Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY4914

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
12/00513
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY4914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Brandschade; weigering uitkering. Risicoverzwaring, art. 293 K. Algemene voorwaarden verzekeringspolis, meldingsbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/52
JWB 2012/600

Conclusie

12/00513

mr. J. Spier

Zitting 12 oktober 2012 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

N.V. Interpolis Schade, thans Achmea Schadeverzekeringen N.V.

(hierna Interpolis)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan van de navolgende feiten worden uitgegaan.(1)

1.2 [Eiseres] heeft bij Interpolis een Bedrijven Compact Polis (hierna de verzekering) afgesloten. Daarbij is het bedrijfsgebouw aan de [a-straat 1] te [plaats] tegen onder meer brand verzekerd.

1.3 Aan de verzekering is onder andere de volgende clausule omtrent de bestemming van het gebouw verbonden (zie polisvoorwaarden(2) p. 7 onder 006):

"Naast verhuur aan een detailhandel in motorfietsen wordt een gedeelte van het gebouw verhuurd aan een schildersbedrijf (opslag van materiaal en kozijnen) en een gedeelte wordt verhuurd aan een kunstschilder (atelier)."

1.4 Volgens hoofdstuk 8 paragraaf 10 van de toepasselijke Algemene Voorwaarden moet een verandering in bouwaard, bestemming of gebruik van het gebouw zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 14 dagen aan Interpolis worden gemeld op straffe van verval van het recht op schadevergoeding.

1.5 Op 23 mei 2004 is in het bedrijfsgebouw brand ontstaan ten gevolge waarvan dat gebouw en de zich daarin bevindende handelsvoorraad voor een deel zijn verwoest.

1.6 [Eiseres] had de ruimtes op de eerste verdieping van het bedrijfsgebouw verhuurd aan drie huurders: [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Op de begane grond exploiteerde [eiseres] een bedrijf dat zich toelegde op de verkoop van motorfietsen en aanverwante zaken.

1.7 Directeur van [eiseres] is [betrokkene 4].

2. Procesverloop

2.1 [Eiseres] vordert in deze procedure, die aanhangig is gemaakt bij de Rechtbank Breda bij dagvaarding van 23 december 2005, vergoeding van de door haar geleden en volgens haar onder de verzekering gedekte schade als gevolg van de brand. Interpolis heeft uitkering geweigerd waarbij zij zich onder meer heeft beroepen op het onder 1.4 genoemde "meldingsbeding" uit de Algemene Voorwaarden.

2.2.1 De Rechtbank heeft in haar vonnis van 2 januari 2008 het beroep op dat beding als onvoldoende onderbouwd verworpen. De Rechtbank overwoog daartoe - in 's Hofs samenvatting(3) - dat voor een geslaagd beroep op risicoverzwaring in de zin van het beding bekendheid van [eiseres] met de risicovergrotende omstandigheid is vereist. Tegenover de betwisting door [eiseres] heeft Interpolis onvoldoende onderbouwd dat [eiseres] op de hoogte was van de exploitatie van een hennepkwekerij in de door [betrokkene 1] gehuurde ruimte en/of van illegale stroomafname. Voor zover Interpolis heeft willen stellen dat [eiseres] hiervan op de hoogte had behoren te zijn, wordt deze stelling verworpen. [Eiseres] heeft niet betwist dat [betrokkene 2] ongeveer twee weken voor de brand [betrokkene 4] had laten weten dat hij, [betrokkene 2], henneplucht had geroken uit de door [betrokkene 1] gehuurde ruimte. [eiseres] heeft echter gesteld dat [betrokkene 4] vervolgens meteen [betrokkene 1] heeft gebeld en dat deze op de vraag of hij een hennepkwekerij had ontkennend heeft geantwoord. Volgens de Rechtbank heeft Interpolis onvoldoende gesteld om te oordelen dat [eiseres] met dit antwoord van [betrokkene 1] geen genoegen had moeten nemen. Bij gebreke van overigens gestelde aanwijzingen voor de aanwezigheid van een hennepkwekerij acht de rechtbank de door [eiseres] genomen maatregelen afdoende.

