Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY4827

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/01445
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY4827
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 184.1 Sr. eist een “krachtens wettelijk voorschrift” gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering (vgl. HR LJN BB4108). De tenlastelegging en bewezenverklaring houden in dat de vordering van de daar genoemde hoofdagenten is gedaan krachtens art. 2.1.1.1. van de APV Deventer. In aanmerking genomen dat deze bepaling niet uitdrukkelijk inhoudt dat de ambtenaar van politie gerechtigd is tot het doen van een vordering als waarvan te dezen sprake is, is de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat de vordering “krachtens wettelijk voorschrift” is gedaan, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/68

Conclusie

Nr. 11/01445

Mr. Knigge

Zitting: 23 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 18 maart 2011 verdachte wegens "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast en belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten" veroordeeld tot een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte hebben mr. H.G. Kuipers en mr. A.C. Huisman, beiden advocaat te Deventer, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof een door de verdediging gevoerd verweer ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen.

4.2. Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 22 september 2008 te Bathmen in de gemeente Deventer, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens artikel 2.1.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Deventer, gedaan door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, regio IJsselland district Zuid en [verbalisant 2], agent van politie, regio IJsselland district Zuid, die waren belast met de uitoefening van enig toezicht en die waren belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaren van hem hadden bevolen afstand te houden in verband met de aanhoudingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], geen gevolg gegeven aan dit bevel."

4.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij opzettelijk een bevel of vordering krachtens artikel 2.1.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) van de gemeente Deventer niet heeft opgevolgd.

(...)

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat artikel 2.1.1.1 APV geen uitdrukkelijke bevoegdheid toekent aan de betrokken ambtenaren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het in artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) beschreven misdrijf vereist een krachtens wettelijk voorschrift gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Het hof overweegt dat artikel 2.1.1.1 van de APV uitdrukkelijk een dergelijke bevoegdheid bevat. Dit artikel houdt een expliciete verplichting voor een ieder in om op bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de door de politieambtenaar aangegeven richting te verwijderen, indien sprake is van de in het tweede lid genoemde situatie, hetgeen in deze zaak aan de orde is. De verplichting om zich te verwijderen impliceert dat de betrokken ambtenaar de bevoegdheid toekomt om te bevelen afstand te houden.

Op grond van het vorenstaande acht het hof bewezen dat het bevel van de betrokken ambtenaren aan de verdachte afstand te houden krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.1.1.1 van de APV, is gedaan."

4.4. Art. 2.1.1.1 lid 2 van de APV van de gemeente Deventer luidde volgens de bestreden uitspraak op 22 september 2008 als volgt:

"Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangegeven richting te verwijderen."

4.5. De bewezenverklaring is toegesneden op art. 184 lid 1 Sr. Deze bepaling eist dat het bevel of de vordering krachtens wettelijk voorschrift wordt gedaan. Het is inmiddels bestendige jurisprudentie dat een dergelijk wettelijk voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering of bevel.(1) Het Hof heeft dit ook niet miskend. Het oordeel van het Hof dat art. 2.1.1.1 APV aan dit vereiste voldoet, geeft echter blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit volgt uit twee recente arresten van de Hoge Raad, waarin het ging om gelijkluidende APV-bepalingen.(2)

5. Het middel slaagt.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 29 januari 2008, LJN BB4108, NJ 2008/206..

2 Zie HR 27 maart 2012, LJN BV6665 en HR 15 mei 2012, LJN BW5164. Vgl. HR 4 september 2012, LJN BX3809.