Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY5303

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
11/02291
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY5303
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek. Maatstaf. Tegen de achtergrond van de in het arrest weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van art. 287 Sv en de in de artt. 288a en 289 Sv vervatte regeling m.b.t. de gang van zaken bij het verhoor van getuigen ttz. moet worden aangenomen dat de in art. 287.1 Sv bedoelde vaststelling door de voorzitter welke - al dan niet ex art. 260.4 Sv door de verdachte meegebrachte - personen als getuigen ttz. zijn verschenen, plaatsvindt onmiddellijk nadat de zaak door het OM is voorgedragen en dat art. 287.2 Sv betrekking heeft op die getuigen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de getuige X “later en onaangekondigd ttz. is verschenen”, alsmede dat blijkens het p-v van de tz. in h.b. bij de aanvang van de behandeling van de zaak door de voorzitter is vastgesteld welke personen ttz. waren verschenen en dat door verdachtes raadsman toen niet is medegedeeld dat hij ex art. 260.4 Sv een getuige had meegebracht die hij ex art. 287.2 Sv ttz. wenste te doen horen, geeft ’s Hofs oordeel dat X niet kan worden aangemerkt als “een meegebrachte getuige” - hetgeen verstaan moet worden als een getuige ex art. 287.2 Sv - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Door het verzoek tot het horen van X af te wijzen op de grond dat het Hof dit niet noodzakelijk acht, heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 56
VA 2013/15 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
VA 2014/18
NJB 2013/155
NJ 2013/54
RvdW 2013/127
M.L.C.C. de Bruijn-Lückers annotatie in JIN 2013/14

Conclusie

Nr. 11/02291

Mr. Silvis

Zitting 30 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 4 mei 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "1. mishandeling" en "2. overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 309,- subsidiair zes dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. W.J.E. Hendriks, advocaat te Amsterdam, acht middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof bij het verzoek tot het horen van de meegebrachte getuige een de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd, althans dat de afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk is gemotiveerd.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt voor zover van belang het volgende in:

"(...)

De voorzitter doet de zaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

adres: [adres].

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. W.J.E. Hendriks, advocaat te Amsterdam.

Voorts is ter terechtzitting verschenen [betrokkene 1], die verklaart zich als benadeelde partij in het geding te voegen ter zake van een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van, naar het hof begrijpt, € 309,00.

Als raadsman van de benadeelde partij is ter terechtzitting aanwezig mr. O.M. Karam, advocaat te Amsterdam.

De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Hij zegt dat hij ten onrechte is veroordeeld.

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van dossier in deze strafzaak, waaronder met name al die stukken waarvan in het verkorte arrest en de aanvulling daarop melding is gemaakt.

De verdachte, door de voorzitter met inachtneming van het bepaalde in de desbetreffende artikelen van het Wetboek van Strafvordering ondervraagd, verklaart -zakelijk weergegeven-:.

Op 10 januari 2006 reed ik in een auto in Amsterdam op weg naar mijn vader. Mijn vriend [getuige 1] zat naast mij. Ik had destijds ongeveer anderhalfjaar mijn rijbewijs en had nog niet vaak gereden. Omdat het slachtfeest was, had mijn vader zijn eigen auto nodig om naar familie en vrienden te gaan. Mijn vader heeft daarom een auto gehuurd voor mij, zodat ik ook op bezoek bij familie en vrienden kon gaan. lk reed langs het Rokin en zag dat daar een verkeersregelaar stond. Ik herinner mij dat ik de verkeersregelaar als eerste benaderde. De verkeerssituatie was druk en chaotisch. Toen ik vlak bij de verkeersregelaar was, zag ik dat hij een stopteken gaf. Ik was op dat moment al zo dichtbij, dat ik er vanuit ging dat dit stopteken niet voor mij bedoeld was en ik ben doorgereden. Ik kan mij het stopteken niet precies herinneren, maar het was geen duidelijk stopteken, zoals ik het bij mijn theorie geleerd heb.

De verkeersregelaar stond rechts ten opzichte van de auto. Op het moment dat ik de verkeersregelaar passeerde, zag ik dat hij wegsprong.

Dit bevreemdde mij, dus ik stopte een stukje verderop om te kijken wat er aan de hand was. Ik ging ervan uit dat als het stopteken wel voor mij bedoeld was, de verkeersregelaar mij daar op aan zou spreken. De verkeersregelaar keek mij alleen maar aan en ging vervolgens door met zijn werkzaamheden. Daarna ben ik doorgereden.