2.2.2 In haar vonnis van 22 juli 2009 heeft de Rechtbank de vorderingen van [eiseres] toegewezen.

2.3 In hoger beroep heeft het Hof 's Hertogenbosch in zijn arrest van 6 september 2011 de bestreden vonnissen vernietigd en de vorderingen van [eiseres] alsnog afgewezen. Het Hof heeft daartoe, voor zover in cassatie nog van belang, overwogen (met het oog op de bespreking van de klachten heb ik enkele passages gecursiveerd):

"5. Tussen partijen is niet in geschil dat in de door [betrokkene 1] gehuurde ruimte zaken zijn aangetroffen die bij uitstek geschikt zijn voor het inrichten van een hennepkwekerij. De verklaring van [betrokkene 1] dat hij deze zaken drie weken vóór de brand in opslag had voor een vriend is niet aannemelijk in het licht van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3], in onderling verband bezien, waaruit kan worden afgeleid dat zij al (veel) eerder dan die drie weken vóór de brand op de eerste verdieping hennep-/wietlucht hadden geroken. Met de verwerping van de gestelde opslag komt het hof tot het feitelijk vermoeden dat in de door [betrokkene 1] gehuurde ruimte een hennepkwekerij was gevestigd. [Eiseres] wordt niet toegelaten tot tegenbewijs nu tegenover dit vermoeden geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die, indien juist, het vermoeden kunnen ontzenuwen. Het hof houdt het er dus voor dat in het bedrijfsgebouw al eerder dan 14 dagen (de in het beding genoemde termijn) vóór de brand een hennepkwekerij was gevestigd.

6. Het verweer van [eiseres] dat zij niet met deze hennepkwekerij bekend was dan wel redelijkerwijs moest zijn, wordt verworpen. Zo al niet uit de verklaring van [betrokkene 3] van 29 juni 2004 kan worden afgeleid dat deze bekendheid bij [betrokkene 4] bestond, kan het gezien de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van 10, respectievelijk 18 juni 2004 niet anders zijn dan dat ook [betrokkene 4] de henneplucht op de eerste verdieping heeft geroken, te meer waar hij volgens zijn schriftelijke verklaring (...) ook zelf spullen op die verdieping had opgeslagen en daar ook kwam. [Betrokkene 4], directeur/eigenaar van [eiseres] (...) en daarmee [eiseres], had vervolgens behoren te begrijpen dat op die verdieping een hennepkwekerij was gevestigd. Zo nodig had zij de aanwezigheid van de hennepkwekerij kunnen vaststellen door in de ruimte van [betrokkene 1] nader onderzoek te doen. Volgens de verklaring van [betrokkene 1] zat er geen slot op de deur die toegang gaf tot het achterste deel van die ruimte. Door de hennepkwekerij niet bij Interpolis te melden heeft [eiseres] de meldingsplicht in het beding geschonden. Nu er als gesteld voldoende aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van een hennepkwekerij had [betrokkene 4] niet mogen volstaan met zijn telefonische verzoek aan [betrokkene 1] om inlichtingen en had hij zeker geen genoegen mogen nemen me diens ontkennend antwoord.

7. Het hof deelt niet het standpunt van [eiseres] dat geen sprake was van een "wezenlijk, duidelijk sprekend geval" van wijziging van het gebruik die het risico van brand vergroot. Het ging hier om een, kennelijk illegale, hennepkwekerij. Het is algemeen bekend dat er dan een aanmerkelijk grotere kans op brand bestaat omdat voor een dergelijke kwekerij veel elektrische stroom nodig is waarop de bestaande elektrische installatie niet is berekend. Daarbij komt dat voor het illegaal afnemen van die vele stroom soms brandgevaarlijke elektrische voorzieningen worden getroffen.

8. Een onderzoek ter beantwoording van de vraag in hoeverre de wijze van inrichting van de elektrische voorziening in het bedrijfsgebouw daadwerkelijk het risico op brand heeft vergroot kan achterwege blijven. Ook is voor een beroep op het beding geen voorwaarde dat er oorzakelijk verband bestaat tussen het gewijzigde gebruik en de brand. Bij het beding gaat het erom dat de verzekeraar wordt gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat het gedekte risico, in dit geval brand, zich eerder zal kunnen verwezenlijken dan zij heeft aangenomen toen zij het te verzekeren risico schatte en daarop de premie afstemde.

