Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY4869

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/05143
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3432
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY4869
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/75

Conclusie

Nr. 11/05143

Mr. Vellinga

Zitting: 23 oktober 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 21 december 2010 (nr. 09/02592) - wegens "medeplegen van moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5338,55, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2007 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2007 tot aan de dag der algehele voldoening

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de overweging van het Hof dat het de vrije keuze van de verdachte is geweest om in latere verhoren te reageren op de hem voorgehouden gegevens uit zijn verklaringen afgelegd voorafgaand aan de consultatie door een raadsman, onbegrijpelijk is nu het Hof in het midden heeft gelaten of de raadsman de beschikking had over de processen-verbaal van verhoor van verdachte afgelegd toen hij door verdachte werd geconsulteerd.

4. De processen-verbaal van de terechtzittingen van 9 mei 2011 en 24 oktober 2011 noch de pleitnota in hoger beroep houden in dat door de verdediging is aangevoerd dat de raadsman toen hij door verdachte werd geconsulteerd niet beschikte over de processen-verbaal van de eerdere verhoren van verdachte. Een daarop gebaseerd verweer vergt een onderzoek van feitelijke aard en kan derhalve niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd.

5. Nu niet is aangevoerd dat de raadsman toen hij door verdachte werd geconsulteerd niet beschikte over de processen-verbaal van de eerdere verhoren van verdachte mocht het Hof dit punt in het midden laten.

6. Het middel faalt.

7. Het tweede middel klaagt dat het Hof met de strafmotivering inbreuk maakt op het nemo tenetur-beginsel doordat het Hof de omstandigheid dat verdachte zou hebben verzuimd aangifte tegen zichzelf te doen als strafverzwarende omstandigheid heeft aangemerkt.

8. 's Hofs arrest houdt ten aanzien van de opgelegde straf het volgende in:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, op de omstandigheden waaronder het is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan moord, een misdrijf dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste commune delicten, nu het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is. In reactie hierop kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

De verdachte en [betrokkene 1] hebben zich na gebruik van een grote hoeveelheid alcohol met geweld toegang verschaft tot de woning van het slachtoffer. Zij hebben [slachtoffer], die zich in zijn slaapkamer probeerde te verschansen, fysiek overrompeld en hem op zijn bed gegooid. Vervolgens hebben zij hem samen op gruwelijke en bloederige wijze om het leven gebracht door hem met een mes en een schroevendraaier in totaal dertig steekletsels toe te brengen onder meer in zijn gezicht, hals, nek, borst en rug. Bij het slachtoffer zijn daarnaast letsels geconstateerd aan onder meer handen en voeten die erop duiden dat hij heeft getracht de steken af te weren. Toen het slachtoffer zich niet meer bewoog, hebben zij hem voor dood achtergelaten.

De verdachte heeft zich bovendien na de steekpartij in het geheel niet bekommerd om het slachtoffer en heeft niet, ook niet anoniem, het misdrijf gemeld. Hierdoor heeft een nicht van het slachtoffer de volgende dag, nog voordat de politie ter plaatse was gekomen, het bebloede lichaam van [slachtoffer] zien liggen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte de rechtsorde ernstig geschokt en de nabestaanden groot en onherstelbaar leed toegebracht. Dat laatste blijkt ook uit de in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring.

Het hof acht geen strafverlagende factoren aanwezig.

De psychologische rapportage van prof. dr. Koenraadt d.d. 20 juli 2008 (pag. 13) houdt in dat de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde inzicht in de ongeoorloofdheid en wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde bezat en dat hij evenals de gemiddeld normale mens in staat was zijn wil overeenkomstig dat inzicht te bepalen. Prof. dr. Koenraadt heeft geconcludeerd tot volledige toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De aanvullende rapportage van prof. dr. Koenraadt d.d. 20 september 2011 heeft in die conclusie geen verandering gebracht.

Het hof neemt de conclusie dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is voor het bewezen verklaarde over en legt die ten grondslag aan zijn beslissing. Daarin ligt besloten dat het door de verdachte gestelde misbruik van zijn zus [betrokkene 2] geen grond voor strafvermindering vormt. [betrokkene 2] zelf heeft de verdachte en haar man [betrokkene 1] zelfs dringend verzocht niet naar het slachtoffer toe te gaan om hem iets aan te doen. Het handelen van de verdachte is een extreme vorm van eigenrichting waarop een zware straf passend is.

Ten slotte overweegt het hof dat de verdachte, door zichzelf niet als dader aan te geven bij de politie, ook niet toen hij op 22 maart 2007 werd gehoord als informant over de vraag of hij iets wist omtrent de gewelddadige dood van het slachtoffer (pag. 136), heeft bewerkstelligd dat het misdrijf pas een jaar na de dood van het slachtoffer is opgelost. Door de lange duur van het opsporingsonderzoek is het leed van de nabestaanden verlengd.

Gelet op met name de gruwelijkheid van het feit acht het hof de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden.

De verdachte zal daarom worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren."

9. Het Hof heeft bij de bepaling van de straf meegewogen de omstandigheid dat het leed van de nabestaanden werd verlengd, doordat verdachtes ontkennende houding heeft bijgedragen aan de lange duur van het opsporingsonderzoek. Anders dan het middel wil betekent dit niet dat het Hof als uitgangspunt heeft genomen dat verdachte de plicht had om aangifte te doen. Niettemin blijft de vraag of het bij het bepalen van de straf meewegen van het leed dat is veroorzaakt doordat geen openheid van zaken is gegeven hoewel - zoals in het onderhavige geval - om die openheid was gevraagd, het nemo tenetur-beginsel illusoir maakt.