Er klopt niets van de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2].

De door hen genoemde verkeersovertredingen heb ik niet gemaakt.

Ook ben ik bij de Dam niet rechtdoor gegaan, maar linksaf geslagen, lk begin mij dan ook af te vragen of [getuige 2] niet een andere auto heeft gevolgd.

Momenteel ben ik bezig met het afronden van mijn universitaire studie.

Ik verwacht hiermee in 2012 klaar te zijn. Ook ben ik bezig met het opzetten van een eigen bedrijf. Als bijbaan verricht ik taxi werkzaamheden in Amsterdam, waar ik tussen de € 800,00 en € 900,00 per maand mee verdien. Ik ben geen onverantwoordelijk persoon en ik vind de aanklachten heel ernstig. Het heeft ook heel veel impact op mijn leven gehad. Allereerst heb ik er mede door deze zaak niet voor gekozen om medicijnen te gaan studeren. Daarnaast is mijn verzoek tot naturalisatie afgewezen. Ondanks dat ik in Nederland ben geboren, kan ik nu toch niet de Nederlandse nationaliteit verkrijgen.

Ook hierdoor ondervind ik veel nadelen.

De raadsman van de verdachte merkt op dat ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij bij de Dam linksaf zijn geslagen. Naar zijn mening kan het dan ook niet anders dan dat getuige [getuige 2] een andere auto moet zijn gevolgd.

(...)

Voorts is ter terechtzitting een persoon, genaamd [getuige 1], verschenen, om als getuige te verklaren in deze zaak. De raadsman verklaart desgevraagd dat hij deze getuige onaangekondigd heeft meegebracht.

Na beraad in de raadkamer en gehoord de advocaat-generaal, deelt de voorzitter vervolgens als beslissing van het hof mede dat genoemde [getuige 1] niet kan worden aangemerkt als een meegebrachte getuige, nu hij later en onaangekondigd ter terechtzitting is verschenen. In dit geval is derhalve bij de beoordeling van de vraag of hij als getuige ter terechtzitting gehoord zal worden het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Het hof acht het horen van [getuige 1] niet relevant voor enige door het hof te nemen beslissing, en acht zulks dus niet noodzakelijk. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

De raadsman van de verdachte merkt op dat hij het niet eens is met deze beslissing. Hij is in de veronderstelling dat het hier wel een meegebrachte getuige betreft, waardoor niet het noodzakelijkheidscriterium, maar het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is."

5. Op grond van art. 260 lid 4 Sv heeft de verdachte het recht om getuigen op de terechtzitting mee te brengen. Een verzoek tot het horen van een meegebrachte getuige kan slechts worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv: kort gezegd indien de gezondheid van de getuige bij het verhoor in het geding is, dan wel redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van de getuige de verdachte in zijn verdediging niet wordt geschaad. De vraag is wanneer sprake is van een meegebrachte getuige. Een ter terechtzitting aanwezige medeverdachte die bereid is te getuigen in de zaak van zijn medeverdachte valt daar, gelet op HR 2 december 2008, LJN BF5691, niet zonder meer onder.

6. Indien de verdediging een getuige op de voet van art. 287, leden 1 en 2 Sv wil horen, zal veelal door de verdediging bij aanvang van de terechtzitting kenbaar worden gemaakt dat de desbetreffende getuige is meegebracht, hetgeen inhoudt dat de verdediging niet alleen duidelijk stelt dat de persoon in kwestie ter zitting aanwezig is (of zal zijn), maar ook dat de persoon bereid is als getuige op te treden. (vgl. HR 1 april 2008, LJN BC6743). De voorzitter stelt immers vast welke getuigen zijn verschenen en is dan per getuige in de gelegenheid te bevelen of deze zich al of niet buiten de zittingzaal zal begeven tot hij zal worden gehoord (art. 286 lid 3 Sv, 288, lid 1 Sv).

7. In casu volgt uit het proces-verbaal van de zitting dat de voorzitter pas na de ondervraging van de verdachte heeft vastgesteld dat 'voorts een persoon, genaamd [getuige 1] is verschenen, om als getuige te verklaren in deze zaak'. Mede in aanmerking genomen dat het Hof vervolgens heeft overwogen dat de getuige 'later en onaangekondigd ter terechtzitting is verschenen' leid ik af dat de verdediging het Hof bij aanvang van de terechtzitting kennelijk niet op de hoogte heeft gesteld van de omstandigheid dat de kennelijk op de publieke tribune toegelaten [getuige 1] een meegebrachte getuige betrof die bereid was als getuige op te treden. Gelet hierop is het Hof kennelijk van oordeel dat deze persoon daarom niet kan worden aangemerkt als een verschenen getuige in de zin van art. 287, tweede lid, Sv.