9. Grief I treft dus doel. De overige grieven van Interpolis behoeven geen bespreking meer. De grieven III en IV hebben overigens geen zelfstandige betekenis. Nu het beroep op het beding in hoofdstuk 8 paragraaf 10 van de polisvoorwaarden gegrond is, is Interpolis niet gehouden de schade aan [eiseres] te vergoeden. Met vernietiging van de vonnissen zullen de vorderingen van [eiseres] alsnog worden afgewezen. (...) In het licht van voorgaande overwegingen wordt het bewijsaanbod van [eiseres] als niet ter zake dienend gepasseerd."

2.4 [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Interpolis heeft geconcludeerd tot verwerping. Alleen Interpolis heeft haar stellingen schriftelijk toegelicht.

3. Bespreking van het middel

3.1 Het cassatieberoep is gericht tegen de rov. 5-9 van het bestreden arrest. Het middel, dat in een groot aantal niet gemakkelijk te bevatten klachten uitwaaiert, voert - samengevat - aan dat het Hof de "door hem gebezigde bewijsmiddelen [denatureert] en passeert of negeert hetgeen [eiseres] bij memorie van antwoord ten verwere heeft aangevoerd" (onderdeel 2; de onderdelen 1 en 3 behelzen geen (zelfstandige) klacht). De subonderdelen 2.1 - 2.15 werken de kernklachten nader uit.

3.2 Interpolis is in deze procedure aanvankelijk voor twee ankers gaan liggen: risicoverzwaring in de zin van art. 293 K. (de in casu nog toepasselijke bepaling) en verzaking van de onder 1.4 genoemde, op [eiseres] rustende, mededelingsplicht die wortelt in de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden.

3.3 De Rechtbank heeft beide verweren van Interpolis verworpen. Grief 1 richtte zich tegen de verwerping van het beroep op de onder 1.4 genoemde bepaling. Het Hof heeft de zaak afgedaan door het honoreren van deze grief van Interpolis. Dat het Hof alleen daarover een oordeel velt, blijkt in de eerste plaats uit de eerste twee volzinnen van rov. 9; het blijkt bovendien uit rov. 6 waarin wordt gesproken van "de meldingsplicht in het beding", rov. 8 waar wordt gerept van "dit beding" en rov. 9 waar wordt geconcludeerd dat het beroep op "het beding" gegrond is.

3.4 Subonderdeel 2.1 voert aan dat Interpolis geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de Rechtbank (tussenvonnis 2 januari 2008, rov. 3.9) dat aan één van de vereisten van art. 293 K (oud) niet is voldaan, namelijk het vereiste dat geen sprake is van een wezenlijke bestemmingswijziging van het gebouw, aan welke omstandigheid het Hof voorbij zou zijn gegaan.

3.5.1 Deze klacht mist belang omdat het Hof zijn oordeel, als gezegd, niet baseert op art. 293 K. Daarom bestond er voor het Hof geen aanleiding in te gaan op "dit betoog vanuit [eiseres]".

3.5.2 Ten overvloede: art. 293 K. spreekt niet van een wezenlijke verandering. Ingevolge de rechtspraak van Uw Raad kan deze bepaling evenwel slechts met vrucht worden ingeroepen als sprake is van een duidelijk sprekend geval.(4) In het arrest Populierendreef/Nationale Nederlanden eist Uw Raad klaarblijkelijk dat sprake is van een wezenlijke bestemmingswijziging.(5)

3.6 Ik veroorloof me nog kort bij art. 293 K. (oud) te verwijlen omdat de onderhavige zaak zowel uit feitelijk als uit juridisch oogpunt een opmerkelijke overeenkomst vertoont met het arrest Van den Berg/Interpolis.(6) Het Hof had in die zaak op basis van vergelijkbare omstandigheden geoordeeld dat sprake was van een duidelijk sprekend geval van bestemmingswijziging waardoor de kans op brand aanmerkelijk werd vergroot. De tegen dat oordeel gerichte klachten werden ongegrond bevonden. Voorts benadrukt Uw Raad (andermaal) dat niet vereist is dat de bestemmingswijziging door toedoen of met medeweten van de verzekeringnemer is tot stand gekomen.(7) Bij deze stand van zaken zou ten minste aan twijfel onderhevig zijn of [eiseres] enig belang zou hebben bij een eventuele vernietiging wanneer Interpolis een grief zou hebben gericht tegen verwerping van haar beroep op art. 293 K.; een dergelijke grief heb ik evenwel niet kunnen ontwaren.

