Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY4873

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/05284 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY4873
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beslag ex art. 94 Sv. De Rb heeft het klaagschrift van klaagster, strekkende tot teruggave aan haar van een onder X inbeslaggenomen personenauto, gegrond verklaard en de teruggave van de personenauto aan klaagster gelast. HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR NJ 2010/654 m.b.t. de aan te leggen maatstaf. De Rb heeft zich niet uitgelaten over de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, zodat haar beslissing ontoereikend is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/77

Conclusie

Nr. 11/05284 B

Mr. Knigge

Zitting: 23 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 19 juli 2011 het beklag van klaagster ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de teruggave aan klaagster gelast van de personenauto, merk Volkswagen Touareg, kenteken [CC-00-DD].

2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. W.D. de Boer, cassatieberoep ingesteld.(1)

3. De plaatsvervangend officier van justitie te Rotterdam, mr. H.H.J. Knol, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda, heeft namens klaagster het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.

4. Voordat ik aan de bespreking van het middel toekom de volgende opmerking over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De akte rechtsmiddel houdt in dat het cassatieberoep is gericht tegen de beschikking van 9 februari 2011. De vermelding van deze datum berust op een kennelijke misslag. De bestreden beschikking is gegeven op 19 juli 2011, terwijl 9 februari 2011 de dag is waarop het klaagschrift is ingediend. Gelet op het in de akte vermelde raadkamernummer kan er geen twijfel over bestaan tegen welke beschikking het cassatieberoep zich richt.

5. Het middel

5.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank bij haar beslissing een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans haar beslissing ontoereikend dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

5.2. De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"Het standpunt van de klaagster

Namens de klaagster is in raadkamer aangevoerd dat de klaagster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de in beslaggenomen personenauto haar in eigendom toebehoort. Uit het RTL-register (registratie tenaamstelling leasemaatschappijen) blijkt wie de eigenaar/kentekenhouder is van een auto en welke verplichtingen zij hebben ten aanzien van de auto. Dit RTL-register wordt al jaren door zowel de belastingdienst als de RDW geraadpleegd om de eigenaar van de auto te achterhalen voor het opheffen van het beslag. Alleen door justitie wordt dit register niet geraadpleegd om de werkelijke eigenaar van een in beslaggenomen auto te achterhalen. Uit de print van de RDW d.d. 7 oktober 2010 blijkt dat de klaagster de eigenaar is van de in beslaggenomen personenauto onder het kenteken [CC-00-DD]. Zowel de WAM als de houderschapsbelasting worden door de klaagster betaald. Het belang dat de klaagster heeft bij teruggave van de personenauto is dan ook groot. Het klaagschrift dient dan ook gegrond te worden verklaard.

Het standpunt van de belanghebbende

De belanghebbende heeft in raadkamer verklaard dat hij niet de eigenaar is van de in beslaggenomen auto en dat hij zich niet verzet tegen teruggave daarvan aan de klaagster.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tijdens de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer te kennen gegeven dat het Openbaar Ministerie zich verzet tegen teruggave van de personenauto aan de klaagster omdat zij geen recht heeft op het goed.

Beoordeling van de klacht

De rechtbank overweegt als volgt:

In beginsel dienen de in beslaggenomen goederen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 116, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, teruggegeven te worden aan degene onder wie het in beslag is genomen, in dit geval de belanghebbende. Tenzij vast komt te staan dat een derde redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden aangemerkt en deze een beter recht op het inbeslaggenomene heeft.

De rechtbank is van oordeel dat de klaagster, te weten [klaagster], als rechthebbende van de in beslaggenomen auto moet worden aangemerkt. Tijdens de behandeling in raadkamer is gebleken dat de klaagster op 6 juni 2006 de bedoelde auto van [A] B.V. te [plaats] heeft gekocht waardoor de eigendom van de auto door middel van een daartoe bestemde akte aan de klaagster is overgedragen. Uit het leasecontract d.d. 9 juni 2006 blijkt dat de klaagster de auto vanaf 2 juni 2006 aan [A] B.V. heeft geleased, welke vervolgens de auto aan een ander heeft verhuurd c.q. geleased. De eigendom van de klaagster is hiermee niet komen te vervallen. Daarbij komt dat de klaagster blijkens de print van de RDW d.d. 7 oktober 2010 in het RTL-register als eigenaar van de in beslaggenomen personenauto geregistreerd staat. De rechtbank acht teruggave van de in beslaggenomen personenauto aan de klaagster op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord.

De rechtbank zal daarom het klaagschrift gegrond verklaren en de teruggave van de personenauto aan de klaagster gelasten."

