2010, p. 2, derde tekstblok, alsmede het inleidende verzoekschrift van de vrouw, nr. 7 en de daarbij gevoegde bijlagen.

30 Bijgevoegd als bijlage bij het inleidende verzoekschrift van de vrouw, onder 7.