3.7 De resterende klachten gaan er, blijkens onderdeel 2.2, kennelijk en in dat geval terecht, vanuit dat 's Hofs oordeel is gesteld in de sleutel van beoordeling van het door Interpolis aan de onder 1.4 genoemde voorwaarde ontleende verweer.

3.8 De subonderdelen 2.3-2.12 kanten zich tegen 's Hofs bewijswaardering.

3.9 Het meest verstrekkend is de in onderdeel 2.10 verpakte klacht dat het Hof [eiseres] had moeten toelaten tot tegenbewijs met betrekking tot haar - volgens het onderdeel - gemotiveerde stelling "dat van een hennepkwekerij geen sprake is geweest". Ook wilde [eiseres], naar ik begrijp, tegenbewijs leveren daarin bestaande dat zij niet bekend was met "een beweerdelijke hennepkwekerij" door het horen van [betrokkene 4] en zijn vrouw als getuigen.

3.10.1 Het mogen leveren van tegenbewijs behoort tot de geloofsartikelen van dit huis. De mogelijkheden voor de feitenrechter om een partij die zodanig bewijs wenst te leveren daarvan te versteken, zijn héél beperkt. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad mag aan het bewijsaanbod ter zake van tegenbewijs niet de eis worden gesteld dat het voldoende gespecificeerd is(8) (wat het onderhavige bewijsaanbod trouwens is). Het oud lid van Uw Raad Asser meent dat de grondslag van deze rechtspraak hierin kan worden gezocht "dat het bij tegenbewijs gaat om bewijs gericht tegen vaststaande feiten, zodat in zoverre het bewijsaanbod altijd voldoende specifiek is en niet als te vaag kan worden gepasseerd."(9)

3.10.2 Eén van die schaarse mogelijkheden om aan een aanbod om tegenbewijs te mogen leveren voorbij te mogen gaan, is het tekortschieten in de stelplicht.(10) Afwezige stellingen lenen zich uiteraard niet voor bewijslevering en losse beweringen die kennelijk uit de lucht zijn gegrepen evenmin. Het Hof is voor dit anker gaan liggen. Dat is in rov. 5 te lezen met betrekking tot het vermoeden dat ter plaatse een hennepkwekerij is gevestigd. Het Hof wil klaarblijkelijk hetzelfde tot uitdrukking brengen met betrekking tot de veronderstelde bekendheid van [eiseres] (rov. 9); ik leid dat laatste af uit "in het licht van voorgaande overwegingen".

3.11 Ter feitelijke stoffering van de hier besproken klacht doet het onderdeel, naar ik begrijp, slechts beroep op de mva onder 5.5 in samenhang met de daar genoemde verklaring van [betrokkene 3].

3.12 In de uitvoerige uiteenzetting in de mva onder 5.5 wordt ontkend dat sprake was van een hennepkwekerij en dat [eiseres] van het bestaan daarvan wist, laat staan meer dan 14 dagen voorafgaand aan de brand. Van een "spectaculair" hoger elektriciteitsgebruik zou geen sprake zijn geweest. Verder analyseert [eiseres] de overgelegde verklaringen waarin hij een aantal inconsistenties ziet en die voor een deel onjuist door Interpolis zouden zijn weergegeven.

3.13 Ter beoordeling van deze klacht heb ik me ambtshalve (het middel gaat er kennelijk van uit dat klachten kunnen volstaan met vage stellingen en dat Raad, Parket en wederpartij zelf maar op zoek moeten gaan naar de bijbehorende stellingen) begeven in lezing van de bij cva en cvr in geding gebrachte verklaringen die in de mva worden behandeld.

3.14.1 Anders dan de mva wil doen geloven, heeft [betrokkene 4] in zijn bij de politie afgelegde en ondertekende verklaring(11) gezegd dat hij twee weken voor de brand door [betrokkene 3] was aangesproken op een henneplucht. De mva wijst er nog op dat [betrokkene 4]s reukorgaan slecht was ontwikkeld; bovendien had hij geen idee hoe hennep ruikt. Na [betrokkene 3]' mededeling heeft hij "meteen" met [betrokkene 5] gebeld die van de prins geen kwaad zei te weten.