8. De enkele omstandigheid dat de verdediging verzoekt een aanwezige persoon als getuige te horen, is zoals hiervoor al is gesteld, niet altijd voldoende om deze aan te merken als een "verschenen getuige" in de zin van art. 287 lid 2 Sv. (vgl. HR 2 december 2008, LJN BF5691). Maar geldt dat ook indien het gaat om een zich in het publiek bevindende persoon die niet in een andere processuele hoedanigheid is verschenen die bereid is te getuigen en die door het Hof wordt aangemerkt als "verschenen getuige"? Ik meen dat de wenselijkheid voor de verdediging om een getuige te doen horen af kan hangen van het verloop van het onderzoek ter terechtzitting. Het kan in het belang van de verdediging zijn zich daarover niet bij de opening van de zitting uit te laten. De keerzijde daarvan is wel dat de waarde van een verklaring voor de feitenrechter kan inboeten als de getuige een belangrijk deel van de zitting al heeft bijgewoond. Maar die mogelijke afwaardering hoort niet leidend te zijn voor de te hanteren maatstaf aangaande de beslissing om de getuige al of niet te horen. Ik meen dat het Hof op het verzoek van de verdediging in samenhang met de vaststelling dat de getuige is verschenen om te verklaren, gehouden is de maatstaf van het verdedigingsbelang te hanteren. Het Hof heeft naar mijn mening de onjuiste maatstaf toegepast door slechts te beoordelen of het noodzakelijk is de getuige te horen. Het middel terecht voorgesteld.

9. Het tweede middel klaagt dat de processtukken van het geding in hoger beroep niet volledig zijn. Volgens de steller van het middel ontbreekt een bijlage bij de pleitnota, te weten een uitdraai van de Rijksdienst Wegverkeer van het voertuig waarin de verdachte heeft gereden van 6 november 2009 van de website https://www.rdw.nl/Ovi/Paginas/voertuiggegevens.aspx met daarop een sticker geplakt '[verdachte] park nr [001]'.

10. De hoofdregel van artikel IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad is dat een raadsman die constateert dat de hem toegezonden (afschriften van de) processtukken niet volledig zijn, binnen de termijn van art. 437, tweede lid, Sv aan de rolraadsheer dient te verzoeken om een afschrift van dat ontbrekende stuk (vgl. HR 15 juni 2004, LJN AO8819, NJ 2004, 465 en art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008, Stcrt. 147). In het onderhavige geval heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig de genoemde regeling tijdig, te weten door middel van een op ingekomen verzoek van 26 augustus 2011, bij de rolraadsheer geklaagd over het ontbreken van - onder meer - het betreffende stuk. Bij brief van 9 september 2011 is namens de griffier aan de raadsman gesteld dat het gevraagde stuk niet is aangetroffen in het dossier dat zich bij de Hoge Raad bevindt.

11. Art. IV lid 3 heeft het oog op alle stukken die deel uitmaken van het procesdossier. Daarmee worden dus bedoeld zowel de kernstukken als gedefinieerd in art. IV lid 1 als de overige processtukken (bijv. HR 16 november 2010, LJN BN0036). Volgens de steller van het middel bevat het stuk kenmerken van de auto die de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft bestuurd, waarnaar in appel en in cassatie met betrekking tot het gelijke soort en type van de in de middelen besproken auto en de gevoerde verweren is en wordt verwezen, en betreft het zodoende een essentieel kernstuk. Mijns inziens is evenwel geen sprake van een essentieel kernstuk nu het slechts gaat om een uitdraai van de RDW, die eenvoudig geraadpleegd kan worden via de website https://ovi.rdw.nl/VoertuigDetails.aspx. Anders dan het geval is in HR 15 februari 2005, NJ 2005, 384 en HR 17 november 2009, LJN BJ8566 kunnen de kenmerken van de auto aldus, ondanks het ontbreken van het stuk, eenvoudig worden nagegaan, zodat de Hoge Raad in staat is zijn controlerende taak ten volle uit te oefenen. Het middel is vergeefs voorgesteld.

12. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte een door het AMC afgegeven verklaring tot het bewijs heeft gebezigd nu deze is afgegeven door een verpleegkundige en niet door een arts.