10. In HR 18 november 1980, NJ 1981, 134 had het Hof bij het bepalen van de straf in aanmerking genomen dat verdachte in het opsporingsonderzoek in gebreke was gebleven ook maar enigszins bevredigende inlichtingen te verstrekken over wat er met het verduisterde geld en de verduisterde goederen was gebeurd. De Hoge Raad overwoog:

"De stelling van het middel - vervat in de daarop gegeven toelichting - dat 's Hofs evenbedoelde overweging, voor zover daaruit blijkt dat het Hof bij de strafoplegging ermee rekening heeft gehouden dat de verdachte ook in het opsporingsonderzoek in gebreke is gebleven inlichtingen te verstrekken als vorenbedoeld, in strijd komt met art. 29 eerste lid Sv, kan niet als juist worden aanvaard.

Het in evengenoemde bepaling neergelegde voorschrift waarborgt weliswaar het recht van de verdachte om vrijelijk en naar eigen inzicht te bepalen of hij al dan niet op de hem door de verhorende rechter of ambtenaar gestelde vragen zal antwoorden, doch behoeft geenszins de rechter ervan te weerhouden om naderhand, wanneer deze bewezen heeft geacht dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, een in gebreke blijven als evenbedoeld bij het bepalen van de op te leggen straf mede in aanmerking te nemen."

11. In HR 18 december 1984, NJ 1985, 358 had het Hof bij de bepaling van de straf de ontkennende houding van verdachte ten aanzien van hetgeen hem werd verweten meegewogen. In cassatie werd geklaagd dat hiermee de strafprocesrechtelijke vrijheid van verdachte zijn eigen proceshouding te bepalen op onaanvaardbare wijze was beïnvloed. De Hoge Raad volgde dat standpunt niet en overwoog:

"Het in het eerste lid van art. 29 Sv bepaalde waarborgt het recht van de verdachte om vrijelijk en naar eigen inzicht te bepalen of hij al dan niet op de hem door de verhorende rechter of ambtenaar gestelde vragen zal antwoorden en hoe de gegeven antwoorden zullen luiden. Deze bepaling noch enige andere rechtsregel behoeft evenwel de rechter ervan te weerhouden om naderhand, wanneer die rechter bewezen heeft geacht dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, bij de strafoplegging te letten op een 'ontkennende opstelling', waaraan dan -in verband met het feit van de bewezenverklaring en de aard van het bewezen verklaarde -een andere betekenis is toe te kennen dan tijdens het proces wanneer het oordeel over de schuld of onschuld van de verdachte nog niet is geveld."(1)

12. Uit deze rechtspraak volgt dat geen rechtsregel eraan in de weg staat bij de strafoplegging in aanmerking te nemen dat het leed bij de nabestaanden is verlengd doordat verdachte door geen openheid van zaken te geven ertoe heeft bijgedragen dat het opsporingsonderzoek lang heeft geduurd. Daarop stuit het middel af.

13. Ten overvloede merk ik op dat het Hof niet in de duur van het opsporingsonderzoek maar met name in de gruwelijkheid van het feit reden gezien om de door de Advocaat-Generaal gevorderde straf op te leggen.

14. Het middel faalt.

15. Het derde middel klaagt over de door het Hof bepaalde ingangsdatum voor de berekening van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan schadevergoeding.

16. Het middel gaat uit van de opvatting dat de wettelijke rente slechts kan worden toegewezen vanaf de dag waarop de benadeelde partij haar vordering voor het eerst ter terechtzitting heeft ingediend. Dit is onjuist. Uit de art. 6:162, eerste lid, BW, 6:119, eerste lid BW en 6:83 aanhef en onder b, BW, in onderling verband beschouwd, vloeit voort dat de wettelijke rente over het als schadevergoeding te betalen bedrag, verschuldigd wegens de vertraagde voldoening daarvan, behoort tot de door het strafbare feit toegebrachte schade waarvoor de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is als bedoeld in art. 36f, tweede lid, Sr. Deze wettelijke rente is zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade is ingetreden - te weten het moment waarop het bewezenverklaarde strafbare feit is gepleegd - tot aan de dag der algehele voldoening (HR 22 mei 2012, LJN BW6214, NJ 2012, 351).(2)

17. Het middel faalt.

18. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voorts HR 27 januari 1987, NJ 1987, 711 waarin het Hof had meegewogen de omstandigheid dat verdachte zich aan een veroordeling in de zaak heeft willen onttrekken en de wijze waarop hij dit heeft willen doen en het middel dat hierover klaagde faalde "omdat geen rechtsregel de rechter verbiedt bij het bepalen van de op te leggen straf mede in aanmerking te nemen de houding, welke de verdachte tijdens het onderzoek heeft aangenomen", alsmede HR 21 oktober 2003, LJN AL3537 waarin het Hof in het nadeel van verdachte rekening had gehouden met zijn proceshouding en volgens de Hoge Raad "geen rechtsregel de rechter [belet] bij de strafoplegging rekening te houden met het ontbreken bij de verdachte van elk besef dat hij verwijtbaar heeft gehandeld". Volgens P.M. Schuyt, Verantwoorde straftoemeting (diss. Nijmegen), 2010, p. 77 staat het meewegen van de weigering om inzicht te geven in het motief van het handelen feitelijk op gespannen voet met het zwijgrecht, maar kan dit worden gerechtvaardigd door de mate van ernst van het feit, mede in het licht van de gevolgen voor bijvoorbeeld het slachtoffer of de nabestaanden. In G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Kluwer 2011, zevende druk, p. 765 wordt bij bovengenoemde rechtspraak de kanttekening gemaakt dat deze rechtspraak niet goed te rijmen is met een volmondige erkenning van het zwijgrecht.

2 Zo ook HR 3 oktober 2006, LJN AW3559 en HR 7 oktober 2008, LJN BD6354, NJ 2008, 541.