3.14.2 [Betrokkene 4] erkent dat hij "bij de huurders de afgelopen maanden [heeft] gezegd dat ik de huur zou verhogen omdat het stroomgebruik was gestegen" "naar aanleiding van de meterstand bij [betrokkene 6]".(12)

3.14.3 [Betrokkene 3] heeft tegen de politie verklaard dat hij af en toe een wietlucht rook maar dat hij er met niemand over heeft gesproken.

3.15.1 Het is moeilijk te beoordelen welke verklaringen geloof verdienen. Dat spreekt eens te meer wanneer wordt bedacht dat kennelijk sprake was van - beleefd uitgedrukt - nogal vage huurtransacties die een aantal betrokkenen blijkbaar liever niet op ordelijke wijze wilde regelen.

3.15.2 Gelukkig ben ik niet geroepen om een oordeel te vellen over de juistheid of geloofwaardigheid van de verklaringen. Dat vergt immers een beoordeling van feitelijke aard en daar gaat de cassatierechter niet over. Uit art. 152 lid 2 Rv. volgt dat de waardering van het bewijs is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt. De feitenrechter is vrij om te bepalen of, en zo ja in hoeverre, hij zich door de gepresenteerde bewijsmiddelen laat overtuigen van de waarheid van de met die bewijsmiddelen te bewijzen feiten.(13) In het bijzonder ten aanzien van de waardering van getuigenbewijs geldt dat de rechter niet verplicht is om te motiveren waarom hij aan de verklaring van een getuige geen geloof hecht of daaraan minder gewicht toekent dan aan die van een of meer andere getuigen.(14) Voor de motivering van een bewijsoordeel geldt wel de hoofdregel dat een rechterlijk oordeel zodanig moet worden gemotiveerd dat het voldoende inzicht verschaft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor partijen en voor anderen controleerbaar en aanvaardbaar te maken.(15) De waardering van het bewijs kan in cassatie niet worden getoetst op juistheid.(16)

3.16.1 Ik keer terug naar de mva onder 5.5 en het daarbij aansluitende bewijsaanbod onder 8.1 (er zou geen hennepinrichting zijn geweest en [eiseres] wist van niets). Met name worden de volgende noten gekraakt:

a. de verschillende verklaringen zijn tegenstrijdig;

b. de getuigen vermoedden slechts dat er een hennepkwekerij was;

c. [eiseres] is door [betrokkene 3] eerst daags voor de brand geïnformeerd en toen is meteen in actie gekomen;

d. [betrokkene 2] rookte wel eens een jointje wat toch een "logische verklaring was voor de mogelijke hennepgeur".

3.16.2 Met uitzondering van de twijfel die wordt gezaaid over de verklaring van [betrokkene 2] tegenover de politie wordt niet bestreden dat de betrokken personen hebben verklaard hetgeen in de in geding gebrachte stukken is genoteerd.

3.17 Het is juist dat de verschillende verklaringen elkaar niet geheel dekken. Ook dat de "getuigen" hebben verklaard er niet zeker van te zijn dat er een hennepkwekerij was. Doorslaggevend acht ik dat niet. Uit de door het Hof genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kon deze - feitelijke - conclusie in alle redelijkheid worden getrokken. [Eiseres] heeft dat weliswaar bestreden, maar zij heeft niets concreets aangevoerd dat in andere richting wijst. Met name heeft zij ook niet bestreden dat er met de elektriciteitsmeter is geknoeid(17) en dat nogal wat goederen zijn aangetroffen die verband houden met een hennepkwekerij. De aanwezigheid van deze goederen tezamen met de waargenomen geur van wiet en het geknoei met de meter leidt tot de uiterst plausibele slotsom dat er al ruim meer dan 14 dagen vóór de brand een hennepkwekerij was. Nu [eiseres] niets nuttigs ter weerlegging hiervan heeft aangevoerd, valt 's Hofs oordeel dat zij in haar stelplicht tekort is geschoten te billijken.