13. Het Hof heeft de bewijsmiddelen 1 tot en met 4 van de rechtbank overgenomen, waaronder: nieuwe alinea:

"3. Een geschrift, zijnde een medische verklaring van het Academisch Centrum d.d. 15 januari 2006 (doorgenummerde pag. 09 e.v.).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

- ribcontusie."

14. In het arrest heeft het Hof naar aanleiding van een dienaangaand gevoerd verweer ten aanzien van het gebruik van deze medische verklaring nog het volgende overwogen:

"Vastgesteld moet worden dat de aangever [betrokkene 1] objectief waarneembaar letsel en/of schade heeft opgelopen door het tenlastegelegde feit. Dit zijn immers delictsbestanddelen van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarvan is hier geen sprake, nu de verklaringen van [betrokkene 1] als onbetrouwbaar van het bewijs dienen te worden uitgesloten en ook overigens geen bewijs voorhanden is dat [betrokkene 1] letsel en/of schade heeft ondervonden, waardoor geen veroordeling op grond van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 kan volgen, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen vaststaat dat [betrokkene 1] pijn heeft ondervonden en letsel heeft opgelopen. [Betrokkene 1] verklaart over het algemeen genomen consistent. Dat hij op bepaalde onderdelen in de verschillende verklaringen op details afwijkt doet hieraan niet af. Deze verklaringen kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt.

Dat de medische verklaring door een arts moet zijn afgegeven, zoals de raadsman heeft gesteld, vindt geen steun in het recht zodat de verklaring van de verpleegkundige, waarin een ribcontusie bij de aangever is vastgesteld, wel degelijk tot het bewijs kan dienen. Dat het slachtoffer pas na vijf dagen naar het ziekenhuis is gegaan, doet aan de betrouwbaarheid van deze medische verklaring niet af."

15. Daargelaten dat uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van aangifte afgeleid kan worden dat aangever kennelijk wel door een arts is onderzocht, nu hij stelt dat de 'de dokter verklaarde dat hij een gekneusde rib had' (bewijsmiddel 1) en de rol van de verpleegkundige zich kennelijk heeft beperkt tot het opmaken van de medische verklaring, merk ik op dat het Hof in de hiervoor weergegeven overwegingen terecht heeft overwogen dat de opvatting dat "een medische verklaring" moet zijn afgegeven door een arts geen steun vindt in het recht en dat een verklaring van een verpleegkundige wel degelijk voor het bewijs gebruikt kan worden. De keuze van het Hof om een dergelijk bewijsmiddel voor het bewijs te bezigen valt binnen de grenzen van de vrijheid van de selectie en waardering die toekomt aan de rechter die over feiten oordeelt. Aldus heeft het Hof de bewezenverklaring van het letsel toereikend gemotiveerd.

16. Het vierde middel klaagt dat het Hof de DVD-opname niet als reconstructie van de aanrijding en zodoende niet als schriftelijk stuk ex artikel 344 lid 1 onder 5 heeft aanvaard.

17. Het Hof heeft ten aanzien van de reconstructie het volgende overwogen:

"De DVD-opname die de raadsman als een reconstructie van het voorval heeft gepresenteerd om aan te tonen dat [betrokkene 1] geen pijn, letsel en/of schade kan hebben ondervonden, voldoet niet aan de minimale eisen waaraan een reconstructie moet voldoen. De verdediging heeft deze reconstructie eigener beweging vervaardigd; het openbaar ministerie is hierbij niet betrokken geweest. De verdediging heeft niet vermeld van welke gegevens hierbij is uitgegaan. Niet is komen vast te staan dat de reconstructie in een vergelijkbare situatie heeft plaatsgevonden als het onder 1 ten laste gelegde feit. De plaats waar de 'reconstructie' is gehouden is niet dezelfde als waar de aanrijding heeft plaatsgevonden. Zo is bij voorbeeld een eventueel hoogteverschil op de rijbaan niet meegenomen. Evenmin is gebruik gemaakt van dezelfde auto als waarmee de verkeersregelaar is aangereden. Een soortgelijke auto is niet voldoende, nu het een feit van algemene bekendheid is dat autospiegels op verschillende wijzen kunnen inklappen. Bij het bepalen van de lengte van de "stand in" van de aangever is gebruik gemaakt van de door de raadsman ter zitting in eerste aanleg geschatte lengte van de aangever, hetgeen eveneens aanleiding kan geven tot onnauwkeurigheden.

Dit leidt tot de slotsom dat bedoelde DVD-opname niet als een reconstructie van de aanrijding kan worden beschouwd."

