Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY5219

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
11/00186
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY5219
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/130

Conclusie

Nr. 11/00186

Mr. Silvis

Zitting: 30 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Verdachte is bij arrest van 28 december 2010 door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens "medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een werkstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over 's Hofs afwijzing van een door de raadsman van de verdachte gedaan aanhoudingsverzoek.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 14 december 2010 houdt met betrekking tot bedoelde aanhoudingsverzoek het volgende in:

"De raadsman voert omtrent de afwezigheid van verdachte ter terechtzitting als volgt het woord - zakelijk weergegeven -:

Ik heb op 8 december 2010 telefonisch contact gehad met mijn cliënt over de zitting van vandaag. Vandaag is er ook een raadkamerzitting in Utrecht, betreffende teruggave van de inbeslaggenomen auto van mijn cliënt. Mijn cliënt heeft ervoor gekozen naar die zitting te gaan en niet naar deze zitting van het hof te gaan. Ik heb eerder verzocht om aanhouding, maar dat verzoek is afgewezen. Ik herhaal hierbij mijn verzoek om aanhouding om mijn cliënt in de gelegenheid te stellen bij de behandeling ter zitting aanwezig te kunnen zijn.

De advocaat-generaal verzet zich tegen aanhouding.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede:

Het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen. Verdachte heeft er zelf voor gekozen een andere zitting, te weten een raadkamerzitting van de rechtbank te Utrecht, bij te wonen. Het hof acht het in het belang van een behoorlijke strafvordering, en dan met name de voortgang van deze strafzaak, dat de zaak vandaag wordt behandeld."

5. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, daaronder het aanwezigheids-recht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de samenleving (HR 26 januari 1999, LJN ZD1314, NJ 1999/294 ).

6. Blijkens de hierboven aangehaalde passage van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aan haar verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegd dat op de dag van de terechtzitting tevens een andere zitting, een raadkamerzitting van de rechtbank te Utrecht, plaatsvond waar de verdachte bij betrokken was en dat hij aan het bijwonen van deze andere zitting de voorkeur heeft gegeven. Ter onderbouwing van zijn afwijzing van het betreffende verzoek heeft het Hof erop gewezen dat, enerzijds, de afwezigheid van de verdachte op de zitting diens eigen keuze betrof en, anderzijds, het belang van een behoorlijke strafvordering zich tegen aanhouding verzette.

7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 december 2011 komt naar voren dat de raadsman niet voor 8 december 2011 met zijn cliënt over deze zitting heeft gesproken. Het gedane aanhoudingsverzoek is dus relatief kort voor de zitting en ter terechtzitting gedaan. Aan de zitting van 14 december 2011 is op 4 augustus 2010 een zitting voorafgegaan. Toen is de behandeling ter terechtzitting aangehouden omdat verdachte wegens autopech niet tijdig ter terechtzitting aanwezig kon zijn. Dat de raadkamerzitting te Utrecht betreffende 'teruggave van een auto' nagenoeg gelijktijdig met de zitting van het Hof plaatsvond, is wel in de cassatieschriftuur gesteld maar niet ter zitting van het Hof naar voren gebracht. Evenmin is naar voren gebracht dat getracht is de raadkamerzitting op een ander tijdstip te laten plaatsvinden. Op deze wijze blijkt niet dat verdachte ter zitting van het Hof aanwezig wilde zijn. Die stelling is ook door de raadsman niet met zoveel woorden betrokken. De wens aanwezig te zijn vloeit niet als vanzelfsprekend voort uit een verzoek om aanhouding (HR 5 januari 2010, LJN BK2145, rov 2.4).

8. De omstandigheid dat de verdachte ervoor heeft gekozen bij een andere zitting aanwezig te zijn zonder ervan blijk te (doen) geven tijdig inspanningen te hebben ondernomen om zijn aanwezigheidsrecht te realiseren, maakt dat het Hof ter onderbouwing van zijn afwijzing, gegeven ook een eerdere aanhouding in het belang van verdachte, in dit geval kon volstaan met de verwijzing naar het belang van een behoorlijke strafvordering. 's Hofs afwijzing is derhalve toereikend gemotiveerd.

9. Het voorgestelde middel faalt.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de onder nr. 11-00185 P aanhangige ontnemingszaak tegen de verdachte waarin ik heden eveneens concludeer.