3.18.1 Het is niet anders ten aanzien van de stelling van [eiseres] dat zij haar handen in onschuld wast. De verklaringen wijzen in andere richting. Hetgeen [eiseres] hier tegenover heeft gesteld, is zó ongeloofwaardig dat het niet kan gelden als een stelling die zij mag bewijzen; volstrekt ongeloofwaardige en in genen dele onderbouwde stellingen kunnen immers bezwaarlijk worden aangemerkt als een toereikend verweer.

3.18.2 Integendeel: [eiseres] heeft erkend dat hij twee weken tevoren al is aangesproken op een henneplucht (en niet zoals de mva aanvoert de dag voorafgaand aan de brand); zie onder 3.14.1.

3.18.3 Als waar is dat [betrokkene 4] slecht ruikt, rijst de vraag hoe hij op de hoogte kon zijn van de onder 3.16.1 onder d genoemde omstandigheid.

3.18.4 De onder 3.12 vermelde stelling spoort niet goed met die weergegeven onder 3.14.2. En zo valt er nog wel meer te zeggen. Nodig lijkt me dat niet. 's Hofs beleefdheidshalve niet expliciet uitgeschreven oordeel, waarvan zijn arrest is doordrongen, dat het verweer in de mva onder 5.5 in essentie berust op een samenweefsel van verdichtsels en daarom niet in aanmerking komt voor het leveren van (tegen)bewijs valt te begrijpen. Daarom faalt de klacht.

3.19 Thans resteert nog een batterij klachten over 's Hofs bewijswaardering. De sterren daarvoor staan ongunstig omdat het hier, als gezegd, ingevolge vaste rechtspraak gaat om een materie die zich slechts in zéér beperkte mate leent voor toetsing in cassatie.

3.20 De klachten van de onderdelen 2.3, 2.4, 2.6, 2.8 en de kern van onderdeel 2.12 zijn met het voorafgaande reeds behandeld.

3.21 Bij de beoordeling van de hierna nog te bespreken klachten moet het volgende worden bedacht. Het Hof heeft zijn ampel onderbouwde oordeel gebaseerd op in rov. 4 uitvoerig geciteerde verklaringen van een aantal betrokkenen én klaarblijkelijk eveneens op technische bevindingen van de Biesboer-expert Deudekom en van de technisch-forensisch onderzoeker van de politie Zeeland Groenheide zoals geciteerd in het vonnis in prima van 2 januari 2008 in rov. 3.1 onder f en g. Dat het Hof zijn oordeel mede baseert op de bevindingen van Deudekom en Groenheide blijkt genoegzaam duidelijk uit zijn arrest, zoals reeds vermeld in voetnoot 17. Uit de op verschillende tijdstippen vóór de brand door een aantal betrokkenen waargenomen "henneplucht" leidt het Hof - alleszins voor de hand liggend - af dat de aangetroffen materialen niet slechts voorhanden waren maar ook daadwerkelijk werden ingezet voor het kweken van hennepproducten.

3.22 's Hofs oordeel berust op een feitelijke waardering van de onderscheidene verklaringen en bevindingen. Het is zeker niet onbegrijpelijk. De meeste klachten vinden daarin hun Waterloo. Dat geldt in het bijzonder ook voor onderdeel 2.9. Het moge zijn dat de enkele omstandigheid dat "men een hennep- of wietlucht ruikt als zodanig niets zegt over daadwerkelijke opkweek van planten ter plaatse", maar het Hof grondt zijn oordeel nu juist niet op die "enkele omstandigheid".

3.23 De door onderdeel 2.5 gememoreerde omstandigheid dat [betrokkene 1] zou hebben verklaard dat hij als enige in de ruimte naar binnen kon, ziet eraan voorbij dat het Hof niet meer of anders oordeelt dan dat er volgens de verklaring van [betrokkene 1] geen slot op de deur van de achterste ruimte zat. Dat oordeel is juist nu [betrokkene 1] dat inderdaad heeft verklaard. Het belang van een en ander is intussen heel beperkt omdat deze omstandigheid nauwelijks een rol speelt in 's Hofs oordeel. Ook onderdeel 2.11 en ten dele ook onderdeel 12 lopen op dit een en ander stuk.