5.3. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de officier van justitie bij het onderzoek in raadkamer heeft aangegeven dat bij requisitoir in de strafzaak te zijner tijd de verbeurdverklaring zal worden gevorderd en dat de officier van justitie zich daarmee op het standpunt heeft gesteld dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzette. Verwezen wordt naar tijdens de behandeling in raadkamer overgelegde requisitoiraantekeningen waaruit in de toelichting op het middel wordt geciteerd. De genoemde requisitoiraantekeningen bevinden zich niet in het dossier. Evenmin houdt het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer in dat het woord is gevoerd overeenkomstig dergelijke aantekeningen noch dat deze zijn overgelegd. Ook houdt het proces-verbaal niet in dat de officier voornoemd standpunt heeft ingenomen. Uit door mij ingewonnen inlichtingen bij de Rechtbank volgt dat in deze beklagprocedure geen requisitoiraantekeningen zijn overgelegd.(2) In zoverre mist het middel dus feitelijke grondslag.

5.4. De steller van het middel wijst er terecht op dat de Rechtbank niet heeft vastgesteld op welke grond het beslag is gelegd. Met de steller van het middel meen ik echter dat voldoende duidelijk is dat het hier om een beslag gaat op de voet van art. 94 Sv. De door de Rechtbank aangelegde maatstaf, zoals weergegeven in de onder 5.2 geciteerde overwegingen, wijst daar duidelijk op. Ook kan dit worden afgeleid uit de eerdere beschikking van de Rechtbank met betrekking tot het onderhavige inbeslaggenomen voorwerp. Deze beschikking is als bijlage bij het in deze procedure ingediende klaagschrift gevoegd.

5.5. Het middel klaagt in de eerste plaats dat de Rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

5.6. Het beslissingskader van de Rechtbank luidt in het onderhavige geval als volgt. Eerst dient de Rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Indien dit niet het geval is, dient de Rechtbank te beoordelen of de klaagster, die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.(3)

5.7. De Rechtbank heeft zich niet uitgelaten over de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, maar heeft meteen de tweede vraag beantwoord en geoordeeld dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende op de inbeslaggenomen auto kan worden aangemerkt. Nu is het zo dat de rechter, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden op het klaagschrift dient te beslissen.(4) In deze zaak is blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer door de officier van justitie, voor zover hier van belang, enkel het volgende aangevoerd:

"Primair is klaagster niet ontvankelijk gelet op het arrest van de Hoge Raad. (...)

Subsidiair dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard. Het juridisch eigendom is niet onomstotelijk vast komen te staan."

5.8. De officier van justitie heeft zich niet - althans niet uitdrukkelijk(5) - uitgelaten over de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Een oordeel van de Rechtbank op dit punt was dus vereist. De vraag is of de bestreden beschikking zo zou mogen worden gelezen dat de Rechtbank uit het stilzwijgen van de officier van justitie heeft afgeleid dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet.

5.9. In HR 25 september 2001, LJN AD5966 liet de Rechtbank zich ook niet uit over het belang van strafvordering. A-G Jörg stelde in zijn conclusie voor deze uitspraak dat uit de omstandigheid dat de officier van justitie had geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift mocht worden opgemaakt dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. De Hoge Raad oordeelde echter dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf had gehanteerd (mede) door het achterwege laten van een oordeel over de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Uit HR 9 februari 2010, LJN BK7029 leid ik af dat de Hoge Raad nog steeds eist dat de rechter zich expliciet uitlaat over deze vraag.(6)

5.10. Het middel is derhalve terecht voorgesteld en behoeft voor het overige geen bespreking meer.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot de terug- of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken betreffende [klaagster] met de nummers 11/05282 B, 11/05286 B en 11/05287 B, in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2 Mogelijk hebben de door de steller van het middel geciteerde requisitoiraantekeningen betrekking op de eerdere beklagprocedure ten aanzien van de onderhavige inbeslaggenomen personenauto (die procedure leidde tot een ongegrondverklaring van het beklag).

3 HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8 en 2.11.

4 HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.10.

5 Mogelijk heeft de OvJ met zijn stelling dat het juridisch eigendom niet onomstotelijk vast is komen te staan, tot uitdrukking willen brengen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter zal oordelen dat de auto in de zin van art. 33a Sr "toebehoort" aan de verdachte. In dat geval heeft de OvJ zich op het standpunt gesteld dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet.

6 Ik merk daarbij nog op dat de uitlatingen van de OvJ in deze zaak niet eenduidig zijn (zie de vorige noot). Dat maakt dat er in deze zaak geen reden is om bedoelde eis te relativeren.