18. Aldus heeft het Hof uiteengezet dat het de door de verdediging gemaakte reconstructie, niet betrouwbaar acht, nu geen sprake is van zodanig overeenkomende omstandigheden dat de uitkomsten bruikbaar zijn voor het bewijs. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, terwijl het, gelet op de feitenrechter voorbehouden selectie en waarderingsvrijheid, in cassatie niet verder kan worden getoetst.

19. Het vijfde middel klaagt dat het Hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer dat de verklaringen van aangever [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn.

20. Het oordeel van het Hof dat, zoals onder punt 14 is weergegeven, aangever [betrokkene 1] over het algemeen genomen consistent heeft verklaard, dat hieraan niet afdoet dat hij op bepaalde onderdelen in de verschillende verklaringen op details afwijkt en zijn verklaringen dan ook voor het bewijs gebruikt kunnen worden acht ik niet onbegrijpelijk. Hierin ligt immers besloten dat het Hof - ook de door de verdediging aangevoerde discrepanties tussen de verschillende verklaringen in aanmerking genomen - geen reden heeft om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen, terwijl ook dit oordeel gelet op selectie en waarderingsvrijheid van de feitenrechter, in cassatie niet verder kan worden getoetst.

21. Het zesde middel klaagt dat het Hof het verzuim van artikel 126nc Sv in het onderhavige geval relatief gering van ernst heeft geoordeeld en het nadeel dat daardoor voor de verdachte wordt veroorzaakt gering heeft geacht.

22. Het Hof heeft hieromtrent het volgende overwogen:

"Om de identiteit van de nog onbekende dader te achterhalen, zijn er op basis van een kenteken gegevens opgevraagd bij een autoverhuurbedrijf. Deze gegevens zijn niet vrijwillig en uit eigener beweging door het autoverhuurbedrijf afgestaan, hetgeen met zich brengt dat er BOB-bevoegdheden moeten worden ingezet. De gegevens zijn kennelijk op basis van artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering (Sv) opgevraagd. Hiertoe was verbalisant [verbalisant 1] bevoegd. In het verhoor bij de rechtercommissaris verklaarde [verbalisant 1] echter dat hij niet weet wie de gegevens heeft opgevraagd. Nu niet uit het dossier is gebleken en de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] evenmin kan aangeven wie de gegevens heeft opgevraagd, kan niet worden vastgesteld of de gegevens door een bevoegd persoon zijn opgevraagd. De inzet van bevoegdheden moet gezien de wettekst na te gaan zijn. Nu dat in deze zaak niet het geval is, is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Het belang van het geschonden voorschrift is verstrekkend voor de verdachte omdat inbreuk is gemaakt op zijn recht op privacy en zijn recht op family life, beide gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM. De raadsman verzoekt het hof al het uit dit verzuim voortgekomen bewijs uit te sluiten van het te gebruiken bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak kennelijk identificerende gegevens als bedoeld in artikel 126nc Sv zijn opgevraagd bij een autoverhuurbedrijf. Uit het dossier of anderszins blijkt niet door wie de gegevens bij het autoverhuurbedrijf zijn opgevraagd. Nu een en ander in strijd met voornoemd wetsartikel niet schriftelijk is geschied, noch achteraf proces-verbaal daarvan is opgemaakt, kan niet worden vastgesteld of de gegevens door een daartoe bevoegd persoon zijn opgevraagd. Er is dus sprake van een onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de relatief geringe ernst van het verzuim in het onderhavige geval en het geringe nadeel dat daardoor voor de verdachte wordt veroorzaakt, terwijl de verdachte niet in een andere positie is komen te verkeren dan waarin hij verkeerd zou hebben zonder dit vormverzuim, volstaat het hof met de constatering van dit verzuim zonder daaraan (een) rechtsgevolg(en) te verbinden."

23. Op grond van artikel 126nc, eerste lid, Wetboek van Strafvordering mag een opsporingsambtenaar in geval van verdenking van een misdrijf aan degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen dat bepaalde identificerende gegevens -waaronder begrepen naam, adres, woonplaats en postadres- worden verstrekt. Dit betreft een beperkte categorie gegevens die op zichzelf slechts in beperkte mate kan raken aan de persoonlijke levenssfeer en waarvan de vordering niet zeer belastend is voor de derde van wie de gegevens worden gevorderd. Daarom is de bevoegdheid toegekend voor de opsporing van alle misdrijven en kan de bevoegdheid worden uitgeoefend door de opsporingsambtenaar.(1)