3.24 Het onderdeel verwijt het Hof, naar ik begrijp, tevens dat het geen getuigen heeft gehoord. Daartoe was het evenwel niet gehouden omdat het van oordeel was dat de overgelegde verklaringen en rapporten voldoende bewijs opleverden en dat [eiseres] onvoldoende concreets heeft aangevoerd om te kunnen worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.(18)

3.25.1 Voor zover het onderdeel nog aanvoert dat [eiseres] heeft gewezen op mogelijke andere oorzaken is dat op zich juist (cvr onder 9). Zij doet dat in de cvr - niet in het onderdeel - onder verwijzing naar de opvatting van zekere drs Vos. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft [eiseres] evenwel geen rapport of brief van deze Vos overgelegd, laat staan dat ernaar wordt verwezen. Bij die stand van zaken had het Hof m.i. de vrijheid om (ook) deze stelling te passeren, ook al omdat het betoog in de cvr niet uitmunt door duidelijkheid én omdat het bij cvd gemotiveerd is bestreden (onder 10 en 11).

3.25.2 Voor zover nodig teken ik hierbij nog aan dat in de cvr als alternatieve oorzaak wordt genoemd het "omleiden van de meter". Nu, als gezegd, niet goed duidelijk is wat drs Vos te berde heeft gebracht omdat geen schriftelijk stuk van zijn hand is overgelegd, is gissen wat met dit omleiden is bedoeld. Heet meest plausibel is dat sprake is van een omstandigheid die rechtstreeks verband houdt met de bestemmingswijziging waarvan het Hof uitgaat. In dat geval is er wel degelijk een verband tussen brand en bestemmingswijziging als bedoeld onder 1.4. Hoe dat zij, ik zou menen dat het Hof niet gehouden was zich te begeven in allerlei speculaties wanneer de meest gerede partij zich niet geroepen voelt klare wijn te schenken.

3.26.1 Ik lees in het onderdeel niet de klacht dat een causaal verband ontbreekt, dan wel dat het voor Interpolis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was om beroep te doen op de onder 1.4 vermelde clausule (die, als ik het goed zie, niet is overgelegd en waarvan de precieze inhoud niet vaststaat). Het antwoord op deze vragen hangt sterk af van de omstandigheden van het geval en de aard van de betrokken polisbepaling.(19)

3.26.2 In dit verband lijkt goed er nog op te wijzen dat het Hof in rov. 8 uitdrukkelijk heeft overwogen dat een causaal verband niet is vereist. Dat oordeel wordt niet, in elk geval niet met een klacht die aan de daaraan te stellen eisen van duidelijkheid en bepaaldheid voldoet, bestreden.

3.27 Onderdeel 2.7 bouwt ten dele voort op onderdeel 2.5. In zoverre moge ik naar het voorafgaande verwijzen. Verder strekt het ten betoge dat van een hennepkwekerij slechts sprake is als deze "als zodanig is ingericht (dus alles gemonteerd) èn als zodanig in werking is." Dit zou evenwel niet blijken uit de processen-verbaal van politie. Het Hof zou een en ander hebben miskend.

3.28.1 Het onderdeel berust op een miskenning van 's Hofs gedachtegang zoals kort samengevat onder 3.21. De stelling dat van een hennepkwekerij geen sprake is wanneer op enig moment hennepplantjes niet in bloei staan of iets dergelijks is niet juist, laat staan dat 's Hofs anders luidende oordeel onbegrijpelijk zou zijn. Uit de omstandigheid dat de materialen voor de kweek voorhanden waren, dat verschillende personen op in de tijd uiteenlopende tijdstippen voorafgaand aan de brand een bij de kweek behorende lucht hebben geroken én dat met de elektriciteitsmeter is geknoeid, kon het Hof geredelijk afleiden dat van zodanige kwekerij sprake was.

3.28.2 Ten overvloede: het gaat in casu om de vraag of de bestemming is gewijzigd; zie onder 1.4. In dat kader is niet beslissend of de nieuwe bestemming op een concreet moment feitelijk in gebruik is.

3.29 Voor zover onderdeel 2.8 de opvatting wil vertolken dat aan de in een proces-verbaal opgenomen verklaring van een gewezen verdachte geen betekenis toekomt als het niet tot vervolging komt (het onderdeel laat dit in het midden) is die opvatting onjuist. Voor zover nodig valt hierbij nog te bedenken dat [betrokkene 4] zijn verklaring heeft ondertekend.(20)

3.30 De onderdelen 2.13, 2.14 en 3 bouwen voort op de hiervoor besproken klachten. Zij zijn gedoemd hun lot te delen.

3.31 De rode draad in 's Hofs arrest is dat op basis van de in het arrest besproken verklaringen en de bijkomende hiervoor genoemde omstandigheden behoudens tegenbewijs vaststaat dat sprake was van een hennepkwekerij en dat [eiseres] dat wist. De verklaring van [betrokkene 4] acht het Hof ongeloofwaardig. Dat zijn allemaal feitelijke oordelen. Onbegrijpelijk zijn ze zeker niet. Bij die stand van zaken lijkt mij niet erg zinvol om juridisch scherp te gaan slijpen, in welk geval op 's Hofs arrest op onderdelen wel iets valt af te dingen. Met name omdat dit "afdingen" wel mogelijk is, ben ik vrij uitvoerig op de klachten ingegaan.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan het bestreden arrest van het Hof 's-Hertogenbosch van 6 september 2011 onder 1a-f.

2 Overgelegd als productie 7 bij de inleidende dagvaarding.

3 Zie rov. 3.

4 Zie uitvoerig Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons, 7-IX* (2012) nr 514.

5 HR 23 april 2004, LJN AO2777, NJ 2005/259.

6 HR 1 mei 1998, LJN ZC2638, NJ 1998/604.

7 Zie daarover ook M.L. Hendrikse en J.G.J. Rinkes, Risicoverzwaring in het verzekeringsrecht, mon. Privaatrecht 11 p. 73.

8 Zie bijv. HR 10 december 1999, LJN AA3835, NJ 2000/637.

9 Zie Asser, Bewijslastverdeling (2004), nr. 48.

10 O.m. HR 14 november 2003, LJN AK4841, NJ 2005, 269 en HR 19 januari 2009, LJN BG3582, NJ 2009/54; zie ook de s.t. van mr Van Duijvendijk-Brand onder 3.13.

11 Onderdeel van prod. 24 bij cvr.

12 De verklaring is onbegrijpelijk. Met name is onduidelijk waarom de meterstand "bij [betrokkene 6]" reden zou zijn bij andere huurders de huur te verhogen. De eveneens ten overstaan van de politie afgelegde (tweede) verklaring van deze [betrokkene 6] wijkt wezenlijk af van die van [betrokkene 4]; zowel op het punt van de eigen meter als op dat van de door [eiseres] gewenste huurverhoging. De vraag wiens verklaring juist is, laat ik rusten. Ik volsta ermee op te merken dat - volgens een aantal verklaringen - sprake was van een op een aantal punten nogal schimmige situatie.

13 HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74 en HR 6 december 1996, LJN ZC2218, NJ 1997/207.

14 HR 11 februari 1994, LJN ZC1262, NJ 1994/ 651 HJS.

15 HR 16 oktober 1998, LJN ZC2743, NJ 1999/7. Zie ook: T. Hidma, Aspecten van bewijswaardering, in: Amice (Rutgers-bundel), 2005, blz. 149 - 156 (i.h.b. blz. 152).

16 HR 14 december 2001, LJN AD3967, NJ 2002/105 DWFV. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer vóór HR 15 juni 2012, LJN BW 1726, NJ 2012/458 A.F.M. van Mierlo onder 2.6.

17 Dat valt af te leiden uit de door de Rechtbank in rov. 3.1 onder f en g geciteerde rapportages van Biesboer en de forensisch technisch deskundige Groenheide; de door het Hof in rov. 4 geciteerde verklaring van [betrokkene 3] haakt daarop in. In rov. 7 zinspeelt het Hof klaarblijkelijk op deze omstandigheid.

18 Vgl. HR 6 december 1996, LJN ZC2218, NJ 1997/207 rov. 3.7.

19 Zie nader Hendrikse en Rinkes, a.w. nr 6.7 met verdere bronnen.

20 Vgl. andermaal HR 6 december 1996, LJN ZC2218, NJ 1997/207.