24. Nu niet kan worden vastgesteld of de gegevens door een opsporingsambtenaar zijn opgevraagd, is in zoverre sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Gelet op de ernst het belang dat het geschonden voorschrift dient, de relatief geringe ernst van het verzuim in het onderhavige geval en het geringe nadeel dat daardoor voor de verdachte wordt veroorzaakt, volstaat het Hof met de constatering van dit verzuim zonder daaraan (een) rechtsgevolg(en) te verbinden. Bewijsuitsluiting kan als op grond van art. 359a, eerste lid, Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Wat dat laatste betreft geldt dat een schending van het in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces.(2) Gelet hierop en in aanmerking genomen dat hetgeen door de raadsman is aangevoerd niet de gevolgtrekking kan wettigen dat door het optreden van de politie een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, acht ik het oordeel van het Hof dat volstaan kan worden met de constatering van het vormverzuim dan ook niet onbegrijpelijk.

25. Het zevende middel klaagt dat de bewezenverklaring van beide feiten niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

26. Het Hof heeft tan laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"feit 1 :

dat hij op 10 januari 2006 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [betrokkene 1], met een spiegel van een auto, merk Opel, kenteken [AA-00-BB], tegen het bovenlichaam heeft aangereden, waardoor voornoemde [betrokkene 1] letsel heeft bekomen.

feit 2:

dat hij op 10 januari 2006 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, merk Opel, kenteken [AA-00-BB], door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op het Rokin, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander letsel was toegebracht."

27. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat niet blijkt van letsel en dat verdachte ook redelijkerwijs niet had hoeven vermoeden dat daarvan sprake was. Het middel mist mijns inziens feitelijke grondslag. Uit bewijsmiddel 1 kan immers worden afgeleid dat de aangever voelde dat het voertuig hem in zijn linkerzij raakte. Bewijsmiddel 2 houdt in dat opsporingsambtenaar [verbalisant 1] zag dat verdachte de verkeersregelaar heeft aangereden en dat de verkeersregelaar kennelijk door de spiegel van verdachte was geraakt. Bewijsmiddel 3 betreft de medische verklaring dat sprake is van een ribcontusie. In bewijsmiddel 4, de registratieset, wordt de aard van het ongeval omschreven als 'botsing tegen een verkeersregelaar'. Voorts blijkt uit de door het Hof voor het bewijs gebezigde in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte dat hij de verkeersregelaar met zijn linkerautospiegel heeft geraakt.

28. Hieruit kan genoegzaam worden afgeleid dat verdachte de verkeersregelaar met zijn linkerautospiegel heeft aangereden, als gevolg waarvan deze letsel heeft bekomen, hetgeen verdachte wel degelijk redelijkerwijs had kunnen vermoeden, nu het een feit van algemene bekendheid is dat een botsing met een autospiegel tot pijn en letsel kan leiden. De tot het bewijs gebezigde verklaring van aangever vindt voldoende steun in het overige bewijsmateriaal. Dat het daadwerkelijke letsel - de ribcontusie - geen bevestiging vindt in het overige bewijsmateriaal doet hieraan niet af. De eis die is verankerd in het tweede lid van artikel 342 Sv betreft immers de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. Het middel faalt.

29. Het achtste middel klaagt dat de raadsman van het slachtoffer ten onrechte het spreekrecht van het slachtoffer heeft uitgeoefend.

30. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:

"De benadeelde partij, [betrokkene 1], wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en de vordering toe te lichten. De raadsman van de benadeelde partij voert hiertoe aan dat de vordering volledig uit immateriële schade bestaat. [Betrokkene 1] heeft na dit incident van baan moeten veranderen. Hij kon de functie van verkeersregelaar niet meer vervullen, omdat hij het verkeer niet meer durft te regelen. Het voorval heeft veel impact op hem gehad en hij heeft een periode slecht geslapen. Daarnaast heeft hij ook fysieke klachten gehad, waaronder gekneusde ribben."

31. Mijns inziens berust het middel op een onjuiste lezing van hetgeen hiervoor is weergegeven, nu daaruit volgt dat de raadsman namens de benadeelde partij in de gelegenheid is gesteld de vordering toe te lichten en niet, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, om het spreekrecht van het slachtoffer uit te oefenen. Aldus faalt het middel.

32. Het eerste middel slaagt. De overige voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

33. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II, 2003/04, 29 441, nr. 3, p. 7.

2 Vgl. HR 7 juli 2009, LJN BH8889, NJ 2009, 399.